2. Ruimtelijke onderbouwing BOPA - Prins Hendrikkade voor 8 rijwoningen voor tijdelijke huisvesting studenten
Tekst van het document
Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen worden gestart, wordt voorafgaand daaraan een broedvogelcheck uitgevoerd. Voor vleermuizen geldt dat de werkzaamheden bij voorkeur plaatsvinden tijdens daglicht. Indien dit niet mogelijk is, worden maatregelen getroffen om verstoring door kunstlicht te voorkomen. In de eindsituatie wordt de bestaande ecologische functionaliteit behouden. Aan de voorzijde van de woningen wordt geen buitenverlichting aangebracht. Ook aan de tuinzijde wordt geen verlichting gerealiseerd ter plaatse van de watergangen, zodat verstoring van eventueel aanwezige of passerende fauna wordt voorkomen. Uit de quickscan is daarnaast gebleken dat de otter mogelijk in het plangebied zou kunnen voorkomen. Op basis van het uitgevoerde nader onderzoek (zie bijlage 5) is vastgesteld dat de otter niet aanwezig is. Verdere vervolgstappen of aanvullende maatregelen zijn daarmee niet noodzakelijk. Het uitgevoerde ecologisch onderzoek is actueel en bruikbaar voor de planvorming. Indien bij de realisatie van het plan door het bevoegd gezag wordt verzocht om een actualiteitscontrole, zal voorafgaand aan de start van de bouwwerkzaamheden een ecoloog beoordelen of de feitelijke situatie nog overeenkomt met de uitgangspunten van het onderzoek. Door het treffen van de genoemde voorzorgsmaatregelen wordt voorkomen dat negatieve effecten optreden op beschermde soorten.
Daarmee is geen sprake van een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de Omgevingswet en is het aanvragen van een vergunning niet noodzakelijk. De onderzoeken zijn als bijlage toegevoegd. Conclusie Soortenbescherming vormt geen belemmering voor het project. Er is de mogelijkheid voorzorgsmaatregelen uit te voeren, hiermee is de uitvoerbaarheid van het projectvoornemen niet in het geding.
32/490
5.5
Ecologie: gebiedsbescherming
Algemeen Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Hiermee moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden. Bij de beoordeling kan blijken dat sprake is van Natura 2000-activiteiten: dit zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Deze zijn meestal vergunningplichtig. Wanneer hiervan sprake is dienen deze direct te worden aangevraagd om vroegtijdig te kunnen beoordelen of er sprake is van een Evenwichtige Toedeling Van Functies Aan Locaties. Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Hiervoor gelden instandhoudingsdoelstellingen die ook door De Minister zijn vastgelegd. De instandhouding moet zijn gericht op behoud. Het gaat ook om herstel dat moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk.
Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: aanwezige dier- en plantensoorten; typen natuurlijke habitats; leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie heeft in omgevingsverordening de NNN-gebieden opgenomen.
de
Bijzondere natuurgebieden en landschappen Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
33/490
Toetsing Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden Het projectgebied ligt in een binnenstedelijk gebied op ruime afstand van beschermde natuurgebieden. De ontwikkeling heeft, mede gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten op natuurwaarden die op grotere afstand liggen. Stikstof De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten betreft De Wieden gelegen op circa 2 kilometer. De ontwikkeling en de toename van verkeer zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 6. Uit de berekeningen blijkt dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase uitgesloten. Houtopstanden Buiten de bebouwde kom zijn bomenrijen met meer dan 20 bomen en percelen met bomen en of struiken met een oppervlakte groter dan 10 are, op enkele uitzonderingen na, beschermd. Dit heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland te behouden. Toetsing van eventuele effecten op beschermde houtopstanden is niet aan de orde, omdat er geen bomen worden gekapt.
Conclusie Vanuit het aspect gebiedsbescherming is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6
Luchtkwaliteit
Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. Dit geldt vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Daarnaast dient voor een milieubelastende activiteit, het aanleggen van een wegtunnel, autoweg of een autosnelweg de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Onderzoek is ook niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
34/490
Toetsing De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het volgende toepassingsbereik: de aanleg of wijziging van een autoweg, autosnelweg of tunnel voor het wegverkeer. Daarnaast is de gemeente Meppel niet aangewezen als aandachtsgebied voor stikstofdioxide en fijnstof. Een toets aan de omgevingswaarden voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een afweging van de luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde ontwikkeling plaats te vinden. Aan de hand van de Atlas Leefomgeving is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven: NO2: 10,1 µg/m3 PM10: 19,9 µg/m3 PM2,5: 9,4 µg/m3 De jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Geluid door activiteiten
Algemeen In het omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen en wordt geborgd dat dit geluid aanvaardbaar is door het opnemen van waarden in het omgevingsplan. Bij het toelaten van een tijdelijk gebouw, van maximaal 10 jaar, moet het geluid door activiteiten aanvaardbaar zijn. Bij het toelaten van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw geldt alleen de instructieregel van artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waarbij het geluid van één activiteit aanvaardbaar moet zijn. De overige instructieregels voor geluid door activiteiten uit paragraaf 5.1.4.2 gelden niet (artikel 5.55, lid 2, onder c Bkl). Toetsing Het aan de westzijde van het projectgebied grenzende industrieterrein (Oevers A, B en C, Oude Vaart en Steenwijkerstraatweg) betreft een gezoneerd terrein. Voor het geluidgezoneerde industrieterrein Oevers is nog geen geluidaandachtsgebied met GPP’s (Geluidproductieplafonds) vastgesteld. Zolang deze nog niet zijn vastgesteld geldt nog de Wet geluidhinder. Conform de Wet geluidhinder kan voor nieuwe woningen binnen de geluidzone een hogere waarde van ten hoogste 55 dB(A) worden vastgesteld. Het projectgebied is gelegen binnen de geluidzone van dit industrieterrein. Derhalve is door de omgevingsdienst een geluidsadvies opgesteld waarin tevens een berekening is uitgevoerd.
Het advies is als bijlage 7 toegevoegd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor bijna alle gevels de geluidbelasting als gevolg van het gezoneerde industrieterrein hoger is dan 50 dB(A). De gemeente Meppel stelt dan ook een hogere waarde voor deze woningen vast. Voor enkele woningen bedraagt de geluidbelasting zelfs meer dan 55 dB(A), namelijk maximaal 56 dB(A). Voor deze woningen is het niet mogelijk een hogere waarde vast te stellen. Door de betreffende gevels als 'doof' uit te voeren, is verdere toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet nodig.
35/490
De nieuwe woningen kunnen mogelijk een belemmering zijn vanwege de geluidniveaus veroorzaakt door de individuele bedrijven op het gezoneerde industrieterrein. Van de bedrijven op dit industrieterrein is Constar Betonwaren maatgevend voor de geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe woningen aan de Prins Hendrikkade. Op basis van het akoestisch rapport met rekenmodel en het maatwerkbesluit zijn de geluidniveaus veroorzaakt door Constar op de gevels van de nieuwe woningen beoordeeld. Het maatwerkbesluit met kenmerk Z2020-00011373 d.d. 15 juni 2021 is opgesteld naar aanleiding van de melding Activiteitenbesluit d.d. 16 april 2021. Bij de melding is het akoestisch rapport "Akoestische onderzoeken, J. van den Boschkade 7 te Meppel, Constar Betonwaren BV en Bedrijfsverzamelgebouw" met kenmerk 0466-I-20-A d.d. 3 november 2020 gevoegd. Voor de beoordeling is op basis van het rekenmodel bij het akoestisch rapport van Constar de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen berekend. Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woningen aan de geluidwaarden wordt voldaan. Ook aan de maximale geluidniveaus genoemd in de voorschriften wordt voldaan. Dit betekent dat ten aanzien van het aspect geluid de nieuwe woningen aan de Prins Hendrikkade voor Constar geen extra belemmeringen geven.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de geluidniveaus ter plaatse van de nieuwe woningen binnen de geldende wettelijke normen blijven. Voor de enkele gevels waar de geluidbelasting boven 55 dB(A) uitkomt, wordt de gevel 'doof' uitgevoerd, waardoor toetsing aan de Wet geluidhinder niet langer vereist is. Uit de berekeningen blijkt verder dat de maatgevende activiteiten (Constar Betonwaren) voldoen aan de gestelde voorschriften en maximale geluidniveaus. Hiermee wordt het geluid van de bedrijfsactiviteiten op het industrieterrein voor de toekomstige woningen aanvaardbaar geacht. Vanuit het aspect geluid door activiteiten is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.8
Geluid door wegen en spoorwegen
Algemeen Wanneer een geluidgevoelig object mogelijk wordt gemaakt zal bij vergunningverlening rekening gehouden moeten worden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Dit betekent dat bij het toelaten van een geluidgevoelig object in een geluidaandachtsgebied een belangenafweging zal moeten worden gemaakt en deze goed zal moeten worden gemotiveerd. Daarnaast zal de omgevingsvergunning voor de BOPA erin moeten voorzien dat het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein op geluidgevoelige gebouwen binnen een aandachtsgebied aanvaardbaar is (artikel 5.78s, tweede lid, Bkl). Het geluid op de gevel van een geluidgevoelig object door een weg, spoorweg of industrieterrein is in ieder geval aanvaardbaar indien dit niet hoger is dan de standaardwaarde uit tabel 5.78t van het Bkl (zie onderstaande tabel 3). Daarnaast moet de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op een geluidgevoelig gebouw worden beoordeeld op grond van artikel 5.78s, derde lid, in samenhang met artikel 5.78ac van het Bkl. Tabel 3: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort Geluidbronsoor Standaardwaarde Lden Grenswaarde Lden[dB] Grenswaarde Lden[dB] 2,3 t [dB]
36/490
Provinciale 50 wegen Rijkswegen Gemeenteweg 53 en Waterschapswe gen Lokale 55 spoorwegen Hoofdspoorweg en Industrieterrei 50 Lden/40 Lnight nen
Vaststellen geluidproductieplafonds Aanleg/wijziging wegen/lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds 651
Nieuw geluidgevoelig gebouw
70
70
70
65
60 Lden/50 Lnight
55 Lden/45 Lnight
60
Toetsing De toetsing ten aanzien van het gezoneerde industrieterrein heeft reeds plaatsgevonden in de vorige paragraaf. Het projectgebied ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van een spoor. Deze paragraaf richt zich daarom enkel tot geluid door wegen. De toetsing aan de standaard- en grenswaarden wordt in eerste instantie beperkt/afgebakend door het geluidaandachtsgebied behorend bij een weg. Dit is het gebied waar de standaardwaarde kan worden overschreden. Voor gemeentewegen dient het geluidaandachtsgebied te worden berekend op basis van de uiterlijk in 2026 vast te stellen basisgeluidemissie (BGE). Op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling geldt er overgangsrecht en zijn aan gemeentewegen geluidaandachtsgebieden toegekend op basis van vaste afstanden. Voor de Prins Hendrikstraat geldt een 30 km/uur-regime. Zolang voor deze weg nog geen basiskaart geluidemissie (BGE) is vastgesteld, geldt op grond van het Bkl een voorlopig geluidaandachtsgebied van 100 meter aan weerszijden van de weg. Het projectgebied ligt op kortere afstand en daarmee binnen het geluidaandachtsgebied. De Prins Hendrikkade en de Prins Hendrikstraat zijn relatief rustige wegen met een te verwachten lage verkeersintensiteit. Door de beperkte breedte van de weg en diverse snelheid beperkende maatregelen (middels kruispunten en diverse knikken in de weg) zijn de snelheden relatief laag.
Door het tussenliggende kantoorgebouw van Wvg, welke daarmee als geluidsdempend object fungeert, kan aangenomen worden dat aan de standaardwaarde van 53 db kan worden voldaan. Het geluid door gemeentewegen kan worden beoordeeld als aanvaardbaar. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het geluid door gemeentewegen kan worden beoordeeld als aanvaardbaar.
5.9
37/490
Geur
Algemeen De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92, eerste lid, van het (Bkl). In de Omgevingswet staat dat de overheid bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en 2.4 Ow). Dit is bijvoorbeeld ook cumulatie van geur van bedrijven. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De gemeente moet dus overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit. Of de beste locatie voor een geurgevoelig gebouw. Geur wordt geregeld in § 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor tijdelijke geurgevoelige gebouwen die voor een periode van maximaal 10 jaar zijn toegelaten, gelden niet alle geurregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De rijksinstructieregels voor geur, zoals opgenomen in afdeling 5.4 van het Bkl (onder meer artikel 5.92 en verder), zijn niet van toepassing op deze tijdelijke geurgevoelige gebouwen.Wel moet op grond van artikel 2.1 van de Omgevingswet en het algemene beoordelingskader van het omgevingsplan worden beoordeeld of de geur door een activiteit ter plaatse van geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. De gemeente bepaalt daarbij, binnen de kaders van de Omgevingswet en het Bkl, wat als aanvaardbaar wordt aangemerkt. Toetsing De te realiseren woningen betreffen geurgevoelige objecten conform artikel 5.91 van het Bkl. Er bevinden zich enkele geurveroorzakende bedrijven in de omgeving. Dit zijn De Valk Wekerom (mengvoederfabriek) en Agrifirm (mengvoederfabriek). Voor beide bedrijven is sprake van een bestaande milieuvergunning waarin geurnormen zijn opgenomen ter plaatse van de dichtst bijzijnde aaneengesloten woonbebouwing (de woningen aan het Westeinde): daar mag de uurgemiddelde concentratie van 2 geureenheden (ge) per m3 gedurende niet meer dan 2% (98% onderschrijdingspercentiel) van de tijd (175 uur per jaar) worden overschreden. Tegenwoordig wordt geurhinder uitgedrukt in odeurunits, 1 ouE/m3 komt overeen met 2 ge/m3. De bestaande woningen liggen tussen de bedrijven en de nieuw te bouwen woningen in (die op circa 300 m afstand liggen).
Aangezien de bedrijven in hun bedrijfsvoering reeds zijn afgestemd op bestaande woningen die op kortere afstand zijn gelegen, leidt de realisatie van de nieuw te bouwen woningen niet tot aanvullende beperkingen voor deze bedrijven. Vanuit de ETFAL moet voor het aspect geur eveneens een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen worden onderbouwd. Bij geurgevoelige gebouwen geldt als aanvaardbaar hinderniveau een geurbelasting met een maximum van 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel, in bestaande situaties (= als de geurbelasting als gevolg van de inrichting op de omgeving gelijk blijft of afneemt ten opzichte van de geurbelasting als gevolg van de vergunde activiteiten). Het betreft hier een bestaande situatie (geurbelasting van een bestaand veevoederbedrijf in het bestaande stedelijk gebied van Meppel, waarbij de woningbouw niet verder oprukt richting bedrijf). Op basis van de huidige vergunning van Agrifirm ligt momenteel vrijwel de hele stad Meppel
38/490
binnen de geurcontour van 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel. Ook het plangebied ligt binnen deze contour. Alhoewel dit niet optimaal is, vindt de gemeente Meppel het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen aanvaardbaar, om de volgende redenen: Het gaat om een kleinschalige tijdelijke ontwikkeling voor huisvesting van 48 studenten; De ontwikkeling vindt op behoorlijk grote afstand van het bedrijf plaats (circa 300 m). Vrijwel de hele stad Meppel ligt binnen de geurcontour van 1,4 ouE/m3 als 98-percentiel, waardoor bijna elke woningbouwontwikkeling in bestaand stedelijk gebied binnen deze geurcontour ligt. Het niet toestaan van enige woningbouwontwikkeling binnen de geurcontour is onwenselijk voor de leefbaarheid en de toekomst van de stad Meppel; Reeds decennialang zijn er verschillende veevoederfabrieken in de kern Meppel gevestigd. De bijbehorende geur is karakteristiek voor Meppel; Dit blijkt ook uit de klachtenregistratie van de gemeente: in de periode van de afgelopen twee jaar is voor de gehele gemeente één melding aangetroffen van geurhinder van Agrifirm; Het betreft een beperkte verdichting in het bestaand stedelijk gebied van Meppel.
Deze verdichting draagt bij aan een zorgvuldig ruimtegebruik; Conclusie Door de combinatie van de grote afstand tot de bedrijven, de aanwezigheid van bestaande woningen die dichter bij de geurbronnen zijn gelegen, het lage aantal geurklachten en de historische en karakteristieke stedelijke situatie in Meppel, wordt in het omgevingsplan de geurbelasting op deze geurgevoelige gebouwen als aanvaardbaar beschouwd. Daarmee wordt voldaan aan de vereiste dat in het omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze geurbelasting aanvaardbaar is. Vanuit het aspect geur is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10 Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid omvat de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines . De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw en daarmee een 'kwetsbaar gebouw'. In het project dient de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te worden genomen en rekening gehouden te worden met de aandachtsgebieden van risicobronnen in de omgeving. Verder dient op grond van artikel 5.2 van het Bkl voor de risico's van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening te worden gehouden met het belang van: a. het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan; b. de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en c. de geneeskundige hulpverlening, bedoeld in artikel 1 van die wet. Toetsing De beoogde ontwikkeling betreft woningbouw en daarmee een 'kwetsbaar gebouw'. In het plan dient de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te worden genomen en rekening gehouden te worden met de aandachtsgebieden van risicobronnen in de omgeving.
39/490
Op basis van de gegevens uit de register externe veiligheidsrisico's (REV) in de Atlas voor de leefomgeving zijn de risicobronnen en aandachtsgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Het projectgebied ligt buiten eventuele aandachtsgebieden van risicobronnen. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet aan de orde. Ook maakt dit project geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk. Het project levert daarom geen knelpunten op voor de omgevingsveiligheid. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11 Trilling Algemeen In § 5.1.4.4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen. Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Deze instructieregels gelden niet voor trillingen door doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Gemeenten kunnen in die gevallen zelf bepalen of en zo ja, welke regels zij voor trillingen van activiteiten in het omgevingsplan opnemen in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels van het Bkl zijn overigens wel van toepassing als in het omgevingsplan een trillingaandachtsgebied langs het spoor is vastgelegd. Daarvan is vooralsnog nog geen sprake. Toetsing Woningen zijn trillinggevoelige gebouwen. In de directe omgeving bevinden zich geen functies die trilling veroorzaken. Conclusie Hierdoor vormt het aspect trillingen ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkellocatie.
5.12 Schaduwhinder en windhinder Algemeen Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Toetsing Dit milieuaspect speelt vooral bij hoogbouw. De nieuw te realiseren woningen hebben een maximale hoogte van 10 meter. Gezien de bouwhoogte en de afstand tot de omliggende bebouwing zal het omgevingsaspect schaduwhinder en windhinder geen belemmeringen opleveren.
40/490
Conclusie Vanuit het aspect schaduw- en windhinder is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.13 Cultureel erfgoed Algemeen Onder cultureel erfgoed valt onder andere archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschap. Voorafgaand aan de uitvoering van de plannen wordt onderzoek verricht naar de aanwezigheid van waarden, waarna deze waarden zoveel mogelijk worden betrokken bij de verdere uitwerking van de plannen. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Toetsing Archeologie In het projectgebied is sprake van een middelhoge verwachtingswaarde voor archeologie. Hiervoor is beleid geformuleerd en verwerkt in de regels van het omgevingsplan, waarbij sprake is van een bepaalde mate van bescherming van mogelijke waarden en daaraan gekoppelde onderzoeksplicht.
Wanneer bodemingrepen niet voorkomen kunnen worden, moet bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en/of het graven of dempen van watergangen een onderzoek plaatsvinden. In het projectgebied wordt geen ontwikkeling groter dan 1.000 m2 mogelijk gemaakt. In het kader van een goede bodemkwaliteit voor de toekomstige functie zijn de gronden in het projectgebied reeds gesaneerd tot een diepte van 70 centimeter. De gronden ter plaatse zijn derhalve al zodanig geroerd dat eventueel aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Cultuurhistorie Voor de binnenstad en de centrumschil heeft de gemeente een cultuurhistorische studie laten opstellen. Dit betreft het document 'Cultuurhistorische inventarisatie & waardenstelling binnenstad & centrumschil'. De deelgebieden zijn elk als geheel gewaardeerd, als som van de verschillende aspecten waar cultuurhistorische kwaliteiten uit bestaan. Er worden vier waarderingsniveaus onderscheiden: top-, hoog-, midden- en basiskwaliteit. Deze waarderingsniveaus onderscheiden zich van elkaar op grond van de dichtheid van historische objecten en structuren, het historische en maatschappelijk belang ervan, de gaafheid en zeldzaamheid van de historische objecten en structuren, alsmede de gaafheid van het bebouwingsbeeld en de ruimtelijke kwaliteit ervan.
Het projectgebied ligt in het gebied “Schuttevaerstraat, Concordiastraat”. Een uitsnede van de gebiedenkaart is weergegeven in figuur 4.1. De cultuurhistorische waarden van deze buurt zijn gemiddeld, met als aantekening
41/490
dat: binnen deze buurt de nieuwbouwen aan de Concordiastraat tussen Schuttevaer- haven en Westeinde een cultuur-historische basiswaardering heeft; deze zijn van recente datum het gebouw van het Wellnesscentre Meppel niet bij het gebied ingedeeld is vanwege zijn afwijkende volume en architectuur; deze sluit niettemin direct aan op het gebied en doet afbreuk aan de kwaliteit van de buurt. Het gebied heeft een hoge historisch-maatschappelijke waarde. Het gebied is een goed voorbeeld van een interbellum-uitleg voor de gegoede middenstand, maar hiervan zijn er meerdere. Het gebied heeft niettemin een bijzondere betekenis in de ontwikkelingsgeschiedenis van Meppel. De Schuttevaerhaven heeft een rol gespeeld in de industriële geschiedenis van Meppel, en het Westeinde was al lange tijd een informeel recreatief gebied voor de Meppeler bevolking. De historisch-stedenbouwkundige waarde van deze buurt is basis. De stedenbouwkundige oplossingen zijn verantwoord en kenmerkend voor de ontstaanstijd, maar er is niet gestreefd naar een bijzonder stedenbouwkundig patroon,met monumentale accenten of bijzondere straatprofielen. Ook de ligging aan de Schuttevaerhaven is stedenbouwkundig niet uitgebuit. De architectonische samenhang tussen de interbellum-bebouwing is wel van een hoge historisch-stedenbouwkundige waarde.
De historisch-architectonische waarden in deze buurt zijn gemiddeld, omdat de architectuur verzorgd is en karakteristiek voor interbellum-architectuur in Meppel, maar er hoofdzakelijk sprake is van de sobere, zakelijke variant van het expressionisme van de jaren '30. De resterende industriële gebouwen langs de Prins Hendrikkade zijn van gemiddelde cultuurhistorische waarde. Deze zijn op zichzelf typologisch noch architectonisch van bijzondere waarde, maar vormen niettemin nog de laatste gebouwde verwijzingen van het industriële verleden van deze hoek van de stad. Gaafheid: Het vooroorlogse deel van deze buurt is zeer gaaf bewaard gebleven, zowel in hoofdopzet als in architectonische detaillering. Zeldzaamheid: een dergelijke Interbellumbuurt rondom een haven is een zeldzaamheid in Drenthe. Het projectgebied valt in een gebied met een middenkwaliteit. Hiervoor zijn in het bestemmingsplan geen specifieke cultuurhistorische regels opgenomen. Voor het projectgebied geldt dan ook geen specifieke cultuurhistorische waarde die een bescherming nodig heeft. Naast het gemeentelijk beleid ten aanzien van cultuurhistorie heeft de provincie hier ook beleid in. Voor een beschrijving hiervan wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Het gebied ligt volgens de provinciale verordening binnen het werkingsgebied van cultuurhistorie - Meppel en het laagveen rondom.
In dit werkingsgebied geldt het sturingsniveau ‘betrekken bij’. Hier geldt dat in de motivering een beschrijving van de aanwezige kernkwaliteit opgenomen moet zijn en hoe met de aanwezige kernkwaliteit is omgegaan. De hiervoor opgenomen motivering kan gebruikt worden als motivering. Daarnaast is door architect VOORMOGEN een motivering gemaakt. Deze is als bijlage toegevoegd. Hiermee wordt aangetoond dat in het ontwerp rekening is gehouden met de (cultuurhistorische) kernkwaliteiten van de omgeving.
42/490
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor dit project.
Figuur 4.1 Gebiedenkaart Conclusie Er zijn geen nadelige gevolgen voor de cultuurhistorie in het projectgebied en de omgeving.
5.14 Bodem Algemeen Bij een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de geldende grenswaarden. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende
43/490
maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 Aanvullingsbesluit Bodem); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Aanvullingsbesluit Bodem); Maatwerkregels over het saneren van de bodem in het zinkassengebied De Kempen (paragraaf 2.3.6a.5 Aanvullingsbesluit Bodem). Toetsing Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Wonen is een bodemgevoelige functie. Om die reden is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het beschikbare bodemonderzoek dateert uit 2016 en is opgenomen in bijlage 2. Sinds het uitvoeren van dit onderzoek hebben geen activiteiten plaatsgevonden die tot nieuwe bodemverontreinigingen hebben kunnen leiden.
Daarmee kan worden uitgegaan van een ongewijzigde bodemsituatie en kan nog steeds worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Bij het bodemonderzoek zijn destijds verontreinigingen aangetroffen. De locatie is in 2017 gesaneerd. De resultaten van deze sanering zijn vastgelegd in het rapport “Evaluatierapport; Grondsanering Prins Hendrikkade 1 en 2 te Meppel” (projectnummer 172181/PK, d.d. 10 november 2017) van Mateboer Milieutechniek te Kampen (zie bijlage 3). Uit dit evaluatierapport blijkt dat nagenoeg alle verontreinigingen voldoende zijn verwijderd. Op drie locaties (twee ontgravingswanden en één putbodem) is sprake van een geringe overschrijding van de terugsaneerwaarde. Aan de zuidzijde van de ontgraving van de zink-, arseen-, koper- en asbestverontreiniging heeft geen uitkeuring plaatsgevonden, omdat de ontgraving daar overgaat in open water en het uitvoeren van een controlebemonstering niet mogelijk was. Dit betekent dat ter plaatse geen bevestiging is verkregen over de volledige verwijdering van de verontreiniging aan deze zijde. Het is daarom niet uit te sluiten dat de verontreiniging nog aanwezig is in de waterbodem. De provincie Drenthe heeft op 6 december 2017 ingestemd met het behaalde saneringsresultaat. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Gelet op het uitgevoerde onderzoek, de sanering en het ontbreken van nieuwe verontreinigende activiteiten sinds 2016, vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor het voorgenomen gebruik. Bodemkwaliteitskaart Op de bodemfunctieklassenkaart wordt de ligging van gebieden met de bodemfuncties aangegeven. De bodemfunctieklassenkaart wordt gebruikt voor: het mede bepalen van de kwaliteitseisen waaraan de toe te passen grond moet voldoen; het vaststellen van terugsaneerwaarden bij bodemsaneringen in het kader van de Wet bodembescherming.
44/490
Op basis van artikel 5.89p moet in een omgevingsplan de landbodem in bodemfunctieklassen ingedeeld worden. Bij de indeling in bodemfunctieklassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan de locatie is toegedeeld. De landbodem kan worden ingedeeld in de bodemfunctieklassen Landbouw/natuur, Wonen en Industrie. Voor het projectgebied is de bodemfunctieklasse Wonen van toepassing. Omdat dit project voorziet in woningbouw is de bodemfunctieklasse Wonen nog steeds van toepassing en hoeft daarmee niet aangepast te worden. Op deze manier wordt toepassing gegeven aan de instructieregel uit artikel 5.89p. Conclusie De ontwikkeling vormt voor het milieuaspect bodem geen belemmeringen.
5.15 Water Algemeen Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding; waterkwaliteit, bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning; bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken; waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater, (Industriële) lozingen en of lozing oppervlaktewater. Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn: bescherming van primaire waterkeringen (artikel 5.38 Bkl); behoud waterveiligheid kust (artikel 5.40 Bkl); behoud waterveiligheid grote rivieren (artikel 5.46 Bkl); IJsselmeergebied (artikel 5.49 Bkl). De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan zal de BOPA-activiteit moeten worden getoetst. Mogelijk zijn er ook watergerelateerde instructieregels opgenomen in de provinciale omgevingsverordening waarmee rekening gehouden moet worden.
In de aanvraag zal moeten worden beschreven welke mogelijke gevolgen een BOPA-activiteit heeft voor het aspect water en welke maatregelen zullen worden getroffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken. Als water een belangrijk aspect is voor een BOPA-activiteit wordt geadviseerd om het waterschap te raadplegen. Relevant beleid Het beleid van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) is beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Kadernotitie Stedelijk Water. Daarnaast is de Keur een belangrijk regelstellend instrument
45/490
waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Deze documenten zijn te raadplegen via www.wdodelta.nl. Voor het project is de watertoets ingevuld. Op basis van de aangeleverde informatie heeft het waterschap een wateradvies/uitgangspuntenotitie afgegeven. Deze is als bijlage toegevoegd. Met de uitwerking van het project wordt hier rekening mee gehouden. De relevante onderdelen worden in deze paragraaf toegelicht. Watersysteem Het watersysteem is het samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken. Het is van belang om de aan- en afvoer van voldoende water via het watersysteem te kunnen waarborgen. Daarnaast is het waarborgen van de kwaliteit en ruimte voor water van groot belang. Nabij het plangebied ligt een beperkingengebied van een A-watergang (met een beschermingszone). Binnen deze zone vinden geen ingrepen plaats. Ook is geen sprake van een wijziging aan het watersyteem. Er is geen sprake van graven of dempen. Overbelasting watersysteem Bij kortstondige buien van geringe of enige intensiteit mag hemelwater dat niet lokaal kan worden verwerkt, afgevoerd worden. Dit mag echter niet leiden tot wateroverlast benedenstrooms van het plangebied.
Bij extreme kortstondige buien, verblijft water voor korte tijd op het maaiveld, zonder dat dit tot overlast leidt. De ontwikkelaar dient rekening te houden met de randvoorwaarden die zowel het waterschap als de gemeente stelt aan het voorkomen van wateroverlast. Ontwikkelaar dient rekening te houden met de randvoorwaarden die door de overheid gesteld worden aan: Vasthouden-bergen-afvoeren; Benutten, lokaal verwerken of vertraagd afvoer van hemelwater op percelen en in de openbare ruimte; Gescheiden houden van hemelwater en rioolwater; Capaciteitseisen voor de afvoer van hemelwater; Eisen die aan woningen, andere kwetsbare functies en openbare ruimte worden gesteld ter voorkoming van wateroverlast. Bij het voorkomen van wateroverlast zijn er twee zaken van belang: Voorkomen van overbelasting van het watersysteem en Voorkomen van versnelde afvoer van afstromend hemelwater Het is van belang om overbelasting van het watersysteem te voorkomen. Dit kan worden gerealiseerd door gebiedseigen water daar waar het valt te gebruiken of vast te houden. Hierbij is de voorkeursreeks van toepassing: hergebruik – vasthouden/infiltreren – afvoeren.
Compensatie nieuwbouw grote(re) plannen en uitbreidingslocaties Voor uitbreidingsplannen geldt in de regel dat voor het totale verharde oppervlak binnen het plan waterberging moet worden gerealiseerd ter compensatie van de versnelde afvoer van hemelwater. Daarbij wordt de voorkeursvolgorde vasthouden–bergen–afvoeren gehanteerd.
46/490
Uit de vergelijking tussen de oude en nieuwe situatie blijkt dat het verharde oppervlak (bebouwing, bestrating en terras) in de nieuwe situatie met circa 17 m² afneemt ten opzichte van de bestaande bebouwings- en verhardingsmogelijkheden. Daarnaast verdwijnt circa 320 m² halfverharding en wordt circa 108 m² nieuw wateroppervlak toegevoegd. De totale afvoerdruk op het watersysteem neemt daardoor af en de waterhuishoudkundige situatie verbetert. Hoewel formeel geen aanvullende watercompensatie noodzakelijk is, wordt in de planuitwerking vrijwillig extra waterberging gerealiseerd. Binnen de terreininrichting wordt een wadi opgenomen met een bergingscapaciteit van circa 31 m³, waarmee hemelwater tijdelijk wordt opgevangen en vertraagd kan worden afgevoerd. Daarnaast wordt de Schuttevaerhaven vergroot door de bovenzijde van het talud terug te leggen ten opzichte van de kavelgrens. Hierdoor ontstaat een extra waterbergingsvolume van circa 72 m³ ten opzichte van het gemiddelde waterpeil. De gezamenlijke bergingscapaciteit bedraagt daarmee circa 103 m³, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarde van 0,08 m³ per m² verhard oppervlak (circa 71 m³ benodigd). In een overleg met Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) op 17 september 2025 is bevestigd dat deze aanpak wordt onderschreven.
Het waterschap heeft daarbij aangegeven dat de gehanteerde normen voor waterberging en aanleghoogte een advieskarakter hebben. Omdat de bebouwing kruipruimteloos wordt uitgevoerd, is de gebruikelijke eis van 0,8 m boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) niet van toepassing. Met de voorgestelde maatregelen wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde vasthouden–bergen–afvoeren en is sprake van een verbetering ten opzichte van de bestaande situatie. Bij de verdere planuitwerking vindt afstemming plaats met WDODelta over de exacte uitvoering van de bergingsvoorzieningen. Grondwateroverlast en kwel Aanleghoogte van bebouwing: Voor de aanleghoogte van gebouwen (onderkant vloer begane grond) adviseert het waterschap, ter voorkoming van grondwateroverlast, een aanleghoogte van de vloer van minimaal 80 cm ten opzichte van de GHG. Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kunt u volstaan met een geringere ontwateringsdiepte (verschil grondwaterstand en maaiveld).De beoogde studentenwoningen worden kruipruimteloos uitgevoerd, waardoor kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Daarmee wordt invulling gegeven aan de adviezen van het waterschap en wordt het risico op grondwateroverlast beperkt.
Drempelhoogte gebouw: Om wateroverlast (hemelwater) en schade in woningen en bedrijven te voorkomen, adviseren wij om een drempelhoogte van 30 cm boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager (beneden het maaiveld) gelegen ruimtes zoals kelders, parkeergarages is het noodzakelijk om aandacht te besteden aan het voorkomen van wateroverlast.Ter voorkoming van wateroverlast door afstromend hemelwater wordt bij de bouw een drempelhoogte van circa 30 centimeter boven straatpeil aangehouden. Hiermee wordt voorkomen dat hemelwater kan instromen in de verblijfsruimten. Grondwateroverlast bij bebouwing: In gebieden waar grondwateroverlast op kan treden, adviseren wij de
47/490
volgende voorkeursvolgorde toe te passen: (1) kruipruimte loos bouwen of het (2) ophogen van het plangebied. In het plan wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van grondwateroverlast door te kiezen voor kruipruimteloos bouwen en het behoud van een lichte ophoging van het terrein richting het aangrenzende openbare gebied. Er zijn geen kelders of andere ondergrondse ruimten voorzien. Het waterschap adviseert om, ter onderbouwing van nieuwe ontwikkelingen, inzicht te verkrijgen in de lokale grondwaterstanden. Voor dit project wordt echter uitgegaan van een beperkte invloed op het grondwatersysteem, aangezien de bebouwing kruipruimteloos wordt gerealiseerd en geen ondergrondse constructies worden aangelegd. Een afzonderlijk grondwateronderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Indien bij de verdere planuitwerking aanvullende informatie gewenst is, kan gebruik worden gemaakt van bestaande peilbuizen in of nabij het plangebied. Eventuele meetgegevens van Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta) worden daarbij betrokken. Met deze aanpak wordt op zorgvuldige wijze rekening gehouden met de grondwaterhuishouding, zonder dat aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Locatiekeuze gevoelige gebieden voor wateroverlast Beschermen en handhaven grond- en oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen op de omgeving te voorkomen.
Grondwater - grondwateronttrekking In een nieuw te ontwikkelen gebied verlagen we structureel de waterstanden binnen het gebied niet, na het bouwrijp maken. Op grond van de Waterschapsverordening is een melding aan of vergunning van het waterschap nodig voor grondwateronttrekkingen. Het uitgangspunt is dat de minder risicovolle grondwateronttrekkingen met een melding worden toegestaan en daarmee vrijgesteld zijn van de vergunningplicht. Als niet voldaan kan worden aan de criteria uit de algemene regel uit de waterschapsverordening, blijft het verbod om zonder vergunning grondwater te onttrekken van toepassing. Structurele grondwateronttrekking (vanaf 10 m3/uur) zijn in principe niet gewenst. Van grondwateronttrekking is met dit project geen sprake. Waterkwaliteit Het watersysteem en de waterketen wordt zo ontworpen dat het geen risico's voor de volksgezondheid veroorzaakt en zorgt dat het voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Beleid en regelgeving Het waterschap is verantwoordelijk voor een goede waterkwaliteit van het regionale watersysteem. Voor de borging van waterkwaliteit gelden diverse maatregelen. Voor bepaalde stoffen zijn Europese normen vastgesteld, bijvoorbeeld voor gevaarlijke stoffen zoals lood, cadmium, oplosmiddelen en bestrijdingsmiddelen. Afvoer hemelwater Kwaliteit afvoer hemelwater: 1.
Schoon hemelwater (dakoppervlakken) mag worden afgevoerd naar oppervlaktewater binnen het
48/490
plangebied. 2. Voor overige afvoer en verwerking van hemelwater (vanaf verharding) is het gewenst om dit via een bodempassage te lozen op het oppervlaktewater binnen het plangebied. 3. In alle situaties geldt een voorkeur voor bovengronds afvoeren (zichtbaar). Als dit niet kan is het noodzakelijke voorzieningen te treffen om eventuele foutieve ondergrondse aansluitingen te kunnen vaststellen. Hemelwater wordt vastgehouden alvorens het vertraagd wordt afgevoerd. Het hemelwatersysteem binnen het plan wordt zodanig ingericht dat schoon hemelwater van dakoppervlakken rechtstreeks wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater binnen het plangebied. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater onnodig wordt belast met het rioolstelsel. Het afstromend hemelwater van overige verhardingen, zoals paden en bestrating, wordt via een bodempassage geloosd op het aangrenzende oppervlaktewater. Deze werkwijze bevordert natuurlijke zuivering en infiltratie en voorkomt directe afvoer bij neerslagpieken. Waar mogelijk wordt het hemelwater bovengronds afgevoerd, zodat de afstroom zichtbaar en controleerbaar blijft. Alleen waar dit technisch niet uitvoerbaar is, worden ondergrondse voorzieningen toegepast.
Daarbij wordt geborgd dat foutieve aansluitingen kunnen worden voorkomen of eenvoudig kunnen worden opgespoord.Het hemelwater wordt eerst vastgehouden en vertraagd afgevoerd, onder andere via de wadi en de hergeprofileerde taludzones, zodat het watersysteem niet wordt overbelast en infiltratie in de bodem wordt bevorderd. Om verontreiniging van het watersysteem te voorkomen worden in het ontwerp geen uitlogende (bouw)materialen gebruikt. Verder is er geen sprake van verontreinigd afvalwater als gevolg van deze woningbouwontwikkeling. Het gebruik van onderstaande toepassingen wordt zoveel mogelijk beperkt. Uitloogbare materialen (zoals bijvoorbeeld koper, lood of zink) die een verontreiniging van het oppervlaktewater kunnen veroorzaken; Chemische onkruidbestrijdingsmiddelen; Verduurzaamd hout als oeverbeschoeiing; Stoffen, bijvoorbeeld schoonmaakmiddelen (ook milieuvriendelijke), niet zonder meer rechtstreeks in oppervlaktewater te lozen. Riolering Het waterschap heeft als doel de waterkwaliteit te beschermen door onder andere een doelmatige werking van de rioolwaterzuivering na te streven en de vuillast vanuit riolering naar oppervlaktewater te beperken. Hiervoor is een goede afstemming over aanvoer naar de rioolwaterzuivering en een juiste werking van de riolering noodzakelijk.
Beleid en regelgeving Bij de afvoer van overtollig hemelwater is het landelijk beleid dat bij nieuwe ontwikkelingen het afstromend hemelwater niet naar de rioolwaterzuivering gaat, maar ter plaatse in het milieu komt. Dat kan door infiltratie in de bodem of door berging in het oppervlaktewater. Binnen het project wordt hieraan invulling gegeven door het regenwater te infiltreren in de bodem en deels te bergen in het aangrenzende oppervlaktewater. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursvolgorde vasthouden–bergen–afvoeren en wordt voorkomen dat schoon hemelwater onnodig wordt belast via het rioolstelsel. Voorkeursvolgorde afvoer hemelwater bij nieuwe ontwikkelingen:
49/490
Wij adviseren om, daar waar mogelijk, het hemelwater bovengronds af te voeren en te infiltreren in de bodem. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie met bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Het is noodzakelijk dat de ontwikkelaar de keuze van waterafvoer aan ons voorlegt. Waar mogelijk wordt het hemelwater bovengronds afgevoerd en geïnfiltreerd in de bodem. In de terreininrichting is hiervoor een wadi opgenomen die zorgt voor tijdelijke berging en infiltratie bij hevige neerslag. Wanneer directe infiltratie niet mogelijk is, wordt het hemelwater via een bodempassage geloosd op het aangrenzende oppervlaktewater. Met deze maatregelen wordt het hemelwater op een duurzame en gecontroleerde wijze verwerkt, conform de uitgangspunten van WDODelta en het gemeentelijk beleid. Lozing afvalwater: Voor de lozing van afvalwater (al het water waarvan de initiatiefnemer zich ontdoet) op oppervlaktewater vanuit een woning of een activiteit/inrichting gelden de diverse wetten, besluiten en regels waaronder: 1. Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater gelden lozingsvoorschriften in paragraaf 6.2.4 en 7.2.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Daarnaast is afdeling 4.4 'Lozen van huishoudelijk afvalwater' van de Waterschapsverordening van toepassing. 2. Uitgangspunt is dat het huishoudelijk afvalwater op een gemeentelijk rioolstelsel loost. Indien dit niet mogelijk is, is het nodig om een zuiveringsvoorziening te treffen, die een gelijkwaardig milieubeschermingsniveau biedt. In dit project wordt het huishoudelijk afvalwater van de studentenwoningen aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt dat afvalwater wordt afgevoerd via de gemeentelijke riolering en niet rechtstreeks wordt geloosd op oppervlaktewater.Er zijn geen aanvullende zuiveringsvoorzieningen noodzakelijk, aangezien het bestaande rioolstelsel is ingericht op aansluiting van stedelijke functies en voldoende capaciteit biedt voor de beoogde ontwikkeling. Hiermee wordt volledig voldaan aan de geldende regelgeving voor de lozing van huishoudelijk afvalwater. Gemeentelijk rioleringsbeleid: De gemeente Meppel heeft een zorgplicht voor de doelmatige verwerking en afvoer van hemelwater, afvalwater en grondwater. In het project wordt hieraan voldaan doordat hemelwater en afvalwater gescheiden worden aangeboden op de perceelgrens.
Het hemelwater wordt lokaal verwerkt door infiltratie en berging in het aangrenzende oppervlaktewater, terwijl het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van het Riolering en Water Programma 2023–2028 van de gemeente Meppel. In dit programma is vastgelegd dat bij nieuwe ontwikkelingen wordt gestreefd naar afkoppeling van hemelwater, lokale infiltratie, en een gescheiden afvoersysteem. Met de gekozen inrichting wordt uitvoering gegeven aan deze beleidsdoelen en wordt bijgedragen aan een klimaatbestendig en duurzaam stedelijk watersysteem. Rioolcapaciteit Rioolcapaciteit: De capaciteit van het huidige rioolstelsel kan een aandachtspunt vormen. Bij uitbreiding van het rioolstelsel dient rekening te worden gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze informatie is te vinden in het omgevingsplan. Bij een verandering of aanleg van het rioolsysteem is het nodig om het waterschap in de initiatief fase te betrekken. De capaciteit van het
50/490
bestaande rioolstelsel is in beginsel toereikend voor de beoogde ontwikkeling. De studentenhuisvesting aan de Prins Hendrikkade wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke rioolnetwerk, dat reeds is ingericht op stedelijke functies in dit deel van Meppel. De ontwikkeling leidt niet tot een significante toename van de afvalwaterstroom. Het huishoudelijk afvalwater wordt via een gescheiden stelsel afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het hemelwater wordt lokaal verwerkt door infiltratie en vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater, waardoor de belasting van het rioolstelsel verder wordt beperkt. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van zowel de gemeente Meppel als Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Het rioolsysteem kan de ontwikkeling dan ook zonder aanpassingen verwerken. Conclusie Met inachtneming van de uitgangspuntennotie kan worden geconcludeerd dat het plan op een verantwoorde wijze rekening houdt met de waterhuishoudkundige belangen. Het plan is daarmee vanuit het oogpunt van waterbeheersing aanvaardbaar.
5.16 Duurzaamheid Algemeen Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een BOPA rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Toetsing De te realiseren woningen worden ontwikkeld met duurzaamheid als leidend principe. Het doel is om het project te realiseren binnen het Sheltr concept. Hiermee wordt duurzame, circulaire en hoogwaardige huisvesting gerealiseerd. Het Sheltr concept gaat uit van minder afval en minimale milieubelasting. De woningen worden opgebouwd uit geprefabriceerde elementen, gemaakt van zoveel mogelijk natuurlijke materialen. Bovendien worden de woningen gebouwd zonder gasaansluiting, waardoor ze toekomstbestendig zijn en bijdragen aan de transitie naar duurzame energiebronnen. Conclusie Er is rekening gehouden met het thema duurzaamheid
5.17 Gezondheid Algemeen Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 5.9). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren.Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van
51/490
de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Toetsing Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de gezondheidssituatie. Het project voorziet in een groene en gezonde leefomgeving, wat aansluit bij de ambities van de gemeente Meppel om een veilige, prettige en leefbare omgeving te creëren. Wonen in een groene omgeving bevordert de gezondheid door het verminderen van stress, het stimuleren van fysieke activiteiten, en het verbeteren van de luchtkwaliteit. Het project bevordert gezondheid door groenbuffers en biodiversiteit, natuurlijke waterinfiltratie, en duurzame materialen. Daarnaast wordt geluidsoverlast beperkt en de luchtkwaliteit verbeterd via groene inrichting. Fietsenstallingen en voetgangersvoorzieningen stimuleren actieve mobiliteit, terwijl gemeenschappelijke ruimtes bijdragen aan sociale interactie en welzijn. Deze integrale aanpak creëert een gezonde en veilige leefomgeving voor bewoners. Conclusie Er is rekening gehouden met het thema gezondheid.
5.18 Molenbiotoop Het projectgebied ligt binnen de aanduiding ‘molenbiotoop’ als opgenomen in artikel 7.32 en artikel 7.56 van het Omgevingsplan Meppel. Binnen deze aanduiding geldt dat nieuwe bebouwing geen afbreuk mag doen aan de cultuurhistorische waarde, het zicht op de molen of het functioneren van de molen als werktuig. Daarnaast mag de bouwhoogte niet hoger zijn dan de hoogte van de onderste punt van de verticaal staande wiek, vermeerderd met 1/30 van de afstand tussen het bouwwerk en de molen. De beoogde bebouwing heeft een maximale bouwhoogte van circa 10 meter. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde molen blijft de bouwhoogte ruim binnen de grens die voortvloeit uit de formule van artikel 7.56. De ontwikkeling heeft hierdoor geen negatieve invloed op de windvang en beperkt het zicht op de molen niet. Het plan past qua hoogte, kapvorm en materiaalgebruik binnen het bestaande bebouwingsbeeld van de binnenstad en versterkt de stedelijke structuur zonder afbreuk te doen aan het cultuurhistorisch karakter van de molenbiotoop. Conclusie: het plangebied ligt binnen de molenbiotoop, maar het bouwplan voldoet aan de beoordelingsregels van artikel 7.32 en 7.56. De molen behoudt zijn windvang, zichtbaarheid en cultuurhistorische waarde.
52/490
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal
In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Dit houdt in dat: 1. de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar mag zijn en 2. als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, het kostenverhaal verzekerd moet zijn. Financiële uitvoerbaarheid Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt. De initiatiefnemer realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling financieel uitvoerbaar is. Daarmee is aan de eerste vereiste voldaan Kostenverhaal Indien de bopa nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld. Wie een woning, bedrijfspand of ander gebouw bouwt of verbouwt, moet hiervoor in veel gevallen een bijdrage betalen aan het bevoegd gezag.
Deze bijdrage is onder andere voor de kosten van het opstellen van plannen, het aanleggen van openbare voorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van woningen. De beoogde ontwikkeling is een kostenverhaalplichtige activiteit. Het is verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval het kostenverhaal is verzekerd. Tussen initiatiefnemer en de gemeente wordt een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.