CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Bijlage - TAM-Omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37 Nijeveen - Regels en Motivering

1 - RAADSVERGADERING 28 mei 2026, gemeente MeppelBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan “Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen”26.400 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op voorhand is geen sprake van de voorgenoemde activiteiten. Indien dit wel het geval is wordt hiervoor een omgevingsvergunning aangevraagd. Dit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

3.3.2.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Indien een omgevingsvergunning (watervergunning) noodzakelijk is zal deze worden aangevraagd bij waterschap Drents Overijsselse Delta.

3.3.2.4

Conclusie

Op basis van de wijze waarop invulling is gegeven aan, en rekening is gehouden met, het waterbelang wordt geconcludeerd dat het waterschapsbeleid geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

26

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

3.4

Gemeente

3.4.1

Structuurvisie Meppel 2030 "Duurzaam verbinden"

3.4.1.1

Algemeen

De Structuurvisie Meppel 2030 "Duurzaam verbinden" (vastgesteld 7 november 2013) geeft een kader voor de sociaal-maatschappelijke, economische en ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode 2010-2030 in Meppel. Het is een langetermijnvisie waarvan de planhorizon ligt op 2030. Deze Structuurvisie geeft een inspirerend kader voor passende en gewenste activiteiten en investeringen. De Structuurvisie positioneert Meppel duidelijk in de regio. De Structuurvisie zorgt voor een consistent ruimtelijk beleid (lange termijn). Ook geeft de Structuurvisie een duidelijke visie op de uitvoering en mogelijkheden van het verhalen van kosten. Deze visie gaat uit van verregaande samenwerking met onze inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en regiopartners.  De visie zet in op duurzaam verbinden en de volgende doelstellingen:  Integraal werken, samenhang in beleid;  Inspelen op veranderingen, onzekerheden, flexibiliteit;  Duidelijk zichtbaar wat de gemeente doet en wat de mogelijkheden van anderen zijn (faciliterende rol);  Koppeling aan gemeentelijke begrotingscyclus: Perspectiefnota en Programmabegroting.

3.4.1.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

De locatie is gelegen binnen in het gebied 'Buitengebied Noordoost'. Over het buitengebied en het specifieke noordoostelijke deel zijn de volgende aspecten in de visie opgenomen. De stad Meppel is verweven met haar buitengebied. De ontstaanswijze van het cultuurlandschap en onze stad is hier afleesbaar, het vertelt over ons verleden. Het landschap fungeert als aantrekkelijk gebied voor onze bewoners en bezoekers, nodigt uit tot bewegen en ontdekken en is een visitekaartje voor de stad. Het buitengebied heeft ook een belangrijke rol in het reguleren van water en als kerngebied en verbinding voor natuur. Tot slot is ons buitengebied een aantrekkelijke plek om te wonen en werken. De landbouw vormt de ruggengraat van het buitengebied als eigenaar en beheerder van de graslanden, akkers en landschapselementen. De landbouw heeft ruimte om zich te kunnen ontwikkelen en aan te passen aan gewijzigde omstandigheden, rekening houdend met de natuur- en landschapswaarden. Het aantal landbouwbedrijven neemt echter af, waardoor steeds vaker agrarische bebouwing vrijkomt. Uitgangspunten voor nieuwe functies zijn de instandhouding van cultuurhistorische waarden van de bebouwing, concentratie van bebouwing en primair de functies agrarische bedrijvigheid, wonen, wonen met een zorgcomponent of bedrijvigheid aan huis.

Het huidige toeristisch-recreatieve aanbod in het buitengebied is relatief beperkt. We faciliteren met name een kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod. Het landschap is het decor voor recreanten en laat de ontstaanswijze van het gebied zien. Gestreefd wordt naar behoud van de samenhang en afleesbaarheid van het landschap en het benutten van de recreatieve, economische en ecologische potentie. Maar de zorg voor landschap kan door overheden niet meer alleen worden uitgevoerd. Bewoners en agrariërs zullen een grotere rol spelen bij de instandhouding van hun eigen landschap. (Zie Agenda platteland gemeenten Zuidwest Drenthe) De aanwezige natuur is een belangrijke kwaliteit van het landelijk gebied en maakt dat gebied ook aantrekkelijk voor de recreant. We willen bestaande natuurwaarden beschermen en randvoorwaarden scheppen voor herstel en ontwikkeling. Daarbij hoort ook de juiste waterhuishouding. In het buitengebied ligt een belangrijke opgave voor een waterveilige gemeente met gezonde en veerkrachtige watersystemen.

3.4.1.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Het realiseren van een akkerbouwbedrijf ten behoeve van grasland- en akkerbeheer past binnen de doelstellingen om enerzijds landbouw te blijven faciliteren, maar anderzijds de natuur tegemoet te komen door geen vee te houden en stikstofdepositie te verminderen. De alternatieve invulling om middels een verblijfsrecreatieve voorziening in de vorm van een familievakantiewoning een economische invulling voor het bedrijf te bieden sluit aan bij de recreatieve waarden. Het unieke aan de beoogde ontwikkeling hierin is de toevoeging van een ecologisch ingevuld erf met een bijzonder blauwe component: een toename in oppervlaktewater. Hierdoor is er sprake van een economisch, ecologisch, innovatief en economisch verantwoord plan. Daarmee draagt het plan bij aan de doelstellingen van de structuurvisie.

27

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

3.4.1.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van de structuurvisie.

3.4.2

Omgevingsvisie gemeente Meppel

3.4.2.1

Algemeen

Op 24 april 2025 is de Omgevingsivisie Meppel vastgesteld door de gemeenteraad. De omgevingsvisie schetst een integrale, lange termijn koers voor de leefomgeving tot 2040, waarin zowel groei als behoud centrale thema’s zijn. De visie is opgebouwd rond vier kernambities: 1. Duurzaam in alle opzichten: Hierbij staat de transitie naar een CO2-neutrale samenleving centraal. Er wordt ingezet op efficiënte energieopwekking, het stimuleren van een circulaire economie en het anticiperen op klimaatveranderingen, zodat innovaties en duurzame toepassingen de basis vormen van toekomstige ontwikkelingen. 2. Schoon, natuurlijk en gezond: Deze ambitie ligt op het behoud en de versterking van de kwaliteit van de natuurlijke omgeving. Met aandacht voor water, groen en bodemkwaliteit wil de gemeente de biodiversiteit beschermen en een gezonde leefomgeving creëren, die tevens bestand is tegen de gevolgen van extreem weer en andere klimaatgerelateerde uitdagingen. 3. Levendig en leefbaar: De visie benadrukt het belang van een sociale en functionele leefomgeving. Dit betekent investeren in aantrekkelijke en toegankelijke openbare ruimtes, voorzieningen en ontmoetingsplekken, zodat zowel stedelijke als landelijke kerngebieden bruisend en samenhangend blijven, met speciale aandacht voor de meest kwetsbaren binnen de gemeenschap. 4.

Kwalitatieve en inclusieve groei: Groei wordt niet gezien als een doel op zich, maar als een middel om de kwaliteit van leven te verbeteren. Dit houdt in dat nieuwe woon- en werkgebieden op een kwalitatieve manier worden ontwikkeld en dat de economische en sociale samenhang in de gemeente behouden en versterkt worden.

3.4.2.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

Op basis van de viewer Regels op de kaart geldt voor het plangebied geen nadere gebiedsaanduiding. Het plangebied ligt buiten het gebied dat is aangeduid als 'buitengebied' of 'Kolderveense en Nijeveense polder'. Voor deze gebieden zijn in de omgevingsvisie locatiespecifieke ambities en uitgangspunten opgenomen. Voor het plangebied gelden daarmee geen locatiespecifieke uitgangspunten, er wordt derhalve getoetst aan de algemene ambities van de visie.

Figuur 11: Uitsnede omgevingsvisie Meppel In de omgevingsvisie wordt de noodzaak van perspectief voor de agrarische sector geïdentificeerd. Gezamenlijk met de sector wil de gemeente op zoek naar nieuwe mogelijkheden in het buitengebied, zowel agrarisch als niet-agrarisch. Hierbij wordt gedacht aan agrarisch gerelateerde bedrijvigheid, opwek van duurzame energie, kleinschalige recreatie of een bedrijfsvoering gericht op natuurontwikkeling. Een voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard en omvang passen in de omgeving.

28

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Onderhavig initiatief sluit aan bij deze transitie en ambitie. In het kader van de LBV+ regeling wordt de bestaande veehouderij tak van het agrarische bedrijf beëindigd. Ten behoeve van de toekomstbestendige voortzetting van het bedrijf wordt kleinschalige recreatie in de vorm van een familievakantiewoning als nevenactiviteit bij het bedrijf toegestaan. Deze ontwikkeling wordt ingepast met aandacht voor landschap, natuur en water. Daarbij is sprake van een verbetering van het milieu daar de stikstofemissie afneemt. Zodoende is tevens sprake van een bijdrage aan de ambitie 'schoon, natuurlijk en gezond'. Geconstateerd wordt dat het plan in lijn is met de ambities van de omgevingsvisie.

3.4.2.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Het realiseren van een akkerbouwbedrijf ten behoeve van grasland- en akkerbeheer past binnen de doelstellingen om enerzijds landbouw te blijven faciliteren, maar anderzijds de natuur tegemoet te komen door geen vee te houden en stikstofdepositie te verminderen. De alternatieve invulling om middels een verblijfsrecreatieve voorziening in de vorm van een familievakantiewoning een economische invulling voor het bedrijf te bieden sluit aan bij de recreatieve waarden. Het unieke aan de beoogde ontwikkeling hierin is de toevoeging van een ecologisch ingevuld erf met een bijzonder blauwe component: een toename in oppervlaktewater. Hierdoor is er sprake van een economisch, ecologisch, innovatief en economisch verantwoord plan.

3.4.2.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van de omgevingsvisie.

3.4.3

Verordening fysieke leefomgeving

3.4.3.1

Algemeen

De gemeente Meppel beschikt over een verordening voor de fysieke leefomgeving (geldend vanaf 30-11-2023). In de verordening zijn aanwijzingen en regels voor activiteiten opgenomen.

3.4.3.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

Voor het plangebied zijn geen locatiespecifieke uitgangspunten of regels opgenomen.

3.4.3.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Onderhavig plan maakt geen activiteiten mogelijk die in strijd zijn met de verordening fysieke leefomgeving. De regels van de verordening blijven onverhoopt van toepassing.

3.4.3.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat verordening fysieke leefomgeving geen belemmering vormt voor de vaststelling van dit plan.

3.4.4

Kadernotitie - Zo doen we groen

3.4.4.1

Algemeen

Groen, als verzamelnaam voor alle typen beplanting, het landschap, natuur en water, vervult een vitale functie voor het leefgenot van de inwoners. Het geeft ons leven. De waarden van groen zijn de laatste jaren steeds meer in beeld gebracht. De gemeente Meppel kan trots zijn op het groen in de gemeente. De Structuurvisie Duurzaam Verbinden heeft niet voor niets in haar missie benoemd dat Meppel een groene stad is. Meppel ontwikkelt zich naar een groene, duurzame woon- en werkstad, met nadruk op kwaliteit en behoud en versterken van de Meppeler identiteit. Voor groen, natuur, landschap en water is dat ook van belang. Maar onze groene kwaliteit is geen vanzelfsprekendheid die zonder meer in stand blijft. Diverse Trends en ontwikkelingen raken ook het groen. Zo nemen biodiversiteit in het landelijk gebied en landschappelijke kwaliteiten steeds verder af, evenals de middelen voor aanleg en beheer van groen. Wij hebben als gemeente daarom een belangrijke rol in het behoud en de verdere ontwikkeling van die groene kwaliteit.

29

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Deze Kadernotitie Zo doen we Groen! geeft de richting aan voor groen, natuur, landschap en water binnen de gemeente Meppel. De Kadernotitie heeft een scope van 2015 tot 2030. Dit biedt houvast voor de inrichting en het beheer van onze eigen groene openbare ruimte. Ook geven we aan hoe we willen omgaan met onze maatschappelijke verantwoordelijkheid voor biodiversiteit en het landschap. De Kadernotitie Zo doen we Groen! vervangt de ambities uit de huidige vier beleidsplannen: het Groenstructuurplan (1998), het Landschapsbeleidsplan (2001), het Waterplan Meppel (2001) en het Bomenstructuurplan (2003).

3.4.4.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

Het plangebied op de bijbehorende kaart aangeduid als Nijeveense polder. Hierover schrijft de kadernotitie het volgende: We willen dat Nijeveense Polder het verhaal vertelt van het Slagenlandschap: weids, dynamisch en functioneel. Dit verhaal zien we als volgt: Het landschap laat verschillende tijdsbeelden zien, van de veenontginning, de ruilverkaveling en de moderne tijd. Dit is zichtbaar in historische linten met een hoge mate van samenhang tussen weg, bebouwing, het erf en het landschap. Het landschap geeft een beeld van de vervening door het slotenpatroon, elzensingels, oude paden, veentjes en griften en een groot contrast tussen de dichte linten en het veelal weidse landschap. De landbouw bepaalt de dynamiek in het gebied. Dat is zichtbaar in sporen van de ruilverkaveling zoals een derde boerderijlint, nieuwe wegen en een veranderd sloten- en singelpatroon. Het is een functioneel landschap, alles heeft een reden en weerspiegelt de dynamiek tussen de werkende mens en de bodem. Een landschap met ruimte voor de werkende boer, maar met respect voor de sporen uit het verleden. Voor Nijeveense Polder zien we als wensbeeld voor natuur de schoolplaat van Boerenlandnatuur veen. Dit is de levensgemeenschap die past bij het Slagenlandschap op een ondergrond van veen. Het is hier venig en open, met doorgaande elementen van opgaande beplanting en sloten.

Het is een gebied van (robuuste) landbouw, het heeft een hoge agrarische dynamiek. De natuur volgt deze functie. Het gebied is ook foerageergebied voor Purperreiger en Bruine Kiekendief, beschermde soorten vanuit het Natura2000 gebied De Wieden. Accenten voor de boerenlandnatuur liggen hier dus bij:  Bos(plantsoen) en mantel-zoom: bosjes en singels, ruige weideranden  Kruidenrijk grasland: natuurlijke akker- en weideranden  Water en natuurvriendelijke oevers: sloten met overgang natuurlijke weideranden, vennen  Oude bomen: wegbeplanting, erven, singels, bosjes  Bebouwing: natuurlijke erven  soorten als: pijlkruid, waterviolier, poelkikker, purperreiger, krabbenscheer, wezel, hermelijn, bunzing, kerkuil, boerenzwaluw, wilde narcissen, ringslang, kievit, grutto, haas, blauwe knoop, icarusblauwtje, oranjetipje, pinksterbloem.

3.4.4.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Onderhavig initiatief draagt bij aan de groene ambities van de kadernotitie daar er netto 4500 m2 bebouwing en aanvullend erfverharding worden gesaneerd. Dit, en de bouw van de recreatieve woning, zijn landschappelijk ingepast middels een het landschappelijk inpassingsplan (Bijlage 1). De realisatie en instandhouding van deze landschappelijke inpassing zijn geborgd in de planregels van voorliggend plan. Voor een toelichting op de landschappelijke maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 2.2.

3.4.4.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van de kadernotitie.

3.4.5

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling uitbreidingswijken en buitengebied

3.4.5.1

Algemeen

De gemeente Meppel heeft op 28 januari 2016 de 'Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Meppel uitbreidingswijken en buitengebied (CHIW)' vastgesteld. De hoofddoelstelling van de CHIW is om de cultuurhistorische én de historisch-ruimtelijke karakteristieken van de uitbreidingswijken en het landelijk gebied naar boven te halen. Dit om hiermee ruimtelijke ontwikkelingen zó te kunnen sturen dat er rekening gehouden wordt met de historisch-ruimtelijke en cultuurhistorische waarden van de verschillende gebieden.

3.4.5.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

In het omgevingsplan van rechtswege heeft het plangebied de functie "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden".

30

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

3.4.5.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft vooroverleg met de provincie plaatsgevonden over het onderwerp cultuurhistorie. In het afgegeven advies zijn punten ter uitwerking meegegeven, op basis hiervan is het landschappelijk inpassingsplan aangepast. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is voorliggende ontwikkeling positief. De verhouding van de te slopen bebouwing en herbouw biedt mogelijkheden voor het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit en het terugbrengen van zichtlijnen die de ontginning van de Kolderveensche Bovenboer hebben gevormd. Geconstateerd dat de ontwikkeling mogelijk is met behoud van cultuurhistorische waarden.

3.4.5.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ambities en doelstellingen van het cultuurhistorische beleid.

3.4.6

Nota parkeernormen 2021

3.4.6.1

Algemeen

Het parkeerbeleid van de gemeente Meppel is vervat in het beleidsstuk "Nota parkeernormen 2021".

3.4.6.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

Het parkeerbeleid maakt onderscheid tussen centrum, schil en rest bebouwde kom. De planlocatie is gesitueerd in het buitengebied. Hier zijn geen specifieke normen opgenomen. Ook voor een recreatiewoning, de beoogde functie, zijn geen specifieke parkeernormen opgenomen.

3.4.6.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar voor het parkeren. Het parkeerbeleid vormt geen belemmering.

3.4.6.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief resulteert in maatschappelijke meerwaarde en dus in lijn is met het beleid.

3.4.7

RWP gemeente Meppel

3.4.7.1

Algemeen

In dit RWP 2023-2028 (Riolering en Water Programma) geeft gemeente Meppel aan hoe ze invulling geeft aan de wettelijke gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater.  Het afvalwater wordt (vrijwel volledig) ingezameld met riolering en getransporteerd naar een RWZI (rioolwaterzuiveringsinrichting) van het waterschap. De afvoer van afvalwater uit de directe leefomgeving is ter bescherming van de volksgezondheid en het milieu en mede bedoeld om stankoverlast tegen te gaan.  Het hemelwater wordt van oudsher veelal ingezameld met het afvalwater. Het beleid is erop gericht hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van afvalwater en te infiltreren of te lozen nabij de plek waar het valt, voor zover de lokale omstandigheden dit toelaten. Door de klimaatverandering komen extreme buien vaker voor. Om de bewoonbaarheid van de leefomgeving te verzorgen zijn er nieuwe of grotere opgaven vanuit klimaatadaptatie.  Voor grondwater geldt een terughoudend beleid. Alleen bij structurele problemen wordt door de gemeente een afweging gemaakt om in te grijpen in de grondwaterstand.

31

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

3.4.7.2

Locatiespecifieke uitgangspunten (toets)

Er gelden geen locatiespecifieke uitgangspunten voor de projectlocatie op basis van het RWP.

3.4.7.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

In paragraaf 4.14 is toegelicht op welke wijze rekening is gehouden met het waterbelang. De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en voorwaarden van het RWP.

3.4.7.4

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat onderhavig initiatief in overeenstemming is met het beleid.

32

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Hoofdstuk 4 4.1

Archeologie

4.1.1

Wettelijk kader

Omgevingsaspecten

De essentie van het Europees beleid, conform het verdrag van Malta 1992, is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden zodat daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, vooruitlopend op de Omgevingswet, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Middels deze kaarten kan worden afgeleid wat de archeologische en/of cultuurhistorische verwachting en het bijbehorende beleidsadvies is voor een specifieke locatie.

Dit beleidsadvies schrijft per verwachting zowel drempelwaarden voor waarboven onderzoek benodigd wordt geacht, als welke onderzoeken dit betreft. De archeologische waarden en verwachtingen, alsook de cultuurhistorische waarden, zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen, welke zijn opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege. De dubbelbestemming is vaak gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaart in combinatie met aanvullende informatie uit onderzoeken. Normaliter is de geldende dubbelbestemming bepalend ten opzichte van de beleidskaart. Voor de exacte ligging van de archeologische en verwachtingen en cultuurhistorische waarden met betrekking tot de zoekgebieden, wordt verwezen naar beleidskaarten welke onderdeel uitmaken van de kaartenboeken in de bijlagen.

4.1.2

Onderzoek

De gemeente Meppel beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidskaart. Figuur 12 toont een uitsnede van de kaart en de legenda.

33

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Figuur 12: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidskaart en legenda Volgens de kaartuitsnede is het plangebied gesitueerd in een gebied dat bestaat uit Natte laagte (verwachtingswaarde 'Laag') en Veen (verwachtingswaarde 'Middelhoog'). Behoud van waarden in situ geniet de voorkeur. Ter plaatse van de lage verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 die dieper reiken dan 30 cm, archeologisch onderzoek nodig is. Ter plaatse van de middelhoge verwachtingswaarde geldt dat bij bodemingrepen groter dan 1.000 m2 die dieper reiken dan 30 cm archeologisch onderzoek nodig is. In casu vinden alle bodemingrepen plaats in de zone met een lage archeologische verwachtingswaarde. De drempelwaarde van 10.000 m2 wordt niet overschreden. De nieuwe vakantiewoning wordt mogelijk gemaakt op de locatie van de bestaande veestal. Voor de bouw van de stal is de bodem reeds geroerd. Het is zeer onwaarschijnlijk dat hier nog archeologische waarden aanwezig zijn. Ter plaatse van de middelhoge archeologische verwachtingswaarde vinden geen bodemingrepen plaats. Geconstateerd wordt dat als gevolg van de onderhavige ontwikkeling geen archeologische waarden worden geschaad.

4.1.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen archeologische waarden geschaad. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.1.4

Conclusie

Met betrekking tot archeologie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.2

Activiteiten en Milieuzonering

4.2.1

Wettelijk kader

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) gaf al in 2017 aan dat de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering 2009' (ook bekend als het 'paarse boekje' en in de jaren voor 2009 het 'groene boekje') niet meer geschikt was voor toepassing onder de Omgevingswet. De Omgevingswet bevat immers meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. Hiervoor publiceerde de VNG in 2019 een regel-systematiek onder de naam 'Milieuzonering nieuwe stijl', voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet. Deze nieuwe systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per SBI-code en de daarbij behorende richtafstanden. De nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is gebaseerd op de Omgevingswet en vervangt de publicaties Bedrijven en milieuzonering uit 2009 en Milieuzonering Nieuwe Stijl uit 2019.

34

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Onderzocht moet worden of het mogelijk maken van nieuwe milieugevoelige of milieubelastende functies mogelijk is met het oog op de garantie van een goed woon- en leefklimaat. Hiertoe wordt mogelijke hinder van in de omgeving gesitueerde activiteiten beoordeeld. Tevens moet beoordeeld worden of de nieuwe gevoelige functie leidt tot een belemmering van bestaande activiteiten. Er dienen kortgezegd twee vragen beantwoord te worden:  Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties? (belang toekomstige bewoners woningen / gevoelige objecten)  Wordt niemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belang omliggende activiteiten / bedrijven) De regels voor milieuzonering onder de Omgevingswet zijn veranderd, er is geen sprake van een beleidsneutrale overgang. Het beleid ten aanzien van 'geur' en 'geluid' is onder het regime van de Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 en paragraaf 5.1.4.6 Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van de 'staalkaart' kan er aan individuele bedrijven een milieucontour worden toegekend in het omgevingsplan en wordt er alsdan niet meer gewerkt met vaste richtafstanden. In de huidige transitiefase is dit nog niet uitwerkt in het omgevingsplan van de gemeente.

De VNG heeft voor milieuzonering onder het regime van de Omgevingswet een brochure opgesteld, te weten het servicedocument 'Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet', welke bruikbaar is in de vertaling van het voorheen geldende bestemmingsplanregime. Daarbij hoort tevens een tabel met een nieuwe indeling van afstanden, deze is onderstaand opgenomen als Tabel 1. Tabel : Richtafstanden en categorieën Afstand in meters 10 30 50 100 200 300

Geur FM 1 2 3 3 IT

Geluid FM 1 2 3 4 IT

De letters 'FM' staan voor functiemenging. De letters 'IT' staan voor industrieterrein. Uit de tabel volgt dat niet simpelweg gesteld kan worden dat de huidige milieucategorieën cijfermatig hetzelfde blijven als de toekomstige afstandscategorieën. Ook onder het omgevingswet-regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid.

4.2.2

Onderzoek

Er wordt in het plangebied een familievakantiewoning mogelijk gemaakt als nevenactiviteit bij het agrarische bedrijf. Aan de oost- en westzijde het plangebied ligt een bedrijfsfunctie, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de familievakantiewoning onderzocht moet worden. De bestaande bedrijfswoning op het perceel blijft een bedrijfswoning, behorende bij de resterende agrarische activiteiten. Deze hoeft derhalve niet getoetst te worden. Een recreatief verblijf is niet geluidgevoelig. Er vindt daarom per definitie geen inbreuk van rechten plaats bij omliggende bedrijven. Omliggende bedrijven In de directe omgeving van het plangebied is sprake van functiemenging. De functies 'Agrarisch', 'Bedrijf' en 'Wonen' wisselen elkaar af en grenzen aan elkaar. Geconstateerd wordt sprake is van een gemengd gebied.

35

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Figuur 13: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied' Ook onder het nieuwe, huidige regime kunnen afstanden naar beneden worden bijgesteld, mits onderzoek is gedaan naar de aspecten geur en geluid. De huidige milieucategorie 1 en 2 zijn volgens het servicedocument onder de Omgevingswet, waar het gaat om 'midden en klein bedrijf', ook opgenomen in de nieuwe zone 2. Tegelijkertijd is de milieuzonering van de bedrijfsfuncties ten westen van het plangebied slechts gegeven door de oude milieucategorisering is het bestemmingsplan. Dit moet vertaald worden. Het bedrijf aan de oostzijde betreft een agrarisch loonbedrijf, hetgeen afhankelijk van de omvang kan worden gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 of 3.2 (onder de Wro), hetgeen neerkomt op een richtafstand van 100 meter, in gemengd gebied te verlagen tot 50 meter. Onder de Omgevingswet is dit te kwalificeren als maximaal milieucategorie 2 ten aanzien van de aspecten 'geluid' en 'verkeer', hetgeen neerkomt op een richtafstand van 50 meter (figuur 14). De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe gevoelige functie in het plangebied, te weten de verblijfsrecreatieve functie, bedraagt circa 150 meter, waardoor vaststaat dat het bedrijf niet belemmerend werkt door de ontwikkeling. Het bedrijf heeft daarnaast geen invloed op de verblijfsrecreatieve functie.

Figuur 14: Tabel milieuzonering agrarisch loonbedrijf Het bedrijf aan de westzijde betreft een aannemersbedrijf, hetgeen afhankelijk van de omvang kan worden gecategoriseerd als milieucategorie 3.1 of 3.2 (onder de Wro), hetgeen neerkomt op een richtafstand van 100 meter, in gemengd gebied te verlagen tot 50 meter. Onder de Omgevingswet is dit te kwalificeren als maximaal milieucategorie 2 ten aanzien van het aspect 'geluid' en 'verkeer', hetgeen neerkomt op een richtafstand van 50 meter. De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe gevoelige functie in het plangebied, te weten de verblijfsrecreatieve functie, bedraagt circa. 55 meter, waardoor vaststaat dat het bedrijf niet belemmerend werkt voor de ontwikkeling en vice versa (omgekeerde werking) evenmin.

Figuur 15: Tabel milieuzonering aannemersbedrijf Bovengenoemde afstanden zijn inzichtelijk gemaakt in figuur 16. Andere functies liggen op een dermate grote afstand, dat deze niet belemmerend werken. De overblijvende agrarische functie ten behoeve van graslandbeheer en voederwinning (akkerbouw) betreft een functie binnen de milieucategorie 2. Omdat geen dieren meer gehouden mogen worden, kunnen deze functies gemengd plaatsvinden.

Figuur 16: Afstanden tussen functies

4.2.3

36

Hoe is dit verwerkt in het plan

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

De familievakantiewoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van het daarvoor aangewezen gebied. Hiermee is de afstand tot de milieuhinderlijke functies geborgd. Op die wijze is geborgd dat ter plaatse van het gevoeligere gebruik sprake zal zijn van een goed (gezond) woon- en leefklimaat. Het plaatselijke woon- en leefklimaat zal goed zijn. Bedrijven worden niet in de bedrijfsvoering beperkt.

4.2.4

Conclusie

Met betrekking tot activiteiten en milieuzonering is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3

Bodem

Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:  het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);  het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies);  het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer van historische bodemverontreinigingen).

4.3.1

Wettelijk kader

Om het omgevingsplan te wijzigingen waarmee een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie wordt toegestaan, dient op grond van artikel 5.89ka en 5.89i van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.3.2

Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling wordt voor een deel van het plangebied het gebruik voor familievakantiewoning toegestaan. Hiermee wordt het gebruik gevoeliger. Aangetoond moet worden dat de gronden geschikt zijn voor dit beoogde gebruik. In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft Milieu Adviesbureau De Klinker een verkennend bodemonderzoek (NEN5740) en asbestonderzoek (NEN5707) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied, de bijbehorende rapportage is bijgevoegd als Bijlage 2 Bodemonderzoek. Voor de volledige bevindingen en conclusies van het onderzoek wordt verwezen naar de bijlage. In het onderzoek is het volgende geconcludeerd:  tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen;  de bovengrond is licht verontreinigd met PAK (10 van VROM);  in de boven- en ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;  het grondwater is licht verontreinigd met barium;  de grond ter plaatse van de druppelzone is niet asbesthoudend. Daarmee wordt gesteld dat, naar de beoordeling van Milieu Adviesbureau De Klinker, het terrein op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal).

4.3.3

37

Hoe is dit verwerkt in het plan

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.

4.3.4

Conclusie

Met betrekking tot bodem is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Cultuurhistorie

4.4.1

Wettelijk kader

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze gaan over:  ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten  verplaatsing van beschermde monumenten  gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand  aantasting van de omgeving van een beschermd monument  aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen  conserveren en in stand houden van archeologische monumenten Om het aspect cultuurhistorie een volwaardige plaats te geven in ruimtelijke ontwikkeling heeft de gemeente Meppel een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaart maakt het doen van cultuurhistorisch onderzoek bij ruimtelijke procedures in veel gevallen makkelijker en goedkoper of zelfs overbodig. De cultuurhistorische waardenkaart kan daarnaast dienen als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het kenmerkende cultuurhistorische verleden van een gebied kan daardoor worden voortgezet in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

4.4.2

Onderzoek

Het buitengebied maakt geen onderdeel uit van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Meppel. In het bestemmingsplan 'Buitengebied' is aan het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden' toegekend. In het omgevingsplan van rechtswege heeft het plangebied de functie "Agrarisch met waarden - Cultuurhistorische waarden".

38

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

4.4.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft vooroverleg met de provincie plaatsgevonden over het onderwerp cultuurhistorie. In het afgegeven advies zijn punten ter uitwerking meegegeven, op basis hiervan is het landschappelijk inpassingsplan aangepast. Vanuit cultuurhistorisch perspectief is voorliggende ontwikkeling positief. De verhouding van de te slopen bebouwing en herbouw biedt mogelijkheden voor het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit en het terugbrengen van zichtlijnen die de ontginning van de Kolderveensche Bovenboer hebben gevormd. Geconstateerd dat de ontwikkeling mogelijk is met behoud van cultuurhistorische waarden.

4.4.4

Conclusie

Met betrekking tot cultuurhistorie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Duurzaamheid

Duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkeling betekent onder andere dat voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen, op het gebied van bijvoorbeeld bodem, lucht en geluid. Daarnaast betekent duurzaamheid aandacht voor water (o.a. waterberging, met het oog op de voortgaande klimaatverandering) en voor inrichting van de openbare ruimte (materiaalgebruik, verharding, groen, verlichting). Tot slot zijn circulariteit en energie speerpunten als het gaat om duurzaamheid.

4.5.1

Wettelijk kader

De gemeente Meppel beschikt over duurzaamheidsbeleid, hieruit volgen geen concrete voorwaarden.

4.5.2

Onderzoek

In casu wordt in het onderhavige initiatief voldaan aan de wettelijke milieueisen op het gebied van bodem, lucht en geluid. Dit volgt uit dit hoofdstuk en de behandelde omgevingsaspecten. Tevens wordt op een duurzame wijze omgegaan met water en klimaatadaptatie. Bij de nadere uitwerking van de stukken omtrent de bouwaanvraag wordt nader invulling gegeven aan duurzaamheidsaspecten van de nieuwbouw.

4.5.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Het is van essentieel belang dat in het onderhavige initiatief sprake is van duurzaam en zorgvuldig ruimtegebruik. In het kader van de VAB+ wordt de agrarische melkveehouderijtak beëindigd. Dit is een duurzame ontwikkeling. Op de vrijgekomen bouwlocatie wordt een familievakantiewoning als nevenactiveit bij het agrarische bedrijf mogelijk gemaakt. De algehele ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. Hiermee voorziet het initiatief in maatschappelijke meerwaarde. Stedelijke uitbreiding ten koste van agrarisch gebied of natuur wordt zodoende voorkomen. Geconstateerd wordt dat daarmee sprake is van een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving.

4.5.4

Conclusie

Met betrekking tot duurzaamheid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Geluid

Op grond van de Omgevingswet is het noodzakelijk om bij een ruimtelijke procedure te onderzoeken welke geluidbelasting een plan ondervindt door activiteiten in de omgeving. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

39

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

4.6.1

Wettelijk kader

Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels in paragraaf 5.1.4.2 Bkl waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Per geluidbronsoort moet de geluidbelasting worden bepaald en worden getoetst aan onderstaande standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl (art. 3.34). Allereerst moet worden vastgesteld of een plan in een aandachtsgebied is gelegen. Indien dit het geval is, dan gelden er standaardwaarden waar het geluid op geluidgevoelige objecten niet boven uit mag komen. Tabel 1: Standaardwaarde geluid en grenswaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidbronsoort Standaardwaarde Grenswaarde Provinciale wegen 50 Lden 65 Lden Rijkswegen Gemeentewegen 53 Lden 70 Lden Waterschapswegen Lokale spoorwegen 55 Lden 70 Lden Hoofdspoorwegen Industrieterreinen 50 Lden 60 Lden 40 Lnight 50 Lnight Indien de geluidbelasting op een plan voor een bepaalde geluidbronsoort hoger is dan de standaardwaarde, dan moet een afweging worden gemaakt waarbij maatregelen en beleid wordt betrokken. Na dit aanvullend onderzoek is het mogelijk dat een gemeente afwijkt van de standaardwaarden en bij de besluitvorming een hogere grenswaarde vaststelt.

Indien er voor meerdere bronsoorten de standaardwaarde wordt overschreden zal ook de cumulatieve geluidbelasting moeten worden bepaald en worden afgewogen. Uiteindelijk is de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging, hierdoor is maatwerk mogelijk. Geluidaandachtsgebieden Onder de Omgevingswet wordt, conform artikel 3.20 Bkl, gewerkt met geluidaandachtsgebieden. Dit zijn gebieden/zones langs een (spoorweg) of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Binnen de geluidaandachtsgebieden moet de geluidbelasting op een geluidgevoelig gebouwen worden getoetst aan de in de wet opgenomen geluidnormen. Deze geluidaandachtsgebieden worden door gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan. De breedte van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de geluidemissie van de bron en staat in directe verbinding met de volgende twee begrippen: ‘geluidproductieplafond’ en ‘basisgeluidemissie’. Het geluidproductieplafond (Gpp) betreft referentiepunten waarop de toegestane geluidproductie voor de bron is aangegeven. De hoogte van de Gpp bepaald de omvang van het aandachtsgebied. Het aandachtsgebied wordt in een Omgevingsplan vastgelegd voor rijkswegen en provinciale wegen. Voor gemeentelijke wegen met een verkeersintensiteit vanaf 1.000 motorvoertuigen per etmaal is de Basisgeluidemissie (Bge) ingevoerd.

De gemeente legt de bge vast in het geluidregister en monitort vijfjaarlijks de ontwikkelingen van het geluid. Het aandachtsgebied wordt vastgelegd in dit geluidregister. Zolang er geen Gpp of Bge is vastgesteld gelden, voor het bepalen van de omvang van het geluidaandachtsgebied, de regels uit bijlage IVc van de Omgevingsregeling. Ook bevat het Bkl geluidsregels die via het omgevingsplan gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Daarnaast zijn regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Voor de periode waarin nog geen aandachtsgebieden zijn opgenomen in het Omgevingsplan, is er een overgangssituatie. In deze gevallen worden in de basis de onderzoekszones onder de voormalige Wet geluidhinder aangehouden als zijnde aandachtsgebied.

Wanneer voor lokale wegen waarvan een geluidaandachtsgebied moet worden bepaald geen verkeersgegevens bekend zijn en van die wegen de verkeersintensiteit hoger kan zijn dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal, worden contouren bepaald met de volgende afstanden van de rand van de contour tot de weg:  voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: ten minste 100 m;  voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een onbekende maximumsnelheid of een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u: ten minste 200 m;  voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: ten minste 350 m. Geluidgevoelige gebouwen & ruimten De geldende geluidsnormen onder de Omgevingswet hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Deze geluidsnormen hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond gebouwen waar mensen langdurig verblijven en slapen. De geluidgevoelige gebouwen zijn aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

40

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

a. b. c. d.

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Aansluitend hierop betreft een geluidgevoelige ruimte, conform artikel 3.22 Bkl, een verblijfsruimte of verblijfsgebied van bovenstaande geluidgevoelige gebouwen. Het gewenste binnenniveau voor geluid betreft 33dB (onder voorwaarden is een maximaal binnenniveau van 38dB mogelijk). Indien een hogere grenswaarde wordt toegestaan, moet door middel van een gevelisolatieberekening worden aangetoond dat de geluidsbelasting binnen de woning de maximaal toelaatbare waarde van 33 dB niet overschrijdt. Bij een nieuwe woning maakt de gevelisolatieberekening onderdeel uit van de bouwaanvraag. Onder de Omgevingswet is het gezamenlijk geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op de gevel het uitgangspunt. Om het gezamenlijk geluid te bepalen van wegverkeerslawaai worden de wegen met Gpp’s en zonder Gpp’s bij elkaar opgeteld.

4.6.2

Onderzoek

4.6.2.1

Geluidonderzoek wegverkeer

Een familievakantiewoning als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf is geen geluidgevoelig object. Wegens de afstand van de familievakantiewoning tot de weg (ruim 50 meter) is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. De bestaande bedrijfswoning wordt niet gewijzigd, een onderzoek is niet noodzakelijk.

4.6.2.2

Geluidonderzoek activiteiten

Een familievakantiewoning is geen geluidgevoelig object. Een onderzoek is niet noodzakelijk. De bestaande bedrijfswoning welke wordt behouden is niet geluidgevoelig voor de eigen bedrijfsvoering.

4.6.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen maatregelen noodzakelijk.

4.6.4

Conclusie

Met betrekking tot geluid is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Klimaatadaptatie

De verandering van het klimaat vraagt om klimaatadaptatie. De impact van klimaatverandering kan groot zijn en verschilt per sector. Zonder zorgvuldige voorbereiding op de veranderingen levert dat risico’s op voor de samenleving en de fysieke leefomgeving. Als gevolg van klimaatverandering is er in de fysieke leefomgeving een toegenomen kans op hittestress, droogte, wateroverlast en overstromingen. Deze negatieve gevolgen zijn als thema’s geformuleerd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Bij ruimtelijke ontwikkelingen spelen deze thema’s een belangrijke rol. Klimaatadaptatie van de fysieke leefomgeving is hierbij een van de belangrijkste opgaven. Klimaatadaptief ontwikkelen, bouwen en inrichten van de fysieke leefomgeving voorkomt problemen en beperkt financiële en maatschappelijke schade als gevolg van klimaatverandering en de gevolgen daarvan.

4.7.1

Wettelijk kader

De gemeente Meppel beschikt over klimaatadaptatiebeleid, de Lokale Adaptatie Strategie Gemeente Meppel 2023-2028. Dit beleid richt zich op het klimaatbestendig maken van de gemeente. De belangrijkste punten van het beleid zijn: 1. Klimaatbestendige openbare ruimte: a. Vanaf 2024 wordt bij alle herzieningen van bestaand beleid klimaatbestendigheid als uitgangspunt genomen. b. Tegen 2028 moet er minimaal één integraal project zijn uitgevoerd waarbij rekening is gehouden met klimaatscenario 2050. 2. Ruimtelijke ontwikkelingen: a. Vanaf 2024 worden alle ruimtelijke ontwikkelingen klimaatbestendig ingericht volgens landelijke richtlijnen. b. Vanaf 2026 wordt klimaatadaptatie expliciet meegenomen in nieuw ruimtelijk beleid en programma’s. 3. Betrekken van inwoners en ondernemers: a. De gemeente stimuleert inwoners en ondernemers om adaptieve maatregelen te nemen. b. Tegen 2028 moeten alle scholen klimaatadaptatie in hun lessen opnemen.

41

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Deze strategie is een lokale vertaling van regionale en landelijke klimaatadaptatiedoelen en richt zich op thema’s zoals wateroverlast, hitte en droogte.

4.7.2

Onderzoek

Onderhavig initiatief resulteert in de afname van verharding met ruim 4500 m2 door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing en het verwijderen van overbodig verharding. Hiervoor in de plaats wordt in het kader van de landschappelijke inpassing veel nieuw groen gerealiseerd. Ook wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd. Als gevolg hiervan neemt de bijdrage aan hittestres af. Ook wordt de plaatselijke waterbergende capaciteit uitgebreid. Daarmee is sprake van een positieve bijdrage aan de klimaatadaptatie.

4.7.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Middels realisatie van waterberging en landschappelijke inpassing wordt klimaatadaptief ontwikkelt.

4.7.4

Conclusie

Met betrekking tot klimaatadaptatie is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel van het Rijk ten behoeve van een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk is.

4.8.1

Wettelijk kader

In artikel 5.129g Bkl staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In jurisprudentie van de Afdeling zijn hiervoor lijnen uitgezet, waarbij geen harde ondergrenzen worden gesteld, maar wel 'in beginsel' grenzen. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een ruimtebeslag van 500 m2.

4.8.2

Onderzoek

De Laddertoets wordt alleen uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. In casu is sprake van een afname in bebouwingsmogelijkheden. Derhalve is sprake van een afname in ruimtebeslag. Er is dan ook geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft derhalve niet te worden doorlopen.

4.8.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Onderhavig initiatief voorziet in de functieverandering en herontwikkeling van een bestaand melkveehouderijbedrijf in het buitengebied van Meppel. In het kader van de ontwikkeling wordt landschapontsierende bebouwing gesloopt. Het algehele initiatief wordt landschappelijk ingepast. Daarmee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

4.8.4

Conclusie

Met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

42

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

4.9

Luchtkwaliteit

Als een gemeente activiteiten toelaat die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dan moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.

4.9.1

Wettelijk kader

Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijnstof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijnstof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden.

Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden:  bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal);  bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt;  bij de aanleg van een auto(snel)weg. Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:  aannemelijk is gemaakt dat het plan niet leidt tot het overschrijden van een grenswaarde (vanaf ingangsdatum) danwel niet leidt tot een toename van reeds bestaande overschrijding van een grenswaarde;  aannemelijk is gemaakt dat de luchtkwaliteit als gevolg van het plan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; danwel bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit, door een met het plan samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (saldering);  aannemelijk is gemaakt dat het plan NIBM bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen. De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

4.9.2

Onderzoek

Op basis van de stikstofdepositieberekening is in de toekomstige situatie sprake van circa 74 voertuigbewegingen (licht, middel en zwaar) per etmaal. Dit is aanzienlijk lager dan de te verwachten verkeersgeneratie bij de ondergrens van NIBM voor 2.000 woningen. Onderhavig initiatief heeft daarmee een niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit. Op basis van figuur 17 en figuur 18 is ter plaatse van het plangebied sprake van een NO2 concentratie van kleiner dan 8 µg /m3 en een PM10 concentratie van 14 - 15 µg PM10/m3.

43

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

Figuur 17: Uitsnede luchtkwaliteitskaart stikstofdioxide (NO2)

Figuur 18: Uitsnede luchtkwaliteitskaart fijnstof (PM10)

4.9.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Wegens de sanering van de melkveehouderij zal de plaatselijke luchtkwaliteit verbeteren. Tevens wordt voldaan aan de WHO-advieswaarde voor luchtkwaliteit. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.

4.9.4

Conclusie

Met betrekking tot luchtkwaliteit is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Milieueffectrapportage

Het doel van milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Het gaat dan om besluitvorming over plannen en programma's en projecten die duidelijke milieueffecten kunnen hebben.

44

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

4.10.1

Wettelijk kader

Bij de voorbereiding van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient op grond van verschillende kaders nagegaan te worden of voor de activiteiten die met het betreffende besluit worden mogelijk gemaakt, een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet. Milieueffectrapportage (mer) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat het bevoegd gezag daar een besluit over neemt. Het gaat onder andere om water, bodem, lucht, afval, natuur, gezondheid en archeologisch erfgoed. De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures:  plan-m.e.r.-beoordelingsplicht  plan-m.e.r.  project-m.e.r.-beoordelingsplicht  project-m.e.r. Of het besluit over een ontwikkeling mer-plichtig of mer-beoordelingplichtig is, kan worden bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Kolom 1 van Bijlage V beschrijft categorieën waarvoor mogelijk een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt. Getoetst moet worden of het initiatief in kolom 1 voorkomt. Indien voor het mogelijk maken van het initiatief een besluit zoals beschreven in kolom 4 noodzakelijk is, dan dient aan kolommen 2 en 3 te worden getoetst.

Als het initiatief voldoet aan de beschrijving in kolom 2 geldt een mer-plicht, er moet dan milieueffectrapportage worden gedaan en een milieueffectrapport worden opgesteld. Als het initiatief niet voldoet aan kolom 2 wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de beschrijving in kolom 3. In bijna alle gevallen is dit het geval, er is dan sprake van een mer-beoordelingsplicht. Aan de hand van de mer-beoordeling wordt bepaald of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieueffecten (zowel positief als negatief) en of dit aanleiding geeft tot een mer-plicht.

4.10.2

Onderzoek

De milieubelangen zijn gebaat bij dit plan omdat een melkveehouderij wordt geamoveerd. De overige milieubelangen zijn onderzocht in de onderzoeken naar omgevingsfactoren, zijnde geluid, water, fijnstof, archeologie en natuur. Uit al deze onderzoeken blijkt dat er geen sprake is van belasting op c.q. van het milieu. Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. Het onderhavige project is niet opgenomen in de lijst, wel kan gesteld wordt dat een mer-beoordeling uitgevoerd moet worden om te beoordelen of de verschillende milieubelangen cumulatief bezien niet geraakt worden. Er is derhalve sprake van een mer-beoordelingsplicht. Volgens vaste jurisprudentie mag deze beoordeling plaatsvinden in een bestemmingsplan, of in dit geval in het omgevingsplan. Uit de motivering van voorliggend plan en de daarin behandelde milieuaspecten (Hoofdstuk 4) volgt dat geen milieubelangen in negatieve zin geraakt worden. Voor het plan is een natuurvergunning noodzakelijk. Daar voor het plan op een later moment een natuurvergunning zal worden verleend zijn ook onevenredige natuureffecten uitgesloten. Gelet hierop zijn de belangrijkste milieuaspecten beoordeeld.

Nu met dit plan geen milieubelangen in negatieve zin geraakt worden kan op grond van deze beoordeling geconcludeerd worden dat geen noodzaak bestaat tot een nadere mer-procedure.

4.10.3

Hoe is dit verwerkt in het plan

Op basis van voorgaande mer-beoordeling is geen mer noodzakelijk.

4.10.4

Conclusie

Met betrekking tot milieueffectrapportage is in het onderhavige initiatief sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

45

TAM-IMRO omgevingsplan Kolderveense Bovenboer 37, Nijeveen

4.11

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=31e6a505-ce80-4772-bc83-39a0b73c64d9