2. Motivering wijzigingsbesluit omgevingsplan gemeente Meppel voor deelgebieden Binnenstad en Centrumschil & Noordpoort
Tekst van het document
Om te voorkomen dat het overgangsrecht een soort verkapte bouw- of gebruiksactiviteit wordt zal het overgangsrecht in tijd beperkt moeten worden en gericht moeten zijn op beëindiging van het met het Omgevingsplan strijdige gebruik. Deelgebied Transformatiegebied Noordpoort Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn voor ontwikkelingen die bijdragen aan de transformatie van het deelgebied Noordpoort omgevingsvergunningen nodig. In het tijdelijke deel zijn beoordelingsregels opgenomen waaraan aanvragen voor dergelijk omgevingsvergunningen worden getoetst. Een deel van de beoordelingscriteria waarop zo’n aanvraag wordt beoordeeld, is opgenomen in een beleidsregel dat als afzonderlijk document onderdeel uitmaakt van de bijlagen bij de planregels. De beleidsregel die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel is vormgegeven als afwegingskader. In dit afwegingskader wordt onderscheid gemaakt tussen de mate waarin een wooninitiatief bijdraagt aan de transformatie-opgave (stap 1), de mate waarin de aangevraagde wijziging van de gebruiksactiviteit moet bijdragen aan de transformatieopgave (stap 2) en de mate waarin de aangevraagde bouwactiviteit moet bijdragen aan de transformatieopgave.
Zoals eerder al is aangegeven gaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan er van uit dat het transformatiegebied Noordpoort maar in beperkte mate zal transformeren naar de gebruiksactiviteit wonen. Om het realiseren van 1.000 woningen binnen het transformatiegebied Noordpoort mogelijk te maken, zal het merendeel van (zo niet alle) de bestaande bedrijfsmatige activiteiten plaats moeten maken voor woonactiviteiten. Daarom worden de bedrijfsmatige activiteiten binnen het transformatiegebied Noordpoort met het wijzigen van het omgevingsplan onder het overgangsrecht geplaatst. Gelet op de opgave in Noordpoort nemen we een standaardtermijn overgangsrecht op van vijf jaar. Mocht later blijken dat de termijn van vijf jaar voor een individueel bedrijf niet voldoende is dan kan met een maatwerkvoorschrift een later moment worden bepaald. Voor nieuwe initiatieven die bijdragen aan de transformatieopgave blijft net als op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan een vergunningplicht gelden. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een nieuwe gebruiksactiviteit blijft de bijdrage aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en goede omgevingskwaliteit als beoordelingsregel gelden. Ook na de wijziging van het omgevingsplan zal deze open norm in een beleidsregel zijn geconcretiseerd.
Hiervoor wordt de bestaande beleidsregel aangepast aan de invulling die Noordpoort gelet op de WBI- en MIRT-gelden zal krijgen. In de beleidsregel zal hiervoor onderscheid worden gemaakt in de beoordeling van aangevraagde bouwactiviteiten en aangevraagde aanlegactiviteiten. Voor wat betreft het verhaal van kosten op initiatieven waarvoor een omgevingsvergunning binnen het transformatiegebied Noordpoort worden verleend, blijft het systeem zonder tijdvak gehandhaafd. Dit ondanks dat door de ontvangen subsidies de strategie voor de transformatie van Noordpoort van uitnodigingsplanologie naar de plicht om de woningbouw en de Stadsentree te realiseren. Vangnetregeling In de Vangnetregeling Omgevingswet zijn regels opgenomen die nodig bleken om een goede invoering van de Omgevingswet nodig te maken.
Een aantal onderdelen van deze regeling zien op het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Meppel, met de onderstaande gevolgen voor de werking van dit omgevingsplan • geen rechtsgevolg vernummering bruidsschat (artikel 2.1a Vangnetregeling) • 22.27 - situering vergunningvrije erf- en perceelafscheidingen • 22.33 - specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij ruimtelijk plan in procedure • 22.39 - activiteit niet van rechtswege in overeenstemming met tijdelijke deel omgevingsplan • 22.55 - geluidsregels niet van toepassing op hoogspanningsverbindingen • 22.61a - gegevens en bescheiden voor activiteiten op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds zijn vastgesteld • 22.278 - specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij ruimtelijk plan in procedure De Vangnetregeling bevat regels die aanvullend zijn op de bruidsschatregels in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan van gemeenten. De regels gelden van rechtswege naast de bruidsschat omgevingsplan. Ze wijzigen het omgevingsplan niet en zijn niet zichtbaar in het onderdeel Regels op de kaart van het Omgevingsloket. Bij het omzetten van deze regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het
37/88
omgevingsplan, moet ook de aanvulling van de vangnetregeling worden overgenomen om de goede werking van de planregels te borgen.
Subparagraaf 5.3.4 Wat staan we waar toe in het Omgevingsplan? In de vorige paragraaf is toegelicht hoe de planologische activiteiten zijn vertaald in het Omgevingsplan en in welke opzichten de nieuwe regeling verschilt van het Omgevingsplan van rechtswege. Het gebied wordt hoofdzakelijk getypeerd door gemengde (centrum)functies in het deelgebied Binnenstad. Daarbij gaat het in hoofdzaak om horecaen detailhandelsactiviteiten, met in mindere mate woonactiviteiten (al dan niet op de verdieping boven de eerstgenoemde activiteiten) en maatschappelijke activiteiten. Her en der in de deelgebieden zijn nog bedrijfsactiviteiten en dienstverleningsactiviteiten toegestaan. Verder kan nog gewezen worden op de verschillende activiteiten in het openbaar gebied. Zoals in de voorgaande paragrafen werd opgemerkt is steeds getracht om op de verschillende locaties binnen de deelgebieden geen wijzigingen aan te brengen in hetgeen in materiële zin aan gebruiksactiviteiten op die locatie is toegestaan. Waar meerdere gebruiksactiviteiten op grond van het bestemmingsplan (of tijdelijke deel van het Omgevingsplan waren toegestaan, zullen die activiteiten afzonderlijk als toegestane gebruiksactiviteit terugkeren op die locatie. In zoverre wordt met dit wijzigingsbesluit beoogt datgene toe te staan wat voorheen ook al toegestaan was.
Evenementen Het omgevingsplan geeft voor een specifiek evenemententerrein aan onder welke voorwaarden daar een evenement kan worden gehouden. De regels gelden voor met name de organisatoren van evenementen. Ook geven de regels in het omgevingsplan aan de omwonenden van een evenementenlocatie informatie over het mogelijke gebruik van deze evenementenlocatie. Zo wordt in de regels aangegeven hoeveel evenementen daar mogen plaatsvinden en wordt aangegeven welke soort evenementen zijn toegestaan. Initiatiefnemers kunnen uit de regels voor evenemententerreinen binnen de gemeente Meppel aflezen welke locatie het beste geschikt is voor het beoogde evenement. In de regels wordt naast de aard van de evenementen ook beschreven hoeveel evenementen per jaar mogen plaatsvinden. Om na te kunnen gaan of met een specifiek evenement binnen dit vastgestelde aantal evenementen wordt gebleven, gebruikt de gemeente Meppel een evenementenkalender. Op deze evenementenkalender worden alle evenementen die binnen een kalenderjaar worden gehouden, per evenemententerrein bijgehouden. Ook al heeft de evenementenkalender geen officiële status, het is wel een handig document en geeft duidelijkheid aan de initiatiefnemer van een evenement.
Naast een beschrijving van de aard en aantal evenementen voor de individuele evenementenlocaties, bevatten de regels ook de voor het betreffende evenemententerrein geldende specifieke voorwaarden waaraan een evenement moet voldoen. Tot slot helpen de regels de gemeente om evenementen evenwichtig over de gemeente te verspreiden. In de regels van het omgevingsplan is het volgende opgenomen: • de aanwijzing van het evenemententerrein met een beschrijving van de locatie en de programmering (Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving); • de soorten evenementen die waar zijn toegestaan • de capaciteit aan bezoekers die de evenementenlocatie toelaat; • de (locatie-specifieke) voorwaarden waaronder een evenement op een evenemententerrein kan worden gehouden. De laatstgenoemde voorwaarden zijn als planregels in de wijziging van het omgevingsplan opgenomen, ook op gebied van omgevingsaspecten zoals veiligheid, duurzaamheid en dergelijke. Verhouding tot APV In (artikel 1:8 van) de Algemene Plaatselijke Verordening Meppel (APV) is geregeld dat de burgemeester een evenementenvergunning kan weigeren in het belang van (o.a.) de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu.
De regels over evenementen in het Omgevingsplan hebben (mede) betrekking op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu (artikel 2.1, derde lid Ow). Voorheen was het nodig om in het kader van een goede ruimtelijke ordening regels in een bestemmingsplan op te nemen voor evenementen. De noodzaak voor een planologische regeling voor evenementen is meermaals tot uitdrukking gekomen in jurisprudentie over bestemmingsplannen waarin evenementen(terreinen) mogelijk gemaakt worden.[1] De grondslag voor de in de APV opgenomen regels over evenementen is artikel 149 (jo. artikel 174 derde lid) van de Gemeentewet. Mede gelet op de meer algemene taakstelling van de burgemeester in artikel 172 Gemeentewet en de parlementaire geschiedenis, moeten de oogmerken openbare veiligheid, volksgezondheid en de bescherming van het milieu hoofdzakelijk begrepen worden voor zover die oogmerken deel uitmaken van de meer algemene taakstelling van de burgemeester op het gebied van de openbare orde. De grondslag voor de in het Omgevingsplan opgenomen regels over evenementen is artikelen 4.1 en 4.2 jo artikel 2.1 Ow. Zoals hierboven aangegeven hebben de regels in het Omgevingsplan (ook) het oogmerk veiligheid, volksgezondheid en milieu.
Om te voorkomen dat het oogmerk (en daarmee de op grond van deze regelingen uit te oefenen bevoegdheden) door elkaar lopen en mede gelet op het bepaalde in artikel 2.7 Ow, moeten de verschillende facetten van deze oogmerken goed uit elkaar gehouden worden. Veiligheid, volksgezondheid en milieu moeten als gezegd in het kader van de APV begrepen worden als onderdeel van de bredere openbare orde bevoegdheden van de burgemeester. In het Omgevingsplan worden in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels gesteld over evenementen voor zover die evenementen gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De oogmerken veiligheid, volksgezondheid en milieu moeten in het kader van deze normstelling dan ook begrepen worden in het licht van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het openbare orde aspect van deze oogmerken blijft nadrukkelijk buiten de regeling in het Omgevingsplan en blijft dus geregeld in de APV.
Paragraaf 5.4 Omgevingsplanovergangsrecht Subparagraaf 5.4.1 Inleiding Met dit wijzigingsbesluit wordt voorzien in een omzetting van het bestaande planologische regime naar de nieuwe systematiek van de Omgevingswet, daarom moet ook voorzien worden in een regeling voor die situaties waarvoor een overgangsrechtelijke aanspraak gold onder het oude recht. In deze paragraaf wordt uiteengezet hoe daar in het omgevingsplan mee om wordt gegaan.
Subparagraaf 5.4.2 Wel of geen omgevingsplanovergangsrecht? Anders dan onder de Wet ruimtelijke ordening is het met de invoering van de Omgevingswet niet langer verplicht en dus ook niet vanzelfsprekend om bouw- en gebruiksovergangsrecht op te nemen. Dat betekent ook dat de door de omgevingsplanwetgever gemaakte keuzes op het gebied van het overgangsrecht nadrukkelijk gemotiveerd moeten worden.[2] Voor een goed begrip van de aan de gemaakte keuzes ten grondslag liggende redenen en uitgangspunten zal in deze paragraaf kort ingegaan worden op de achtergrond van het overgangsrecht zoals dat op grond van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht moest worden opgenomen in een bestemmingsplan (of beheersverordening) en het ontbreken van een dergelijke verplichting in de Omgevingswet. Daarbij is het steeds goed om te bedenken dat met de Omgevingswet is beoogd een omgevingsplan
38/88
een meer uitnodigend karakter te geven, waarbij bovendien geen tijdshorizon geldt. Het één op één overnemen van het bouw- en gebruiksovergangsrecht uit het Besluit ruimtelijke ordening in het omgevingsplan zou in zoverre dan ook oneindig overgangsrecht betekenen. Daarmee zou dat overgangsrecht nagenoeg gelijk komen te staan met het positief ‘bestemmen’ of toestaan van die bouw- of gebruiksactiviteiten op die specifieke locatie, wat haaks staat op de overbruggende bedoeling van het overgangsrecht dat uiteindelijk gericht is op het beëindigen of juist expliciet toestaan van die bouw- of gebruiksactiviteiten. Daarbij is het bovendien maar de vraag hoe dat zich zou verhouden tot de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het andere uiterste – niet opnemen van overgangsrecht betekent dat de met een wijzigingsbesluit in het omgevingsplan opgenomen regels direct na inwerkingtreding van dat wijzigingsbesluit (ook voor bestaande situaties) van toepassing zijn. Omgevingsplanovergangsrecht volgens de wetgever Anders dan in de Wro schrijft de Omgevingswet geen (standaard) overgangsbepalingen voor.
In de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet[3] en de Nota van Toelichting bij het Omgevingsbesluit[4] komt tot uitdrukking dat het (anders dan in bestemmingsplannen) niet vanzelfsprekend is dat bestaande situaties bij een planologische wijziging onder het eerbiedigende overgangsrecht komen te vallen. Dat betekent evenwel niet dat in het geheel geen overgangsrecht in het omgevingsplan kan of moet worden opgenomen. Algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, alsmede het (Eerste Protocol bij) het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) brengen met zich mee dat bij wijziging van het omgevingsplan in beginsel een overgangsrechtelijke regeling wordt opgenomen. Alleen als directe en onvoorwaardelijke werking van een regel gerechtvaardigd en wenselijk is kan worden afgezien van het opnemen van overgangsrecht.[5] Dat betekent ook dat een overgangsrechtelijke regeling, mede gelet op het bepaalde in artikel 4.2 van de Omgevingswet, net als de overige planregelingen naar aard en inhoud (en zoals in paragraaf 5.1.3 Aanwijzingen en annotaties ook aangegeven) fijnmaziger is en van locatie tot locatie kan verschillen. Overgangsrecht en/of nadeelcompensatie? Overgangsrecht is gericht op een beëindiging van een bepaalde activiteit binnen een bepaalde - bij het wijzigingsbesluit nader te bepalen - termijn.
Net als onder de Wro is, zoals hierboven aangegeven, ook onder de Omgevingswet het uitgangspunt dat een overgangsrechtelijke bepaling gericht is op de beëindiging van die activiteit. Na afloop van de termijn zal dus een keuze moeten worden gemaakt: ofwel de onder het overgangsrecht vallende activiteit of functie moet worden toegestaan, of de activiteit moet worden beëindigd. Voor zover een wijzigingsbesluit voorziet in een overgangsrechtelijke bepaling kan dat besluit onder omstandigheden aangemerkt worden als een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 4:126 Awb jo. artikel 15.1 Omgevingswet. Het nemen van een wijzigingsbesluit is immers een rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Zoals hieronder toegelicht wordt, vereisen verschillende soorten wijzigingen van het omgevingsplan ook verschillende soorten overgangsrechtelijke bepalingen. Omdat overgangsrechtelijke bepalingen meer ruimte kunnen geven voor maatwerk, biedt dat ook ruimte om mede met oog op het evenredigheidsbeginsel voorafgaand aan een wijzigingsbesluit afspraken te maken met betrokkenen over onder andere het aanbieden van nadeelcompensatie.
Uitgangspunten voor het overgangsrecht in het Omgevingsplan De beleidsruimte die ontstaat als gevolg van het schrappen van de verplichting om standaard bepalingen van overgangsrecht op te nemen vraagt om een beleidsmatige keuze voor het opnemen van overgangsrecht in het omgevingsplan. Daarbij moet in grote lijnen worden bepaald in welke situaties welk type overgangsrechtelijke regeling opgenomen wordt. Juist omdat het overgangsrecht van locatie tot locatie kan verschillen en het omgevingsplan (in tegenstelling tot het instrumentarium onder de Wro) één geheel is, vraagt het gelijkheidsbeginsel om een solide motivering van de wijze waarop het bevoegd gezag, mede in het licht van de hierboven bedoelde rechtsbeginselen, invulling geeft aan die beleidsruimte.
Subparagraaf 5.4.3 Motivering gemaakte keuzes en situaties omgevingsplanovergangsrecht Met betrekking tot het overgangsrecht kunnen grosso modo drie verschillende situaties worden onderscheiden: 1) de juridisch-technische omzetting van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan, 2) een wijzigingsbesluit om een geheel nieuwe ontwikkeling mogelijk te maken en 3) een transformatie van een bestaande situatie (al dan niet in combinatie met de juridisch-technische omzetting als bedoeld hierboven onder 1) naar een nieuwe ontwikkeling. De verschillende situaties vragen ook om een verschillende soorten overgangsrechtelijke regelingen. 1) De juridisch technische wijziging Met dit wijzigingsbesluit wordt onder andere voorzien in het omzetten van de planologische bouw- en gebruiksregels voor de bovengenoemde deelgebieden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan (situatie 1). Omdat de in artikel 4.6, eerste lid, Invoeringswet bedoelde besluiten op grond van artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening verplicht regels over bouw- en gebruiksovergangsrecht moesten bevatten kan niet op voorhand worden uitgesloten dat er bestaande situaties zijn die onder dit bouw- en gebruiksovergangsrecht vallen.
Gelet op de hierboven bedoelde (verdragsrechtelijke) rechtsbeginselen zal voor een algemene omzetting van de bouw- en gebruiksregels zoals met het onderhavige wijzigingsbesluit beoogd is een ruime overgangsrechtelijke regeling moeten worden opgenomen. Bij bovenstaande moet bovendien in aanmerking worden genomen dat hoewel het omgevingsplan als instrument mogelijkheden biedt om per locatie en ook binnen afzonderlijke functies verschillende activiteiten toe te staan of juist uit te sluiten, bij de omzetting van het tijdelijke deel naar het niettijdelijke deel van het omgevingsplan het tijdelijke deel (en niet de feitelijk bestaande situatie) als uitgangspunt wordt genomen. Dit betekent ook dat voor zover de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met het tijdelijke deel, dit dus ook voor het niet tijdelijke deel zal (gaan) gelden. Om te voorkomen dat dit voor bestaande situaties tot problemen leidt, is gekozen voor een ruime overgangsrechtelijke regeling die aansluit bij de algemeen gangbare looptijd voor hypothecaire leningen om te voorkomen dat mensen in de knel komen door dit wijzigingsbesluit. Voor bestaande situaties wordt aldus recht gedaan aan bovengenoemde (verdragsrechtelijke) rechtsbeginselen, terwijl voorkomen wordt dat het gebruik als zodanig de facto bij recht wordt toegestaan.
Voor bestaande situaties betekent dit echter wel dat opvolgend kopers (meer dan onder de Wro) zich bewust zullen moeten zijn van het belang dat de feitelijke situatie overeenkomt met de planologisch toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. Voor makelaars, notarissen en andere partijen die bij vastgoedtransacties betrokken zijn zoals hypotheekverstrekkers wordt het daarom temeer belangrijk dat zij zich vergewissen van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van een bepaald object, juist omdat de omgevingsplanwetgever voor de overgangsrechtelijke bepalingen het wijzigingsbesluit voor het omzetten van het tijdelijke deel naar het niet-tijdelijke deel als peilmoment hanteert. De overgangsrechtelijke regeling in dit wijzigingsbesluit ziet nadrukkelijk slechts op situaties die reeds onder de Wro tot stand gekomen zijn en aldus onder het voor 1 januari 2024 geldende planologische overgangsrecht vielen. Dat planologische overgangsrecht is op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet vanaf die datum van rechtswege onderdeel geworden van het omgevingsplan. Voor situaties die onder de vigeur van het tijdelijk deel onder het overgangsrecht zijn komen te vallen geldt in principe hetzelfde: dit overgangsrecht vervalt in principe van rechtswege op een bij amvb te bepalen tijdstip.[6] Voor die situaties moet het wijzigingsbesluit daarom voorzien in een overgangsrechtelijke regeling.
2) Nieuwe ontwikkelingen Voor nieuwe ontwikkelingen ligt een ruime overgangsrechtelijke regeling minder voor de hand. Bij nieuwe ontwikkelingen in deze zin moet vooral gedacht worden aan de zuivere ontwikkeling van nieuwe functies op tot dat moment onbebouwde locaties. Gewenste bouw- of gebruiksmogelijkheden kunnen bij de wijziging van een omgevingsplan voor een specifieke locatie bij recht worden toegestaan. Zoals hierboven eerder al genoemd is een omgevingsplan qua mogelijkheden en beperkingen voor een specifieke locatie veel fijnmaziger dan de instrumenten in de Wro. Dat betekent ook dat specifieke bouw- en gebruiksmogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen op perceelniveau kunnen worden geregeld, waardoor, zeker voor nieuwe ontwikkelingen het opnemen van een overgangsrechtelijke bepaling niet, althans minder voor de hand ligt. De afwegingen die een omgevingsplanwetgever moet maken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ziet daarbij hoofdzakelijk op de onderlinge verenigbaarheid van de aan de locaties toegedachte functies met bijbehorende bouw- en gebruiksmogelijkheden. Voor zover toekomstige eigenaren of gebruikers van gronden of bouwwerken wijzigingen wensen kan dat met inachtneming van de in het
39/88
omgevingsplan opgenomen regels (vergunningvrij of met een omgevingsvergunning voor een (binnenplanse) omgevingsplanactiviteit), met een wijziging van het omgevingsplan of met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze laatste moet overigens op grond van artikel 4.17 Ow, voor zover het een voortdurende omgevingsvergunning is voor a) het in stand houden van een bouwwerk, of andere omgevingsplanactiviteit die niet in overeenstemming is met de aan die locatie gegeven functieaanduiding binnen vijf jaar na onherroepelijk worden van die vergunning worden verwerkt in het omgevingsplan. In zoverre is het evenmin nodig om, voor zover het nieuwe ontwikkelingen betreft, een overgangsrechtelijke regeling op te nemen. 3) Transformaties Transformaties vragen om maatwerk. Bestaande functies zijn niet altijd verenigbaar met aan locaties toegedachte functies. Onder de Crisis- en herstelwet hebben verschillende gemeenten vooruitlopend op het instrumentarium van de Omgevingswet al geëxperimenteerd met transformatiegebieden.De inwerkingtreding van de omgevingswet biedt gemeenten ten opzichte van de regeling onder de Wro meer mogelijkheden. Uiteraard moeten gemeenten daarbij steeds rekening houden met de hierboven besproken (verdragsrechtelijke) rechtsbeginselen, maar binnen die kaders zijn er met de omgevingswet wel meer mogelijkheden ontstaan.
Zo biedt de Omgevingswet voor transformatiegebieden kansen voor de onder de Wro weinig populaire regeling van de voorlopige bestemming. Met een overgangsrechtelijke regeling kan, bijvoorbeeld door het voorschrijven van faseringen (al dan niet via een aan het college gedelegeerde bevoegdheid met oog op flexibiliteit),[7] ervoor gezorgd worden dat onverenigbare functies op grond van het omgevingsplan niet gelijktijdig naast elkaar kunnen bestaan. Overgangsrecht onder de Omgevingswet is, net als onder de Wro, immers gericht op beëindiging van de onder het overgangsrecht gebrachte (bouwwerk of) gebruik. In zoverre zal dit type overgangsrecht voor transformatiegebieden naar verwachting effectiever zijn in het bieden van een tijdelijke regeling voor de te beëindigen gebruiksactiviteit of het te verwijderen bouwwerk. Dat neemt niet weg dat het ook onder omgevingswet nodig is om in overleg te blijven met betrokkenen en hun eventueel tegemoetkomen door middel van een vergoeding van geleden schade. Voor de aan de locatie toegedachte toekomstige functie geldt dat daarvoor de situatie geldt zoals hierboven onder 2 omschreven. Dergelijke toekomstige functies kunnen (mede door het transformatieovergangsrecht) vooraf goed in beeld gebracht worden, waardoor er in beginsel geen reden is voor het opnemen van specifieke overgangsrechtelijke regels.
In de volgende paragraaf wordt uiteengezet wat dit betekent voor de deelgebieden die opgenomen zijn in dit wijzigingsbesluit. 4) Nieuwe regelgeving Tot slot kan nog gedacht worden aan het scenario dat nieuwe (instructie)regels bij een nieuw wijzigingsbesluit in de weg staan aan het laten voortbestaan van een bepaalde functie op een locatie. In dat geval zal een opvolgend wijzigingsbesluit in een overgangsrechtelijke regeling moeten voorzien. Daarbij ligt het voor de hand om aansluiting te zoeken bij de hierboven beschreven derde typologie (‘Transformaties’) omdat met een maatwerkoplossing zal moeten worden gezocht naar een met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbare situatie. Dat kan betekenen dat een functie (op termijn) zal moeten verdwijnen, wat (anders dan in een bestemmingsplan onder de Wro) vraagt om een maatwerkoplossing. Hoewel die situatie (net als scenario 2) zich bij dit wijzigingsbesluit niet voordoet, illustreren deze typologieën in welke gevallen wel of niet voor het opnemen van een overgangsrechtelijke regeling kan worden gekozen en wat voor regeling in dat geval het meest voor de hand ligt.
Subparagraaf 5.4.4 Vormgeving van het omgevingsplanovergangsrecht Deelgebied Binnenstad-Centrumschil Voor de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil voorziet dit wijzigingsbesluit hoofdzakelijk in een beleidsarme juridisch- technische wijziging waarbij het tijdelijke deel van het omgevingsplan (grotendeels) wordt omgezet naar het niet-tijdelijke deel. Dit betekent ook dat het omgevingsplan moet voorzien in een ruime overgangsrechtelijke regeling waarmee betrokkenen rechtszekerheid wordt geboden die enerzijds recht doet aan het doel van het overgangsrecht: beëindiging van een met het omgevingsplan strijdige situatie en anderzijds evenredig te achten is met oog op de gevolgen van dat overgangsrecht voor alle betrokkenen, mede in het licht van eerste protocol bij het EVRM. Zoals hierboven aangegeven heeft een omgevingsplan (anders dan een bestemmingsplan) geen tijdshorizon en maakt het meer uitnodigende karakter van het omgevingsplan dat omgevingsplanovergangsrecht niet vanzelfsprekend is. Het omgevingsplan beoogt immers (veel) minder dan een bestemmingsplan te sturen op een in de toekomst beoogde eindsituatie en dus ook minder te sturen op beëindiging van bepaald gebruik of het verdwijnen van bepaalde bouwwerken.
Als functiebeëindiging nodig is voor een toekomstige, aan een locatie toegedachte, functie kan het omgevingsplan voorzien in een specifiek op die locatie toegesneden overgangsregeling. Ten behoeve van verleende omgevingsvergunningen (vanaf 2013) waarbij is afgeweken van een bestemmingsplan geldt dat deze zoveel mogelijk zijn verwerkt bij deze juridische-technische wijziging. Dergelijke omgevingsvergunningen vallen daarmee buiten de reikwijdte van het overgangsrecht. Voor gebruik (en/of bouwwerken) dat is ontstaan onder Wro en op enig moment onder het overgangsrecht is komen te vallen, is het wenselijk dat ook (na omzetting na het niet-tijdelijke deel) een overgangsrechtelijke bepaling als vangnet wordt opgenomen. Daarbij is gekozen voor een regeling die (in aansluiting op de maximale invulling van het overgangsrecht onder de Wro, alsmede op de gangbare looptijd van hypothecaire leningen) uitgaat van een ruime overgangstermijn van 30 jaar na inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit. Binnen die termijn hebben betrokkenen dan de mogelijkheid om het gebruik en/of de bouwwerken in overeenstemming te brengen met het omgevingsplan (of vice versa).
Deelgebied Transformatiegebied Noordpoort Voor het deelgebied ‘Transformatiegebied Noordpoort’ voorziet dit wijzigingsbesluit hoofdzakelijk in een regeling waarmee de bestaande, veelal verouderde bedrijfsbebouwing plaats zal maken voor woningbouw. Die regeling moet enerzijds zien op de beëindiging van bestaande functies, terwijl tegelijkertijd ruimte moet worden geboden voor de nieuwe, aan deze locatie toegedachte, functie wonen. Zoals in subparagraaf 5.4.3 "Motivering gemaakte keuzes en situaties omgevingsplanovergangsrecht” al werd aangegeven, voorziet de regeling voor beëindiging van bestaande functies in feite al in een overgangsrechtelijke regeling en ligt het voor de aan deze locatie toegedachte bouw- en gebruiksmogelijkheden minder voor de hand om overgangsrecht op te nemen. Beoogde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden kunnen bij het wijzigingsbesluit direct positief geregeld worden en Voor de zuivere transformatielocaties zal daarom geen algemene regeling van omgevingsplanovergangsrecht worden opgenomen.
Paragraaf 5.5 Overgangsfase: van tijdelijk deel naar niet-tijdelijk deel Subparagraaf 5.5.2 Wat gaat wanneer mee naar het niet-tijdelijke deel? Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat (op grond van artikel 22.1 aanhef en onder a Ow en voor zover relevant voor de motivering van dit wijzigingsbesluit) uit: de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet en de regels waarvoor op grond van artikel 22.1, aanhef en onder c jo. artikel 22.2, eerste lid Ow is bepaald dat ze tijdelijk deel uitmaken van het omgevingsplan. Voor dit deelgebied gaat het dan om de in paragraaf “1.2.1 Deelgebied Binnenstad-Centrumschil” en “1.2.2 Deelgebied Transformatiegebied Noordpoort” bedoelde bestemmingsplannen. Artikel 22.2 Ow voorziet in een overgangsrechtelijke regeling voor de gedecentraliseerde rijksregels (bruidsschat), terwijl artikel 22.6 Ow voorziet in een overgangsrechtelijke regeling voor de ruimtelijke decentrale regels in (o.a.) bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Voor dit wijzigingsbesluit is vooral belangrijk dat in artikel 22.6, eerste lid, Ow is bepaald dat de daar bedoelde delen van het tijdelijke deel van het omgevingsplan alleen alle tegelijk kunnen komen te vervallen.
Aangezien de in artikel 22.2 Ow bedoelde gedecentraliseerde rijksregels daar niet genoemd worden kan met een wijzigingsbesluit óók slechts een gedeelte van de bruidsschat komen te vervallen. Met dit wijzigingsbesluit worden de regels uit de bestemmingsplannen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan geheel vervangen door een
40/88
nieuwe regeling in het niet-tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voor de bruidsschat geldt dat dit wijzigingsbesluit met name voorziet in een definitieve regeling voor de regels in Afdeling 22.2 (Activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen). Zoals hierboven gemotiveerd wordt daarmee voorzien in een wijzigingsbesluit dat voldoet aan de randvoorwaarden die voortvloeien uit paragraaf 22.1.1 van de Omgevingswet.
Subparagraaf 5.5.1 Inleiding In de overgangsfase van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het niet tijdelijke deel van het omgevingsplan zullen verschillende regelingen van voor 1 januari 2024 vertaald worden naar een nieuwe regeling in het omgevingsplan Meppel. Het wijzigingsbesluit voor de deelgebieden Binnenstad-Centrumschil en Transformatiegebied Noordpoort voorziet in een eerste vertaling. In deze paragraaf wordt gemotiveerd hoe dit wijzigingsbesluit zich verhoudt tot het bepaalde in hoofdstuk 22 van de Omgevingswet.
Subparagraaf 5.5.3 Waarin voorziet dit wijzigingsbesluit niet? Met dit wijzigingsbesluit worden geen regels uit lokale verordeningen in het omgevingsplan opgenomen. Zoals aangegeven in paragraaf 4.4.1 Verordening fysieke leefomgeving is het de bedoeling dat die regels met een afzonderlijk wijzigingsbesluit in het omgevingsplan geïntegreerd worden. Ook voorziet dit wijzigingsbesluit niet in een niet-tijdelijke regeling voor de gedecentraliseerde milieuregels in de bruidsschat (m.u.v. horeca).
41/88
Hoofdstuk 6 Gevolgen voor de fysieke leefomgeving Paragraaf 6.1 Dienstenrichtlijn Subparagraaf 6.2.1 Toetsingskader In het omgevingsplan staan regels over een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Zo kunnen ook bij de beoordeling of een brancheringsregeling voldoet aan de vereisten uit de Dienstenrichtlijn meer motieven dan enkel de ruimtelijke afweging een rol spelen. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel, dienstverlening, horeca en kantoren. Voor een nadere uitleg over de werking van de Dienstenrichtlijn wordt verwezen naar de 'Handreiking Dienstenrichtlijn en Ruimtelijke ordening' opgesteld voor de Retailagenda. De Dienstenrichtlijn stelt dat er niet zo maar nadere eisen kunnen worden gesteld aan diensten die zich mogen vestigen. Uit de ontwikkelde jurisprudentie is gebleken dat het stellen van eisen mogelijk is, maar dat deze eisen wel moeten worden onderbouwd volgens de systematiek van de Dienstenrichtlijn. Dit is neergelegd in artikel 15 lid 3. Die bepaling luidt als volgt: 'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: 1. discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel; 2.
noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; 3. evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. In het deelgebied Transformatiegebied Noordpoort zijn geen regels opgenomen die beperkingen kunnen vormen voor dienstenverlenende gebruiksactiviteiten. Voor de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil is dit wel het geval. In hoofdstuk 6 van de planregels worden beperkingen gesteld aan de aard van de bedrijfsactiviteiten, detailhandelactiviteiten en horeca-activiteiten die binnen deze deelgebieden zijn toegestaan. In het navolgende wordt ingegaan op hoe deze regels zich tot de Dienstenrichtlijn verhouden.
Subparagraaf 6.2.2 Doorwerking deelgebied Binnenstad-Centrumschil Vestigingsbeperkingen In het voorliggende wijziging van het Omgevingsplan zijn voor diensten die binnen de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil mogen worden uitgeoefend de volgende vestigingsbeperkingen opgenomen: • in afdeling 6.3 Bedrijfsactiviteiten is de beperking opgenomen dat alleen bedrijfsmatige activiteiten van categorie 1 en 2 (deels op voorwaarde van een omgevingsvergunning) zijn toegestaan • in paragraaf 6.5.1 van de planregels zijn de toegestane detailhandelactiviteiten beperkt tot het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen (geen motorbrandstoffen zijnde) aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of dienstverleningsactiviteit aan huis • in paragraaf 6.6.1 van de planregels zijn de toegelaten dienstverleningsactiviteiten beperkt tot: het verlenen van economische en/of maatschappelijke diensten aan derden; bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, zoals: kapperszaken; schoonheidsinstituten; en fotostudio's; dienstverleningsactiviteiten die naar aard en invloed gelijk te stellen zijn aan de functies genoemd onder • In paragraaf 6.9.1 van de planregels zijn
gebiedsgericht horeca-activiteiten van respectievelijk categorie 1 tot en met categorie 3 toegestaan In het navolgende wordt op de verschillende beoordelingscriteria van de Dienstenrichtlijn voor deze dienstenbeperkende regels ingegaan. Discriminatieverbod Voor deze vestigingsbeperkingen is het discriminatieverbod niet aan de orde; de maatregel discrimineert niet naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats. Noodzakelijkheid Vanuit het noodzakelijkheidscriterium volgt de eis dat een maatregel noodzakelijk moet zijn vanwege een dwingende reden van algemeen belang om de vestigingsbeperking op te leggen (het doel). Dit volgt doorgaans uit het vastgestelde beleid. In Meppel is hiervoor het beleid in de Omgevingsvisie vastgelegd. In deze omgevingsvisie wordt ingegaan op de eisen die een veranderend winkelgedrag op het functioneren van de binnenstad oplegt en het daarmee samenhangende sociaal-economisch perspectief van deze binnenstad. De opgaven die hiervoor in de omgevingsvisie zijn opgenomen brengen de in het omgevingsplan opgenomen vestigingsbeperkingen met zich mee. Evenredigheid Uit het evenredigheidscriterium volgt dat een vestigingsbeperking als maatregel aan het volgende moet voldoen: • • • •
De maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken. De maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast. De maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken. Het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, worden bereikt.
De maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken Het opnemen van de vestigingsbeperkingen zoals die deel gaan uitmaken van de regeling in het omgevingsplan, is uitermate geschikt en effectief om de opgaven zoals beschreven in de omgevingsvisie te helpen bereiken. Primair gaat het om vestiging van activiteiten die de plaats innemen van winkelvoorzieningen die door veranderend winkelgedrag niet meer levensvatbaar zijn. Dan is het logisch om de vestigingsmogelijkheden voor niet levensvatbare gebruiksactiviteiten te beperken. De maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast Binnen de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil wordt, naast commerciële gebruiksactiviteiten, dienstverlenende activiteiten en horecaactiviteiten ook ruimte geboden aan kantoorruimten met als ruimtelijk motief de inpasbaarheid in de omgeving. Op de aangewezen locaties passen deze functies bij uitstek in de beide deelgebieden. Daarbij zorgt de gemeente voor een heldere stedelijke structuur. Horeca is toegestaan in de binnenstad en op enkele specifieke locaties in de centrumschil. Het opnemen van vestigingsbeperkingen voor dienstverlening, kantoren en horeca wordt in het omgevingsplan van de gemeente Meppel coherent en systematisch toegepast.
De maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken De vestigingsbeperkingen zorgen ervoor dat de binnenstad van Meppel een aangenaam en aantrekkelijk gebied blijft en daarmee bijdraagt aan
42/88
toename van recreatie en toerisme binnen de gemeente. De maatregel gaat dan ook niet verder dan nodig is. Het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, worden bereikt Er zijn geen flankerende maatregelen denkbaar in de sfeer van het aantrekkelijker maken van het centrumgebied als tegelijkertijd de deur wordt opengezet voor zelfstandige horeca- detailhandel buiten de binnenstad. In jurisprudentie is het beginsel aanvaard dat flankerende maatregelen ontoereikend zijn om te voorkomen dat functies zich elders vestigen buiten de aangewezen locaties als die mogelijkheid wordt geboden. Het doel kan dan ook niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, worden bereikt. Conclusie De reservering voor kleinschalige bedrijvigheid in combinatie met dienstverlening, horeca en kantoren in de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil is evenredig. Discriminatieverbod en noodzakelijkheids- en evenredigheidscriteria De reservering voor kleinschalige bedrijvigheid in combinatie met dienstverlening, horeca en kantoren in de deelgebieden Binnenstad en Centrumschil voldoen aan het discriminatieverbod, het noodzakelijksheidscriterium en evenredigheidscriterium in artikel 15, derde lid onder a, b en c van de Dienstenrichtlijn.
Paragraaf 6.1 Inleiding Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling. Thema's als gezondheid, veiligheid, geluid, natuur, bouw en water maken integraal deel uit van het omgevingsplan. Dit hoofdstuk bevat een omschrijving van de uitgevoerde onderzoeken en de resultaten hiervan. Uitsluitend aspecten die voor de wijziging van het omgevingsplan relevant zijn dienen te worden genoemd.
Paragraaf 6.3 Veiligheid Subparagraaf 6.3.1 Toetsingskader Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema’s die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan gemeente Meppel moet worden bijgedragen aan de doelen van de Omgevingswet en moet het omgevingsplan dus ook voldoende waarborgen voor de veiligheid bieden. In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor het subthema externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden of risicozones rond dergelijke bronnen.
Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelgebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van Brandweer Nederland zijn hiervoor de volgende thema’s aangewezen: a. bluswater en bereikbaarheid b. externe veiligheid c. natuurbranden d. windturbines e. overstroming en klimaatadaptatie f. evenementen g. het gebruik van gebouwen en h. rookoverlast Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan. Naast de in het voorgaande beschreven Rijksbeleid en beleidslijn, heeft de gemeente Meppel in 2014 en gebiedsgericht beleid op de externe veiligheid vastgesteld: de Beleidsvisie Externe Veiligheid Gemeente Meppel.
Subparagraaf 6.3.2 Doorwerking deelgebied Binnenstad-Centrumschil De wijziging van het omgevingsplan gemeente Meppel voor het deelgebied Binnenstad-Centrumschil is conserverend in de zin dat hiermee alleen de bestaande activiteiten mogelijk worden gemaakt. Onder deze activiteiten bevinden zich geen risicodragende bronnen. Het deelgebied wordt wel beïnvloed door verschillende omliggende risicodragende bronnen. Zo wordt de oostzijde van het plangebied begrensd door de spoorlijn Zwolle Leeuwarden/Groningen. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. De spoorlijn maakt onderdeel uit van het bij de Omgevingsregeling aangewezen basisnet. Dit maakt dat langs deze spoorlijn een brand- en een explosieaandachtsgebied ligt. Over het Meppeler Diep en de Drentse Hoofdvaart, die het deelgebied Binnenstad-Centrumschil aan de westzijde begrenzen, vindt ook vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Daarnaast ligt aan de Ceintuurbaan het LPG tankstation Esso. In de volgende figuur zijn de voor het deelgebied Binnenstad-Centrumschil van belang zijnde aandachtsgebieden ingetekend.
43/88
Figuur 6.1 aandachtsgebieden Binnenstad-Centrumschil Het omgevingsplan van de gemeente Meppel is voor het deelgebied Binnenstad-Centrumschil conserverend van aard. Dit heeft tot gevolg dat binnen het aandachtsgebied dat rond de hiervoor genoemde risicobronnen ligt, geen nieuwe (beperkt of zeer) kwetsbare gebouwen worden toegestaan. Daarom zijn in deze motivering voor deze activiteiten geen afwegingen over de aanvaardbaarheid van het mogelijk maken van deze activiteiten en de daarmee gepaard gaande risico’s opgenomen. Wel is met de wijziging van het omgevingsplan het brand- en explosievoorschriftengebied langs de spoorlijnen tussen Zwolle - Leeuwarden en Zwolle - Groningen binnen het deelgebied BinnenstadCentrumschil vastgelegd. Dit laatste voorschriftengebied geldt overigens bij recht. Binnen het brandaandachtsgebied dat rond de spoorlijnen ligt, liggen binnen het deelgebied Binnenstad-Centrumschil enkel beperkt kwetsbare gebouwen. In het explosieaandachtsgebied liggen zowel beperkt kwetsbare als kwetsbare gebouwen. Bij de voorbereiding van het wijzigen van het omgevingsplan voor de Binnenstad en Centrumschil is aandacht besteed aan het gebouw aan de Leonard Sprengerlaan 35 1 t/m 35 20. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan waren hier dienstverlenende activiteiten toegestaan.
Met de wijziging van het omgevingsplan worden in dit gebouw de gebruiksactiviteiten dienstverlening en wonen toegestaan. Feitelijk wordt het pand gebruikt als woonlocatie voor hulpbehoevenden. Ervan uitgaande dat daarbij 24-uurszorg wordt aangeboden, maakt dat feitelijk sprake is van een zeer kwetsbaar gebouw. Samen met de VRD en ODD is de aanwezigheid van een zeer kwetsbaar gebouw op korte afstand van het vervoer van gevaarlijke stoffen besproken. Daarbij is overwogen dat: • de kans op een ongewenste gebeurtenis bij het vervoer van gevaarlijke stoffen op korte afstand van dit complex uiterst klein is • bij 24 uurs zorgverlening de signalering van een ongewenste gebeurtenis prompt zal zijn • de brandweerkazerne aan de Leonard Sprengerlaan op slechts twee kilometer en het Isala-ziekenhuis op drie kilometer afstand van het complex staan, zodat snelle hulpverlening geborgd is • het gebouw parallel aan het spoor staat, zodat afgeschermd vluchten van de bron af geborgd is. Het voorgaande maakt dat met het wijzigen van het omgevingsplan de bestaande vergunde activiteit als gebruiksactiviteit kan worden toegewezen en er voldoende waarborg voor een veilig woon- en leefklimaat wordt geboden.
Evenementen In het deelgebied Binnenstad-Centrumschil laat deze wijziging van het omgevingsplan ook evenementen als activiteiten toe, zowel in algemene zin voor de wat kleinere evenementen als meer specifiek voor bepaalde locaties voor de grotere evenementen. Deze evenementen kunnen van invloed zijn op de veiligheid. Daarom worden met deze wijziging van het omgevingsplan regels opgenomen die ervoor zorgen dat de veiligheid van bezoekers en overige gebruikers van het deelgebied gewaarborgd blijft. Deze regels gaan onder andere over de toegankelijkheid van de evenementenlocatie voor hulpdiensten, bijvoorbeeld in geval van branden, rampen en andere crises, maar ook over het voorkomen van het gebruik van brandonveilige materialen. Naast de invloed van evenementen op de veiligheid, zijn evenemententerreinen waar tegelijkertijd minder dan 5.000 bezoekers aanwezig zullen zijn op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangemerkt als beperkt kwetsbare locaties. Evenemententerreinen waar tegelijkertijd meer dan 5.000 bezoekers aanwezig kunnen zijn, zijn aangemerkt als kwetsbare locaties. Het evenemententerrein ‘Binnenstad’ kan in zijn geheel meer dan 5.000 bezoekers herbergen. Dit evenemententerrein is dus aan te merken als een kwetsbare locatie. Deze kwetsbare locatie ligt niet binnen een brand- of explosie-aandachtsgebied.
Het Wilhelminapark is het enige evenemententerrein dat onderdeel uitmaakt van het deelgebied, dat binnen het explosieaandachtsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor ligt. Dit aandachtsgebied ligt over ongeveer de oostelijke helft van het terrein van het park. De gemeente is niettemin van mening dat de veiligheid van bezoekers van evenementen in het park voldoende is gewaarborgd. In het Wilhelminapark worden immers een beperkt aantal evenementen gehouden, waarbij het bezoekersaantal is beperkt tot ongeveer 2500 bezoekers. Dit maakt dat het risico van fatale ongewenste gebeurtenissen uiterst beperkt. In het omgevingsplan is voor het gebruik van duurzame energie tijdens evenementen een regel opgenomen op grond waarvan - als gebruik wordt gemaakt van een batterijen-pakket - dit aan de noordzijde van het evenemententerrein moet worden geplaatst. Dit om te voorkomen dat bij een eventuele brand de rook over het onbeschermde publiek op het evenemententerrein zou worden gevoerd.
Subparagraaf 6.3.3 Doorwerking deelgebied Noordpoort Het deelgebied Noordpoort zal transformeren van bedrijventerrein naar woongebied. Dit houdt in dat de bestaande bebouwing en infrastructuur na het wijzigen van het omgevingsplan zullen verdwijnen en daar nieuwe bebouwing en een nieuwe infrastructuur voor in de plaats zullen komen. Een deel van de openbare ruimte zal door de gemeente worden ingericht. Uiteraard houdt de gemeente daarbij rekening met het zo optimaal mogelijk bereikbaar maken van de gebouwen voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswater. Over dat laatste onderwerp heeft de gemeente ter voorbereiding op het wijzigen van het omgevingsplan overleg gehad met de Veiligheidsregio. Deze heeft aangegeven dat de Veiligheidsregio Drenthe in haar pompwagens voldoende bluswater meeneemt om een woningbrand te kunnen blussen. Daarnaast zet de Veiligheidsregio Drenthe in op het (groot)watertransport met behulp van tankauto’s om te voorzien in voldoende bluswater mocht de voorraad van de motorspuit te kort schieten. Dit stelt voor Noordpoort daarom beperkte eisen aan het beschikbaar maken van het bluswater uit bijvoorbeeld het oppervlaktewater. Een deel van de openbare ruimte zal door de initiatiefnemers voor ontwikkelingen in het deelgebied worden ingericht.
Daarom zullen er regels in het omgevingsplan worden opgenomen om ervoor te zorgen dat de bereikbaarheid van de bebouwing en beschikbaarheid van bluswater geborgd is. In verband met de ligging van het deelgebied aan de Drentse Hoofdvaart en de hoogbouw die met het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, worden er ook regels opgenomen over op welke hoogte de door initiatiefnemers aan te leggen infrastructuur moet worden aangelegd en op welke hoogte technische installaties moeten worden geplaatst. Zoals in het voorgaande is beschreven, is aan de Ceintuurbaan het LPG-tankstation van de Esso gevestigd. In de volgende figuur zijn de pr 10-6 en 10-5 ingetekend, naast brand- en explosieaandachtsgebieden die met het vulpunt en de afleverzuil samenhangen.
44/88
Figuur 6.2 aandachtsgebieden transformatiegebied Noordpoort Binnen de pr 10-6-contour mogen op grond van artikel 5.7, lid 1 geen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen mogelijk worden gemaakt. Met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor het transformatiegebied Noordpoort, wordt daarom het bouwen van nieuwe gebouwen binnen dit gebied niet mogelijk gemaakt. In het gebied tussen de hiervoor geschetste pr 10-6-contour en de aandachtsgebieden voor explosie en brand worden kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen geprojecteerd. De brand- en explosieaandachtsgebieden die rond het LPGtankstation gelden, worden met het wijzigen van het omgevingsplan aangewezen als brand- en explosievoorschriftengebied. Op grond van artikel 5.14 van het Bkl kan binnen het brand- of explosieaandachtsgebied een brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen als daarbinnen kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen zijn of worden geprojecteerd. Als binnen het aandachtsgebied een zeer kwetsbaar gebouw is toegestaan, geldt hiertoe een plicht. Bij de bouw van gebouwen binnen deze voorschriftengebieden zijn de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Bbl van toepassing. Voor de gebouwen die binnen deze voorschriftengebieden worden mogelijk gemaakt, zullen ontwikkelregels worden opgenomen.
Daarbij zal worden bepaald dat bij het maken van het ontwerp moet worden gezorgd voor afgeschermde vluchtwegen die van het LPG-tankstation af leiden.
Paragraaf 6.4 Water Subparagraaf 6.4.1 Toetsingskader De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de Waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater). De Waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de Waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De Waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO.
Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur). In de Waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en verordeningen. Voor de gemeente Meppel is de Waterschapsverordening van het waterschap Drents-Overijsselse Delta van toepassing.
Subparagraaf 6.4.2 Waterschapsverordening Drents-Overijsselse Delta Het waterschap heeft per 1 januari 2024 de Waterschapsverordening. De verordening heeft de Keur Waterschap Drents Overijsselse Delta, de Algemene regels bij de keur en een deel van de Beleidsregels bij de keur vervangen. • • • • • • •
Bodem en grondwater Waterkwantiteit Waterkwaliteit Waterveiligheid Waterketen Vaarwegen Klimaatverandering
Subparagraaf 6.4.3 Doorwerking deelgebied Binnenstad-Centrumschil Uitgangspunt is dat voor activiteiten waarvoor een wijziging van het omgevingsplan nodig is, geen regels ter bescherming van de waterbelangen hoeven (of zelfs mogen) worden opgenomen als dit al in de Waterschapsverordening is geregeld. Voor bepaalde aspecten zijn wel regels nodig in het omgevingsplan. Uiteraard is een goede afstemming met het waterschap wel noodzakelijk.
Subparagraaf 6.4.4 Doorwerking deelgebied Transformatiegebied Noordpoort Inleiding In opdracht van de gemeente Meppel heeft Witteveen en Bos de uitgangspunten van een eerdere verkenning naar de uitgangspunten voor een
45/88
klimaat robuuste inrichting van het gebied vertaald naar de toekomstige waterhuishouding in het gebied en concrete uitgangspunten voor het ontwerp (zie bijlage K bij deze motivering). Navolgend zijn de belangrijkste uitgangspuntenpunten uit het rapport van Witteveen en Bos beschreven. Voor de inhoudelijke onderbouwing wordt verwezen naar voornoemde rapportage dat is opgenomen in de bijlage. Omgevingsaspecten Bodem en grondwater De bodem bestaat uit matig fijn tot zeer fijn zand met soms een dunne veenlaag. De doorlatendheid van het zand is niet gemeten. Op basis van de boorprofielen wordt de doorlatendheid geschat op 0,5 tot 2 m/dag. Voor het westelijke plandeel wordt uitgegaan van een maatgevende grondwaterstand van 0,3 m +NAP. Voor het oostelijke plandeel geldt een maatgevende grondwaterstand van 0,5 m +NAP. Bij de bepaling van de maatgevende grondwaterstand is uitgegaan van een mogelijke toekomstige verhoging van het waterpeil in het IJsselmeer. Oppervlaktewater Het watersysteem binnen de projectgrenzen kenmerkt zich door de Nijeveense grift die binnen het plangebied aansluit op de Drentse Hoofdvaart. De Nijeveense grift is verbonden met het watersysteem van de Drentse hoofdvaart via een dam met lange duiker (165 m).
Met de ontwikkeling van deelgebied Steenwijkerstraatweg wordt de Grift weer uitgegraven waarmee deze (verbinding weer zichtbaar wordt en een bijdrage kan leveren aan de identiteit en de waterhuishouding. De waterstand in de Drentse hoofvaart varieert tussen NAP 0,5 m +NAP en 0,5 m -NAP, met een maximum gemeten waterstand van 1,0 m +NAP en een minimum waterstand van 0,6 m -NAP (meetperiode circa 25 jaar). Het waterpeil in de Nijeveense Grift (aan de zijde van de Drentse Hoofdvaart) fluctueert tussen een maximum waterpeil van 0,5 m +NAP en een minimum van 0,8 m -NAP. Het waterpeil in de Grift ten noorden van de rondweg N375 is gelegen tussen 1,10 m -NAP en de 0,55 m -NAP. Op de Legger oppervlaktewateren uit de waterschapverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta is het oppervlaktewater aangeduid als primaire watergang. De watergangen hebben daardoor een beschermingszone van 5 meter. Binnen de beschermingszones gelden conform de waterschapsverordening van het waterschap Drents Overijsselse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen ter bescherming van en om onderhoud aan de watergang mogelijk te houden. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied bevindt zich niet binnen de kern- en beschermingszone van waterkeringen. Het gehele plangebied ligt binnendijks.
Afvalwaterketen en riolering Het plangebied ligt grotendeels in een gemengd rioolstelsel dat vanaf de westzijde de Drentse Hoofdvaart kruist en richting het noorden afwatert richting de afvalwaterzuivering. In de woonwijk aan de westzijde van de hoofdvaart stroomt het hemelwater af op een infiltratieriool. Oppervlakteverdeling Bestaande situatie Binnen het totale plangebied wordt onderscheid gemaakt tussen twee deelgebieden aan beide zijden van de Drentse Hoofdvaart. De huidige situatie kenmerkt zich met name door de vele verhardingen in het plangebied. Aan de Noordzijde van de Drentse Hoofdvaart bevindt zich een bedrijventerrein, inclusief scheepwerf, en aan de zuidzijde een combinatie van bedrijventerrein en woonwijk. Door middel van een topografische analyse is een inschatting gemaakt van de huidige oppervlakteverdeling (zie de onderstaande tabellen). Oppervlakteverdeling Oude Vaartzijde
Oppervlak (m2)
Oppervlak (%)
Bebouwing
33.232
42
Verharding
41.789
53
Groen
4.395
6
Water
0
0
Totaal
79.416
100
Oppervlakteverdeling Steenwijkerstraatwegzijde Oppervlak (m2)
Oppervlak (%)
Bebouwing
16.056
12
Verharding
66.608
51
Groen
16.530
13
Water
31.888
24
Totaal
13.1082
100
Toekomstige situatie Met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Meppel voor de transformatie van Noordpoort, worden in totaal 972 woningen mogelijk gemaakt. Doelstelling daarbij is: 15 tot 20% sociale huur, 10 tot 15% middenhuur, 20 tot 25% betaalbare koop en rond de 50% vrije sector. Momenteel zijn er nog geen concrete ontwerpen voor de daadwerkelijke ontwikkeling van het transformatiegebied. Voor nu wordt voorzien in een flexibel plan dat op basis van verschillende randvoorwaarden initiatiefnemers veel vrijheid geeft voor het realiseren van woonruimten. De gemeente zal verder de hoofdinfrastructuur (Stadsentree) realiseren. Waterhuishouding en klimaatadaptatie Algemeen In Noordpoort dient het hemelwater expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen en op een duurzame wijze te worden verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Waterberging dient zo veel als mogelijk gemaximaliseerd te worden. Hierbij vormt de drietrapsstrategie vasthouden - bergen - afvoeren het uitgangspunt. Uitgangspunten en randvoorwaarden Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater gelden onderstaande uitgangspunten gehanteerd: • • • • • • • • • • • •