1.14 Bomenridders Groningen - Informatieverzoek over de ontwikkelingen nieuw stedenbouwkundig plan Nieuwveense Landen - Boshoven en bijlagen
Tekst van het document
In elk geval moet het programma dan worden aangepast en zijn aanvullende maatregelen nodig zijn, die ook gevolgen kunnen hebben voor burgers, bedrijven en de overheid. De aard van die gevolgen hangt af van de dan te nemen extra maatregelen, die natuurlijk zorgvuldig afgewogen zullen worden net als alle andere maatregelen. De monitorings- en bijsturingssystematiek zorgt er overigens voor dat er tijdig wordt ingegrepen als dat nodig is om te voorkomen dat de omgevingswaarde niet gehaald wordt. 24. Hoe wordt gewaarborgd dat in de gebieden waar niet de gunstige staat van instandhouding is behaald in 2030 geen verdere verslechtering plaats vindt? Deze leden zijn van mening dat dit onder geen beding mag gebeuren. Is de regering dit met hen eens? Ja. Het voorkomen van verslechtering is een vereiste dat niet alleen in 2030 maar ook nu al geldt: dit volgt uit artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (idem artikel 2 van de Vogelrichtlijn). Op het voldoen aan dit vereiste is zowel het bronbeleid gericht als de uitvoering en programmering van natuurherstelmaatregelen. Het kan zijn dat de mate van depositiereductie, of de snelheid waarmee die wordt bereikt, onvoldoende blijkt te zijn in concrete gebieden. Op voorhand is dat nu niet duidelijk, maar dat zou kunnen blijken uit gebiedsinformatie.
Het gaat dan om gevallen waar ondanks genomen herstelmaatregelen tóch verslechtering optreedt. Als een herstelmaatregel in zo’n geval die verslechtering dus niet kon voorkomen, is een aanvullende bronmaatregel nodig om een zodanige vermindering van depositie te bewerkstelligen dat verslechtering wél kan worden voorkomen. 25. De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de omgevingswaarden onder andere rekening moeten houden met de sociaal-economische vereisten. In hoeverre kan de gekozen omgevingswaarde en het bijbehorende maatregelenpakket een beroep doen op het rekening houden met “sociaal-economische vereisten”? Bij de keuze voor het maatregelenpakket voor stikstofreductie gericht op doelbereik voor de omgevingswaarde in 2030, en voor de bepaling van het tempo waarin herstelopgaven worden gerealiseerd, is landelijk rekening gehouden met sociaal-economische aspecten. Bij de verdere uitwerking van het maatregelenpakket worden de sociaal-economische gevolgen op regionaal niveau meegenomen. In de concept-amvb, die binnenkort bij uw Kamer voorgehangen zal worden, is conform de Habitatrichtlijn geregeld dat voor elk in het programma opgenomen Natura 2000-gebied een beschrijving wordt opgenomen van de verwachte sociaal-economische effecten en de weging van de haalbaarheid en betaalbaarheid van de te nemen maatregelen. Het programma wordt bij de
Zie de handreiking van de Europese Commissie "Beheer van Natura 2000-gebieden" (versie 25 januari 2019, p. 15) en zie ook punt 13.3 van de PAS-uitspraak (ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603). 2
2
vaststelling en vervolgens bij iedere actualisatie aan het parlement gezonden. Daarmee wordt deze informatie ook aan uw Kamer gerapporteerd. Verder biedt artikel 2, derde lid, van de richtlijn geen grondslag om af te wijken van de algemene vereisten van de richtlijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat de lidstaten niet met een beroep op dat artikel kunnen afzien van aanwijzing van Natura 2000-gebieden overeenkomstig artikel 4 van de Vogelrichtlijn en artikel 4 van de Habitatrichtlijn, niet kunnen afzien van de op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn vereiste passende maatregelen om achteruitgang van de natuurlijke typen habitats en habitats van soorten te voorkomen en niet kunnen afzien van inzet op herstel overeenkomstig de artikelen 2, 3 en 4 van de Vogelrichtlijn en artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn waar dat nodig is. Dat doet het kabinet dan ook niet. Wel past het kabinet de vereisten van artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn toe waar het gaat om de specifieke keuze van de maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en voor de bepaling van het tempo waarin herstelopgaven worden gerealiseerd, op welke punten de richtlijnen wél nadrukkelijk ruimte aan de lidstaten laten. 26.
De leden van de GroenLinks-fractie vinden dat er onvoldoende wordt onderbouwd op welke wijze de regering de stikstofcrisis op lange termijn denkt op te lossen. Waarom is er alleen een doel voor 2030 gesteld en niet voor 2040? Wat is de stip op de horizon? Waar werkt de regering naartoe? Deze leden lezen dat de regering voor de periode na 2030 voornemens is om een ruimtelijke verkenning uit te werken, maar waarom weet zij nog niet wat het einddoel zou moeten zijn: het duurzaam herstel van de natuur? Het Adviescollege Stikstofproblematiek Adviseert de regering om zich ten doel te stellen dat alle Natura 2000-gebieden in 2040 onder de KDW vallen. Deze leden denken dat een dergelijke doelstelling absoluut noodzakelijk is om de stikstofcrisis duurzaam op te lossen en te weten waar we naartoe werken. Met dat doel zouden de Natura 2000-gebieden zich vóór 2050 duurzaam hersteld moeten hebben. Wat is het oordeel van de regering over dit doel voor 2040? Het kabinet en het Adviescollege Stikstofproblematiek streven hetzelfde doel na, namelijk het realiseren van een gunstige staat van instandhouding van de natuur. Met het wetsvoorstel en de bronmaatregelen die het kabinet neemt als onderdeel van de structurele aanpak wordt een forse stap in die richting gezet. Het kabinet kiest er daarbij voor om te sturen op depositie en 50% van alle gebieden in 2030 onder de KDW te brengen.
Het Adviescollege kiest ervoor om te sturen op emissie. Het kabinet is zich ervan bewust dat ook na 2030 een continue opgave bestaat om de gunstige staat van instandhouding van natuur te bereiken én behouden. Voor de periode na 2030 zal de omgevingswaarde worden bijgesteld om uiteindelijk uit te komen op een zodanig verminderd niveau van stikstofdepositie als nodig is voor het bereiken van een gunstige staat van instandhouding. Zodoende kan rekening worden gehouden met verschillende condities die door verschillende factoren beïnvloed worden en mede bepalend zijn voor de ecologische ontwikkeling die nodig is om tot een gunstige staat van instandhouding te komen. In opdracht van het kabinet lopen momenteel diverse verkenningen die handvatten zullen bieden voor de langere termijn, waaronder de door de leden genoemde ruimtelijke verkenning waarin wordt verkend op welke wijze een natuur-inclusieve ruimtelijke inrichting een bijdrage kan leveren aan het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige natuur, waarbij andere ruimtelijke opgaves als de energietransitie en het tegengaan van verdroging worden meegenomen. Tevens wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de relatie tussen overbelasting met stikstof en natuurkwaliteit.
Daarbij wordt gekeken naar de vraag in hoeverre en voor hoe lang natuurherstelmaatregelen soelaas kunnen bieden voor het bereiken van de instandhoudingsdoestellingen in Natura 2000-gebieden waar de KDW (nog) niet wordt onderschreden. Als eerste stap wordt daarbij gekeken naar de relatie tussen de mate van overschrijding van de KDW en de natuurkwaliteit. Dit onderzoek zal ook uitwijzen wat de inzet van herstelmaatregelen bij een aanhoudende overschrijding van de KDW op lange termijn betekent. Zo lang deze onderzoeksresultaten nog niet beschikbaar zijn, kan de vraag dus nog niet beantwoord worden of het noodzakelijk is dat reeds in 2040 nergens meer een overbelaste situatie mag bestaan. 27. De leden van de GroenLinks-fractie zijn er voorstander van dat de uitbreiding van de natuur wettelijk wordt vastgelegd. Versterking van de natuur is een belangrijke factor om het duurzaam
2
voorkomen van dier- en plantensoorten mogelijk te maken. Daarom staat in het wetsvoorstel duurzame aanpak stikstof van de leden Klaver en Bromet (Kamerstuk 35 444) dat het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in 2027 736.000 hectare en in 2035 798.000 hectare zou moeten omvatten. Waarom heeft de regering niet voor een dergelijk doel gekozen? Conform de afspraken uit het Natuurpact (2013) werken provincies aan de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. Zoals gemeld in de recente zesde Voortgangsrapportage Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 200) is de verwachting dat de omvang van het Natuurnetwerk Nederland na afronding in 2027 ongeveer 742.000 ha zal omvatten. Het kabinet heeft er niet voor gekozen deze hectaretaakstelling in de wet vast te leggen, zoals dat ook niet gebeurd is bij de voorloper van het Natuurnetwerk Nederland, de Ecologische Hoofdstructuur. Op die manier behouden we enige flexibiliteit in de uitvoering, zonder dat dit ten koste gaat van de inzet om te voldoen aan de afspraken uit het Natuurpact. Om de biodiversiteit te verbeteren zijn er namelijk ook tal van andere mogelijkheden naast de uitbreiding van natuurgebieden. Zo laat ik op dit moment een verkenning uitvoeren naar de mogelijkheden om door middel van het natuurinclusiever maken van de ruimtelijke inrichting rondom Natura 2000-gebieden een bijdrage te leveren aan de kwaliteit en robuustheid van die gebieden.
In artikel 1.12, tweede lid, van de Wnb is wel opgenomen dat provincies het Natuurnetwerk Nederland tot stand brengen en in stand houden. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (en na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit kwaliteit leefomgeving) zijn hiervoor vervolgens nadere (instructie)regels vastgelegd. 28. Deelt de regering de opvatting dat de netwerkfunctie van het NNN met de huidige omvang onvoldoende functioneert om aan de natuur- en biodiversiteitsopgaven te voldoen en dat een wettelijke verankering van hectares daarbij zou helpen? Het kabinet deelt de opvatting van de leden van de GroenLinks-fractie dat de realisatie van het Natuurnetwerk alleen niet voldoende is om aan alle natuur-en biodiversiteitsopgaven te voldoen. Daarvoor is meer nodig, zoals onder andere uiteengezet in de Kamerbrieven over de langetermijnaanpak stikstof van 24 april 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 82), over de hoofdlijnen van het Programma Natuur van 10 juli 2020 (brief met uw kenmerk 2020Z13840) en over de voortgang van het interdepartementale Programma versterken biodiversiteit (Kamerstuk 26 407, nr. 136). Het kabinet wijst deze leden er daarnaast op dat het Natuurnetwerk Nederland nog niet is voltooid. Het kabinet is van mening dat de afspraken uit het Natuurpact voldoen om het Natuurnetwerk te realiseren. 29.
Deze leden vinden het jammer dat de maatregelen in het programma deel natuurverbetering nog niet zijn uitgewerkt na anderhalf jaar. Zij lezen wel dat een van de mogelijke maatregelen het ‘versterken van robuuste natuurgebieden’ is. Kan de regering toelichten wat zij daarmee bedoelt? Ziet zij daarbij de forse uitbreiding van het NNN als een van de mogelijkheden? Zoals uiteengezet in de brieven van 24 april 2020 over de langetermijnaanpak stikstof (Kamerstuk 35 334, nr. 82) en van 10 juli 2020 over de hoofdlijnen van het Programma Natuur (brief met uw kenmerk 2020Z13840) werken we samen met de provincies aan extra maatregelen op het gebied van natuurherstel en -ontwikkeling. Bij het versterken van robuuste natuurgebieden denken we onder andere aan het versterken van de kwaliteit van de natuur en de daarvoor benodigde milieucondities, aan het verwerven van resterende sleutelhectares en aan het realiseren van verbindingen tussen natuurgebieden. Een ‘forse uitbreiding’ van het Natuurnetwerk Nederland is daarbij geen doel; het gaat het kabinet om een effectief functionerend ecologisch netwerk. 30. De leden van de PvdA-fractie lezen op pagina 2 van de memorie van toelichting dat mede als gevolg van de coronacrisis de regering zich bewust is van het weer op gang brengen van de economie.
In hoeverre heeft de coronacrisis invloed op de door de regering voorgestane structurele aanpak van de stikstofproblematiek? Het kabinet is zich bewust van de opgave om economische en maatschappelijke ontwikkelingen weer op gang te brengen. De coronacrisis heeft deze opgave nog extra versterkt: het openbare leven, evenals economische en maatschappelijke ontwikkelingen ondervinden forse consequenties. Maatregelen in de aanpak van de stikstofproblematiek mogen deze nadelige gevolgen niet versterken,
2
maar moeten juist helpen bij het op gang brengen van de economie en het maatschappelijke leven. In dat licht heeft het kabinet extra aandacht besteed aan de omvang, financiering en timing van de voorgestelde maatregelen in de overweging voor het pakket bronmaatregelen. Zo is bijvoorbeeld bekeken of temporisering van maatregelen nodig was om ondernemers en sectoren zoveel mogelijk te ondersteunen. Doordat met de structurele aanpak in de opgave voor natuurbehoud en –herstel wordt voorzien, ontstaan er geleidelijk minder knelpunten voor economische en maatschappelijke activiteiten. De coronacrisis heeft ook invloed op stikstof uitstotende activiteiten en daarmee op de autonome ontwikkeling van stikstofemissies. De voor stikstof positieve effecten van deze autonome ontwikkeling worden betrokken bij de beoordeling van de staat van instandhouding van de natuur. Via de systematiek van monitoring en bijstelling in de structurele aanpak worden deze effecten beschouwd. Vanwege de robuustheid van het structurele pakket en de inschatting dat de stikstofeffecten van de coronacrisis beperkt en tijdelijk zijn, bleek het niet nodig om de structurele aanpak aan te passen als reactie op de coronacrisis. De structurele aanpak is flexibel ingericht om adaptief te kunnen reageren op externe invloeden en daarmee robuust voor het doelbereik. 31.
Is de coronacrisis een van de redenen om niet te kiezen voor de door de commissie-Remkes voorgestane doelstelling om 50% minder uitstoot in 2030 te hebben of een hoger percentage dan de nu gekozen 26%? Zo nee, welke redenen dan wel? Het kabinet heeft met de structurele aanpak voor een ander tempo gekozen dan het Adviescollege Stikstofproblematiek heeft geadviseerd. Het kabinet kiest voor een evenwichtige en ambitieuze aanpak die haalbaar en betaalbaar is. De doelstelling is in beide gevallen echter dezelfde, namelijk een gunstige staat van instandhouding van de natuur realiseren. De coronacrisis is niet van invloed geweest op de hoogte van de doelstelling van 50% van de hectaren onder de KDW in 2030. En gezien de tijdelijke impact van de coronacrisis op de stikstofuitstoot, leidt de coronacrisis ook niet tot een ander stikstofreductiepercentage. Een keuze voor een grotere stap in reductie van stikstof leidt tot een situatie waarin aanmerkelijk meer van de verschillende sectoren gevraagd moet worden. Dit zal additionele economische, sociale, maatschappelijke en financiële gevolgen hebben.
Ten aanzien van de aanbeveling om de uitstoot met 50% te verminderen zoals die door het Adviescollege Stikstofproblematiek is gedaan, geldt dat het Planbureau voor de Leefomgeving (hierna: PBL) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) hebben aangegeven de beleidsaanbevelingen van het Adviescollege Stikstofproblematiek niet door te kunnen rekenen op effectiviteit en kosten. Zodoende kan ik niet vaststellen of de geadviseerde doelstelling daadwerkelijk bereikt kan worden. Daarnaast geldt dat het huidige ambitieniveau haalbaar is met de voorgestelde maatregelen, zo blijkt uit de doorrekeningen van het PBL en RIVM. Daarvoor zijn ook de benodigde middelen gereserveerd. 32.
Wat is de reden om in zeer aanzienlijke mate af te wijken van de doelen en aanpak die de commissie-Remkes heeft geadviseerd, mede gelet op het gegeven dat een meerderheid van de Kamer heeft aangedrongen op het instellen van de commissie en het gezag, het gewicht en de samenstelling van de commissie, die bestond uit personen met naam en faam afkomstig uit een breed politiekmaatschappelijk spectrum? Kan de regering hierop reflecteren, mede in het licht van het Advies van de Raad van State? Diverse aanbevelingen uit de adviezen van het Adviescollege Stikstofproblematiek hebben een plek gekregen in de stappen die het afgelopen jaar zijn gezet en in de structurele aanpak van het kabinet (Kamerstuk 35 334, nr. 89 en de brief met het kenmerk 2020Z18692). De aanbevelingen uit het eindadvies “Niet alles kan overal” van het Adviescollege (Kamerstuk 35 334, nr. 86) bieden tevens belangrijke aanknopingspunten om de structurele aanpak verder te verfijnen en vorm te geven. Met betrekking tot de uiteindelijke doelstelling geldt dat het kabinet en het Adviescollege hetzelfde nastreven, namelijk een goede staat van instandhouding van de natuur. Het Adviescollege kiest in zijn advies voor een ander tempo dan het kabinet. Met het wetsvoorstel en de bronmaatregelen zet het kabinet belangrijke stappen, waarbij geldt dat deze aanpak zowel evenwichtig als haalbaar en betaalbaar is.
Voor een verdere toelichting op de ambitie van het kabinet in relatie tot het advies van het Adviescollege verwijs ik naar het antwoord op vragen 26 en 32.
2
33. Is de regering werkelijk van mening dat deze wet daadwerkelijk leidt tot het tijdig realiseren van de natuurdoelstellingen die verdragsrechtelijk zijn vastgelegd in samenhang met het creëren van vergunningsruimte voor onder meer woningbouw en de gewenste economische ontwikkeling? Ja. Het kabinet kiest voor een structurele aanpak stikstof met als hoofddoel het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding (SVI) van stikstofgevoelige soorten en habitats onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met het voorliggende pakket aan natuurmaatregelen en stikstofreducerende maatregelen geeft het kabinet concreet invulling aan de continue verplichting om de landelijke staat van instandhouding te verbeteren totdat deze gunstig is. Het kabinet streeft ernaar tot een volledige gunstige staat van instandhouding te komen conform de Habitatrichtlijn, en daarvoor de condities in de gebieden te verbeteren. Vervolgens moet deze staat worden behouden. Het wetsvoorstel legt de essentiële elementen van de structurele aanpak wettelijk vast. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 geoordeeld dat het gehanteerde systeem om de negatieve gevolgen van stikstofuitstoot aan te pakken, het PAS, niet voldoende waarborgen voor natuurbehoud en -herstel bood om toestemmingverlening op te kunnen baseren.
De uitspraak heeft er in de praktijk toe geleid dat diverse economische en maatschappelijke projecten geen doorgang konden vinden doordat vergunningen niet meer verleend konden worden. De structurele aanpak omvat deze waarborgen wel en bevat een omvangrijk pakket aan maatregelen gericht op natuurbehoud en -herstel, waardoor ruimte kan ontstaan voor economische en maatschappelijke activiteiten, zoals woningbouw, infrastructuur, defensie, waterveiligheid of ten behoeve van de energietransitie. Het kabinet is zich immers bewust van de randvoorwaardelijkheid hiervan voor vergunningverlening. Anders dan bij het PAS wordt in de structurele aanpak als zodanig niet vooruitgelopen op ontwikkelingsruimte die bij vergunningverlening kan worden toegedeeld aan activiteiten, maar de structurele aanpak zal wel leiden tot een robuustere natuur die beter tegen een stootje kan. Om zeker te stellen dat het natuurbehoud en -herstel plaatsvindt en de stikstofdepositie voldoende vermindert, legt het kabinet een resultaatsverplichtende omgevingswaarde vast en werkt een monitorings- en bijsturingssystematiek uit. Hiervoor stelt het kabinet langjarig een omvangrijk pakket met natuur- en bronmaatregelen en bijbehorende middelen beschikbaar. 34.
De leden van de PvdA-fractie vragen hoe vermindering van stikstofreductie in een deel van het land kan zorgen voor meer ruimte voor woningbouw in een ander deel van het land. Is de interbestuurlijke samenwerking tussen provincies inmiddels zo ver gevorderd dat gewaarborgd kan worden dat de ruimte die onder meer door extern salderen vrijkomt eventueel elders gebruikt kan worden voor woningbouw? De landelijke maatregelen om stikstofreductie te realiseren ten behoeve van de woningbouwopgave en de zeven infrastructuurprojecten hebben landelijke effecten zoals verstuurd aan uw Kamer in de brief van 13 november 2019 (Kamerstuk 35 334, nr. 1). Dit geldt zowel voor de snelheidsmaatregel als voor de vrijwillige beëindiging van varkenshouderijen (warme sanering varkenshouderij). De stikstofeffecten van de desbetreffende maatregelen worden op hectareniveau doorgerekend, waarmee er op hectareniveau zichtbaar wordt welke depositieruimte er voor de woningbouwambitie of de zeven infrastructuurprojecten beschikbaar is. Als de maatregelen en effecten vaststaan worden de maatregelen opgenomen in het stikstofregistratiesysteem.
Omdat de concentratiegebieden van de varkenshouderij, waar de desbetreffende regeling zich op richt, met name in zuidelijk en oostelijk Nederland liggen, zullen daar de grootste depositiedalingen en daarmee de meeste ruimte voor het stikstofregistratiesysteem te verwachten zijn. Dat neemt niet weg dat er ook depositiedaling gerealiseerd wordt in overige gebieden, aangezien stikstof zich ruimtelijk verdeelt via luchtstromingen. In aanvulling op het stikstofregistratiesysteem werk ik samen met betrokken departementen en de provincies aan een systeem waarmee vrijvallende ruimte bij extern salderen kan worden vastgelegd, zodat deze ruimte kan worden ingezet voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Of dit ook voor woningbouw kan worden ingezet hangt niet alleen af van interbestuurlijke afspraken die nog gemaakt moeten worden, maar ook van de ruimte die op hexagoonniveau beschikbaar komt. Het streven is om het systeem in het voorjaar van 2021 in werking te laten treden.
2
35. Acht de regering het mogelijk dat in provincies waar te weinig stikstofruimte kan worden vrijgemaakt de daar benodigde woningbouw toch niet in voldoende mate op gang kan komen? Zo ja, wat gaat de regering doen om dit te voorkomen? Zo nee, waarom niet? Middels mijn brief van 23 maart 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 118), is aangekondigd dat per 24 maart 2020 de ministeriële regeling ten behoeve van stikstofregistratiesysteem (SSRS) in werking is getreden. Dit systeem maakt de vergunningverlening voor woningbouwprojecten en toestemmingsverlening voor zeven infrastructuurprojecten mogelijk. In de brief aan de Kamer van 24 april 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 82) is aangekondigd dat er gewerkt wordt aan een vergelijkbaar, regionaal systeem, waarin enerzijds middels maatregelen stikstofruimte kan worden gecreëerd en anderzijds deze ruimte kan worden benut voor economische ontwikkeling. Dit systeem is in ontwikkeling in samenwerking tussen het Rijk met de provincies. Naast deze systemen zijn er andere instrumenten beschikbaar voor het realiseren van economische ontwikkelingen, zoals in- en extern salderen en de ADC-toets. Ook biedt de woningbouwimpuls de mogelijkheid om onder voorwaarden stikstofbeperkende maatregelen in woningbouwprojecten te treffen indien dit leidt tot een publieke onrendabele top voor woningbouwprojecten.
En verder is de ontwikkelreserve onder meer inzetbaar voor de woningbouw. Een substantieel deel van de knelpunten zal worden weggenomen door de partiële bouwvrijstelling, maar er zullen naar verwachting woningbouwknelpunten samenhangend met de gebruiksfase resteren in Haaglanden en rond Zaanstad. Hier zal gebiedsgericht met de betrokken partijen, inclusief het Rijk, gezocht moeten worden naar mogelijkheden. 36. De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over de juridische grondslag waarop bestaande bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend zonder de beschikking te hebben over een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb), terwijl een dergelijke vergunning, op basis van de huidige inzichten en ontwikkeling van de rechtspraak, wel is vereist. Kan de regering een overzicht verstrekken, gespecificeerd per bevoegd bestuursorgaan en uitgesplitst naar bedrijfstak, van bedrijven die hebben volstaan met een melding? In de bijgevoegde overzichten is naast een tweetal totaaloverzichten, per provincie en gemeente een specificatie gegeven van de aantallen meldingen in de categorieën bouw (35), energie (54), industrie (87), infrastructuur (32), landbouw (2.973), mobiele werktuigen (125) en overig (39). In dit overzicht zijn de meldingen voor projecten die tijdens het PAS als ‘prioritair project’ waren aangewezen, niet verwerkt. 37.
Indien bedrijfsactiviteiten van melders voor compliance moeten worden verminderd of stilgelegd en hierdoor schade of nadeel voor bedrijven ontstaat, in wiens risicosfeer ligt dat dan? Ligt dat in de sfeer van de bestuursorganen aan wie de melding is gedaan (op grond van gewekte verwachting dat melding volstaat) of in de sfeer van de bedrijven (niet beschikken over vergunning en – naar nu blijkt – ten onrechte geen vergunning aangevraagd)? De Rijksoverheid is verantwoordelijk voor de aanpak dat meldingen in vergunningen worden omgezet. Die verantwoordelijkheid wordt zwaar gevoeld. Provincies denken en werken actief mee aan de aanpak. Voor de formele legalisatie dienen de effecten van de te nemen bronmaatregelen vast te staan. Dat kost tijd, maar is niet belemmerend voor de voortgang van de huidige activiteiten. De bevoegde gezagen hebben al aangegeven dat gegeven het traject van legalisatie, handhavingsverzoeken zullen worden afgewezen (Kamerstuk 35 334, nr. 25 en 82). Op deze manier minimaliseert het kabinet de in de vraag benoemde risico’s. 38. Naar deze leden hebben vernomen, zijn er ook bedrijven die wel stikstofdepositie veroorzaken, maar niet beschikken over een vergunning en ook geen melding hebben gedaan.
Kan de regering aangeven om hoeveel bedrijven het gaat? Indien dat niet mogelijk is, kan zij bij benadering aangeven om hoeveel bedrijven het gaat? Kan dat worden uitgesplitst naar bedrijfstak en kan er een indicatie worden gegeven van de hoeveelheid werkgelegenheid die hiermee is gemoeid? Kan een indicatie worden gegeven van de hoeveelheid dispositie die hier in het geding is? Het klopt dat initiatiefnemers van verschillende activiteiten en projecten geen melding hebben gedaan, aangezien daarvoor geen meldingsplicht gold. Ook deze initiatiefnemers hebben in beginsel te goeder
2
trouw gehandeld. Aangezien deze activiteiten en projecten niet zijn geregistreerd, kan ik u geen overzicht verstrekken van de gevraagde gegevens. Om te bepalen of en op welke manier deze problematiek opgelost kan worden, heb ik het RIVM gevraagd in beeld te brengen wat de omvang van de betreffende deposities is. Hierover, als ook over de vraag hoe deze activiteiten geïdentificeerd kunnen worden, ben ik met de provincies in gesprek. Zodra hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden, zal ik uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk informeren. 39. Indien in strijd met de wet geen melding is gedaan noch een vergunning is aangevraagd, op welke wijze worden deze bedrijven dan geïdentificeerd en hoe wordt de wet gehandhaafd? Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 38. 40. Van de luchthavens is bekend dat deze in meerderheid niet beschikken over een Wnb-vergunning, terwijl zij daar voor de uitoefening van activiteiten wel over dienen te beschikken. Zij dienen alsnog een vergunning aan te vragen op grond van de Wnb en deze leden vragen zich af of en in welke mate dit een beslag gaat leggen op de aanwezig zijnde depositieruimte.
Kan de regering daar een indicatie van geven? Kan worden aangegeven wat de invloed hiervan is op andere bestaande economische activiteiten, bijvoorbeeld door aan te geven hoeveel stikstof bij agrarische bedrijven voor saldering moet worden verworven door de luchthavens? Ik heb, als bevoegd gezag onder de Wnb voor de verlening van Natura 2000-vergunningen voor luchthavens van nationaal belang een aantal luchthavens verzocht om een vergunningaanvraag aan te leveren inclusief een verschilberekening voor stikstofdepositie. In die verschilberekening wordt het verschil tussen de stikstofdepositie als gevolg van het ‘bestaand recht’ (de depositie die was toegestaan op de Europese referentiedatum) en het huidige gebruik in beeld gebracht. Ik zal de vergunningaanvragen beoordelen om te toetsen of de aangevraagde vergunning verleend kan worden. Op dit moment kan ik hier nog geen inzicht in geven. 41. De leden van de PvdA-fractie ontvangen indringende signalen van bedrijven en vertegenwoordigers van mede-overheden dat investeringen in bedrijven en werkgelegenheid ernstig stagneren, niet alleen door het gebrek aan vergunningsruimte, maar ook door de wijze waarop bedrijven stikstofruimte moeten gaan verwerven. Als concreet voorbeeld kan worden genoemd Groningen Seaports, dat bedrijventerreinen uitgeeft in de Eemshaven en Delfzijl.
Aldaar liggen initiatieven stil, waarmee investeringen ter grootte van 3 miljard euro en 1.300 directe arbeidsplaatsen zijn gemoeid. Begrijpt de regering dat voor ontwikkelaars van bedrijventerreinen en industriële bedrijven het systeem van het verwerven van ruimte door middel van salderen zeer complex is, wat ook is gebleken uit de casus Moerdijk, omdat bij het salderen over een groot deel van het land vermindering van depositie, vaak in zeer geringe hoeveelheden, moet worden gerealiseerd? Het kabinet ziet dat als het gaat om geringe benodigde deposities over het hele land, het voor ontwikkelaars op dit moment complex is om via saldering mitigerende maatregelen te nemen. Rijk en provincies verkennen momenteel of vrijvallende ruimte bij extern salderen voor dergelijke projecten kan worden ingezet. Of dit ook kan worden ingezet hangt niet alleen af van interbestuurlijke afspraken die nog gemaakt moeten worden, maar ook van de ruimte die op hexagoonniveau beschikbaar komt. Naar verwachting zal dit systeem in het voorjaar van 2021 operationeel kunnen zijn. Voorts is voor bouwactiviteiten in het onderhavige wetsvoorstel ook een partiële vrijstelling opgenomen voor wat betreft tijdelijke stikstofemissie zoals in de aanlegfase. Voor het bouwdeel van projecten biedt dit een oplossing.
Via het programma “ecologie en economie in balans” zijn de provincie Groningen, Groningen Seaports en de ministeries van LNV en EZK in gesprek. Het programma heeft mogelijke oplossingsrichtingen in kaart gebracht en deze worden momenteel samen met het Ministerie van EZK en LNV verder verkend en waar mogelijk uitgewerkt. 42. Begrijpt de regering dat het voor buitenlandse investeerders bijkans onbegrijpelijk is hoe het Nederlandse systeem werkt (omdat in Nederland zeer scherp c.q. te scherp aan de wind wordt gezeild in het zoeken van de randen van de stikstofruimte)?
2
Het kabinet is zich ervan bewust dat de beperkte stikstofruimte in ons land de mogelijkheden voor nieuwe activiteiten en projecten beperkt en dat dit tot onduidelijkheid en onzekerheid kan leiden onder buitenlandse investeerders. Het kabinet heeft al in samenwerking met andere bevoegde gezagen diverse instrumenten voor toestemmingverlening opgezet, waaronder extern salderen, waar ook (initiatiefnemers met) buitenlandse investeerders gebruik van kunnen maken. Daarnaast wordt er, net als bij andere omgevingsnormen die gelden bij vergunningverlening, de nodige duidelijkheid gegeven over waar projecten aan moeten voldoen en wat de mogelijkheden zijn om hieraan te kunnen voldoen. Tegelijkertijd zijn er de afgelopen periode door middel van maatwerkoplossingen al diverse buitenlandse investeringsprojecten mogelijk gemaakt. Ook in de komende periode zullen bedrijven samen met provincies en hun omgevingsdiensten per geval moeten verkennen in hoeverre investeringsprojecten die tot stikstofuitstoot leiden vergunbaar gemaakt kunnen worden. Samen met de bewindspersonen van EZK en I&W blijf ik mij inspannen om te zoeken naar oplossingen die bijdragen aan verbetering van de situatie. Daarnaast werkt het kabinet met de gepresenteerde aanpak stikstof aan structurele stikstofreductie en natuurverbetering om toestemmingverlening in de toekomst ook gemakkelijker te maken. 43.
Begrijpt de regering dat het wenselijk is dat niet casusgestuurd van geval tot geval ruimte wordt gezocht en door middel van saldering wordt verworven, maar dat het te prefereren is dat dit gecoördineerd geschiedt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de regering bereid om de methode van een stikstofregistratiesysteem in combinatie met een stikstofbank ook toe te passen op de industrie, althans dat deel van de industrie dat uit het oogpunt van publiek belang (bijvoorbeeld het belang van het creëren van werkgelegenheid of het ontwikkelen van duurzame(re) productieprocessen) snel en slagvaardig aan ruimte geholpen moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze en in welk tempo? In de huidige situatie van forse stikstofoverbelasting van veel Natura 2000-gebieden geldt dat elke toename van stikstofbelasting op locaties van habitattypen of habitats van soorten in die gebieden waarvan de KDW is overschreden potentieel een significant effect kan hebben. Er zal dan ook door initiatiefnemers onderbouwd moeten worden dat er op geen van die locaties aantasting van de natuurwaarden plaatsvindt, al dan niet door het treffen van mitigerende maatregelen zoals saldering. In principe is dit aan initiatiefnemers en staat het hen vrij om gebruik te maken van de bestaande mogelijkheden van saldering. In de brief aan de Kamer van 24 april 2020 (Kamerstuk 35 334, nr.
82) heb ik al aangekondigd dat er gewerkt wordt aan een systeem om vrijvallende ruimte bij extern salderen voor maatschappelijke en economische ontwikkelingen in te kunnen zetten. Momenteel werk ik samen met de andere departementen en provincies aan dit systeem. Het streven is om dit systeem in het voorjaar van 2021 in werking te laten treden. 44. Is bekend of en in welke mate de stikstofproblematiek de aantrekkelijkheid van Nederland voor buitenlandse investeerders schaadt? Heeft de regering of een organisatie als het Netherlands Foreign Investment Agency daar een indicatie van? Zo ja, kan dat worden toegelicht? De uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 heeft grote invloed op het werk van de NFIA en haar regionale partners van Invest in Holland. Sinds de betreffende uitspraak zijn uiteenlopende fysieke buitenlandse bedrijfsinvesteringen van nieuwe (productie)locaties uit- of afgesteld, omdat duidelijkheid over de bouw en de vergunningsverlening uitblijft. Uit een analyse van de Invest in Holland-portefeuille van eind 2019 bleek dat Nederland bij ruim 130 grote projecten uit beeld dreigt te raken vanwege de stikstofproblematiek. Het gaat hier om projecten waar structureel of incidenteel grote stikstofuitstoot plaatsvindt. Bij circa 20% hiervan is sprake van circulaire of verduurzamende activiteiten, denk aan biobased fabricage of verduurzaming van de bestaande lijn.
Het gaat bij deze projecten voornamelijk om productiefaciliteiten buiten de Randstad vanwege de beschikbare ruimte, de voorzieningen en aanwezige industriële clusters. Daardoor dreigen verschillende Nederlandse regio’s vanwege de stikstofproblematiek extra hard geraakt te worden. De provincies Groningen, Zeeland, Flevoland, Noord-Brabant en Limburg zijn samen goed voor bijna 90% van de investeringsprojecten waarbij stikstof een problematische rol speelt. De afgelopen periode zijn door maatwerkoplossingen diverse investeringsprojecten mogelijk gemaakt. Ook in de komende periode zullen bedrijven samen met provincies en hun omgevingsdiensten per
2
geval moeten verkennen in hoeverre investeringsprojecten die tot stikstofuitstoot leiden vergunbaar gemaakt kunnen worden. De gevolgen van de stikstofproblematiek voor het investeringsklimaat blijven voor bedrijven voorlopig onzeker en zorgelijk, omdat de beschikbare stikstofruimte voor nieuwe activiteiten nog beperkt is. Het is reëel te veronderstellen dat Nederland investeringen mis zal lopen ten gevolge van de stikstofproblematiek. Samen met de provincies en andere departementen zoals EZK en I&W blijf ik mij inspannen om te zoeken naar oplossingen die bijdragen aan verbetering van de situatie. 45. De leden van de PvdA-fractie vragen zich in gemoede af of de voorgestane aanpak van het reeds lang slepende probleem van overmatige stikstofdepositie, die het onderhavige wetsvoorstel beoogt te verankeren, wel in voldoende mate uitzicht biedt op het voldoende en structureel verminderen van de schadelijke invloed van stikstof op de natuur en het creëren van vergunningsruimte voor woningbouw en duurzame economische ontwikkeling. Met de structurele aanpak kiest het kabinet voor een ambitieus reductiedoel en wordt stevig ingezet op natuurherstel.
Deze aanpak is een samenhangend pakket aan maatregelen en afspraken dat voorzien is van een wettelijke borging en waarin, anders dan bij PAS, het natuurbelang voorop staat en beter in balans wordt gebracht met (toekomstige) maatschappelijke en economische activiteiten. De structurele aanpak met bijbehorend pakket bron- en natuurmaatregelen dat wordt opgenomen in een wettelijk programma, biedt hiervoor de instrumenten. Zowel bron- als natuurherstelmaatregelen zijn nodig om behoud te verzekeren en verbetering van natuur mogelijk te maken. Door de structurele aanpak kan ook weer meer ruimte ontstaan voor economisch en maatschappelijk relevante activiteiten op het vlak van onder meer woningbouw, infrastructuur, landbouw, industrie, defensie, waterveiligheid en energietransitie. Om de reductie van de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden te verzekeren, zal een stikstofdoelstelling als een resultaatsverplichting gelden. 46.
Het gegeven dat de veehouderij weliswaar niet de enige veroorzaker is van uitstoot van stikstofverbindingen maar wel de grootste, het gegeven dat de veehouderij naast uitstoot van stikstof ook nog andere overmatige emissies van schadelijke stoffen als bijvoorbeeld nitraat en CO2 uit veenoxydatie en het gegeven dat de veehouderij in delen van het land zeer nadelige effecten heeft op de leefomgeving (stank, fijnstof en risico van zoönosen) zou tot de overtuiging en een krachtige(r) aanpak moeten leiden die een grotere vermindering van de veestapel bewerkstelligt, in combinatie met goed flankerend sociaal beleid en beleid gericht op grondige herinrichting en revitalisering van het landelijk gebied. Is de regering bereid om een grondige maatschappelijke kostenbatenanalyse te maken van de agrarische sector, uitgesplitst per sector, om onafhankelijk vast te laten stellen welke delen van de agrarische sector het behouden, bewaren te ontwikkelen en te versterken waard zijn en welke delen – in de huidige omvang – het niet waard zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en op welke wijze zal dit worden uitgevoerd? Het kabinet deelt met de leden van de PvdA-fractie dat een aanpak nodig is om nadelige effecten van de veehouderij op de leefomgeving te verminderen. Daarvoor is een transitie nodig die op draagvlak kan rekenen en die zorgt dat de landbouw voor de langere termijn vitaal is.
Het kabinet zet daar ook op in, onder andere door het programma duurzame veehouderij, de herbezinning van het mestbeleid, de subsidieregeling brongerichte verduurzaming, het omschakelfonds, en de saneringsregeling voor de varkenshouderij. In de visie naar kringlooplandbouw3 komt naar voren welke veehouderij het kabinet wil behouden en versterken. Dat is een veehouderij waarin onder andere grondstoffen efficiënt worden benut en waar emissies naar de omgeving zoveel mogelijk worden voorkomen. Een maatschappelijke kostenbatenanalyse om onafhankelijk vast te stellen welke delen van de agrarische sector het waard zijn om te behouden, heeft volgens het kabinet geen meerwaarde. De vraag naar welke veehouderij in Nederland moet blijven, vraagt niet om een onafhankelijk oordeel, maar juist om een maatschappelijke en politieke afweging van verschillende waarden.
3
Kamerstuk 35 000 XIV, nr. 5
2
In de ogen van de leden van de ChristenUnie-fractie is het noodzakelijk en goed dat dit kabinet – na vele kabinetten waarin de toenemende stikstofbelasting van natuur op zijn beloop is gelaten – aangevuurd door een rechterlijke uitspraak en Adviezen, de hand aan de ploeg slaat en voortvarend aan de slag gaat met het terugbrengen van de stikstofdepositie en het bevorderen van natuurherstel. Deze leden benadrukken hierbij dat alle sectoren hun steentje bij zullen moeten dragen aan het terugdringen van stikstofemissies en -depositie. Tegelijk benadrukken zij dat er perspectief moet blijven voor ondernemers om, in harmonie met de natuur, hun (be)roep(ing) uit te kunnen oefenen. Gelet op het wetsvoorstel, deze overwegingen en de diepgevoelde opdracht om goed te zorgen voor onze niet zelden kwetsbare leefomgeving, stellen deze leden een aantal vragen aan de regering. 47. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het kabinet met een omvangrijk pakket aan natuur- en bronmaatregelen komt, met voor natuurherstel circa 3 miljard euro en voor bronmaatregelen ruim 2 miljard euro tot 2030.
Hoe verhoudt dit omvangrijke pakket zich tot het beoogde doelbereik? Het kabinet kiest voor een structurele aanpak stikstof met als hoofddoel het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitats onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. De omgevingswaarde vormt samen met de daartoe bestemde bronmaatregelen en het pakket natuurmaatregelen en een adequate monitorings- en bijsturingssystematiek een coherente, structurele aanpak, die verzekert dat de doelstelling wordt behaald. Om die ambitie en opgave voor stikstofreductie te realiseren, kiest het kabinet voor een resultaatsverplichtende omgevingswaarde: in 2030 dient ten minste 50 procent van de hectares met stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden onder de KDW’s te zijn gebracht. Hiermee wordt substantiële stikstofreductie bereikt: zowel op de hectares die onder de KDW gebracht worden, als ook op alle andere overige stikstofgevoelige hectares. Op basis van doorrekeningen van het PBL en het RIVM vraagt de omgevingswaarde om een binnenlandse stikstofdepositiereductie van gemiddeld 255 mol/ha/jaar in 2030, gegeven de huidige verwachte ontwikkelingen in depositiereductie vanuit het buitenland.
De doorrekeningen laten zien dat indicatief 120 mol/ha/jaar in 2030 gerealiseerd wordt door staand en voorgenomen beleid, het zogeheten autonome pad. Beleid volgend uit het Klimaatakkoord leidt tot een stikstofdepositiereductie van 25 mol/ha/jaar in 2030. Voor de resterende opgave reserveert het kabinet ruim 2 miljard euro tot aan 2030 om de benodigde reductie van 110 mol/ha/jaar te bewerkstellingen. RIVM en PBL hebben gevalideerd dat met het maatregelpakket dit reductiedoel van 110 mol/ha/jr in 2030 de omgevingswaarde gerealiseerd kan worden. De doelstelling is ambitieus en haalbaar. Het PBL heeft het ecologische effect van de investeringsimpuls voor natuurherstel van 3 miljard euro doorgerekend en stelt dat het beoogde pakket een logische en effectieve mix van maatregelen is voor de middellange termijn. Voor 2030 is de verwachting dat met de te nemen maatregelen Nederland tot 70 procent doelrealisatie komt, met specifiek aandacht voor stikstofgevoelige natuur. Doelrealisatie wil zeggen dat voor 70% van de soorten van de VHR de condities voor een gunstige staat van instandhouding op orde zijn. 48.
Hoe dragen de reeds getroffen maatregelen en de beoogde nieuwe maatregelen eraan bij om de huidige knelpunten in de vergunningverlening op korte termijn op te lossen? Welke knelpunten zijn er nog en hoe en hoe snel worden deze opgelost? Het kabinet heeft verschillende stappen gezet om de huidige knelpunten op te lossen. Op 13 november 2019 is aangekondigd ruimte ter beschikking te stellen aan de woningbouwsector en een zevental infrastructuurprojecten (Kamerstuk 35 334, nr. 1). Sinds maart 2020 is de eerste depositieruimte ook al beschikbaar door het realiseren van de snelheidsverlaging. Op 24 april 2020 heeft het kabinet de structurele aanpak ingesteld (Kamerstuk 35 334, nr. 82), waarmee diverse (bron)maatregelen zijn aangekondigd. Daarmee kan de natuur gemakkelijker herstellen en wordt het mogelijk maatschappelijke en economische activiteiten mogelijk te maken. Deze aanpak met bron- en natuurmaatregelen is daarmee het fundament waarmee nieuwe vergunningen afgegeven kunnen worden. Over de wijze waarop dit kan, verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 7. Ten derde is een partiële vrijstelling voor de bouwsector onderdeel van het huidige wetsvoorstel. Zo kan een groot aantal bouwactiviteiten doorgang vinden, waardoor het kabinet een nieuwe impuls aan deze sector geeft.
Tot slot wordt er aan andere instrumenten voor toestemmingsverlening gewerkt, waarvan extern en intern salderen, de natuurbank en het stikstofregistratiesysteem al voorbeelden zijn.
2
Een belangrijk aandachtspunt voor deze leden hierbij zijn de zogenoemde PAS-melders. Zij mogen niet het kind van de rekening worden, maar dat dreigt wel te gebeuren. Zij hoefden onder de werking van de PAS namelijk geen PAS-vergunning voor stikstofemissie aan te vragen. Voor hen volstond een melding van hun activiteiten. Na de stikstofuitspraak van de Raad van State is dat dramatisch veranderd en waren de PAS-meldingen niet meer geldig, wat betekent dat duizenden ondernemers hun bedrijf niet meer mochten uitoefenen. Deze leden bepleiten met nadruk dat een snelle oplossing voor deze PAS-melders gevonden moet worden. 49. Hoeveel PAS-melders zijn er? Deze leden hebben aantallen langs zien komen van 3.300 tot 3.700 en soms nog hogere aantallen. Om hoeveel stikstof gaat het, hoeveel mol stikstof per hectare? Hoe is dit over het land verdeeld? Zijn er specifieke stikstofgevoelige natuurgebieden waar de PAS-meldingen meer impact hebben dan andere en waarbij het spiegelbeeldig meer moeite zal kosten om deze te legaliseren? In totaal zijn 3637 meldingen gedaan. Het RIVM geeft aan dat de omvang van de meldingen samen gemiddeld voor 11 mol aan depositie veroorzaken. Daarbij wordt de meeste depositie veroorzaakt in de Natura 2000-gebieden in het oosten van het land. Langs de westkust vindt de minste depositie plaats, en zodoende is de benodigde stikstofreductie in deze gebieden kleiner.
Vooral in gebieden waar veel meldingen zijn gedaan en het pakket aan maatregelen uit de structurele aanpak niet meteen effect heeft, kost het tijd om vergunningen te kunnen verlenen. 50. Deze leden wijzen erop dat het Rijk primair verantwoordelijk is om de problematiek van de PASmelders op te lossen, maar ze beseffen dat dit niet zonder de gebiedsgerichte aanpak van de provincies kan. Hoe voorkomt de minister dat Rijk en provincies op elkaar gaan wachten of naar elkaar gaan wijzen? Het Rijk is verantwoordelijk voor de basisaanpak om meldingen in vergunningen om te zetten, zoals nader is toegelicht in de beantwoording op vraag 20. Om meldingen van vergunningen te voorzien is het noodzakelijk dat mitigatie met de effecten van bronmaatregelen plaatsvindt. Het Rijk neemt deze maatregelen, die indien nodig in de gebiedsgerichte aanpak nader worden uitgewerkt om te zorgen dat de reductie ook plaatsvindt in de gebieden waar dit nodig is voor de meldingen. Op deze manier vullen Rijk en provincies elkaar aan en kan het omzetten in vergunningen zo snel als mogelijk plaatsvinden. Het Rijk en de provincies werken hierbij nauw samen. 51.
Welke mogelijkheden zijn er om de oplossing van de problematiek te versnellen? Is het mogelijk om bijvoorbeeld de komende maanden een eerste tranche van een aantal honderden PAS-meldingen te legaliseren? Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 16. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat waar de natuur al jaren lijdt onder verzuring en vermesting door te hoge stikstofconcentraties, de uitspraak van de Raad van State in mei 2019 een kans bood. Het PAS bleek onrechtmatig te zijn: aan de VHR werd hiermee niet correct uitvoering gegeven. De vernietigende uitspraak bood de regering de kans om tot een correcte uitvoering van de VHR te komen. Het stelt dan ook zeer teleur dat ook deze regering bezwijkt onder de luidruchtige belangen van de Agro-industrie, waardoor het niet gelukt is om tot een juridisch gedegen implementatie van de VHR te komen. Met dit wetsvoorstel zal ook de komende tien jaar de natuurkwaliteit achteruit blijven gaan – iets wat we ons in de huidige biodiversiteitscrisis absoluut niet kunnen permitteren. Het zal de regering bekend zijn dat stikstof cumuleert in natuurgebieden. Zo lang de stikstofneerslag (depositie) zich boven de gezonde grens, de KDW, van een habitattype bevindt, zal de natuurkwaliteit achteruitgaan.
Hoe hoger boven die grens en hoe langer het duurt, hoe verder de natuurkwaliteit achteruitgaat. De regering weet dat juist die achteruitgang van de natuurkwaliteit niet plaats mag vinden in Natura 2000-gebieden volgens de VHR. Met andere woorden: Nederland voldoet niet aan de VHR zo lang de stikstofneerslag hoger is dan de KDW’s. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie begrijpen dat de stikstofdepositie niet van vandaag op morgen zodanig verminderd kan worden dat alle KDW’s van beschermde natuurgebieden
2
onderschreden kunnen worden. Maar over tien jaar moet dat wél kunnen. Met een drastische reductie van de stikstofuitstoot kan Nederland over tien jaar wél voldoen aan de eisen van de VHR en een goede staat van onze natuurgebieden realiseren. Maar dan moet de regering nu maatregelen nemen. Behalve dat bijzondere planten- en diersoorten hiermee een kans wordt geboden om te overleven, komt ook voor economische sectoren die relatief weinig (en tijdelijke) stikstofuitstoot veroorzaken, zoals de bouwsector, meer lucht. De vergunningverlening voor woningbouw kan vergemakkelijken wanneer met wettelijk vastgelegde maatregelen zeker is gesteld dat in de toekomst alle Natura 2000gebieden in goede staat van instandhouding gebracht zullen worden (waarbij de KDW’s zijn onderschreden). In dat geval zouden de ecologische beoordelingen die nodig zijn voor het verkrijgen van een natuurvergunning veel gemakkelijker zijn, of kan een partiële vrijstelling van de vergunningsplicht worden gegeven. Uiteraard zijn voor een dergelijk drastische depositievermindering grote veranderingen nodig. De stikstofuitstoot zal allereerst met 50% moeten verminderen, zoals ook het Adviescollege Stikstofproblematiek (commissie-Remkes) heeft betoogd. Dit is nodig om de stikstofdeken die over heel Nederland ligt te verminderen.
Gebiedsspecifiek zal op plekken een nog grotere reductie noodzakelijk zijn, omdat sommige gebieden, zoals de Veluwe en De Peel, nu eenmaal veel sterker overbelast zijn met stikstof. Met een reductie van 50% van de stikstofuitstoot zijn daarom nog niet alle problemen opgelost, maar het is een goed, en uiterst noodzakelijk, begin. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren echter dat de regering niet kiest voor deze aanpak, maar een magere reductieopgave van 26% stelt voor 2030. Alsof van het PAS-debacle niets geleerd is, ontwikkelt deze regering opnieuw een stikstof-beleid dat naar alle waarschijnlijkheid opnieuw zal sneuvelen voor de rechter. De regering kan stellen dat dit wetsvoorstel een ‘vooruitgang’ is ten opzichte van het PAS, maar een dergelijk vage term heeft geen enkele betekenis in het kader van de VHR. De rechter zal toetsen of dit beleid óf wel, óf niet voldoet aan de eisen van de VHR. Het is wel of niet; daartussen zit geen grijs gebied. Deze leden maken uit de jurisprudentie, de Adviezen van experts en het Advies van de Raad van State op dat dit wetsvoorstel juridisch onhoudbaar is, onvoldoende verbetering oplevert voor de gebieden die bescherming moeten krijgen in het kader van de VHR en zullen het wetsvoorstel daarom niet steunen. 52.
De leden van de SGP-fractie horen graag op welke wijze de regering uitvoering gaat geven aan de motie van het lid Bisschop (Kamerstuk 32 670 nr. 186) waarin verzocht wordt om ervoor te zorgen dat ook managementmaatregelen benut kunnen worden bij de toepassing van de instrumenten interne en externe saldering. Op welke wijze gaat de regering hier uitvoering aan geven, zo vragen deze leden. In de Kamerbrief van 7 februari 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 44) over de landbouwmaatregelen is ingegaan op de initiatieven voor financiering van verduurzamingsmaatregelen. In het kader van het structurele pakket is geld beschikbaar gesteld voor de invoering van de managementmaatregelen die als bronmaatregel aangewezen zijn. Bij intern en extern salderen is aanpassing van de natuurvergunning noodzakelijk waarmee juridisch geborgd wordt dat er door de saldering geen toename van stikstofdepositie plaatsvindt. In de natuurvergunning zijn enkel het aantal dierplaatsen en de stikstofuitstoot per dierplaats op basis van het staltype opgenomen. Bij maatregelen die hierop aangrijpen zoals het (deels) beëindigen van het bedrijf of ingebruikname van een nieuwe emissiearme(re) stal kan op basis van de regels voor in- en extern salderen stikstofruimte elders worden ingezet waarbij via aanpassing van de vergunning structureel zeker wordt gesteld dat de uitstoot niet toeneemt.
Bij (management)maatregelen die leiden tot minder uitstoot, maar die niet in de vergunning zijn vastgelegd kan het effect niet via aanpassing daarvan worden geborgd. Het opnemen van de managementmaatregelen in de natuurvergunning – wat steeds een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing zal opleveren – acht ik in dit verband geen oplossing omdat daarmee een onwenselijke vorm van bureaucratie en inperking van de keuzevrijheid en het vakmanschap van de boer wordt geïntroduceerd. Daar komt bij dat het enkel vastleggen van managementmaatregelen niet volstaat; de naleving van de maatregelen moet ook eenduidig vaststelbaar en handhaafbaar zijn. 53. De leden van de SGP-fractie constateren dat verschillende bedrijven door het wegvallen van het PAS min of meer illegaal zijn geworden, ondanks dat zij veelal te goeder trouw hebben gehandeld. Als deze leden het goed hebben begrepen gaat het globaal om vier groepen bedrijven die in het afgelopen decennium de bedrijfsvoering hebben aangepast: 1) de PAS-melders, 2) bedrijven die op basis van
2
het PAS een vergunning hadden gekregen, maar waarbij deze vergunning nog niet onherroepelijk was, 3) bedrijven onder de grenswaarde van 0,05 mol/ha/jaar, en 4) bedrijven die bij de invoering van het PAS gelegaliseerd zijn en daarvoor van het bevoegd gezag vaak te horen kregen dat ze geen Wnbvergunning nodig hadden. Deze leden zijn van mening dat deze bedrijven met voorrang gelegaliseerd moeten worden. Financiering, bedrijfsontwikkeling en overnames staan voor deze bedrijven op losse schroeven, zeker nu de onduidelijke situatie al zolang voortduurt. Zij horen graag hoe de regering dit definitief gaat regelen. Waarom kiest de regering niet voor legalisatie of een generaal pardon bij de invoering van bijvoorbeeld het voorliggende wetsvoorstel, zoals destijds ook bij de invoering van het PAS is gebeurd, zo vragen zij. Het klopt dat de genoemde groepen initiatiefnemers in beginsel te goeder trouw hebben gehandeld. Voor de aanpak van de problematiek voor de PAS-melders verwijs ik naar het antwoord op vraag 20. Ook waren er bedrijven die de vergunningaanvraag vlak voor de PAS-uitspraak hadden ingediend, en zodoende op het moment van de PAS-uitspraak een nog geen onherroepelijke vergunning hadden, omdat derden niet binnen de daarvoor geldende termijn bezwaar en beroep hebben ingesteld of het bezwaar of beroep is afgewezen.
Waar bezwaar of beroep is aangetekend en de bezwaarmaker of appellant in het gelijk is gesteld, zijn de vergunningen herzien of vervallen. De aanpak voor de activiteiten onder de 0,05 mol en de interimmers (de in de vraag genoemde categorie 4) wordt beschreven in het antwoord op vraag 38. Een generaal pardon voor de meldingen wordt bekeken, maar is niet zomaar mogelijk. Voor de meldingen zijn immers in beginsel ook de kaders van reguliere vergunningverlening van toepassing. Er moet een passende beoordeling plaatsvinden op basis waarvan zekerheid wordt verkregen dat de stikstofdepositie van de betrokken activiteit – ondanks de overschrijding van de KDW van de betrokken natuurwaarden niet tot aantasting van het Natura 2000-gebied leidt. Dat vereist dat de stikstofdepositie die de meldingen veroorzaken en waarvan significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, op hexagoonniveau moet worden gemitigeerd met depositiereductie van bronmaatregelen. Daarnaast is de totaal benodigde depositiereductie om alle meldingen te legaliseren niet in een keer beschikbaar. Zij willen erop wijzen dat bij berekeningen met AERIUS ten behoeve van passende beoordelingen bestaande emissies, ook de niet vergunde, gewoon meegenomen worden. 54.
Kan de regering voor de verschillende groepen aangeven welke stikstofruimte inmiddels beschikbaar is en wat het verwachte tijdpad voor legalisatie is? Voor het omzetten van de meldingen in vergunningen is een basisaanpak in ontwikkeling waarover ik uw Kamer op korte termijn nader zal informeren. Voor een nadere beantwoording van deze vraag verwijs ik u naar het antwoord op vraag 20. 55. De leden van de FvD-fractie vragen waarom de regering zich volledig focust op de agrarische sector om de vermeende stikstofproblematiek op te lossen. Hoe wordt voorkomen dat hierdoor een tunnelvisie ontstaat? Alle sectoren die stikstof uitstoten zijn samen verantwoordelijk voor het veroorzaken, en het oplossen van de stikstofproblematiek. De maatregelen die in de structurele aanpak zijn opgenomen, zijn ook verspreid over de verschillende sectoren. Daarnaast is er autonoom beleid waarin andere sectoren dan de landbouw een aanzienlijke bijdrage leveren aan stikstofreductie. Aangezien een belangrijk deel van de stikstofdepositie afkomstig is uit de landbouwsector kan enkel aan de resultaatsverplichting worden voldaan als deze sector ook middels de maatregelen aan een belangrijk deel van de reductieopgave bijdraagt. 56.
Hoe beoordeelt de regering de veelgehoorde kritiek op het stikstofbeleid, die erop neerkomt dat het beleid nauwelijks effect heeft op de staat van de natuur in Nederland, maar er vooral op gericht lijkt te zijn om boeren hun grond te laten opgeven voor de bouw van woningen en klimaatprojecten (Foodlog, 8 november 2020, ‘Nico Gerrits’ stikstoftestament: nog meer geld zal de Nederlandse natuur niet genezen’)?
2
De structurele aanpak voorziet in een pakket aan maatregelen gericht op structurele reductie van de stikstofbelasting en op herstel en verbetering van de natuurcondities in de Natura 2000-gebieden. Zowel bron- als natuurmaatregelen worden ingezet om natuurbehoud te verzekeren en natuurverbetering mogelijk te maken. De stikstofdoelstelling van het kabinet borgt dat ten minste 50% van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in 2030 onder de KDW gebracht zijn. Gecombineerd met de inzet op natuurmaatregelen herstelt de staat van instandhouding van de natuur op termijn zoals gevalideerd door het RIVM en PBL. De inzet in de structurele aanpak heeft gunstig effect op de natuur. Dit beleid realiseert daarnaast dat waar het verantwoord is geleidelijk meer ruimte voor nieuwe ontwikkelingen ontstaat. Ten aanzien van de bronmaatregelen heeft het kabinet gekozen voor een evenwichtige verdeling van maatregelen over de sectoren. Zoals ik eerder heb aangegeven biedt het maatregelenpakket voor de landbouw perspectief voor boeren die willen blijven boeren en helpt het boeren die willen stoppen (Kamerstuk 35 334 nr. 82). De maatregelen leveren stikstofwinst op en dragen tegelijk bij aan andere doelen zoals de klimaatopgave en het beter benutten van waardevolle grondstoffen.
De maatregelen stimuleren daarmee de omslag naar kringlooplandbouw of emissiearme landbouw en dragen bij aan het in harmonie komen van landbouw en natuur. Het pakket bestaat uit diverse maatregelen en ondersteunt de boeren bij de keuzes die zij willen maken, passend bij hun specifieke bedrijf en specifieke situatie. 57. Wat is het effect van de honderden miljoenen euro’s die de afgelopen jaren zijn besteed aan beheer, uitbreiding en herinrichting van Natura 2000-gebieden? Door de financiering van beheer, uitbreiding en herinrichting is bereikt dat de natuur in stand gehouden kon worden. Daarbij is er een grote inspanning geleverd om de effecten van bijvoorbeeld stikstofdepositie en verdroging het hoofd te bieden. Ook is er op deze manier bijgedragen aan het bereiken van een daadwerkelijke verbetering van de staat van instandhouding. 2. Stikstofproblematiek en problematiek slechte staat Natura 2000gebieden 2.1 Algemeen: Natura 2000 De leden van de CDA-fractie constateren dat de externe werking van Natura 2000-gebieden steeds groter wordt. Hierdoor komen economische ontwikkeling, zoals bij MKB-bedrijven, landbouw en recreatie steeds verder in de knel. Deze leden zijn van mening dat er een betere balans tussen ecologie en economie moet plaats vinden.