2. Ruimtelijke onderbouwing BOPA - Prins Hendrikkade voor 8 rijwoningen voor tijdelijke huisvesting studenten
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Meppel - Prins Hendrikkade huisvesting studenten Meppel
DATUM IMRO IDN
30-10-2025 NL.IMRO.0119.20241523-0001
PROJECT PROJECTLEIDER OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20241523
AUTEUR STATUS
vastgesteld
Inhoudsopgave
Motivering
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging projectgebied
6
1.3
Procedure
7
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Planvoornemen
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Omgevingsplan - mogelijkheden en strijdigheden
11
2.3
Toekomstige situatie
13
Participatie en ketenpartners
16
3.1
Participatie omgeving
16
3.2
Bestuurlijk vooroverleg
16
Beleidskader en instructieregels
18
4.1
Rijksbeleid en Rijksregels
18
4.2
Provinciaal beleid en verordening
19
4.3
Gemeentelijk beleid
24
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
28
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
28
5.2
Welstand
28
5.3
Verkeer en parkeren
29
5.4
Ecologie: soortenbescherming
31
5.5
Ecologie: gebiedsbescherming
33
5.6
Luchtkwaliteit
34
5.7
Geluid door activiteiten
35
5.8
Geluid door wegen en spoorwegen
36
5.9
Geur
37
5.10
Omgevingsveiligheid
39
5.11
Trilling
40
5.12
Schaduwhinder en windhinder
40
5.13
Cultureel erfgoed
41
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5
3/490
5.14
Bodem
43
5.15
Water
45
5.16
Duurzaamheid
51
5.17
Gezondheid
51
5.18
Molenbiotoop
52
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal
53
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)
54
Bijlagen motivering
55
Bijlage 1
Advies provincie
57
Bijlage 2
Verkennend en nader bodemonderzoek
61
Bijlage 3
Evaluatierapport grondsanering
239
Bijlage 4
Ecologische quickscan
395
Bijlage 5
Nader ecologisch onderzoek
421
Bijlage 6
Stikstofonderzoek
441
Bijlage 7
Geluidsadvies omgevingsdienst
459
Bijlage 8
Cultuurhistorie locatie
465
Bijlage 9
Watertoets
471
Bijlage 10
Uitgangspuntennotitie waterbelang
477
4/490
Motivering
5/490
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Er bestaan al geruime tijd plannen om de voormalige bedrijfslocatie aan de Prins Hendrikkade te Meppel te herontwikkelen. Tot op heden heeft deze herontwikkeling echter slechts gedeeltelijk plaatsgevonden. Uitsluitend op het oostelijk deel van de voormalige bedrijfslocatie is een kantoor gevestigd. Het westelijk deel van de locatie is tot op heden onontwikkeld gebleven. Voor dit westelijke deel heeft zich inmiddels een concreet initiatief aangediend. Het initiatief ziet op het mogelijk maken van huisvestingsgebouwen voor (buitenlandse) studenten van NHL Stenden te Meppel. De ontwikkeling van studentenhuisvesting op deze locatie is noodzakelijk om in te spelen op de toenemende vraag naar (internationale) studentenhuisvesting, waarvoor binnen de kern Meppel momenteel onvoldoende passend aanbod beschikbaar is. Het project betreft concreet de realisatie van acht rijwoningen, verdeeld over twee bouwblokken van vier woningen. Elke woning biedt ruimte aan maximaal zes studenten, waarmee in totaal 48 studenten kunnen worden gehuisvest. De huisvesting is voorzien voor een tijdelijke exploitatieperiode van maximaal tien jaar. De gemeente Meppel heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan dit initiatief.
Juridisch-planologisch wordt de ontwikkeling mogelijk gemaakt door middel van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), waarmee tijdelijk wordt afgeweken van de geldende planologische regeling. Deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld ten behoeve van deze vergunningsaanvraag en toont aan dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
1.2
Ligging projectgebied
Het plangebied ligt ten westen van de historische binnenstad van Meppel, aan de Prins Hendrikkade. Figuur 1.1 toont het kadastrale perceel (gemeente Meppel, sectie A, nummer 9608) waarvan het projectgebied onderdeel uitmaakt. De gronden worden ontsloten via de Prins Hendrikkade.
6/490
Figuur 1.1 Ligging van het projectgebied (Bron: Pdok Viewer)
1.3
Procedure
Reguliere procedure Op deze aanvraag voor een BOPA is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Het college van burgemeester en wethouders dient binnen acht weken op de aanvraag te beslissen. Indien voor de besluitvorming advies met instemming van een ander bestuursorgaan is vereist, wordt deze beslistermijn verlengd met vier weken (artikel 16.16 Omgevingswet). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om de beslistermijn eenmalig met zes weken te verlengen. Bindend advies gemeenteraad De gemeenteraad kan vooraf gevallen aanwijzen waarin een bindend advies is vereist voordat een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kan worden verleend (artikelen 16.15a en 16.15b van de Omgevingswet). Voor gevallen die niet door de gemeenteraad zijn aangewezen, beschikt de raad niet over een adviesrecht. Indien sprake is van een bindend adviesrecht van de gemeenteraad, blijft de beslistermijn ongewijzigd. De voorgenomen ontwikkeling valt binnen de lijst van categorieën waarop het adviesrecht van toepassing is (artikel 16.15a, onder b, Omgevingswet). Het betreft hier de activiteit ‘woningbouw’, waarvoor het adviesrecht geldt bij de toevoeging van meer dan vijf woningen.
Adviesrecht Gedeputeerde Staten Met de advies- en instemmingsbevoegdheid kan de provincie voorkomen dat de gemeente een omgevingsvergunning voor een BOPA verleent als die provinciale belangen doorkruist. Deze bevoegdheid is
7/490
geregeld in artikel 4.25, lid 1, onder g, en lid 3 van het Omgevingsbesluit. Advies en instemming van de provincie is nodig omdat de beoogde ontwikkeling voorziet in een activiteit waarvoor instructieregels zijn gesteld in hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening. Uitzondering hierop is als a. er aantoonbaar vooroverleg over is geweest tussen de diensten van de provincie en de diensten van de gemeente. b. er naar aanleiding van dit vooroverleg een positieve vooroverlegreactie is gegeven door of namens Gedeputeerde Staten, waarbij ook is aangegeven dat het niet nodig is de omgevingsvergunning ter advisering voor te leggen aan Gedeputeerde Staten, en c. de omgevingsvergunning die in procedure wordt gebracht in overeenstemming is met de uitkomsten van het vooroverleg.
1.4
Leeswijzer
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor de ontwikkeling aan de Prins Hendrikkade te Meppel. De opbouw van deze motivering is als volgt: Hoofdstuk 2: Hier wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en de aanwezige bebouwing in het projectgebied. De toekomstige situatie beschrijft het initiatief voor het projectgebied. Ook wordt in dit hoofdstuk ingegaan op de strijdigheden met het omgevingsplan; Hoofdstuk 3: beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden; Hoofdstuk 4: In dit hoofdstuk wordt het project getoetst aan de relevante beleidskaders; Hoofdstuk 5: In dit hoofdstuk wordt het project getoetst aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving; Hoofdstuk 6: de economische haalbaarheid van het project wordt hier besproken; Hoofdstuk 7: In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd dat er sprake is van een ETFAL.
8/490
Hoofdstuk 2 2.1
Planvoornemen
Huidige situatie
2.1.1 Situatie projectgebied In het plangebied was voorheen een bedrijf gevestigd, gelegen op de percelen Prins Hendrikkade 1 en 2. Op het perceel Prins Hendrikkade 1 stond een voormalige bedrijfswoning met een aangebouwd magazijn. Sinds 2001 vinden op deze locatie geen bedrijfsactiviteiten meer plaats. Het voormalige pand aan de Prins Hendrikkade 2 bestond uit een werkplaats met magazijn en werd gebruikt als autogarage. Vanaf 1993 was op dit terrein een automaterialenhandel gevestigd. De voormalige bebouwing op beide percelen is inmiddels gesloopt. Recent heeft WVG Ontwikkeling aan de oostzijde van het plangebied een nieuw kantoor gerealiseerd en hierin haar intrek genomen. Het gedeelte ten westen hiervan, zijnde het projectgebied, betreft op dit moment een braakliggend terrein. Een luchtfoto van de huidige situatie van het projectgebied is weergegeven in figuur 2.1. Op deze luchtfoto is het nieuwe kantoor van WVG Ontwikkeling nog niet weergegeven.
Figuur 2.1
9/490
Luchtfoto huidige situatie projectgebied (Bron: Pdok Viewer)
2.1.2 Omgeving projectgebied Het plangebied ligt ten westen van de historische binnenstad van Meppel, aan de noordzijde van de Schuttevaerhaven. Rondom de Schuttevaerhaven bevinden zich voornamelijk woningen. Ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van het water, ligt het bedrijventerrein Oevers. Op dit bedrijventerrein is zwaardere bedrijvigheid toegestaan, met bedrijven tot en met milieucategorie 3. Het bebouwingsbeeld in de omgeving is zeer gevarieerd. De bebouwing aan het water, aan de Prins Hendrikkade, ten noordoosten van het plangebied, bestaat voornamelijk uit hoogbouw. Op basis van het geldende bestemmingsplan Meppel – Centrumschil is hier bebouwing toegestaan met bouwhoogten variërend van 13 tot 18 meter. Een aanzicht op deze bebouwing is weergegeven in figuur 2.2. De bebouwing rondom de Schuttevaerhaven varieert eveneens. Op grond van het bestemmingsplan Meppel – Centrumschil bedraagt de toegestane bouwhoogte hier 10 tot 11 meter. De woningen aan de Prins Hendrikstraat bestaan afwisselend uit vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen. Het betreft woningen met een lage gootlijn en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Een aanzicht op deze bebouwing is weergegeven in figuur 2.3. Tot slot bevinden zich aan de zuidzijde van de Schuttevaerhaven 18 ruime vrijstaande en geschakelde woningen.
Op basis van het bestemmingsplan Meppel – Centrumschil zijn hier woningen toegestaan met een goothoogte van 9 meter en een bouwhoogte van 11 meter. Een aanzicht op deze bebouwing is weergegeven in figuur 2.4.
Figuur 2.2 de bebouwing aan de Prins Hendrikkade (bron: Google streetview)
10/490
Aanzicht op
Figuur 2.3
Aanzicht op de bebouwing aan de Prins Hendrikstraat (bron: Google streetview)
Figuur 2.4
Aanzicht op de bebouwing aan zuidkant van de haven (bron: Google streetview)
2.2
Omgevingsplan - mogelijkheden en strijdigheden
Voor het projectgebied is het Omgevingsplan gemeente Meppel van toepassing. De planlocatie is gelegen aan de Prins Hendrikkade, binnen het gebied Binnenstad en Centrumschil van de gemeente Meppel. Voor dit deelgebied geldt het Omgevingsplan Meppel, waarin de voormalige bestemmingsplannen zijn samengevoegd en deels zijn vervangen door nieuwe, gebiedsgerichte regels. De regels uit dit omgevingsplan vormen het juridisch-planologische kader voor de beoordeling van de voorgenomen ontwikkeling.Binnen het projectgebied gelden meerdere gebiedsaanwijzingen op grond van hoofdstuk 4 van het omgevingsplan. Het betreft onder meer: aandachtsgebieden voor geluid (industrie en gemeentewegen); beperkingengebieden met de bodemfunctieklasse wonen; bebouwingscontouren voor geur, jacht en houtkap; de zone industrielawaai; en aanwijzingen voor cultureel erfgoed, waaronder de molenbiotoop en gebieden met een verwachting op archeologische monumenten.
11/490
Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met deze gebiedsaanwijzingen en de daarbij behorende toetsingskaders uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Waar relevant wordt hier in hoofdstuk 5 nader op ingegaan. Strijdigheid hoofdstuk 6 gebruiksactiviteiten In hoofdstuk 6 van het omgevingsplan staan de gebruiksactiviteiten. De planlocatie aan de Prins Hendrikkade valt binnen een gebied dat in het Omgevingsplan Meppel is aangewezen voor ‘bedrijfsactiviteiten milieucategorie 1 – toegestaan’. Dit betekent dat de gronden uitsluitend mogen worden gebruikt voor lichte bedrijvigheid, zoals opgenomen in bijlage III van het omgevingsplan (bijvoorbeeld kleine ambachtelijke bedrijven, dienstverlening en zelfstandige kantoren). De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een bedrijfsactiviteit, maar in de realisatie van studentenhuisvesting bestaande uit acht woonunits waarin maximaal zes studenten per woning worden gehuisvest. Deze gebruiksvorm kwalificeert planologisch als wonen in onzelfstandige eenheden (kamergewijze verhuur) en valt niet onder de begripsomschrijving van bedrijfsactiviteiten uit Afdeling 6.5.
Daarmee voldoet het plan niet aan: Artikel 6.29: het toegestane gebruik voor gronden met de aanduiding ‘bedrijfsactiviteiten milieucategorie 1’; Artikel 6.30: de bepaling dat uitsluitend bedrijfsactiviteiten milieucategorie 1 zijn toegestaan; en het plan voorziet evenmin in een bedrijfsfunctie zoals bedoeld in de subparagraaf voor milieucategorie 2. De beoogde studentenhuisvesting is derhalve in strijd met het omgevingsplan, omdat: geen sprake is van een bedrijfsactiviteit als bedoeld in Afdeling 6.5; de woonfunctie niet als toegestaan gebruik is aangewezen; en geen sprake is van een activiteit die gelijk te stellen is met de milieueffecten van een toegestane bedrijfsactiviteit (zoals vereist voor vergunningverlening conform artikel 6.36). Om de ontwikkeling juridisch mogelijk te maken is daarom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) vereist. Strijdigheid hoofdstuk 7 - Bouwactiviteiten De voorgenomen ontwikkeling ligt buiten de locatie ‘hoofdgebouw bouwen – vergunningplicht’ als bedoeld in artikel 7.33 van het omgevingsplan. Op deze gronden zijn geen bouwmogelijkheden voor hoofdgebouwen opgenomen. Het bouwplan is daarmee in strijd met artikel 7.37 van het omgevingsplan. Daarnaast bepaalt artikel 7.63 dat bouwen uitsluitend is toegestaan indien het beoogde gebruik overeenkomt met de geldende gebruiksregels.
Aangezien de locatie is aangewezen voor bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 en 2 en niet voor wonen, is ook sprake van strijd met dit artikel. Verder ligt de locatie binnen de aanduiding ‘te verwachten archeologisch monument’. Op grond van de artikelen 7.29 tot en met 7.31 dient bij de aanvraag te worden aangetoond dat archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast. Dit onderzoek dient onderdeel uit te maken van de vergunningprocedure. In paragraaf 5.13 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast bevindt het plangebied zich binnen de aanduiding ‘molenbiotoop’. Conform artikel 7.32 mag een bouwactiviteit de windvang en het zicht op de molen niet beperken. De ontwikkeling zal hier in de verdere
12/490
planuitwerking aan worden getoetst. In paragraaf 5.18 wordt hier nader op ingegaan. Het projectgebied ligt voorts binnen het geluidaandachtsgebied industrie. Op grond van artikel 7.18 geldt dat bij het realiseren van een geluidgevoelig gebouw, zoals studentenhuisvesting, moet worden voldaan aan de geluidweringseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. De overige op het projectgebied van toepassing zijnde regels uit het omgevingsplan blijven onverkort van kracht, maar leiden niet tot strijdigheid met het omgevingsplan. Aangezien het bouwplan zowel buiten de aangewezen bouwlocatie ligt als voorziet in een andere functie dan op grond van het omgevingsplan is toegestaan, kan de ontwikkeling niet rechtstreeks worden vergund. Voor het mogelijk maken van het initiatief is daarom een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) vereist.
2.2.1 Nieuwe activiteiten Voor de voorgenomen ontwikkeling gaat het om de volgende gewenste activiteiten die op dit moment niet mogelijk zijn binnen het Omgevingsplan van de gemeente Meppel: bouwactiviteiten: realiseren van een achttal rijwoningen in twee blokken van vier woningen; woonactiviteiten: toestaan van woonactiviteiten binnen het projectgebied.
2.3
Toekomstige situatie
2.3.1 Gewenste ontwikkeling De planvorming omvat de ontwikkeling van twee woonblokken, aangeduid als Blok A en Blok B, ten behoeve van studentenhuisvesting aan de Prins Hendrikkade te Meppel. Een uitsnede van het stedenbouwkundig ontwerp is weergegeven in figuur 2.5. Het plan voorziet in de realisatie van acht rijwoningen, verdeeld over twee bouwblokken van vier woningen. Elke woning biedt huisvesting aan maximaal zes studenten, waarmee in totaal 48 studenten kunnen worden gehuisvest. De twee woonblokken bestaan uit drie bouwlagen met een dwarskap, met een maximale bouwhoogte van circa 10 meter. De goothoogte bedraagt 8,20 meter. Een uitsnede van Blok A, waarin de goot- en bouwhoogten zijn weergegeven, is opgenomen in figuur 2.6. Elke woning biedt een compacte en efficiënte woonindeling, bestaande uit onder meer een woonkamer, keuken, badruimte en meerdere slaapvertrekken. De gemiddelde gebruiksoppervlakte per woning bedraagt circa 130 m² GBO en 160 m² BVO. Daarnaast is voorzien in gemeenschappelijke fietsenbergingen en een in te richten groenplan rondom de gebouwen. Een uitsnede van het stedenbouwkundig ontwerp, inclusief het groenontwerp van de terreininrichting, is weergegeven in figuur 2.7.
13/490
Figuur 2.5
Stedenbouwkundig ontwerp (bron: LKSVDDarchitecten)
Figuur 2.6
Doorsnede blok A met goot -en bouwhoogtes (bron: Architectenvoormorgen)
14/490
Figuur 2.7
Toekomstige inrichting projectgebied (bron: Donker design)
2.3.2 Ruimtelijke inpassing Het geplande woningbouwproject aan de Prins Hendrikkade voldoet aan de eisen voor een goede stedenbouwkundige inpassing, doordat bij de planvorming nadrukkelijk rekening is gehouden met het bestaande bebouwingsbeeld en de aanwezige functies in de omgeving. Het bebouwingsbeeld in de directe omgeving is gevarieerd. Met bouwhoogten variërend van 10 tot 18 meter past het project, met een maximale bouwhoogte van circa 10 meter, goed binnen het stedelijke karakter van de omgeving. De bouwhoogte sluit aan bij de nokhoogte van de woningen aan de Concordiastraat. De woningen worden globaal gesitueerd op de positie van de historische bebouwing. Hiermee wordt de alzijdigheid van de locatie behouden en versterkt. Aan de voorzijde wordt het openbare karakter van de kade versterkt, terwijl de zijde aan de Schuttevaerhaven groen wordt ingericht. Door subtiele hoogteverschillen in de bebouwing aan te brengen, ontstaat een dynamisch straatbeeld dat aansluit bij het omliggende stedelijke én dorpse karakter.
15/490
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie en ketenpartners
Participatie omgeving
Het project aan de Prins Hendrikkade in Meppel heeft een uitgebreid participatietraject doorlopen, waarbij actief met omwonenden en belangstellenden is gecommuniceerd. Dit heeft geleid tot significante aanpassingen in het oorspronkelijke plan. ParticipatietrajectInloopavond (9 april 2024) Het project werd gepresenteerd aan omwonenden en belangstellenden. Ideeën, zorgen en opmerkingen werden verzameld via gesprekken en reactieformulieren.Een verslag van deze bijeenkomst werd gedeeld. Vervolgoverleg (3 september 2024) Een afvaardiging van omwonenden ging in gesprek over de ontvangen reacties en aanvullende zorgen.Ook hiervan is een verslag gemaakt en gedeeld. Informatievoorziening Een projectwebsite (www.studentenkade-meppel.nl) werd opgezet om belangstellenden te informeren en op de hoogte te houden. Wijzigingen naar aanleiding van participatie Verkleining van het project: Eén woning werd geschrapt, waardoor het aantal studenten werd teruggebracht van 56 naar 48. Architectonische aanpassingen: De woningen kregen meer variatie in ontwerp door de toevoeging van dwarskappen. Uitwerking groenplan: Er is een groenbuffer opgenomen aan de zijde van de Schuttevaerhaven om het project beter in de omgeving te laten passen. Conclusie Het participatietraject heeft gezorgd voor een plan dat beter aansluit bij de wensen en zorgen van de omgeving.
Door wijzigingen in schaal, architectuur en groenvoorzieningen is er een balans gevonden tussen de functionele eisen van het project en de behoeften van de buurt.
3.2
Bestuurlijk vooroverleg
Provincie Gedeputeerde Staten (GS) hebben niet bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een BOPA het recht van advies en instemming. GS moet daartoe gevallen aanwijzen voor welke buitenplanse omgevingsplanactiviteiten advies en instemming nodig is. Deze zijn aangewezen bij besluit van 19 december 2023 en inwerking getreden op 1 januari 2024 (https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706822/1 ). De gevallen die zijn aangewezen voor advies en instemming zijn de buitenplanse omgevingsplanactiviteiten
16/490
waarover instructieregels zijn gesteld in hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening. Zoals aangegeven in paragraaf 4.2.2 raakt de voorgenomen ontwikkeling de instructieregels van de provincie met betrekking tot Kernkwaliteit Landschap (artikel 3.1), Kernkwaliteit Cultuurhistorie (Artikel 3.2) , Kernkwaliteit- Archeologie (Artikel 3.3), en Kernkwaliteit Aardkundige Waarden (Artikel 3.4). De provincie zal daarom om advies worden gevraagd. Afstemming overlegpartners Naast dit formele instrumentarium is onder de Omgevingswet ook informeel vooroverleg over projecten mogelijk. Het vooroverleg voor BOPA’s en wijzigingen van het omgevingsplan is niet juridisch geregeld en vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken, kunnen eventuele knelpunten tijdig worden onderkend. De gemeente heeft in dit kader, naast de provincie Drenthe, ook de overige relevante ketenpartners geïnformeerd over de beoogde ontwikkeling. De overlegpartners zijn gevraagd aan te geven of er specifieke aandachtspunten zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de verdere planuitwerking. De provincie Drenthe heeft op 12 maart 2025 een advies uitgebracht over de aspecten cultuurhistorie en archeologie. Dit advies is opgenomen als bijlage 1 en toegelicht in paragraaf 5.13.
Daarnaast heeft ook afstemming plaatsgevonden met Waterschap Drents Overijsselse Delta (WDODelta). Tijdens dit overleg zijn de uitgangspunten voor waterberging, afvoer van hemelwater en aanleghoogte besproken. Het waterschap heeft aangegeven dat de gehanteerde richtlijnen een advieskarakter hebben en dat de gekozen inrichting voldoet aan hun beleidslijn. De waterparagraaf van deze ruimtelijke onderbouwing is opgesteld in overeenstemming met deze afstemming en de uitgangspunten van WDODelta.
17/490
Hoofdstuk 4
Beleidskader en instructieregels
In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan het relevante beleid op de diverse overheidsniveaus.
4.1
Rijksbeleid en Rijksregels
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle projecten met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vijf opgaven: 1. 2. 3. 4. 5.
De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen; Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda. Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd: a. Druk op de ruimte in het landelijk gebied vraagt om gezamenlijke keuzes; b. Benutten van de brede effecten van de energietransitie; c. Economisch perspectief ten aanzien van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw; d. Toekomstgerichte bereikbaarheid van Noord-Nederland;
18/490
e. f. g. h.
Versterken Stedelijk Netwerk Noord-Nederland; Toekomstkracht voor gebieden met bevolkingsdaling en sociaaleconomische achterstand; Water als verbindende schakel in klimaatadaptieve maatregelen; Waarborgen van de omgevingskwaliteit.
2. De NOVI-gebieden. Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Meppel deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. Het beleid uit de NOVI is niet van invloed op de ontwikkeling in het projectgebied. Met de hierboven genoemde rijksdoelen zijn 14 nationale belangen aan de orde die verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio's. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de fysieke leefomgeving gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het verlenen van een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplan Activiteit waarin de ruimte onderbouwing wordt aangetoond dat er sprake is van een Evenwichtige Toedeling Van Functies Aan Locaties (ETFAL) past in die lijn.
Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Artikel 5.129). Paragraaf 5.1 van deze toelichting gaat hier verder op in. 4.1.2 Conclusie Rijksbeleid De voorgenomen ontwikkeling raakt geen nationale belangen als opgenomen in de NOVI. Er is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling waarvan de beleidsvrijheid bij de gemeente en de provincie ligt. Er wordt richting gegeven aan de opgave voor 'De bouw van ongeveer 1 miljoen nieuwe woningen' en om 'Steden en regio's sterker en leefbaarder maken'. De ontwikkeling past binnen de kaders van het rijksbeleid.
4.2
Provinciaal beleid en verordening
4.2.1 Omgevingsvisie Drenthe Op 28 september 2022 is door de Provinciale Staten van Drenthe de Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. Een belangrijke opgave uit de Omgevingsvisie Drenthe is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang is het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten zijn landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie, aardkundig erfgoed en rust (stilte en duisternis). Naast bovenstaande kernkwaliteiten hecht de provincie Drenthe waarde aan een zorgvuldig ruimtegebruik en de
19/490
bescherming van de milieu- en leefomgevingskwaliteit. Veel ingrepen in de ruimte hebben gevolgen voor de langere termijn en beperken ontwikkelingsmogelijkheden in de toekomst. Het zorgvuldig gebruiken van de ruimte is van provinciaal belang. Door middel van de ladder voor duurzame verstedelijking (5.1) en een goede landschappelijke inpassing van het projectvoornemen wordt richting gegeven aan het belang van zorgvuldig ruimtegebruik. Het beschermen van de milieukwaliteit van de leefomgeving is veelal op Europees en nationaal niveau geregeld. Daarbij zijn diverse taken en verantwoordelijkheden bij de provincies neergelegd. Deze taken, gericht op het beschermen van de kwaliteit van lucht, water en bodem en het verbeteren van verkeersveiligheid, waterveiligheid en externe veiligheid, zijn van provinciaal belang. In hoofdstuk 5 worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten besproken. Hieronder wordt het voornemen getoetst aan de kernkwaliteiten uit de Omgevingsvisie. Kernkwaliteit Landschap Binnen de provincie Drenthe zijn zes landschapstypen te onderscheiden. Het projectgebied is onderdeel van het landschapstype 'Wegdorpen van de laagveenontginningen'. Het beleid en de regels richten zich op het behoud en de versterking van het open karakter en de smalle verkavelingsstructuur.
De gewenste ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande stedelijke structuur van Meppel, waarbij de woningen globaal op de positie van de historische bebouwing worden gesitueerd. Hierdoor wordt de openheid en de smalle verkavelingsstructuur niet aangetast. Kernkwaliteit Natuur Drenthe heeft nog veel grootschalige, robuuste natuurgebieden. Daarnaast is in de ontginningsperiode veel bos aangeplant waardoor forse groene gebieden zijn ontstaan. Samen met enerzijds de bestaande natuurgebieden en anderzijds de natuurontwikkelingsgebieden vormen ze een belangrijk aandeel in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het projectgebied bevat geen natuurwaarden en is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In paragraaf 5.5 wordt hier verder op ingegaan. De woningbouwontwikkeling heeft geen invloed op de bestaande natuurkwaliteiten van Drenthe. Kernkwaliteit Cultuurhistorie Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in de beleidsnota ‘Cultuurhistorisch Kompas Drenthe’. Twee doelstellingen staan hierin centraal: Ten eerste wil de provincie de cultuurhistorie herkenbaar houden. Het provinciaal belang Cultuurhistorie is vastgelegd in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Ten tweede is het versterken van de ruimtelijke identiteit van belang. Dit wordt gedaan door ruimtelijke ontwikkelingen te sturen vanuit samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten.
Daarin is ruimte voor inspiratie en eigen afwegingen van partners. Het plangebied is gelegen binnen het gebied De Reest en Meppel – alle(s) voer(t) naar Meppel en daarin specifiek het werkingsgebied Meppel, en het laagveen rondom. Het beleid 'Betrekken bij' is van toepassing. Bepalend voor de hoofdstructuur van dit gebied is de waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich
20/490
vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven. De randveenontginningen kenmerken zich door bewonings- en ontginningsassen op smalle zandruggen, met van daaruit smalle, zeer lange verkavelingsstroken, en veelal een jongere 2de bewoningsas, zoals bij Ruinerwold. Bij Kolderveen en Nijeveen zijn enkele middeleeuwse griften (turfkanalen) nog aanwezig. De grillige loop van de Reest is authentiek gebleven als grensrivier met Overijssel, met aan weerszijden zandkoppen waarop losse erven en esgehuchten zich aftekenen als eilanden in een open uitgestrekt beekdal. In Meppel zijn de volgende karakteristieken van toepassing. Vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig of herkenbaar; De Drentse Hoofdvaart buiten Meppel als sterke zelfstandige beelddrager met haar sluizencomplexen en aanverwante bebouwing; De bebouwingsstructuren in het centrum veelal functioneel gekoppeld aan de markt- en havenfunctie, waarbij hoge verwachtingen van interne en ondergrondse sporen van de middeleeuwse stad; Villawijken en –park, tuinwijken en havenbebouwing uit de periode 1860-1940 als representanten van de economische bloei en van stedenbouwkundige concepten uit die tijd.
De ambitie in dit gebied is als volgt: Leidend in dit deelgebied is een samenloop van verschillende waterlopen waartussen en waarlangs verschillende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. De provincie stuurt op: Het zichtbaar houden van de middeleeuwse griften bij Kolderveen en Nijeveen; Het in stand houden van het oude en het nieuwere lint van Ruinerwold en de ligging ervan in de omgeving. Dit doen wij door het herkenbaar houden van de verschillen in positionering, weginrichting en architectuur, door het vasthouden aan de verkavelingsstructuren en door het openhouden van de ruimte tussen de twee bebouwingslinten. Onderhavig plan voegt zich in de bestaande structuur van de omgeving en legt een relatie met de Schuttevaerhaven. Paragraaf 5.13 gaat hier nader op. Kernkwaliteit Archeologie Het provinciaal beleid voor de Drentse archeologie richt zich zowel op instandhouding en bescherming van het bodemarchief als op het ontsluiten, beleven en benutten ervan door een zo groot mogelijk publiek. Het archeologisch beleid en hoe er wordt omgegaan met de archeologische waarden in dit gebied wordt verder besproken in paragraaf 5.13. Kernkwaliteit Aardkundig erfgoed De identiteit van Drenthe en het Drentse landschap wordt sterk bepaald door het natuurlijke bodem- en grondwatersysteem.
Kenmerkende aardkundige elementen, de opbouw van de ondergrond (bijvoorbeeld de aanwezigheid van keileem en het voorkomen van bijzondere bodems) en actieve geologische processen (bijvoorbeeld meandering en zandverstuiving) worden beschouwd als aardkundig erfgoed. De provincie stelt in deze gebieden voor om mogelijk aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron bij ontwikkelingen te gebruiken. In en rondom het projectgebied is sprake van een generiek beschermingsniveau voor aardkundige waarden. Het beleid richt zich hierbij op het bewaren van de lokale aardkundige kenmerken voor de toekomst. De gemeente bekijkt per plangebied of er sprake is van kenmerkende waarden en beschermen deze waar nodig via het
21/490
omgevingsplan. Voor zover dit op deze schaal mogelijk is wordt bij ontwikkeling van het projectgebied rekening gehouden met deze kernkwaliteit, zodat deze niet wordt aangetast. Kernkwaliteit Rust De provincie heeft twaalf gebieden aangewezen als stiltegebied. Deze vallen veelal volledig binnen bestaande natuurgebieden. Duisternis is een belangrijk aspect van deze stiltegebieden. Het projectgebied ligt niet binnen of nabij een stiltegebied. Er is geen nadelige invloed op deze kernkwaliteit door de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Omgevingsverordening provincie Drenthe Met de Omgevingsverordening 2024 vertaalt de provincie Drenthe de Omgevingsvisie Drenthe door naar een Verordening voor de planologisch relevante aspecten in de fysieke leefomgeving. De Verordening schrijft voor dat, wanneer bij een ruimtelijk project kernkwaliteiten betrokken zijn, deze in het project uiteengezet worden. Daarbij wordt aangegeven in welke mate het project bijdraagt aan het behoud en de ontwikkeling van de betrokken kernkwaliteiten. De Omgevingsvisie Drenthe en de uitwerkingen daarvan geven hiervoor aanwijzingen. De volgende artikelen uit de Verordening zijn van belang: Artikel 3.1 Kernkwaliteit Landschap Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in de Kernkwaliteit landschap: a. Houdt rekening met het behoud van de aanwezige kernkwaliteiten, en b.
bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. De gewenste ontwikkeling vindt plaats binnen de bestaande stedelijke structuur van Meppel, waarbij de woningen globaal op de positie van de historische bebouwing worden gesitueerd. Hierdoor wordt de openheid en de smalle verkavelingsstructuur niet aangetast. De kernkwaliteit landschap wordt niet aangetast. Artikel 3.2 lid 4 Kernkwaliteit Cultuurhistorie Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een locatie gelegen in 'Meppel en het laagveen rondom' a. betrekt de aanwezige kwaliteiten bij de toedeling van functies en activiteiten aan locaties, en; b. bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. In paragraaf 5.13 wordt ingegaan op de cultuurhistorische waarden van het projectgebied. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor deze kernkwaliteit. Artikel 3.3 lid 2 Kernkwaliteit Archeologie Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Kernkwaliteit Archeologie: a. houdt rekening met de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen; b. bevat de resultaten van het conform de normen van de Kwaliteits Norm Nederlandse Archeologie (KNA) verrichte onderzoek, alsmede de afstemmingdie hierover heeft plaatsgevonden met de provincie, en;
22/490
c. stelt regels en voorschriften ter bescherming van de aanwezige waarden en verwachtingen.
archeologische
Het archeologisch beleid en hoe er wordt omgegaan met de archeologische waarden in dit gebied wordt verder besproken in paragraaf 5.13. Artikel 3.4 lid 2 Kernkwaliteit Aardkundige Waarden Voor het projectgebied gelden vanuit de kernkwaliteit Aardkundige waarden geen specifieke instructieregels anders dan voor het projectgebied een generiek beschermingsniveau geldt. In het projectgebied geldt dat de aardkundige waarden al grotendeels zijn aangetast. In het verleden hebben verschillende veranderingen plaatsgevonden waardoor de aardkundige waarden eerder zijn verstoord. Daarbij zijn de kenmerken zoals reliëf, bodemsoorten, geologische formaties en erosieverschijnselen reeds aangetast door menselijke activiteiten. Het gaat hier om bodemverstoring door bouwactiviteiten, veranderingen in de waterhuishouding, verstoring van natuurlijke processen en aantasting van landschappelijke kenmerken door infrastructurele ingrepen. Er is destijds de keuze gemaakt om dit gebied in te richten als stedelijke locatie, verder onderzoek of maatregelen in het kader van aardkundige waarden is niet nodig. 4.2.3 Conclusie Provinciaal beleid Bij de woningbouwontwikkeling wordt rekening gehouden met de bestaande omgevingskwaliteiten van Meppel. Hierbij wordt aangesloten bij de Omgevingsvisie van de provincie Drenthe.
Daarnaast zijn er vanuit de relevante artikelen uit de Omgevingsverordening 2024 geen belemmeringen. Er wordt voldoende invulling gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Uit het voorgaande blijkt dat de provinciale belangen voldoende zijn geborgd.
4.2.4 Regionale Klimaatadaptatiestrategie (RAS, 2022) Voor de regio Groningen–Noord-Drenthe geldt de Regionale Klimaatadaptatiestrategie (RAS, 2022). Deze strategie richt zich op het beperken van de effecten van klimaatverandering, zoals wateroverlast, hittestress en droogte. De RAS onderscheidt drie hoofdopgaven: een klimaatrobuuste ruimtelijke inrichting, een klimaatrobuust watersysteem en het beschermen van vitale en kwetsbare functies. De ontwikkeling aan de Prins Hendrikkade sluit aan bij deze doelstellingen. Het project vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied en draagt bij aan klimaatrobuuste verstedelijking door hergebruik van een binnenstedelijke locatie in plaats van uitbreiding in het buitengebied. In de inrichting van het terrein wordt voorzien in voldoende groen en waterdoorlatende verharding, waardoor regenwater lokaal kan infiltreren en hittestress wordt beperkt. Daarnaast wordt aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel en wordt het hemelwater, waar mogelijk, afgekoppeld en geborgen op eigen terrein, conform de principes van de RAS. Door deze maatregelen wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige, klimaatbestendige leefomgeving. De ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten van de Regionale Klimaatadaptatiestrategie Groningen–Noord-Drenthe (2022).
23/490
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie 2040 De Omgevingsvisie Meppel 2040 vormt het strategische kader voor de ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkeling van de gemeente tot 2040. De visie richt zich op een leefomgeving die schoon, natuurlijk, gezond en toekomstbestendig is. Belangrijke thema’s zijn klimaatadaptatie, water en groen, duurzame verstedelijking en leefkwaliteit. De visie stimuleert herontwikkeling binnen het bestaande stedelijk gebied en het intensiever en multifunctioneel benutten van de stad. Nieuwe ontwikkelingen worden bij voorkeur gerealiseerd op binnenstedelijke locaties, waar voorzieningen, infrastructuur en maatschappelijke functies reeds aanwezig zijn. Dit sluit direct aan bij de herontwikkeling aan de Prins Hendrikkade, waar de reeds gesloopte bebouwing wordt vervangen door een vorm van tijdelijke studentenhuisvesting. De ontwikkeling draagt bij aan de ambitie van de gemeente om een vitale en inclusieve stad te zijn, met ruimte voor onderwijs, innovatie en ontmoeting. Door studentenhuisvesting binnen de stedelijke structuur te integreren, wordt tevens invulling gegeven aan de visie op een duurzame en levendige binnenstad. Ook op het vlak van klimaatbestendigheid en waterbeheer sluit het project aan bij de Omgevingsvisie.
De herinrichting van het terrein met een wadi en vergroting van de Schuttevaerhaven versterkt de bergings- en infiltratiecapaciteit, wat bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen voor klimaatadaptatie en een robuust stedelijk watersysteem. Conclusie De Omgevingsvisie Meppel 2040 ondersteunt binnenstedelijke herontwikkelingen die bijdragen aan duurzaamheid, leefbaarheid en een sterke stedelijke economie. De voorgenomen studentenhuisvesting aan de Prins Hendrikkade past binnen deze koers en draagt bij aan de toekomstbestendige en aantrekkelijke stad die de gemeente Meppel in haar visie voor ogen heeft. 4.3.2 Kadernotitie 'Zo doen we Groen!' Het geplande studentenhuisvestingsproject aan de Prins Hendrikkade te Meppel sluit nauw aan bij de doelstellingen van de gemeentelijke kadernotitie ‘Zo doen we Groen!’, waarin richtlijnen zijn opgenomen voor groen, natuur, landschap en waterbeheer binnen de gemeente Meppel. Het plangebied grenst direct aan de groenblauwe hoofdstructuur, waaronder de grachtenstructuur van de Schuttevaerhaven. De uitstraling en inrichting van de kades vormen daarmee een belangrijk aandachtspunt binnen de planvorming. De huidige opgaven en ambities uit het Programma biodiversiteit bieden ruimte voor een genuanceerde invulling van deze overgangszone. Binnen het plan is gekozen voor een zorgvuldige combinatie van functies.
Aan de noordzijde, grenzend aan de kade, wordt aangesloten bij het meer stedelijke karakter en de uitstraling van de kade. Aan de zuidzijde, aan de zijde van het water, wordt ingezet op een natuurvriendelijke inrichting, met groenvoorzieningen en een zachte
24/490
overgang tussen bebouwing en water. Ook een combinatie van beide benaderingen is mogelijk en passend binnen de gemeentelijke beleidskaders. De groene ruimtes binnen het plangebied zijn uitsluitend toegankelijk voor de bewoners van de acht woningen en maken geen onderdeel uit van de openbare ruimte. Desondanks dragen deze groenvoorzieningen bij aan de vergroening van de stedelijke omgeving en het versterken van de lokale biodiversiteit, onder meer door de keuze voor een natuurlijke inrichting en passende beplanting. Met deze inrichting wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke ambities op het gebied van groen en biodiversiteit, terwijl tegelijkertijd recht wordt gedaan aan het private karakter van het terrein. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan een duurzame en toekomstbestendige inrichting van de Prins Hendrikkade, in lijn met de uitgangspunten uit de kadernotitie ‘Zo doen we Groen!’ en het Programma biodiversiteit gemeente Meppel. 4.3.3 Nota parkeernormen Meppel In deze nota wordt het parkeerbeleid van de gemeente Meppel beschreven ten aanzien van het parkeren in Meppel in het algemeen en als beleidsinstrumentarium. De gemeente Meppel streeft naar het vergroten van de kwaliteit van de binnenstad en het waarborgen, dan wel verder verbeteren, van de bereikbaarheid per auto, fiets en openbaar vervoer. Onderdeel hiervan is het creëren van een prettige parkeersituatie.
De nota richt zich vooral op het parkeren in de binnenstad en een zone daar direct om heen. Daarnaast geeft het beleid ook aanwijzingen voor het parkeren buiten dat gebied. Het is in alle gevallen van belang bij een nieuwe ontwikkeling voldoende parkeergelegenheid te realiseren. Paragraaf 5.3 gaat nader in de parkeerbehoefte waarbij de conclusie wordt getrokken dat de parkeeroplossing in het openbaar gebied in voldoende parkeerbehoefte voorziet en niet tot parkeerbelemmeringen in de openbare ruimte zorgt. Daarmee past het plan binnen de nota parkeerbeleid.
4.3.4 Riolering- en Waterprogramma (RWP) 2023–2028 Voor het projectgebied is het Riolering- en Waterprogramma (RWP) 2023–2028 van de gemeente Meppel van toepassing. Dit programma beschrijft hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. De ontwikkeling aan de Prins Hendrikkade sluit aan op het bestaande gemeentelijke rioolstelsel en voldoet daarmee aan de zorgplicht voor inzameling van huishoudelijk afvalwater. Hemelwater wordt, conform het gemeentelijk beleid, zoveel mogelijk afgekoppeld en lokaal geïnfiltreerd binnen het terrein. In de inrichting van het terrein is rekening gehouden met voldoende groen en waterdoorlatende verharding, waarmee bijgedragen wordt aan klimaatadaptatie en het vasthouden van hemelwater. De ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten van het RWP 2023–2028, waarin doelmatig waterbeheer, duurzame afvoer en robuuste stedelijke waterhuishouding centraal staan.
25/490
4.3.5 Lokale Adaptatiestrategie Meppel 2023–2028 (LAS) De Lokale Adaptatiestrategie Meppel 2023–2028 (LAS) vormt het gemeentelijk kader voor klimaatbestendig bouwen en inrichten. De strategie richt zich op het voorkomen van wateroverlast, hittestress en droogte, en geeft aan dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen vanaf 2024 structureel rekening moet worden gehouden met klimaatadaptieve maatregelen. De ontwikkeling aan de Prins Hendrikkade sluit hierbij aan. Het plan betreft een herontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee wordt bijgedragen aan zorgvuldig ruimtegebruik en het beperken van verhard oppervlak in het buitengebied. In de terrein- en groeninrichting wordt voorzien in waterdoorlatende verharding, groene erfafscheidingen en beplanting, zodat regenwater lokaal kan infiltreren en het stedelijke microklimaat wordt verbeterd. Hiermee wordt invulling gegeven aan de doelen uit de LAS om Meppel beter bestand te maken tegen extreme neerslag en hitte. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan een klimaatrobuuste en toekomstbestendige stedelijke leefomgeving. 4.3.6 Transitievisie Warmte De Transitievisie Warmte van de gemeente Meppel beschrijft de strategische koers voor het op duurzame wijze beëindigen van gasgestookte warmtevoorziening en stapsgewijze overstap naar alternatieve warmteoplossingen.
De visie benoemt de noodzaak om bij gebiedsontwikkeling, herstructurering of nieuwbouw rekening te houden met toekomstige warmteoplossingen zoals restwarmte, WKO, collectieve warmte-/koudenetten of andere duurzame bronnen De woningen worden volledig gasloos gerealiseerd en zijn voorbereid op duurzame energieopwekking en een toekomstbestendig warmtesysteem. Hiermee sluit de ontwikkeling direct aan op de Transitievisie Warmte Meppel (2021), waarin is vastgelegd dat nieuwbouw niet meer op aardgas wordt aangesloten en wordt gestimuleerd om energiezuinig en circulair te bouwen. De realisatie van dit project levert daarmee een concrete bijdrage aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelen en de overgang naar een klimaatneutrale gebouwde omgeving. 4.3.7 Programma Biodiversiteit en groenblauwe structuur Het plangebied is op grond van het Programma biodiversiteit gemeente Meppel (CVDR741928) deels gelegen binnen de aangewezen 'groenblauwe structuur'. Deze structuur heeft tot doel het behouden, versterken en verbinden van groen- en waterstructuren binnen de gemeente en vormt een belangrijk onderdeel van de gemeentelijke ambities op het gebied van biodiversiteit en leefkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling houdt rekening met deze aanduiding.
Het projectgebied betreft een reeds verstoorde, voormalige bedrijfslocatie die momenteel braak ligt en geen onderdeel vormt van aaneengesloten natuur- of groengebieden. De ontwikkeling leidt daarmee niet tot aantasting van bestaande ecologische waarden of functionele groen- en waterverbindingen. Binnen het plan wordt nadrukkelijk ingezet op een groene en natuurinclusieve inrichting van het terrein, met name aan de zijde van de Schuttevaerhaven. Door de toevoeging van groenvoorzieningen rondom de bebouwing, wordt bijgedragen aan het versterken van de lokale groenstructuur en het vergroenen van de stedelijke omgeving. Daarmee sluit het initiatief aan bij de doelstelling uit het Programma biodiversiteit om biodiversiteit integraal mee te nemen in ruimtelijke ontwikkelingen, ook binnen bestaand stedelijk gebied.
26/490
De ontwikkeling vormt geen belemmering voor de werking of continuïteit van de groenblauwe structuur, maar biedt juist kansen om deze op lokaal niveau te versterken. Daarmee past het initiatief binnen de uitgangspunten en ambities van het Programma biodiversiteit gemeente Meppel.
27/490
Hoofdstuk 5
Gevolgen voor de fysieke leefomgeving
Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bopa gelden beoordelingsregels. De gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden hier beoordeeld.
5.1
Ladder voor duurzame verstedelijking
Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand en is opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Artikel 5.129g lid 1 is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. In Lid 2 (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) is geregeld dat, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, met nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden wordt met: de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Toetsing De herontwikkeling van de voormalige bedrijfslocatie aan de Prins Hendrikkade in Meppel speelt in op de groeiende behoefte aan internationale studentenhuisvesting door de groei van NHL Stenden.
Het huidige aanbod in Meppel is onvoldoende om aan deze vraag te voldoen, waardoor deze locatie in de kern van Meppel een logische en aantrekkelijke keuze is. Het initiatief richt zich op de bouw van acht rijwoningen, verdeeld over twee blokken van vier woningen. Elke woning biedt huisvesting aan maximaal zes studenten, waardoor in totaal 48 studenten onderdak kunnen vinden. De locatie is een herontwikkelingsgebied en maakt optimaal gebruik van bestaande stedelijke ruimte, wat bijdraagt aan het voorkomen van onnodige uitbreiding van het stedelijk gebied. Bovendien wordt de ruimte efficiënt ingericht en is voorzien in een tijdelijke exploitatieperiode van maximaal tien jaar, waarmee een flexibel gebruik van de locatie mogelijk wordt gemaakt. Door de ligging nabij voorzieningen en de goede bereikbaarheid bevordert het project bovendien de leefbaarheid en duurzaamheid. Hiermee voldoet het plan aan de eisen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking door in een reële behoefte te voorzien, de beschikbare ruimte optimaal te benutten en een duurzame inrichting te realiseren. Conclusie Het voornemen is niet in strijd met de ladder voor duurzame verstedelijking en voorziet in een concrete behoefte.
5.2
28/490
Welstand
Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Hierbij kan gedacht worden aan de vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 7.5), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 7.38). Een hoofdgebouw mag alleen worden gebouwd binnen de locatie ‘hoofdgebouw bouwen – vergunningplicht’. Het gebouw moet passen in zijn omgeving en voldoen aan de Welstandsnota Binnenstad & Centrumschil. Het ontwerp moet het beoogde gebruik weerspiegelen en aansluiten bij de vorm, maat en schaal van omliggende bebouwing. Materialen, kleuren en detaillering moeten zorgvuldig zijn gekozen en bijdragen aan de ruimtelijke en esthetische kwaliteit. Hiervoor zijn in het omgevingsplan welstandsregels opgenomen die waarborgen dat nieuwe bebouwing zorgvuldig wordt ingepast in het bestaande stadsbeeld van Meppel. Toetsing De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (ARK) treedt voor de locatie Binnenstad-Centrumschil op als adviseur bij de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.
De ARK beoordeelt of het ontwerp voldoet aan de redelijke eisen van welstand, zoals vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de welstandsaspecten reeds in het voortraject beoordeeld. Daarbij is vastgesteld dat het ontwerp, mede gelet op het tijdelijke karakter van de ontwikkeling, zorgvuldig is ingepast in het bestaande stadsbeeld en voldoet aan de uitgangspunten voor welstand. Eventuele aandachtspunten zijn in dit stadium betrokken bij de verdere uitwerking van het plan. Omdat sprake is van een tijdelijke omgevingsvergunning, wordt het plan in de formele vergunningprocedure niet opnieuw aan de ARK voorgelegd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de welstandsaspecten in het voortraject voldoende zijn beoordeeld en dat het plan, mede gelet op het tijdelijke karakter van de ontwikkeling, voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De welstandsbeoordeling vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning.
5.3
Verkeer en parkeren
Algemeen De Omgevingswet en het Bkl stellen geen specifieke regels op dit gebied. Wel dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties inzicht te worden gegeven in de mobiliteitskeuzes en -strategie die zijn afgestemd op de doelgroepen, de kenmerken van de locatie en de te verwachten effecten. Ook dient te worden aangetoond dat het extra verkeer op een goede manier kan worden afgewikkeld en dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. De CROW-richtlijnen blijven net als in de huidige praktijk belangrijk bij de beoordeling van verkeer en parkeren.
29/490
De beoogde ontwikkeling heeft gevolgen voor de parkeersituatie in de omgeving van het projectgebied. Ook verandert het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie. Om deze reden wordt de toegevoegde verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 381) en de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend op basis van het Gemeentelijk Verkeer en Vervoersplan (GVPP). Toetsing parkeren In de Nota parkeernormen van de gemeente Meppel is geen specifieke parkeernorm opgenomen voor de huisvesting van internationale studenten. De meest passende categorie is de functie ‘kamerverhuur / eenpersoonswoning’, waarvoor een parkeernorm geldt van 0,4 parkeerplaats per eenheid. Voor de locatie aan de Prins Hendrikkade te Meppel is een parkeerbalans opgesteld (d.d. 2 mei 2025). In de voormalige situatie waren op het perceel onder meer een bovenwoning, een garage/werkplaats en een loods aanwezig. Deze functies genereerden gezamenlijk een parkeerbehoefte van circa 12,45 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied zelf waren 5,2 parkeerplaatsen beschikbaar. Het resterende deel van de parkeerbehoefte, circa 7,25 parkeerplaatsen, werd opgevangen in de openbare ruimte. In de nieuwe situatie is sprake van een programma van 48 studentenwooneenheden. Op basis van de geldende parkeernorm bedraagt de totale parkeerbehoefte in de nieuwe situatie 19,2 parkeerplaatsen.
De parkeerbalans is opgesteld conform de gemeentelijke systematiek, waarbij wordt uitgegaan van saldering: de parkeerbehoefte van de bestaande functies wordt in mindering gebracht op de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkeling. Na toepassing van deze saldering resteert een netto toename van circa 7 parkeerplaatsen. Daarnaast is bij de berekening rekening gehouden met dubbelgebruik. De bestaande kantoorfunctie in de directe omgeving genereert met name overdag parkeerbehoefte, terwijl de studentenhuisvesting voornamelijk in de avond- en nachtperiode parkeerbehoefte kent. Hierdoor is de feitelijke gelijktijdige parkeerbehoefte lager dan de optelsom van beide functies afzonderlijk. De resterende extra parkeerbehoefte van circa 5 parkeerplaatsen kan worden opgevangen in het openbaar gebied. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voorziet in voldoende parkeerplaatsen en dat de parkeerdruk in de omgeving niet onevenredig toeneemt. Voor het project is een parkeerbalans opgesteld door de verkeerskundige van de gemeente Meppel. Een uitsnede van deze parkeerbalans is opgenomen in figuur 5.1. Met het project wordt voorzien in 5 extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Daarnaast kan in de avonduren en weekenden gebruik worden gemaakt van de tien parkeerplaatsen van het naastgelegen kantoor van WVG Ontwikkeling.
30/490
Figuur 5.1 Parkeerbalans (bron: gemeente) Toetsing verkeer De gemeente Meppel hanteert in haar Nota Parkeernormen geen specifieke norm voor internationale studenten. Om een inschatting te maken, is in deze berekening uitgegaan van de worst-case benadering waarbij de gemeentelijke norm van 0,4 auto per studentenwoning wordt toegepast. Bij 48 studentenwoningen betekent dit een autobezit van circa 19 auto’s. Wanneer iedere auto gemiddeld 2,5 ritten per dag maakt (heen- en terugritten samen), komt dit neer op een verkeersgeneratie van circa 48 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Inclusief een beperkte toevoeging voor bezoekersverkeer (ongeveer 5 ritten per dag) bedraagt de totale verkeersgeneratie ongeveer 53 mvt/etmaal. Voor de verkeersafwikkeling is het drukste spitsuur maatgevend, waarin doorgaans circa 10% van de etmaalintensiteit plaatsvindt. Dit betekent dat in het drukste spitsuur sprake is van ongeveer 5 à 6 motorvoertuigbewegingen. Deze toename is zeer beperkt en kan eenvoudig worden afgewikkeld via de bestaande ontsluiting op de Prins Hendrikkade en het omliggende wegennet, dat hiervoor ruim voldoende capaciteit heeft. Bovendien geldt dat in de bestaande situatie een autogarage aanwezig was, die meer verkeersbewegingen genereerde door klantenverkeer en aan- en afvoer van voertuigen.
Per saldo leidt de ontwikkeling naar studentenhuisvesting dan ook niet tot een toename van de verkeersbelasting, maar hooguit tot een gelijkblijvende of iets lagere verkeersintensiteit ten opzichte van de voormalige situatie. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het project.
5.4
Ecologie: soortenbescherming
Algemeen De activiteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een BOPA wordt aangevraagd en die mogelijke gevolgen heeft voor beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Door de brede definitie van een flora- en
31/490
fauna-activiteit is het bij de BOPA-activiteit in de meeste gevallen nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn en of de BOPA-activiteit effect heeft op wettelijk beschermde soorten flora en fauna. Voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de BOPA-activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Ook geldt in elk geval de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal). Toetsing Ten behoeve van het project is een quickscan ecologie uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan worden uitgesloten dat binnen het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen of vogels aanwezig zijn of dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten. Wel is het mogelijk dat vleermuizen het gebied gebruiken als foerageer- of vliegroute. Voor broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen, globaal van half maart tot en met half juli, dienen te worden uitgevoerd.