2. Motivering wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Meppel voor deelgebieden Binnenstad en Centrumschil & Noordpoort
Tekst van het document
46/88
Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; Bui 8 (20 mm in 1 uur) kan via de riolering of andere voorzieningen wordt afgevoerd zonder water-op-straat; Bui van 70 mm in 1 uur tijd (T=100), leidt niet tot ernstige wateroverlast (water in panden); 80 mm waterberging gerelateerd aan het verhard oppervlak; Invulling van waterberging mag niet ten koste gaan van gebruiksfuncties; Waterberging controleerbaar, beheersbaar en te onderhouden (ook in de toekomst); Voldoende afvoercapaciteit voor afvoer richting waterbergingsvoorzieningen; Hemelwater eerst infiltreren dan pas vertraagd afvoeren; Afvoer maximaal 1,6 l/s/ha; Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG;
• Demping oppervlaktewater factor 1,2 compenseren; • Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Peilmaten Om grondwateroverlast te voorkomen dient rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Aan de hand van grondwatergegevens, waterstanden en de landelijk gehanteerde streefwaarden voor de ontwateringsdiepte in stedelijke gebied (publicatie ‘Ontwatering in stedelijk gebied’, SBR, 2007) zijn onderstaande peilmaten geadviseerd: • Grondwaterstand: geen verlaging van de huidige situatie (GHG west 0,3 m +NAP, GHG oost 0,5 m +NAP); • • • •
Wegpeil: 1,40 m +NAP (westelijk deel eventueel 1,30 m +NAP; Vloerpeil: 1,60 m +NAP (westelijk deel eventueel 1,50 m +NAP); Groen: 1,20 m +NAP; Wadi’s: circa 0,4 m lager dan de omgeving.
Compensatie Oppervlaktewater In geval van het dempen van oppervlaktewater dient het gedempte oppervlak met factor 1,2 gecompenseerd te worden. De compensatie moet daarbij plaatsvinden in het stroomgebied van de Drentse Hoofdvaart. Als gevolg van de beoogde ontwikkelingen wordt in de haven ongeveer 7.000 m2 gedempt. Ter compensatie wordt 8.400 m2 (7.000 m2 x 1,2) nieuwe oppervlaktewater gegraven. Een deel van de compensatie wordt gerealiseerd door het uitgegraven en bergroten van De Grift. Verhard oppervlak In verband met vergunningverlening dient aan de minimale eisen van het waterschap en de gemeente te worden voldaan. Het hemelwater wordt eerst opgevangen in lokale bergingen, en wordt bij extreme neerslag geborgen in de noodberging op straat. In verband met het vasthouden van water, zichtbaarheid en investeringskosten heeft het toepassen van wadi’s en waterberging op groen de voorkeur. Overig hemelwater stroomt in zeer extreme situaties oppervlakkig af richting het oppervlaktewater. De gemeente zal de hoofdinfrastructuur (Stadsentree) realiseren. De daadwerkelijke ontwikkeling en inrichting van het transformatiegebied wordt niet uitgewerkt door de gemeente maar door de ontwikkelaars van het gebied.
In elke uitwerking geldt de eis dat 80 mm waterberging moet worden gerealiseerd, gerelateerd aan het verhard oppervlak waarbij: • De invulling van de waterberging niet ten koste mag gaan van gebruiksfuncties; • De waterberging ook in de toekomst te beheren en te onderhouden moet zijn. Voor het verwerken van hemelwater zijn binnen de gemeente een aantal opties voor waterberging geselecteerd. Specificaties dienen afgestemd te worden met de afdeling beheer van de gemeente: • • • • • •
Afvoer van het water op een IT-riool en benutten van waterberging in goed doorlatend materiaal van het wegcunet; Bergingsvoorzieningen onder parkeerplaatsen (mits voldoende draagkracht); Waterberging in het bunker substraat bij groenvoorzieningen. Waterberging op groen (waterdiepte van maximaal 10 cm); Waterberging op eigen terrein (dak, infiltratiekrat, tank voor benutting van hemelwater); Waterberging in wadi’s (oppervlak maximaal 10 % van het groen oppervlak en waterdiepte maximaal 20 cm).
Een combinatie van opties zal waarschijnlijk nodig zijn. Dit zal in afstemming met de gemeente nader uitgewerkt moeten worden waarbij ook alternatieven aan de gemeente kunnen worden voorgelegd. Bij waterbergingsvoorzieningen op eigen terrein dient contractueel te zijn vastgelegd dat deze waterberging functioneel blijft. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. Het watersysteem wordt zo ontworpen dat het geen risico’s voor de volksgezondheid creëert en voldoende schoon is voor mensen, planten en dieren. Schoon water bijvoorbeeld van dakoppervlak mag daarbij in principe direct op het oppervlaktewater worden afgevoerd (echter voorkeursvolgorde vasthouden en infiltreren). Waterafvoer afkomstig van straatoppervlak dient via een bodempassage te worden afgevoerd. De waterkwaliteit wordt daarnaast beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Vuilwater In de huidige situatie wordt hemelwater voor een deel van het gebied door middel van een gemengd rioolstelsel afgevoerd, waardoor de afvoer groter is dan wanneer alleen vuilwater wordt afgevoerd. In de nieuwe situatie wordt het vuilwater gescheiden en direct afgevoerd richting de afvalwaterzuivering. De hydraulische belasting vanuit Noordpoort zal als gevolg van de beoogde ontwikkelingen op termijn ongeveer halveren. De ontwikkeling van de plannen voor Noordpoort zal dan ook niet leiden tot toename van de hydraulische belasting.
Paragraaf 6.5 Milieueffectrapportage Subparagraaf 6.5.1 Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (een aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project en de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt de motivatie van dit besluit op in de motivering van het wijzigingsbesluit/omgevingsplan/de vergunning. Wanneer uit de mer-beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden, is een volledige mer-procedure noodzakelijk.
47/88
Subparagraaf 6.5.2 Doorwerking deelgebied Binnenstad-Centrumschil De wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor het deelgebied Binnenstad-Centrumschil is conserverend van aard. Dit betekent dat dit deel van het omgevingsplan niet kaderstellend is voor nieuwe ontwikkelingen. Sterker nog, deze wijziging maakt geen stedelijke ontwikkelingen mogelijk ten opzichte van het onderliggende tijdelijke deel. Daarom is dit besluit tot wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Meppel niet aan te wijzen als een m.e.r.-(beoordelings)-plichtig besluit. Er is dan ook geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd.
Subparagraaf 6.5.3 Doorwerking deelgebied Transformatiegebied Noordpoort De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van in totaal 972 woningen en een nieuwe Stadsentree. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 ‘Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’. Ook valt de ontwikkeling onder categorie J1 ‘Wegen’. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk bij het Omgevingsplan. In de mer-beoordeling die door Rho Adviseurs is uitgevoerd (waarvan de rapportage als bijlage C bij deze motivering is gevoegd) zijn de gevolgen van het planvoornemen voor de volgende thema’s onderzocht: • • • • • • • • • • •
Verkeer Geluid Luchtkwaliteit Omgevingsveiligheid Geur Bodem Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Aanlegwerkzaamheden
Uit de mer-beoordeling op deze thema’s (zie bijlage C bij deze motivering) volgt dat de ontwikkeling van 1.000 woningen binnen Noordpoort tot een toename van de verkeersintensiteit op verschillende omliggende wegvakken leidt. Dit leidt echter niet tot een significante verhoging van de geluidbelasting in de omgeving van het transformatiegebied. Binnen het transformatiegebied ligt de geluidbelasting door de gemeentewegen hoger dan de standaardwaarde, ligt de geluidbelasting door de N375 hoger dan de voorkeurswaarde van de voormalige Wet geluidhinder die hierop op grond van het overgangsrecht van toepassing is en ligt de geluidbelasting door de industrieterreinen Oevers en Noord I hoger dan de voorkeursgrenswaarde van eveneens de voormalige Wet geluidhinder die hierop op grond van het overgangsrecht van toepassing is. Uit het akoestisch onderzoek volgt tevens dat - omdat geluidluwe gevels kunnen worden geborgd – sprake zal zijn van een aanvaardbaar akoestisch woonen leefklimaat. Gezien de aard van de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt, worden de potentiële gevolgen voor de luchtkwaliteit met name bepaald door de mogelijke verkeerstoenames. Op basis van de optredende concentraties in de referentiesituatie en de aard en omvang van de ontwikkelingen kan een overschrijding van de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit op voorhand worden uitgesloten.
Aangezien geen sprake is van een zware bedrijvigheid kunnen andere nadelige gevolgen (die niet samenhangen met de verkeersgeneratie) op voorhand worden uitgesloten. Er is geen sprake van een verhoogd veiligheidsrisico voor de omgeving of nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Door de ODD is een berekening uitgevoerd van de te verwachten geurbelasting binnen het transformatiegebied. Hieruit volgt dat de kwaliteit van de fysieke leefomgeving binnen het transformatiegebied als ‘redelijk’ tot ‘goed’ te kwalificeren is. Er is mogelijk sprake van verontreinigingen die gesaneerd moet worden. Bij verontreinigingen zullen de te nemen stappen onderzocht en uitgevoerd worden. Met bodemsanering is er sprake van een positief effect op de bodemkwaliteit. Belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Mogelijk is een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit vereist. De aanwezigheid van beschermde soorten dient in een later stadium nader te worden onderzocht. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroegtijdig stadium zicht te hebben op de mogelijk aanwezige soorten kunnen tijdig mitigerende maatregelen worden getroffen waarmee negatieve effecten worden voorkomen. Vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie zijn er geen nadelige milieugevolgen.
De transformatie van het bedrijventerrein naar een woongebied zal geen significant negatieve gevolgen hebben, blijkt uit de toetsing van de verschillende milieuthema’s. Uit deze notitie blijkt dat er op de planlocatie sprake is van een gezond woon- en leefklimaat, vanuit de beschreven effecten voor de thema’s geluid, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit en geur. Door het bedrijventerrein om te vormen tot een woongebied ontstaat een groenere leefomgeving, met genoeg ruimte voor sociale interactie en beweging. Nadelige gevolgen op de omgeving kunnen worden uitgesloten. Voor de sloop- en aanlegwerkzaamheden van de beoogde ontwikkelingen kunnen tijdens de werkzaamheden milieueffecten optreden. Daarbij gaat het met name om geluidhinder, trillingen en verkeer gerelateerde effecten. Zo nodig worden maatregelen getroffen om overlast voor de directe omgeving zoveel mogelijk te beperken. Bij het uitwerken van de aanpak en fasering van de uitvoeringswerkzaamheden dient dit nader te worden geconcretiseerd. Gezien de tijdelijkheid van de werkzaamheden en de locatie, aard en omvang van het plan kunnen belangrijke negatieve milieueffecten uitgesloten worden.
Op basis van het voorgaande wordt in de mer-beoordeling de conclusie getrokken dat de aard en omvang van het project en de daarmee samenhangende gevolgen binnen het transformatiegebied en haar omgeving niet tot aanzienlijke milieueffecten zal leiden. Het doorlopen van een volledige mer-procedure is daarom dan ook niet noodzakelijk.
Paragraaf 6.6 Luchtkwaliteit Subparagraaf 6.6.1 Toetsingskader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Bkl zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van één van de aangewezen agglomeraties, moeten bij het vaststellen van de wijziging van het omgevingsplan de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen.
48/88
Subparagraaf 6.6.2 Doorwerking deelgebieden Binnenstad-Centrumschil en Transformatiegebied Noordpoort De gemeente Meppel is niet aangewezen als een agglomeratie zoals bedoeld in het Bkl. Met de wijziging van het omgevingsplan voor de deelgebieden Binnenstad-Centrumschil en Transformatiegebied Noordpoort wordt evenmin een tunnel voor het wegverkeer mogelijk gemaakt. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Op de milieubelastende activiteiten die emissies naar de lucht met zich meebrengen, is paragraaf 5.4.4 van het Bal van toepassing. In de wijziging van het omgevingsplan voor de deelgebieden Binnenstad-Centrumschil en Transformatiegebied Noordpoort worden geen maatwerkregels op het gebied van luchtkwaliteit opgenomen.
Paragraaf 6.7 Geluid Subparagraaf 6.7.1 Toetsingskader Op grond van artikel 5.59 van het Bkl moet in het omgevingsplan rekening gehouden worden met het geluid door milieubelastende activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. In paragraaf 5.1.4.2.2 van het Bkl is de instructie opgenomen om - voor zover het geen activiteiten in de openbare ruimte, evenementen of niet representatieve activiteiten betreft - hiervoor grenswaarden op te nemen in planregels. In paragraaf 5.1.4.2a is hiertoe de verplichting opgenomen om - bij het projecteren van geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied of het mogelijk maken van (wijzigingen aan) wegen, spoorwegen of industrieterreinen - de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting in de motivering te betogen. Daarnaast moet op grond van de artikelen 5.78q en 5.78ad van het Bkl het gezamenlijke geluid in het omgevingsplan worden opgenomen.
Subparagraaf 6.7.2 Doorwerking deelgebied Binnenstad-Centrumschil In deelgebied Binnenstad-Centrumschil waarop dit besluit tot het wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Meppel op ziet, ligt het geluidaandachtsgebied door de gemeentewegen van Meppel en het geluidaandachtsgebied van industrieterrein Oevers. Dit heeft tot gevolg dat op het wijzigen van het omgevingsplan voor dit deelgebied paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl van toepassing is. Met het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan gemeente Meppel voor de Binnenstad-Centrumschil worden geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen of milieubelastende activiteiten binnen de hiervoor genoemde geluidaandachtsgebieden mogelijk gemaakt. Evenmin maakt deze wijziging de aanleg van een nieuwe weg of aanpassingen aan bestaande wegen mogelijk. De wijziging van het omgevingsplan is namelijk conserverend van aard. In deze motivering is daarom geen afweging van de geluidbelasting ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen opgenomen zoals beschreven in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl. Met deze wijziging van het Omgevingsplan gemeente Meppel worden milieubelastende activiteiten toegestaan, die op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan ook mochten plaatsvinden.
Op de geluidbelasting door deze milieubelastende activiteiten die binnen het toepassingsbereik vallen, blijft paragraaf 22.3.4.2 van het Omgevingsplan gemeente Meppel van toepassing. De grenswaarden die in artikel 22.63 voor de geluidbelasting van deze milieubelastende activiteiten van toepassing zijn, sluiten aan bij het beschermingsniveau dat voor de binnenstad en de centrumschil passend is. Deze grenswaarden sluiten aan bij het geluidniveau voor een woonwijk in stedelijk gebied.[8] De beschermenswaardigheid van de geluidgevoelige gebouwen binnen het deelgebied Binnenstad-Centrumschil maken het niet nodig dat gebruik moet worden gemaakt van de mogelijkheden die de artikelen 5.65 tot en met 5.73 van het Bkl worden geboden. Daarom heeft de gemeente Meppel om de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten binnen het deelgebied Binnenstad-Centrumschil te reguleren, paragraaf 22.3.4.2 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Meppel in stand gelaten. In een enkel geval kan door een bestaande milieubelastende activiteit niet aan de grenswaarden zoals opgenomen in artikel 22.63 worden voldaan. Van deze omstandigheid was onder het oude recht (toen daarop het Activiteitenbesluit van toepassing was) ook sprake, maar is toen onopgemerkt gebleven. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij beide garagebedrijven aan de Weerstraat.
Beide bedrijven hebben een buitenterrein, waarop auto’s van klanten geparkeerd worden. Bij het dichtslaan van de deuren van deze voertuigen treden maximale geluidniveaus op ter hoogte van de omliggende woningen, die hoger zijn dan de grenswaarden op grond van artikel 22.63. Dit zou betekenen dat deze activiteiten feitelijk niet meer mogen voorkomen op grond van het omgevingsplan gemeente Meppel. Dit terwijl in de gebruiksactiviteiten het op deze locatie in werking hebben van een garagebedrijf is toegestaan. Op grond van artikel 22.1 is in dat geval artikel 22.63 niet van toepassing, zodat feitelijk géén regels op de geluidbelasting door deze milieubelastende activiteiten van toepassing zijn. Dit zou betekenen dat de geluidbelasting door deze milieubelastende activiteiten in hun omgeving in zijn geheel niet meer door planregels gereguleerd is (met uitzondering van de algemene zorgplicht). Om dit te voorkomen is voor deze activiteiten is daarom de locatie waarop artikel 22.63 van toepassing is aangepast, zodat dit artikel niet meer op deze milieubelastende activiteit van toepassing is. Ter vervanging daarvan is een uitwerking van artikel 5.65 uit het Bkl in deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen. Evenementen Het omgevingsplan maakt ook evenementen binnen het deelgebied Binnenstad-Centrumschil mogelijk.
In de wijziging van het omgevingsplan zijn hiervoor (voor de zogenoemde A, B, C en D evenementen) geluidnormen opgenomen voor het gebruik van versterkt muziekgeluid. In het verleden werd hiervoor vaak de Nota ‘Evenementen met een luidruchtig karakter’ uit januari 1996 van de voormalige Inspectie Milieuhygiëne Limburg als uitgangspunt genomen. Deze nota houdt weinig rekening met de toenemende intensiteit van het lager frequente deel van muziekgeluid bij evenementen (de zogenoemde bastonen). Daarom is in afstemming met de Regionale Uitvoeringsorganisatie Drenthe is daarom gekozen voor een uitwerking waarbij in het omgevingsplan geluidnormen voor twee verschillende dosismaten (de manier waarop de geluidbelasting wordt uitgedrukt) worden opgenomen. Er worden twee verschillende dosismaten, de ‘dB(A)’ en de ‘dB(C)’ gebruikt omdat deze beide samen een goede beoordeling van het totale geluidaanbod, van hoge frequenties naar lage frequenties, mogelijk maakt. De dosismaat ‘dB(A)’ die over het algemeen wordt gebruikt om de luidheid van het geluid uit te drukken, houdt zoals gezegd onvoldoende rekening met lagere tonen. Op zijn beurt houdt de dosismaat ‘dB(C)’ weer onvoldoende rekening met de hogere tonen.
Door deze beide dosismaten te normeren in de planregels wordt dus én voldoende waarborg tegen geluidhinder door lagere tonen én voldoende waarborg tegen geluidhinder door hogere tonen geboden. In de normstelling wordt ook een verschil gemaakt tussen de ‘zwaarte’ van een evenement. Kleinschaligere evenementen (A en B) kunnen uit de voeten met een beperkte geluidruimte. Grootschaligere (muziek)evenementen (C en D) hebben door hun aard een grotere geluidruimte nodig om succesvol te kunnen zijn. Voor kleinschaligere evenementen wordt daarom een geluidruimte van 85 dB(C) en 70 dB(A) toegestaan; voor grootschaligere evenementen een geluidruimte van 100 dB(C) en 85 dB(A). De ervaring bij andere gemeenten leert dat met deze normstelling voldoende waarborg tegen onaanvaardbare geluidhinder wordt geboden en bovendien voldoende geluidruimte wordt geboden om het feestelijke karakter van de evenementen te borgen.
Subparagraaf 6.7.3 Doorwerking deelgebied Transformatiegebied Noordpoort 49/88
Binnen het transformatiegebied Noordpoort zijn op het moment van wijzigen van het omgevingsplan (waarmee de transformatie naar woongebied mogelijk wordt gemaakt) nog diverse milieubelastende bedrijfsactiviteiten aanwezig. Deze milieubelastende gebruiksactiviteiten worden voor beperkte tijd mogelijk gemaakt. Het omgevingsplan van de gemeente Meppel zal erin voorzien dat deze gebruiksactiviteiten na de gestelde termijn plaats zullen maken voor woonactiviteiten en enkele commerciële activiteiten. Het deelgebied wordt daarnaast beïnvloed door het ten noorden daarvan gelegen industrieterrein Noord III en het ten zuiden gelegen industrieterrein Oevers. De geluidaandachtsgebieden van deze beide industrieterreinen liggen (deels) over het transformatiegebied. Het industrieterrein scheepswerf Wout Liezen (dat binnen het transformatiegebied ligt) wordt met het wijzigen van het omgevingsplan opgeheven en de gebruiksactiviteiten van de scheepswerf zullen op grond van de planregels niet meer mogelijk zijn. Het transformatiegebied ligt ook binnen het geluidaandachtsgebied dat langs de snelweg A32, het geluidaandachtsgebied dat langs de provinciale weg N375 ligt en binnen het geluidaandachtsgebied dat langs het gemeentelijke wegennetwerk ligt. Dit met inbegrip van de Stadsentree, die op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan effectief al mogelijk is gemaakt.
In het onderstaande wordt achtereenvolgens ingegaan op de geluidbelasting door milieubelastende activiteiten, de geluidbelasting door de industrieterreinen, de geluidbelasting door de provinciale weg N375 en de snelweg A32. Ter onderbouwing van de wijziging van het omgevingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Rho Adviseurs en de OmgevingsDienst Drenthe. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage A bij deze motivering gevoegd. Geluidbelasting door bestaande milieubelastende activiteiten Op de bestaande milieubelastende bedrijfsmatige activiteiten die binnen het transformatiegebied Noordpoort worden uitgeoefend, zijn de regels uit hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel van toepassing. Deze regels maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan en zijn door het Rijk bij het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 onderdeel gemaakt van het gemeentelijke omgevingsplan. Op grond van artikel 22.63 gelden voor de geluidbelasting door deze milieubelastende activiteiten grenswaarden van 50, 45 en 40 dB(A) voor het equivalente geluidniveau ter hoogte van gevels van geluidgevoelige gebouwen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor piekgeluiden gelden op grond van deze planregel grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
Deze geluidruimte gold vóór het in werking treden van de Omgevingswet ook op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Met deze geluidruimte werd en wordt voldoende waarborg tegen ontoelaatbare geluidhinder geboden. In de uitgangssituatie (bestaande bedrijvigheid en geen nieuwe woningen binnen het transformatiegebied) kunnen de bestaande bedrijven aan deze grenswaarden voldoen. Tijdens de transformatie van Noordpoort naar een woongebied, zullen er nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd op relatief korte afstand van de bestaande milieubelastende activiteiten. Dit kan tot gevolg hebben dat de milieubelastende activiteit niet meer aan de op grond van artikel 22.63 geldende geluidgrenswaarden kan voldoen. Op grond van de eerbiedigende werking die in artikel 24.1 van dit omgevingsplan is opgenomen, geldt hiervoor voor een periode van 10 jaar dat de activiteit niettemin mag worden voortgezet. Deze milieubelastende activiteit mag daarbij alleen worden gewijzigd als dit een afname van de strijdige invloed met zich meebrengt. De milieubelastende bedrijfsmatige activiteiten die binnen het transformatiegebied aanwezig zijn, zijn allen voor de duur van minder dan 10 jaar toegestaan. Met deze constructie wordt voorkomen dat de ontwikkeling van geluidgevoelige gebouwen het uitoefenen van de resterende milieubelastende activiteiten beperkt.
Weliswaar wordt daarmee tijdelijk een hogere geluidbelasting dan de grenswaarden uit het tijdelijke deel toegestaan, maar gelet op de beperkte duur daarvan is de gemeente van mening dat dit niet tot een onaanvaardbare kwaliteit van de fysieke leefomgeving leidt. In het navolgende wordt ingegaan op de geluidbelasting door verschillende bestaande milieubelastende activiteiten binnen en rond het transformatiegebied Noordpoort. De onderstaande informatie is aangeleverd door de Omgevingsdienst Drenthe in de vorm van een geluidadvies, dat als bijlage bij het akoestisch onderzoek is gevoegd. Brandweerkazerne Paradijsweg 1 Aan de Paradijsweg 1 is een brandweerkazerne van de Veiligheidsregio Drenthe gevestigd. Deze locatie is weergegeven in de volgende figuur.
Figuur 6.3 Locatie VRD De activiteiten die op deze locatie worden uitgevoerd bestaan uit kantoorwerkzaamheden, stalling van rijdend materieel, het houden van oefeningen op het buitenterrein van de kazerne en uiteraard in- en uitrukken van rijdend materieel voor de hulpdienstverlening. Op grond van artikel 22.70 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel zijn de geluidgrenswaarden, die ook in het tijdelijke deel zijn opgenomen, niet van toepassing op de geluidbelasting door de inzet van motorvoertuigen voor onder meer ongevallenbestrijding en brandbestrijding. De ontwikkeling van woningen binnen het transformatiegebied Noordpoort zal daarom op dit punt niet van invloed zijn op de gebruiksruimte die de kazerne toekomt. Het uitrukken van de hulpdienst is wel van invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de omgeving van de kazerne. Daarom is bij de voorbereiding op het wijzigen van het omgevingsplan voor het transformatiegebied Noordpoort onderzocht wat de invloed van de kazerne op de nieuw te bouwen woningen zal zijn.
Gelet op het beperkte aantal uitrukken gedurende een jaargemiddeld etmaal, zal met het equivalente geluidniveau ter hoogte van de woningbouw in de omgeving van de kazerne aan de grenswaarden kunnen worden voldaan die op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan voor al het overige equivalente geluid geldt (50 dB(A) als etmaalwaarde van het LAr,LT). Het gebruik van de sirenes zal echter van grote invloed op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving binnen het transformatiegebied zijn. De invloed van het gebruik van sirenes reikt tot ver in het transformatiegebied; het maximale geluidniveau (LAmax) ligt daarbij in het hele deelgebied Oude Vaart boven de 65 dB(A); in het deelgebied Steenwijkerstraatweg strekt het gebied waarbinnen het LAmax hoger is dan 65 dB(A) tot een het terrein van de scheepswerf. Zeker op kortere afstand van de kazerne zal de door het uitrukken van brandweerauto’s optredende geluidbelasting tot een akoestische kwaliteit leiden die niet wenselijk is. Daarom is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de bouw van geluidgevoelige gebouwen in de omgeving van de kazerne pas is toegestaan, als de initiatiefnemer heeft aangetoond dat er maatregelen worden getroffen om een goed akoestisch woon en leefklimaat te borgen.
Dit kan de initiatiefnemer bereiken door bijvoorbeeld geluidafschermende maatregelen te treffen, de geluidwering van het gebouw te optimaliseren óf desnoods met de VRD overeen te komen dat de kazerne wordt verplaatst. Gezondheidscentrum Ceintuurbaan 89 Ten westen van de geprojecteerde woningen op de locatie van het voormalige Terra College aan de Ceintuurbaan 87 en de Schoolstraat 2, is aan de Ceintuurbaan 89 een gezondheidscentrum gevestigd. De geluiduitstraling van het gezondheidscentrum wordt voornamelijk veroorzaakt door het rijden en parkeren van personenauto’s op het parkeerterrein. Dit parkeerterrein is op korte afstand van de geprojecteerde woningen gesitueerd, zie onderstaande afbeelding.
50/88
Figuur 6.4 locatie gezondheidscentrum Ceintuurbaan 89 Figuur 6.4 Locatie Spectrum Medisch Centrum Ten aanzien van het parkeren van personenauto’s zal het maximale geluidniveau (piekgeluid) bepalend zijn voor de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De personenauto’s zullen hoofdzakelijk in de dagperiode aankomen en vertrekken. Met enige regelmaat zal dit mogelijk ook in de avondperiode kunnen plaatsvinden. Voor het maximale geluidniveau ten gevolge van het rijden en parkeren van personenauto’s zal het dichtslaan van een autoportier maatgevend zijn. Op basis van een bronvermogen van 98 dB(A) voor het dichtslaan van een autoportier is een berekening gemaakt voor het maximale geluidniveau ter plaatse van de geprojecteerde woningen. Deze geluidbron is op circa 5 meter afstand vanaf de perceelgrens van de woningbouwlocatie gepositioneerd. Uit de berekening blijkt dat ten gevolge van het dichtslaan van een autoportier op de aangegeven locatie, het maximale geluidniveau op 5 meter afstand vanaf de perceelgrens circa 70 dB(A) bedraagt. Hiermee wordt aan grenswaarden voor de dagperiode op grond van de bruidsschat voldaan. Het gezondheidscentrum is op doordeweekse dagen tussen 07:00 en 18:00 u geopend.
De woningbouw die met de wijziging van het omgevingsplan ten oosten van het gezondheidscentrum wordt mogelijk gemaakt, vormt daarmee dus geen beperking van de bedrijfsvoering van het gezondheidscentrum. Nu aan de grenswaarden voor het LAmax in de akoestische dagperiode kan worden voldaan, kan er van worden uitgegaan dat ter hoogte van deze geprojecteerde woningbouw sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Milieustraat Hesselterlandweg 69 Aan de Hesselterlandweg 69 is een milieustraat gevestigd. Op 13 april 2007 is voor de inrichting een vergunning verleend met geluidvoorschriften voor de representatieve en incidentele bedrijfssituatie. De inrichting is alleen in de dagperiode in werking. De beoordelingspunten uit de vergunning zijn gelegen ter plaatse van de zonegrens en een bedrijfswoning op het industrieterrein. De geluidvoorschriften zijn gebaseerd op het akoestisch onderzoek d.d. 11 september 2006. Met het bijbehorende rekenmodel zijn de geluidniveaus ten gevolge van de milieustraat ter plaatse van de geprojecteerde woningen binnen de geluidzone van het industrieterrein Noord I berekend, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 6.5 locatie milieustraat Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de geprojecteerde woningen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de representatieve bedrijfssituatie in de dagperiode ten hoogste 50 dB(A) bedraagt. Het maximale geluidniveau ter plaatse van de geprojecteerde woningen bedraagt voor de representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 67 dB(A) in de dagperiode. De in de representatieve bedrijfssituatie berekende geluidniveaus ter plaatse van de geprojecteerde woningen voldoen aan de standaardwaarden uit het Bkl voor toelaatbaar geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen. Eens in de 6 weken wordt grof tuinafval geshredderd met behulp van een mobiele shredder. Deze is effectief 4 uur in bedrijf, evenals de mobiele kraan die het afval in de shredder brengt. Alle overige activiteiten uit de rbs kunnen hierbij voorkomen. Voor de afvoer van het snoei-afval zijn nog 4 extra vrachtwagencombinaties (inclusief wisselen 8 containers) nodig. Uit de berekening blijkt dat ter plaatse van de geprojecteerde woningen het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ten gevolge van de incidentele bedrijfssituatie in de dagperiode ten hoogste 59 dB(A) bedraagt. Het maximale geluidniveau ter plaatse van de geprojecteerde woningen bedraagt voor de incidentele bedrijfssituatie ten hoogste 72 dB(A) in de dagperiode.
Omdat deze bedrijfssituaties een beperkt aantal keren per jaar optreedt en wat betreft geluidbelasting zich niet onderscheid van de geluidbelasting die met het beheer van de openbare ruimte binnen het transformatiegebied samenhangt, is deze naar de mening van de gemeente aanvaardbaar en niet in strijd met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Geluidbelasting door nieuwe milieubelastende bedrijfsmatige activiteiten Binnen het transformatiegebied zullen (naast woningen) ook verschillende milieubelastende bedrijfsmatige activiteiten mogelijk worden gemaakt. Daarbij kan worden gedacht aan kleinschalige detailhandel en horeca. Op deze milieubelastende activiteiten zijn de regels uit de bruidsschat van toepassing, die zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze regels bieden naar de mening van de gemeente Meppel voldoende waarborgen voor een goed akoestisch woon- en leefklimaat binnen het transformatiegebied. Geluidbelasting door de provinciale weg N375 Aan de noord- en westzijde wordt het transformatiegebied begrensd door de provinciale weg N375. Het transformatiegebied ligt grotendeels binnen het geluidaandachtsgebied dat langs deze provinciale weg ligt. Voor de N375 geldt dat vóór het vaststellen van het omgevingsplan voor de transformatie van Noordpoort geen GPP’s vastgesteld zullen zijn.
Voor die gevallen mag op grond van artikel 3.5 van de Aanvullingswet Geluid gebruik worden gemaakt van het oude stelsel van de Wet geluidhinder. Dus bij het vaststellen van het omgevingsplan voor de transformatie van Noordpoort moet de geluidbelasting van de N375 worden berekend op basis van het Reken en Meetvoorschrift Geluid 2012 en beoordeeld volgens hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder. Op grond van de voormalige Wet geluidhinder en het overgangsrecht op grond van de Omgevingswet, geldt voor de geluidbelasting door het verkeer op de provinciale weg een voorkeursgrenswaarde of standaardwaarde van 48 dB voor het Lden. Deze standaardwaarde mag onder voorwaarde worden overschreden tot een grenswaarde of maximaal toelaatbare waarde van de geluidbelasting van 63 dB voor het Lden. Op grond van de gegevens uit het verkeersonderzoek dat door Goudappel B.V. is uitgevoerd, waaruit de representatieve verkeersintensiteiten op de provinciale weg in het toekomstige maatgevende jaar 2040 zijn ontleend, is de geluidbelasting binnen het transformatiegebied berekend. Hieruit volgt dat binnen een groot deel van het transformatiegebied de standaardwaarde van 48 dB voor het Lden
51/88
wordt overschreden, maar dat in alle gevallen de grenswaarde van 63 dB voor het Lden wordt onderschreden. De Wet geluidhinder geeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid tot het vaststellen van zogenoemde hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting. Voorwaarde daarvoor is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting vanwege het wegverkeer onvoldoende doeltreffend zullen zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Om de geluidbelasting door de N375 binnen het plangebied te beperken door maatregelen aan de bron te treffen, kan worden gedacht aan het vervangen van het asfalt op de provinciale weg door een stiller type asfalt. Omdat niet de gemeente maar de provincie beheerder is van deze weg, heeft de gemeente dit niet zelf in de hand. Naast maatregelen aan de bron, kan de geluidbelasting ook door overdrachtsmaatregelen in de vorm van een geluidsscherm kunnen worden beperkt. De gemeente zou dit scherm op eigen grond kunnen oprichten. Binnen het transformatiegebied worden wooneenheden tot 30 meter hoog mogelijk gemaakt.
Gelet ook op de hoogteligging van een deel van de provinciale weg is het praktisch niet mogelijk om de geluidbelasting ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen binnen het transformatiegebied met een geluidsscherm te beperken omdat hiervoor vanuit de woning het zicht op de weg moet worden ontnomen. Tot slot zou de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de ontvanger kunnen worden beperkt. Dit zou kunnen worden bereikt door het vergroten van de afstand tussen de provinciale weg en de te realiseren geluidgevoelige gebouwen binnen het transformatiegebied. Ook dit is in dit geval niet mogelijk omdat om aan de WBI opgave te voldoen, ten minste 972 woningen moeten worden gerealiseerd. Het beperken van het daarvoor beschikbare oppervlak door het vergroten van de afstand tussen de woningbouw en de provinciale weg, maakt deze opgave onhaalbaar. De gemeente gaat daarom over tot het vaststellen van hogere grenswaarden zoals bedoeld in artikel 73 van de voormalige Wet geluidhinder. Geluidbelasting door het verkeer op gemeentewegen Naast de geluidbelasting door de provinciale weg, ligt het transformatiegebied ook in het geluidaandachtsgebied dat rond de wegen ligt waarvoor de gemeente het bevoegde gezag is. Dit zijn de wegen die in de bestaande situatie al binnen en rond het transformatiegebied liggen: de Galgenkampsweg, de Paradijsweg en de Hugo de Grootstraat.
Ook de omliggende wegen dragen bij aan dit aandachtsgebied zoals de Steenwijkerstraatweg/Ceintuurbaan, het Noordeinde, de Heinsiusstraat, Hofstederstraat, Van Kuykstraat en anderen. Ook de nog aan te leggen Stadsentree wordt in dit geval als een bestaande weg beschouwd, omdat de aanleg van deze nieuwe Stadsentree met het al van kracht zijnde Chw bestemmingsplan Meppel-Transformatiegebied Noordpoort mogelijk gemaakt is. Om de geluidbelasting door het gemeentelijke wegenverkeersnetwerk binnen het transformatiegebied inzichtelijk te krijgen, is in het akoestisch onderzoek op basis van de verkeersintensiteiten die door Goudappel B.V. zijn vastgesteld voor het toekomstige maatgevende jaar berekend wat deze geluidbelasting is. Uit dit onderzoek blijkt dat ter hoogte van een groot aantal woningen binnen het transformatiegebied de standaardwaarde van 53 dB voor het Lden zal worden overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 66 dB voor het Lden. Dit houdt in dat de grenswaarde van 70 dB voor het Lden op grond van artikel 5.78u van het Bkl binnen het transformatiegebied niet wordt overschreden. De overschrijding van de standaardwaarde is echter zo groot dat deze niet door maatregelen teniet gedaan kan worden. De belangrijkste bijdrage aan de overschrijding van de grenswaarde komt op conto van de Stadsentree en de daarop aansluitende Ceintuurbaan.
Bij de aanleg van de Stadsentree zal gebruik worden gemaakt van stillere typen wegdekverharding. Daarmee wordt de geluidbelasting ter hoogte van de geluidgevoelige gebouwen die in het transformatiegebied mogelijk worden gemaakt zo veel als mogelijk beperkt. De hiervoor genoemde Stadsentree is in het akoestisch onderzoek beschouwd als een bestaande gemeentelijke weg; deze is immers al mogelijk gemaakt met het in werking treden van het Chw bestemmingsplan Meppel-Transformatiegebied Noordpoort. Het ontwerp van de aansluiting van de Stadsentree op de provinciale weg N375 wijkt echter af van het profiel dat met dit Chw bestemmingsplan (dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) voor de aanleg van de Stadsentree is vastgelegd. Deze afwijking wordt in de onderstaande figuur geïllustreerd.
Figuur 6.6 Ligging stadsentree Chw bestemmingsplan en omgevingsplan De Stadsentree verschuift dus (ten opzichte van de vigerende planologisch geregelde situatie) van de bestaande woonbebouwing aan de zuid- en westzijde af, richting de nieuwe geluidgevoelige gebouwen die met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt. Daarmee is weliswaar sprake van een wijziging van een weg zoals bedoeld in artikel 5.78j van het Bkl, maar neemt ter hoogte van de bestaande woningen de geluidbelasting niet toe maar neemt zij juist af. Er is dus geen toename van de geluidbelasting ter hoogte van de bestaande geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in artikel 5.78n van het Bkl. De geluidgevoelige gebouwen die met deze wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, vallen niet binnen het toepassingsbereik van de 5.78j. De geluidbelasting door de Stadsentree (en alle overige gemeentewegen) zijn in het voorgaande al beoordeeld volgens de systematiek die in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Bkl is beschreven. Het gecumuleerde geluidniveau Het gecumuleerd geluid, artikel 5.78ac Bkl, op de gevel is het geluid van verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel. Het gaat daarbij om de beoordeling van het geluid van geluidbronsoorten industrieterreinen, wegen en spoorwegen.
De gemeente beoordeelt het gecumuleerd geluid op de gevel alleen als het te beoordelen geluid van een geluidbronsoort op de gevel hoger is dan de standaardwaarde én toeneemt ten opzichte van het geluid behorende bij de bestaande situatie. Het geluid behorende bij een bestaande situatie is: • bij een geluidbronsoort met een geluidproductieplafond: het geluid op de gevel behorend bij de volledige benutting van het bestaande geluidproductieplafond (artikel 3.34 Bkl). • bij een geluidbronsoort zonder een geluidproductieplafond: het geluid op de gevel op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan (artikel 5.78m Bkl). In deze situatie betreft het geluidbronsoorten zonder een geluidproductieplafond. Conform artikel 12.13ia lid 2 Bkl wordt het geluid door de provinciale weg of het industrieterrein bepaald op grond van het in artikel 3.5 of 3.6 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet bedoelde recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, waarbij voor industrieterreinen de geluidbelasting in Letmaal geldt als geluidbelasting in Lden. De berekening van het cumuleren van geluid houdt rekening met verschillen in hinderlijkheid tussen verschillende soorten geluid.
De hoogste gecumuleerde geluidbelasting binnen het transformatiegebied bedraagt 54 tot 66 dB als Lcum en wordt veroorzaakt door de afzonderlijke bijdrage van het wegverkeer van gemeentewegen en de afzonderlijke bijdrage van het wegverkeer van provinciale wegen. Uitgedrukt in de milieukwaliteitsmaat volgens de Miedemamethode kan de daarmee samenhangende akoestische kwaliteit worden getypeerd als redelijk tot slecht. Geluidluwe gevels De in de voorgaande paragraaf omschreven gecumuleerde geluidbelasting wordt door zowel het wegverkeerslawaai van de N375 als het
52/88
wegverkeerslawaai van de Stadsentree veroorzaakt. De gevels van de eerstelijns bebouwing die op deze beide wegen zien, ontmoeten hiervan relatief hoge geluidbelastingniveaus, waardoor de akoestische kwaliteit ter hoogte van deze gevels niet optimaal is. Deze beduimelde akoestische kwaliteit aan de woningtoegangszijde kan worden gecompenseerd door de oriëntatie van buitenruimte aan een relatief geluidluwe zijde. Om na te gaan in hoeverre de geluidgevoelige gebouwen binnen het transformatiegebied een geluidluwe gevel kunnen krijgen, is hier in het akoestisch onderzoek een berekening voor uitgevoerd. Daarbij is van het hoogst belaste deel van het transformatiegebied een woonblok gemodelleerd volgens het carré-principe dat ook in het stedenbouwkundige plan is opgenomen. In figuur 6.7 is deze modellering uitgebeeld.
53/88
Figuur 6.7 Geluid vanwege gemeentewegen (links) en geluid vanwege provinciale weg (rechts, incl aftrek art 110g Wgh)) Uit de resultaten blijkt dat de gevels aan de binnenzijde van het carré van alle grondgebonden woningen een geluidluwe gevel hebben vanwege beide geluidbronsoorten. De geluidbelasting ter hoogte van deze geluidluwe zijde loopt op tot ten hoogste 50 dB als Lcum, wat kan worden geduid als een goede akoestische kwaliteit. Daarmee is per saldo sprake van een acceptabele akoestische kwaliteit van de fysieke leefomgeving binnen het transformatiegebied. Met het ruimtelijke afwegingskader dat als basis dient voor de beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunningen voor de bouw van geluidgevoelige gebouwen binnen het transformatiegebied, wordt het realiseren van deze carrés geborgd. Door deze opzet is voldoende rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel. Het gezamenlijke geluid Op grond van artikel 5.78ad van het Bkl moet bij het overschrijden van de standaardwaarde door het wegverkeerslawaai door provinciale wegen en gemeentewegen (waarvan in dit geval sprake is) de waarde van het gezamenlijke geluid worden bepaald en in het omgevingsplan worden vastgelegd. In het akoestisch onderzoek dat als bijlage A bij deze motivering is gevoegd, is dit gezamenlijke geluid berekend als de som van het wegverkeerslawaai en industrielawaai.
De hoogste gezamenlijke geluidbelasting bedraagt 53 tot 66 dB als Lden en wordt veroorzaakt door de afzonderlijke bijdrage van het wegverkeer van gemeentewegen en de afzonderlijke bijdrage van het wegverkeer van provinciale wegen. De berekende waarden van het gezamenlijke geluid zijn opgenomen in een bijlage bij de planregels. In één van de regels in het omgevingsplan worden deze waarden aangewezen als waarden van het gezamenlijke geluid zoals bedoeld in artikel 5.78ad van het Bkl.
Paragraaf 6.8 Trillingen 54/88
Subparagraaf 6.8.1 Toetsingskader Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen, activiteiten in de openbare buitenruimte, evenementen buiten een evenementenlocatie en verkeer op wegen, spoorwegen en waterwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.
Subparagraaf 6.8.2 Doorwerking deelgebied Binnenstad-Centrumschil In artikel 22.88 van het omgevingsplan gemeente Meppel zijn de bedoelde standaardwaarden voor continue trillingen opgenomen. Met de wijziging van het omgevingsplan zijn daarom aanvullend hierop standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen, in overeenstemming met artikel 5.78a van het Bkl aan het omgevingsplan verbonden.
Subparagraaf 6.8.3 Doorwerking deelgebied Transformatiegebied Noordpoort Met het wijzigen van het omgevingsplan voor de ontwikkeling van het transformatiegebied Noordpoort worden de daar uitgevoerde bedrijfsmatige activiteiten onder het overgangsrecht geplaatst. In de directe omgeving van het transformatiegebied vinden geen milieubelastende activiteiten plaats die onder het toepassingsbereik van artikel 5.79 van het Bkl vallen en die trillingshinder kunnen veroorzaken. Daarmee wordt naar de mening van de gemeente voldoende waarborgen tegen trillinghinder geboden. Bij het voorbereiden van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan is bijzondere aandacht besteed aan de brug in de Stadsentree, over de Drentse Hoofdvaart. Over de Stadsentree zal naast personenvoertuigen ook een groot aantal vrachtwagens van en naar het centrum van de stad worden geleid. Het viel niet uit te sluiten dat dit vrachtverkeer bij het passeren van de nieuwe brug trillingen zou kunnen veroorzaken in de omgeving van de brug. Daarom heeft de gemeente onderzoek laten doen naar de mate van trillingen die het passeren van vrachtverkeer over deze nieuwe brug in de omgeving daarvan zou kunnen veroorzaken. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage J bij deze motivering.
Hoewel het verkeer over de weg in artikel 5.79 van het Bkl expliciet is uitgesloten van het toepassingsbereik van paragraaf 5.1.4.4 (trillingen) van het Bkl, is de gemeente Meppel van mening dat zij deze mogelijke trillingshinder moet beoordelen om te kunnen voldoen aan de doelen van de Omgevingswet. Uit het trillingsonderzoek (dat als bijlage bij deze motivering is opgenomen) komt naar voren dat de schuine oversteek van de Drentse Hoofdvaart met een gelijke overgang van brugdek naar wegdek, een deugdelijke uitvoering van de oplegging/vering en het op slot zetten van de val (het brugdek) als de brug gesloten is, trillinghinder in de omgeving van de brug zal voorkomen. Deze aanbevelingen worden overgenomen in het ontwerp en de uitvoering van de brug in opdracht van de gemeente. Daarom zijn deze maatregelen niet als planregel in het omgevingsplan opgenomen.
Paragraaf 6.9 Bodem Subparagraaf 6.9.1 Toetsingskader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen. Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen. Op 10 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Meppel de regionale Nota Bodembeheer en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart vastgesteld.
Deze Nota Bodembeheer heeft een geldigheidsduur van 10 jaar. Op grond van het overgangsrecht zijn de bodemfunctiekaart en het gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota Bodembeheer zijn opgenomen, gelijkgesteld aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel, tot dit beleid haar geldigheid verliest. De OmgevingsDienst Drenthe heeft in de voorbereiding op deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Meppel verschillende keren meegedacht over de uitwerking van milieuthema’s in het omgevingsplan. De ODD heeft op eigen initiatief voorbeeldregels voor bodembeheer opgesteld, om de gemeenten in haar verzorgingsgebied te ondersteunen bij het wijzigen van het omgevingsplan. De gemeente Meppel heeft deze regels, voor zover deze niet strijdig zijn met het beginsel van beleidsneutraal overgaan, overgenomen in haar omgevingsplan.
Subparagraaf 6.9.2 Doorwerking omgevingsplan In artikel 6.22 zijn de grenswaarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vastgesteld. Daarbij heeft de gemeente Meppel aangesloten bij de interventiewaarden, die als bijlage IIa bij het Besluit activiteiten leefomgeving zijn opgenomen. Dit met uitzondering van de daarin opgenomen interventiewaarde voor lood. De landelijke werkgroep Bodem van de GGD heeft op 2 november 2020 een memorandum gepubliceerd over de gevolgen van lood in de bodem op de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Gelet op dit memorandum en het advies van de Omgevingsdienst Drenthe heeft de gemeente de grenswaarde voor de toelaatbare waarde van het gehalte lood in de bodem aangepast van de interventiewaarde van 530 mg/kgds naar 390 mg/kgds. Daarnaast ontbreken er in bijlage IIa van het Besluit activiteiten leefomgeving grenswaarden voor zogenaamde Peren polyfluoralkylstoffen (PFAS). Om ook op dit punt met het omgevingsplan voldoende waarborgen voor de kwaliteit van de bodem onder bodemgevoelige gebouwen te bieden, heeft de gemeente Meppel besloten om hiervoor aan te sluiten bij de grenswaarden voor de bodemfunctieklasse wonen volgens het Handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie van het Ministerie van IenW van december 2021.
In overeenstemming met dit handelingskader zijn voor perfluoroctaansulfonaat (PFOS) een grenswaarde opgenomen van 3 mg/kgds, voor perfluoroctaanzuur (PFOA) een grenswaarde van 7 mg/kgds en voor overige PFAS een grenswaarde van eveneens 3 mg/kgds. Aanvullend op het vaststellen van de grenswaarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, is in het omgevingsplan het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig gemaakt. Deze vergunningsplicht en de informatieplicht voor het in gebruik nemen van een
55/88
bodemgevoelig gebouw na het treffen van saneringsmaatregelen zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van het omgevingsplan. Naast het opnemen van regels over het bouwen van bodemgevoelige gebouwen, zijn in de wijziging van het omgevingsplan voor het deelgebied Binnenstad-Centrumschil ook regels opgenomen over het op of in de bodem brengen van grond en/of baggerspecie. Op grond van de bodemfunctiekaart die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, heeft het deelgebied binnenstad-centrumschil de bodemfunctieklasse ‘wonen’. Het deelgebied transformatiegebied Noordpoort heeft de bodemfunctieklasse ‘industrie’. Omdat dit transformatiegebied wordt omgezet naar een woongebied, wordt met deze wijziging van het omgevingsplan de bodemfunctieklasse van dit deelgebied gewijzigd in de bodemfunctieklasse ‘wonen’. Met deze uitwerking in deze wijziging van het omgevingsplan, is voldaan aan de instructieregel in het Bkl op dit gebied en wordt met dit besluit voldoende waarborg voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geboden. Zoals hiervoor is beschreven, heeft de ODD voorbeeldregels opgesteld waarmee uitwerking kan worden gegeven aan de instructieregel over bodem uit hoofdstuk 5 van het Bkl. In deze wijziging van het omgevingsplan is aangesloten bij de voorbeeldregels van de ODD over: • • • • • • • • •
aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor bouwen van bodemgevoelige gebouwen graven meer dan 25 m3 onder of gelijk aan de interventiewaarden graven meer dan 25 m3 boven de interventiewaarden kleinschalig graven boven de interventiewaarden saneren van de bodem andere sanerende maatregelen het opslaan van grond of baggerspecie het toepassen van bouwstoffen en grondstabilisatie en het toepassen van grond of baggerspecie (hoeveelheid bodemvreemd materiaal).
Deze regels zijn opgenomen in de hoofdstukken 7 en 11 van het omgevingsplan van de gemeente Meppel.
Paragraaf 6.10 Geur Subparagraaf 6.10.1 Toetsingskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.
Subparagraaf 6.10.2 Doorwerking omgevingsplan Geur door agrarische activiteiten In het deelgebied Binnenstad-Centrumschil en Transformatiegebied Noordpoort zijn geen agrarische activiteiten toegestaan. Om deze redenen is in deze wijziging van het omgevingsplan geen uitwerking gegeven aan dit deel van de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Overige geurbelastende activiteiten Het transformatiegebied Noordpoort ligt als het ware ingeklemd tussen de veevoederfabriek Agrifirm aan de zuidzijde en de Riool Waterzuiveringsinstallatie (RWZI) aan de noordzijde. Van deze milieubelastende activiteiten kan mogelijk een waarneembare geurbelasting binnen het transformatiegebied optreden. Om na te gaan of binnen het transformatiegebied, waarbinnen 1000 geurgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, hinderlijke geurbelasting door deze milieubelastende activiteiten kan optreden, heeft de OmgevingsDienst Drenthe hiervoor een geurberekening uitgevoerd. Daarbij heeft de ODD het veevoederbedrijf en de RWZI in een eenvoudig verspreidingsmodel doorgerekend. Deze weergave van het cumulatieve geurpotentieel is dan ook niet volledig, maar geeft wel een informatief beeld. De resultaten van deze berekening zijn weergegeven in de onderstaande figuur. In deze figuur zijn contouren van overeenkomstige geurbelasting uitgedrukt in ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel weergegeven.
De dosismaat ouE/m3 is een maat voor de waarneembaarheid van de geur. Bij een concentratie van 0,5 ouE/m3 is een geur nog juist waarneembaar. Met de percentielwaarde komt de frequentie waarmee de geur in de tijd waarneembaar is tot uitdrukking. Zo staat de 98 onderschrijdingspercentiel voor een frequentie waarbij een geur over een kalenderjaar bezien ten hoogste 2% van de tijd in de betreffende concentratie waarneembaar is.
56/88
Figuur 6.8 Resultaten geurberekening, uitgedrukt in ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel. In de volgende tabel is het rekenresultaat op verschillende rekenpunten binnen het transformatiegebied Noordpoort weergegeven. Hiervoor zijn berekeningen uitgevoerd op verschillende rekenhoogten, omdat met de wijziging van het omgevingsplan ook hoogbouw binnen het transformatiegebied mogelijk wordt gemaakt. Tabel 1 Overzicht van de geurbelasting bij verschillende percentielen. Toets-punt
Omschrijving
1
Noordpoort 208995,82 Nieuwbouw 17 m Noordpoort 209019,27 Nieuwbouw 1,5 m Noordpoort 209063,76 Nieuwbouw 7 m Noordpoort 209084,36 Nieuwbouw 7 m Noordpoort 209116,38 grondgebonden Noordpoort 209177,71 grondgebonden
2
3
4
5 6
X
Y
95% [OU/m³]
98% [OU/m³] 0,7
99,50% [OU/m³] 0,9
99,90% [OU/m³] 1,1
99,99% [OU/m³] 1,3
524389,90
0,4
524487,31
0,4
0,6
0,8
1,0
1,1
524717,60
0,3
0,5
0,7
0,9
1,3
524666,57
0,4
0,5
0,7
0,9
1,3
524803,66
0,3
0,5
0,7
1,1
1,7
524824,41
0,3
0,4
0,6
0,8
1,0
Uit Tabel 1 valt op te maken dat de geurbelasting gemiddeld over de uren per jaar een aantal uren boven de 1 ouE/m3 uitkomt. Om de gevolgen voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving door deze geurbelasting te kunnen duiden, is onderstaand een overzicht van kwalitatieve typeringen van woonomgevingen aan de hand van de geurlast opgenomen. Tabel 2 Typering woon- en leefklimaat Typering woon- en leefklimaat voor rustige woonwijk Goed Redelijk Matig tot Slecht
Geurbelasting rond RWZI’s (in OUE/m3 als 98-percentiel) < 0,5 0,5 < x < 1,5 > 1,5
Op basis van het voorgaande is de gemeente van mening dat, hoewel de geur van het mengvoerderbedrijf en de rioolwaterzuivering bij tijd en wijle binnen het transformatiegebied kan worden waargenomen, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Paragraaf 6.11 Laddertoets Subparagraaf 6.11.1 Toetsingskader Onder de Omgevingswet is in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Indien een stedelijke ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening én die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) legt hiervoor geen grens vast. Volgens vaste