CConstaterende datMeppel
Koppel je AI →
Document · PDF

1.14 Bomenridders Groningen - Informatieverzoek over de ontwikkelingen nieuw stedenbouwkundig plan Nieuwveense Landen - Boshoven en bijlagen

1 - RAADSVERGADERING 27 maart 2025, gemeente MeppelBij agendapunt: Categorie 1: Voor kennisgeving aannemen48.635 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Zowel in de literatuur als in de praktijk blijkt dat een en ander sterk eenzijdig gericht is op het beschermen van de natuur, terwijl de VHR erop wijzen dat de bij de bescherming van Natura 2000-gebieden ook rekening gehouden moet worden met andere vereisten en belangen. In de VHR staat: “In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden” (artikel 2, lid 3 Habitatrichtlijn en artikel 2 Vogelrichtlijn). Hoewel de regering dus terecht stelt dat artikel 2, lid 3 van de Habitatrichtlijn bepaalt dat bij de maatregelen die op grond van de richtlijn genomen moeten worden, rekening wordt gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met regionale en lokale bijzonderheden, wordt niet inzichtelijk gemaakt hoe dat precies is gebeurd. 58.

In hoeverre is er bij dit wetsvoorstel rekening gehouden met de sociaaleconomische, culturele en regionale en lokale factoren volgens, in overeenstemming met de VHR? Ziet de regering ruimte om in dit wetsvoorstel en de Nederlandse beheerplannen meer rekening te houden met de sociale, economische en regionale vereisten, zoals de VHR zelf wel stelt? Zo nee, waarom niet? Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag de vraag in hoeverre er rekening kan worden gehouden met de sociaal-economische factoren in het wetsvoorstel verwijs ik naar het antwoord op vraag 25. Naast de actualisatie van beheerplannen werk ik de komende tijd met provincies toe naar de oplevering van analyses en inzichten die een integrale afweging in de gebieden

2

mogelijk maakt, waarbij onder meer sociale, economische en regionale vereisten ook worden meegenomen. 59. Op welke onderdelen van de regelgeving is er een sociaaleconomische toets gemaakt of zal nog gemaakt worden? Kunnen de uitkomsten met de Kamer gedeeld worden of gedeeld gaan worden? En als er geen sociaaleconomische toets heeft plaatsgevonden, wat is daar dan de reden van? Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 25. 60. Welke gebiedsbegrenzingen zijn erbij en binnen Natura 2000-gebieden met betrekking tot de instandhoudingsdoelen, behouddoelen en uitbreidingsdoelen? Hoeveel hectare van deze drie categorieën zijn begrensd in Nederland? Welke beleidseffecten voor de genoemde categorieën van doelen en welke beleidseffecten brengen de drie verschillende categorieën met zich mee? In de aangewezen Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen toegekend aan de aanwezige waarden. Deze kunnen gericht zijn op het behoud van de huidige situatie voor deze waarde (behoudsdoelen) of gericht op uitbreiding (van omvang van de oppervlakte van het habitattype of van het leefgebied of van de populatie van de soort) of verbetering (van de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied van een soort).

Deze instandhoudingsdoelstellingen zijn op dit moment in de aanwijzingsbesluiten alleen gekwantificeerd voor omvang van de populatie van vogels (aantallen). De instandhoudingsdoelstellingen worden in omvang, ruimte en tijd uitgewerkt in het beheerplan. Daarin wordt per beheerplanperiode van zes jaar aangegeven hoeveel van welk leefgebied en habitattype waar behouden blijft, verbeterd wordt of uitgebreid wordt. In het kader van de actualisatie van het doelensysteem Natura 2000 wordt aan een strategisch plan gewerkt voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding. Hierbij zal worden gekeken naar de mogelijkheid en wenselijkheid van een verdere kwantificering van de landelijke opgaven en wat dit betekent voor de gebieden. 61. Bij de herijking van de Natura 2000-gebieden zou er sprake kunnen zijn van strategisch alloceren. Bij welke gebieden is dat aan de orde? Wanneer er bij de uitvoering van beheerplannen strijdigheid is met nog belangrijkere maatschappelijke doelen, bijvoorbeeld schoon drinkwater, kan de regering dan in afstemming met de Europese Commissie strategisch alloceren? Het is mogelijk de uitbreidings- en verbeterdoelstellingen strategisch te lokaliseren, namelijk in die gebieden waar die uitbreiding of verbetering het meest efficiënt te realiseren is.

Het gaat dan vooral om de ecologische potenties van het gebied, maar bij deze afweging kunnen ook andere belangrijke maatschappelijke doelen in en rond het gebied een rol spelen. Echter, het behouden van de relevante natuurwaarden in het gebied blijft altijd het minimum. Daarbij is strategisch alloceren niet aan de orde omdat immers voor alle relevant waarden een verslechteringsverbod geldt. In het kader van de actualisatie van het doelensysteem Natura 2000 wordt aan een strategisch plan gewerkt voor het bereiken van de landelijke gunstige staat van instandhouding. Hierin zal worden gekeken of op basis van de huidige kennis en binnen de juridische kaders of er uitbreidings- en verbeterdoelstellingen zijn die beter in een ander gebied gelegd kunnen worden. 62. De VHR kent geen horizonbepaling. Welke ruimte geeft dat in de tijd om de natuurdoelen te halen? Het klopt dat in de richtlijnen geen deadline is gegeven voor wanneer de gunstige staat van instandhouding bereikt moet zijn. Het is aan elk van de lidstaten van de Europese Unie om te bepalen op welke wijze en in welk tempo hieraan uitvoering wordt gegeven. Dat geeft ruimte in de tijd om de doelstellingen te halen. Met het pakket aan natuurmaatregelen en stikstof reducerende maatregelen geeft het kabinet invulling aan de continue verplichting om de landelijke staat van instandhouding te verbeteren totdat deze gunstig is. 63.

Wat gaat er bij de uitvoering van beleid voor: ruimtelijk beleid of het beheerplan? Ruimtelijk beleid en Natura 2000-beleid, zoals neergelegd in plannen, zijn in principe nevenschikkend. Wel is het zo dat de Habitatrichtlijn (via de Wnb) prioriteit heeft ten opzichte van beleid. Oftewel: in

2

zowel ruimtelijk als natuurbeleid zal invulling gegeven moeten worden aan de wettelijke vereisten vanuit de Habitatrichtlijn. 64. De bronmaatregelen worden ingezet op alle Natura 2000-gebieden die stikstofgevoelig zijn (zo’n 250.000 hectare in Nederland) en niet alleen de gebieden of delen die overbelast zijn (zo’n 180.000 hectare in Nederland). Is het niet aannemelijker dat er meer depositie- en natuurwinst te halen valt in die gebieden waar het depositieprobleem ook het grootst is, waaronder de Veluwe? Dus levert een gerichte inzet van de landelijke bronmaatregelen niet meer op aan stikstofreductie en natuurherstel dan een ongerichte aanpak? En hiermee meer ruimte voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen? De bronmaatregelen hebben effect op alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en worden daarnaast gericht ingezet voor de in dit wetsvoorstel voorziene omgevingswaarde die vereist dat voor 50% van het stikstofgevoelig areaal in Natura 2000-gebieden de KDW niet overschreden mag zijn in 2030. De bronmaatregelen leiden tot een forse reductie van stikstofdepositie: in alle gebieden zal de stikstofdepositie dalen. De genomen maatregelen hebben dus ook positieve effecten op gebieden die in 2030 niet onder de KDW gebracht kunnen worden.

Samen met de provincies zal gebiedsgericht worden bepaald op welke wijze de bron-, natuur en aanvullende maatregelen zo effectief mogelijk kunnen worden ingezet. Ook voor de gebieden die in 2030 nog niet onder de KDW zijn gebracht wordt goed in kaart gebracht welke combinatie van natuur(herstel)maatregelen en aanvullende stikstofreductiemaatregelen nodig zijn om verslechtering te voorkomen en te komen tot het dichterbij brengen van realisatie van de instandhoudingsdoelen. Gezien de vereisten van de Habitatrichtlijn, zal het noodzakelijk zijn om door zowel bron- als natuurherstelmaatregelen ook in de toekomst duurzaam behoud te verzekeren en toe te werken naar herstel waar dat overeenkomstig de instandhoudingsdoelstellingen van de gebieden noodzakelijk is. Dat leidt logischerwijs tot een extra inzet voor de gebieden met de grootste overbelasting. Een voorbeeld van een instrument dat hierbij kan helpen, is de recent gepubliceerde regeling voor gerichte opkoop (Staatscourant 2020, 57568). Hoe beter de staat van de natuur is, hoe meer mogelijkheden er in de systematiek is om vergunningen te verlenen. 65.

De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat de gekozen omgevingswaarden vraagt om een generieke reductie van de stikstofemissie van 26%, terwijl het Adviescollege Stikstofproblematiek als doelstelling formuleert om de binnenlandse stikstofemissie in 2030 met 50% te reduceren ten opzichte van 2019. Met de tweede doelstelling zou in 74% van de stikstofgevoelige gebieden geen overschrijding van de KDW meer zijn. Welke extra inspanning is nodig om te voldoen aan de reductiedoelstelling die het Adviescollege Stikstofproblematiek voorschrijft? Wat is de reden dat toch niet gekozen is om dit Advies over te nemen? Betreft het Advies een haalbare doelstelling volgens de regering? Zo nee, waarom niet? Het kabinet stelt vast dat voor een emissiereductiepercentage van 26% in 2030 circa 110 mol/ha/jr uit bronmaatregelen nodig is. Een reductiepercentage van 50% in 2030 vraagt circa 400-450 mol/ha/jr reductie. Op voorhand kan het kabinet niet aangeven welke maatregelen genomen moeten worden. Voor de beantwoording van de vraag over de reden voor het niet overnemen van de geadviseerde doelstelling, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 31. 66.

De leden van de GroenLinks-fractie maken zich ernstig zorgen over het feit dat de regering in het persbericht wéér schrijft dat zij in gesprek zal blijven met de Europese Commissie over ‘proportionaliteit en flexibiliteit’ met betrekking tot de status van structureel zwakke Natura 2000gebieden. Het zou moeten gaan om ‘realistische natuur’. Kan de regering toelichten wat de definitie is van ‘realistische natuur’? Realistische natuur betekent dat er doelen worden nagestreefd die effectief en efficiënt zijn met het oog op het realiseren van een landelijk gunstige staat van instandhouding. Voor het realiseren van deze doelen kunnen beheer- of inrichtingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Waar de omvang van deze ingrepen en de zekerheid over het te bereiken resultaat mogelijk op gespannen voet met elkaar staan,

2

zal het kabinet het gesprek met de Europese Commissie blijven zoeken over de proportionaliteit van de te nemen maatregelen in het licht van Natura 2000. 67. Deze leden vinden het zeer kwalijk dat de regering voor de derde keer een poging wil doen om natuurgebieden op te geven, nadat eerdere pogingen allemaal zijn mislukt. Zij lezen in hetzelfde persbericht dat onderzoeken aangeven dat herstel in kwetsbare natuurgebieden kan, maar dat de regering zich afvraagt wat proportioneel is. Waarom blijft de regering pogingen doen om Natura 2000gebieden af te schrijven als de Europese Commissie verzoeken steeds afwijst, het herstel hiervan mogelijk is en het opgeven van natuur geen oplossing biedt voor het behalen van de natuur- en biodiversiteitsdoelen? Het kabinet ambieert een vitale, robuuste en sterke natuur, waarin het de komende jaren dan ook fors investeert. Realistische doelen zijn het uitgangspunt. In dat kader is onderzocht of er structureel zwakke gebieden zijn. Er zijn in dat onderzoek geen gebieden gevonden die definitief niet meer kunnen bijdragen aan verwezenlijking van de doelstellingen van de Habitatrichtlijn. Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 13 oktober 2020 (Kamerstuk 32 670, nr. 200) zal het kabinet echter wel het gesprek met de Europese Commissie blijven zoeken over proportionaliteit en meer flexibiliteit.

Hiervoor verwijs ik u ook naar het antwoord op vraag 66. 68. De leden van de GroenLinks-fractie lezen in de biodiversiteitsstrategie van de Europese Commissie dat de lidstaten verzocht worden om ervoor te zorgen dat de instandhouding van alle beschermde habitats in 2030 niet verslechterd zijn. Bovendien moeten de lidstaten ervoor zorgen dat ten minste 30% van de soorten en habitats die momenteel niet in een gunstige toestand verkeren, wel in die categorie terechtkomen of een sterke positieve trend vertonen. Worden deze doelen behaald met de voorgenomen aanpak die in het voorliggende wetsvoorstel wordt geschetst? Zo ja, hoe wordt dit bepaald? Het streefdoel voor verbetering van soorten en habitattypen uit de biodiversiteitsstrategie wordt Europees nog verder uitgewerkt. Daarom is nog niet duidelijk wat dit precies voor Nederland betekent. Hier wordt de komende maanden aan gewerkt. Het pakket van natuurmaatregelen en stikstof reducerende maatregelen van de structurele aanpak stikstof heeft als hoofddoel het realiseren van een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – verbeterde staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitattypen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Omdat het overgrote deel van de habitattypen stikstofgevoelig is en een aanzienlijk deel van de soorten een stikstofgevoelig leefgebied heeft, zal het programma een grote bijdrage leveren aan het behalen van dit streefdoel uit de biodiversiteitsstrategie. 69. De leden van de SP-fractie constateren dat de regering stelt dat het artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn een minimumverplichting in de vorm van een behoudsdoelstelling en een instandhoudingsdoelstelling voorschrijft. Deze leden vragen zich af of de regering het met de interpretatie eens is dat het hier feitelijk gaat om een ‘verslechteringsverbod’ als het gaat om de staat van instandhouding. Zij vragen zich in de context af of de regering het ermee eens is dat Nederland feitelijk in veel Natura 2000-gebieden structureel in strijd opereert met artikel 6, lid 2 van de Habitatrichtlijn aangezien er wel degelijk sprake is van voortdurende verslechtering van de staat van instandhouding in deze gebieden. Uit artikel 6, tweede lid, Habitatrichtlijn volgt dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden niet mag verslechteren. Dit betekent dus dat behoud duurzaam geborgd moet worden. Het kabinet geeft dan ook invulling aan deze verplichting. De structurele aanpak draagt bij aan de afname van de stikstofdepositie in alle gebieden.

Er vindt in veel gebieden ook herstel plaats, wat eraan bijdraagt dat de stikstofgevoelige natuur in een gunstige staat van instandhouding wordt gebracht. Het kan zijn dat de mate van depositiereductie, of de snelheid waarmee die wordt bereikt, onvoldoende blijkt te zijn in concrete gebieden. Op voorhand is dat nu niet duidelijk, maar dat zou kunnen blijken uit gebiedsinformatie. Het gaat dan om gevallen waar ondanks genomen herstelmaatregelen tóch verslechtering optreedt. Als een herstelmaatregel in zo’n geval die verslechtering dus niet kon voorkomen, is een aanvullende bronmaatregel nodig om een zodanige vermindering van depositie te bewerkstelligen dat verslechtering wél kan worden voorkomen. Daarmee is deze aanpak niet in strijd met de Habitatrichtlijn.

2

Door middel van monitoring worden zowel de ontwikkelingen op het gebied van stikstofdepositie als natuur gevolgd zodat bijgestuurd kan worden als blijkt dat dit nodig is om in 2030 te voldoen aan de resultaatsverplichtende omgevingswaarde voor stikstofdepositie, om natuurbehoud te kunnen blijven verzekeren en om de instandhoudingsdoelstellingen (op termijn) te realiseren. Mocht blijken dat voor specifieke gebieden, habitats of soorten aanvullende maatregelen nodig zijn, bijvoorbeeld omdat anders de door de leden bedoelde verslechtering op dreigt te treden, dan worden die getroffen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de regering stelt dat, hoewel het bereiken van een gunstige staat van instandhouding een verplichting is, het aan elk van de lidstaten van de Europese Unie is om te bepalen op welke wijze en in welk tempo hieraan uitvoering wordt gegeven. Volgens deze leden is dit een onjuiste voorstelling van zaken. De VHR schrijft voor dat beschermde natuurgebieden in een gunstige staat van instandhouding moeten verkeren, óf in dergelijke staat gebracht moeten worden. Het is dus een verplichting om voor de kwaliteit van natuurgebieden een stijgende trend te creëren, waarmee een gunstige staat van instandhouding binnen bereik gebracht wordt. Echter, bij overschrijding van een KDW gaat de kwaliteit achteruit, omdat stikstof cumuleert.

Wordt de KDW minder ernstig overschreden, dan gaat de natuur weliswaar minder snel achteruit, maar het gaat nog steeds achteruit. Pas wanneer een KDW onderschreden is, is de conditie gecreëerd waarmee een natuurgebied kwalitatief vooruit kan gaan. Het overschrijden van een KDW is daarom niet geoorloofd volgens de VHR, want de natuurkwaliteit gaat ermee achteruit. In feite verplicht de VHR ons om vandaag alle KDW’s te onderschrijden, waarmee de condities voor een gunstige staat van instandhouding gecreëerd worden. Maar omdat in Nederland 89% van de habitattypen en 74% van de soorten uit de Habitatrichtlijn niet in gunstige staat van instandhouding verkeert, is het niet realistisch om vandaag of morgen die condities te creëren. Dat betekent echter niet dat de regering vrij is om zelf een tempo te kiezen: de doelen dienen zo snel mogelijk bereikt te worden. Wat een realistisch tijdspad is, is inderdaad een politieke keuze; deze leden stellen bijvoorbeeld dat al binnen vijf jaar een zeer significante emissiereductie gerealiseerd zou kunnen worden. Maar dat lidstaten vrij zijn om zelf te bepalen in welk tempo zij aan de VHR zullen voldoen, is een verkeerde voorstelling van zaken. Nogmaals: we moeten er vandaag al aan voldoen, maar bij gebrek aan die reële mogelijkheid, moeten we maatregelen nemen om er zo snel mogelijk aan te voldoen. 70.

De leden van de SGP-fractie horen graag wat de stand van zaken is van de uitvoering van de motie van het lid Bisschop met betrekking tot betere prioriteitsstelling in de Natura 2000 doelstellingen (Kamerstuk 32 670 nr. 18). Het gaat hierbij niet in de eerste plaats om het schrappen van gebieden of doelen, maar om een betere prioriteitsstelling in de formulering van de doelstellingen, zodat stikstofdepositie op een landelijk gezien minder relevante habitatsnipper minder zwaar weegt dan depositie op een grote habitat waar er weinig van zijn. Mede ter uitvoering van de motie-Bisschop is onderzoek gedaan naar de implementatie van Natura 2000 in Nederland. De resultaten daarvan zijn openbaar gemaakt op 13 oktober 2020 (bijlagen bij Kamerstuk 32 670, nr. 200). Met name uit het rapport ‘Nalopen van Natura 2000-aanwijzings- en wijzigingsbesluiten op doelen die niet voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn’ blijkt in dit verband het volgende. In een aanwijzingsbesluit moeten instandhoudingsdoelstellingen worden opgenomen voor alle habitats die in een meer dan verwaarloosbare mate voorkomen. Uit de Europese uitleg die aan het begrip ‘verwaarloosbaar’ is gegeven, blijkt dat dat begrip niet slaat op de relevantie ten opzichte van het landelijke totaal. Het gaat primair om de vraag hoe ‘typisch’ een habitat is, oftewel: is de minimaal noodzakelijke kwaliteit aanwezig.

Als vervolgens is vastgesteld dat een habitat kwalificerend aanwezig is (dus voldoet aan de definitie van minimaal noodzakelijke kwaliteit, inclusief minimaal noodzakelijke omvang), dan is de ondergrens van de doelstelling het behoudsniveau. Het is dus in beginsel mogelijk om een verbeterdoelstelling bij te stellen naar een behoudsdoelstelling, om op deze manier prioriteit te geven aan de locaties waar de beste potenties zijn voor de bijdrage aan de landelijke staat van instandhouding. Veel van de huidige aanwijzingsbesluiten gaan uit van behoud in plaats van verbetering/uitbreiding in die gevallen dat het een relatief klein oppervlak betreft. Daar wordt bij het lopende project Actualisering van de Natura 2000 doelensystematiek opnieuw naar gekeken, in samenspraak met de andere overheden. Een eventuele herschikking van ambities op gebiedsniveau zal moeten leiden tot een effectieve en efficiënte wijze van bereiken van de landelijke doelen voor de staat van instandhouding.

2

2.2 Stikstof in relatie tot de slechte staat van de Natura 2000-gebieden 71. De leden van de CDA-fractie lezen dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat “ook andere factoren bijdragen aan de slechte staat van instandhouding van de natuur”. Kan de regering uitsluiten dat storten van granuliet en verondiepen door middel van gebiedsvreemde stoffen geen effect heeft op Natura 2000-gebieden? Projecten of activiteiten vergen een ecologische beoordeling indien ze een significant negatief effect kunnen hebben op Natura 2000-gebieden. Als significante effecten als gevolg van deze projecten of activiteiten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is een passende beoordeling nodig. Specifiek voor granuliet geldt dat uit onderzoeken naar voren komt dat geen risico’s voor mens en milieu te verwachten zijn bij de toepassing ervan. Daar is de Kamer eerder door de Minister van IenW over geïnformeerd, onder andere op 5 maart (30 015 nr.62), 31 maart (nr. 63) en 30 oktober (nr. 83). Het voldoet aan de milieuhygiënische eisen van het Besluit bodemkwaliteit en is gekwalificeerd als grondklasse Achtergrondwaarde. Dat wil zeggen dat het in beginsel geschikt is om toe te passen voor de gebruiksfunctie natuur en bijvoorbeeld voor het verondiepen van oppervlaktewater, waarbij uiteraard de hiervoor genoemde algemene stelregel voor projecten of activiteiten blijft gelden. 72.

De leden van de SP-fractie constateren dat de regering stelt dat het bereiken van een gunstige staat van instandhouding een resultaatverplichting is waarbij een lidstaat zelf kan bepalen welk tempo gevolgd wordt om dat resultaat te bereiken. Deze leden betwisten echter dat deze vrijheid ook geldt waar het gaat om het tegengaan van de verslechtering van de instandhoudingsdoelstellingen. Is de regering het hiermee eens? Ja. Verslechtering moet worden voorkomen, zoals blijkt uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Deze leden zijn van mening dat ook de mogelijke uitzonderingen in artikel 2, lid 3 van de Habitatrichtlijn, waar de regering naar verwijst, niet afdoen aan de plicht verslechteringen tegen te gaan. Zij constateren dat wanneer het gaat om stikstof bijna 80% van de Natura 2000-gebieden aan verslechteringen onderhevig is. Zij menen dat het bij zo’n alom aanwezige oorzaak van verslechteringen weinig geloofwaardig is om een beroep te doen op sociale, economische of culturele uitzonderingsmogelijkheden. 73. Zij hebben ook sterke twijfels of een dergelijk beroep stand zal houden voor de rechter. Zij vragen de regering of waarom zij dat risico niet ziet. Deze leden merken terecht op dat artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (idem artikel 2 van de Vogelrichtlijn) niet afdoet aan de plicht om verslechtering te voorkomen.

Het kabinet beroept zich dan ook alleen op die bepaling waar het gaat om de specifieke keuze van de maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren en voor de bepaling van het tempo waarin herstelopgaven worden gerealiseerd. Op die punten laten beide richtlijnen nadrukkelijk ruimte aan de lidstaten. 74. De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering een 100%-doelbereik van de VHR in 2050 als doel heeft gesteld (Kamerstuk 26 407, nr. 130). In het wetsvoorstel wordt het doelbereik van de VHR losgelaten. Is de constatering van deze leden juist dat in het wetsvoorstel het doelbereik van de VHR wordt losgelaten? Zo ja, waarom? Zo nee, waar blijkt dat uit? In het wetsvoorstel wordt het doelbereik (het op termijn bereiken van een gunstige staat van instandhouding van soorten en habitats) van de Vogel- en Habitatrichtlijn niet losgelaten. Dat zou ook niet kunnen, omdat de Europese richtlijnen leidend zijn. “Daarbij is het ook van belang om voor de vermindering van de stikstofdepositie een duidelijke kwantitatieve doelstelling in de tijd in de wet op te nemen, in de vorm van een resultaatsverplichtende omgevingswaarde. Zo hebben alle bij de aanpak betrokken bestuursorganen een duidelijke doelstelling om in gezamenlijkheid naar toe te werken en zo kan ook meer gekwantificeerd worden

2

uitgewerkt wat de inspanning is die wordt verlangd van de verschillende actoren die stikstofdepositie op Natura 2000 veroorzaken.” 75. Hoe wordt duidelijk in welke mate activiteiten bijdragen aan te hoge stikstofbelasting en welk bestuursorgaan hiervoor het bevoegd gezag is? Met de structurele aanpak dragen alle sectoren bij aan het verlagen van deposities. Voor nieuwe activiteiten met een significant negatief stikstofeffect geldt een vergunningsplicht op grond van de Wnb. Hiervoor zijn Rijk en provincies bevoegd gezag. Het is niet zo dat één specifiek bestuursorgaan het bevoegde gezag is voor de hoge stikstofbelasting, dat is een gedeelde verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid voor het voldoen aan de resultaatsverplichting ten aanzien van de omgevingswaarde ligt bij het Rijk. Om de situatie omtrent stikstof volledig in kaart te brengen wordt breder gekeken dan enkel naar de emissie en depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden. Om goed inzicht te krijgen is een integrale benadering waar ook ecologische en maatschappelijke dimensies in worden meegenomen wenselijk. 76. Wie gaat erop toezien dat alle provinciale ambities optellen tot landelijk voldoende resultaat? Wie kan en zal actie ondernemen op het moment dat onvoldoende resultaat wordt geboekt? Rijk en medeoverheden werken gezamenlijk aan de instandhoudingsdoelen.

Om dit te bereiken strekt dit wetsvoorstel tot het instellen van een resultaatsverplichtende omgevingswaarde. Het bereiken van deze omgevingswaarde middels de structurele aanpak is primair de verantwoordelijkheid van het Rijk. De maatregelen worden op nationaal niveau genomen, en gebiedsgericht uitgewerkt. Rijk en provincies maken momenteel afspraken over de invulling van de provinciale opgave. Dit doen zij gefaseerd waarbij er sprake is van wederzijdse inspanningen die er op korte termijn anders uit zien dan op middellange termijn. Op korte termijn werken provincies mee aan de uitvoering van het structurele pakket van het Rijk gericht op het efficiënt en effectief toepassen van de bronmaatregelen die gebiedsgericht te beïnvloeden of bij de uitvoering te sturen zijn in de gebieden. Hierbij maken het Rijk en provincies de komende tijd nadere afspraken over de wijze waarop provincies het bronmaatregelenpakket van het Rijk kunnen optimaliseren. Onderdeel hiervan is het verkennen van gebiedsspecifieke bronmaatregelen. Provincies doen dit op basis van een inspanningsverplichting en vanuit de notie dat het bereiken van de instandhoudingsdoelen een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. Het Rijk is uiteindelijk verantwoordelijk voor het behalen van de resultaatsverplichtende omgevingswaarde en in Europees verband aanspreekbaar op het behalen van de instandhoudingsdoelen.

In een deel van de gebieden zal, ondanks dat ook in die gebieden de stikstofbelasting zal afnemen, naar verwachting stikstof nog wel een beperkende factor blijven voor de instandhoudingsdoelen en zullen knelpunten vooralsnog blijven bestaan. In die gevallen zullen de provincies zelf waar mogelijk aanvullende maatregelen moeten nemen om ruimte te creëren voor vergunningverlening zoals eerder aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 24 april 2020 (Kamerstuk 35 334, nr. 82). Ook werkt het Rijk, vaak samen met provincies, aan andere manieren om toestemmingsverlening mogelijk te maken die overal toepasbaar kunnen zijn, zoals intern en extern salderen en het stikstofregistratiesysteem. Tegelijkertijd werken provincies en het Rijk aan afspraken voor de middellange termijn. Op basis van integrale afwegingen in de gebieden en een gebiedsgerichte planvorming kan dan per gebied de opgave tot 2030 worden vastgesteld. Rijk en provincies kunnen dan ook op basis hiervan voor deze opgave een integraal actieprogramma opstellen per regio. Dit actieprogramma is een samenstel van landelijke bronmaatregelen waar provincies regionaal op optimaliseren, regionale bronmaatregelen die provincies treffen al dan niet in samenwerking met het Rijk, de natuurmaatregelen en actiepunten vanuit ruimtelijke inrichting in een gebied.

Door op deze wijze per gebied een ideale mix van instrumenten samen te stellen kom je tot een effectieve gebiedsgerichte programmatische aanpak. Het Rijk en provincies zullen vervolgens met elkaar vanuit het programma afspraken met elkaar maken over de ruimte die hieruit voortkomt op basis van de opgave die er ligt voor de instandhoudingsdoelen.

2

Deze aanpak geeft ruimte voor maatwerk passend bij de kenmerken van een gebied en de uitdagingen die daar liggen. Er ontstaat daarmee in de gebieden een afweging tussen de natuur, de kwaliteit van de leefomgeving, de economische bedrijvigheid en de overige maatschappelijke opgaven in het gebied. Daarbij is ook geborgd dat de provinciale opgaves aansluiten op de landelijke opgave. Daarnaast is het voor de gebiedsprocessen noodzakelijk dat er een heldere opgave ligt voor de langere termijn. In het programma dat onder de Wet stikstofreductie en natuurverbetering zal worden vastgesteld, zullen zowel de bronmaatregelen voor stikstofreductie als de natuurmaatregelen voor natuurverbetering richting 2030 worden opgenomen. De afspraken met de provincies zullen onderdeel worden van dit programma. 77. “In 2030 is de depositie van stikstof op ten minste 50% van het areaal van de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden niet groter dan de hoeveelheid in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten.” Hoe wordt voorkomen dat er geen keuzes worden gemaakt die alleen zijn toegespitst op laaghangend fruit in plaats van de het beschermen van de meest kwetsbare habitats? De Vogel- en Habitatrichtlijn verplicht om op termijn een gunstige staat van instandhouding te bereiken.

Dat is een langjarige opgave, mede gelet op de tijd die het kost om de stikstofdepositie te verlagen en de responstijd van de natuur. Met de gekozen reductiedoelstelling en het pakket bronmaatregelen wordt een flinke stap gezet door minimaal 50% van het stikstofgevoelige areaal onder de KDW te brengen in 2030. Ook voor de gebieden die in 2030 nog niet onder de KDW zijn gebracht wordt goed in kaart gebracht welke combinatie van natuur(herstel)maatregelen en aanvullende stikstofreductiemaatregelen nodig zijn om verslechtering te voorkomen en te komen tot het dichterbij brengen van realisatie van de instandhoudingsdoelen. Het pakket van bron- en natuurmaatregelen waartoe het kabinet heeft besloten, heeft een positief effect op alle voor stikstofgevoelige natuurgebieden. Zo zorgen de bronmaatregelen voor een reductie in de stikstofdepositie in alle stikstofgevoelige gebieden. Dat komt onder andere doordat zowel ammoniak als stikstofoxiden behoorlijke afstanden afleggen en bronmaatregelen dus per definitie voor een verlaging van de stikstofdeken en daarmee (substantiële) stikstofvermindering voor alle voor stikstofgevoelige habitats in alle Natura 2000-gebieden leiden. Samen met de provincies zal gebiedsgericht worden bepaald op welke wijze de bron-, natuur en aanvullende maatregelen zo effectief mogelijk kunnen worden ingezet.

Daarnaast wordt als onderdeel van de structurele aanpak voor elk gebied vastgesteld welke maatregelen nodig zijn om de natuur effectief te laten herstellen. Er zal gemonitord worden of de bron- en natuurmaatregelen genoeg zijn om de natuurkwaliteit te behouden, dan wel te verbeteren, of dat er een aanvullende inspanning nodig is. 78. “De voorgestelde omgevingswaarde richt zich op de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden en houdt zo rekening met het ruimtelijke aspect van stikstofreductie.” Hoe kan geborgd worden dat er daadwerkelijk wordt gestuurd op reductie omdat vooralsnog het uitkoopbeleid gebaseerd is op vrijwilligheid en de daadwerkelijke winst van vrijwillige regelingen niet helder is? Deze vraag refereert aan twee verschillende elementen: enerzijds de borging van het doelbereik van bronmaatregelen voor de omgevingswaarde, anderzijds de doeltreffendheid van bronmaatregelen in het huidige pakket. Het gemiddeld verwachte generiek effect van de bronmaatregelen is op voorhand doorgerekend en is doeltreffend voor het bereiken van de omgevingswaarde. Het kabinet realiseert zich dat de effectiviteit van de bronmaatregelen afhangt van externe factoren en van de manier waarop de maatregelen worden uitgewerkt en geïmplementeerd.

Om de risico’s van deze externe factoren te minimaliseren, wordt bij de maatregelen een aantal kaders vastgesteld. Zo wordt bij de regeling gerichte opkoop door provincies gestuurd door gericht piekbelasters rondom Natura 2000gebieden, als gedefinieerd in de regeling, te benaderen voor vrijwillige deelname aan de uitkoopregeling. Door monitoring van de effecten, de uitvoeringsplicht en de mogelijkheid van vervanging van maatregelen is geborgd dat de beoogde stikstofreductie wordt gerealiseerd.

2

79. “Zoals aangekondigd in de brief van 24 april 2020 houdt de omgevingswaarde in dat in 2030 ten minste de helft van de hectares met voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositie-waarden is gebracht. (…) Doordat behoud blijvend verzekerd is, verbetering plaatsvindt en de maatregelen tot depositiereductie leiden in alle Natura 2000-gebieden – ook op areaal buiten de gestelde doelstelling – worden belangrijke stappen gezet naar de realisatie op termijn van dit einddoel.” Hoe is behoud blijvend verzekerd van de hectares die niet onder de KDW worden gebracht? Hoe wordt de keuze gemaakt welke hectares onder de KDW worden gebracht? Welke criteria worden hierbij gebruikt? Wordt hier ook gekeken of alle stikstofgevoelige habitats vertegenwoordigd zijn in de 50% van het areaal dat onder de KDW komt? Zo nee, waarom niet? Voor de beantwoording van de vraag over welke gebieden onder de KDW gebracht worden, verwijs ik naar het antwoord op vraag 77. Het PBL heeft een doorrekening gemaakt van de effecten van de bronmaatregelen van de structurele aanpak (Analyse stikstofbronmaatregelen, PBL, 24 april 2020) Deze analyse geeft een ruimtelijk en globaal beeld van het gemiddelde effect van de bronmaatregelen bij elkaar opgeteld en laat dus globaal zien waar in 2030 een onderschrijding van de KDW verwacht kan worden.

De exacte hectares met stikstofgevoelige natuur die onder de KDW komen, wordt de komende tijd met de uitwerking van de bronmaatregelen per Natura 2000-gebied en het optreden van de effecten als gevolg van de maatregelen met meer precisie duidelijk. De provincies zijn verantwoordelijk voor het maken van deze analyses. Ook het programma gaat hier een kader bieden: dat verplicht tot onder meer ook het beschrijven van onder meer deze effecten. Doelstelling van het stikstofbeleid is het realiseren van een reductie van de stikstofneerslag op zoveel mogelijk hectares van daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden tot onder de KDW. De KDW van een hectare – waar in het dagelijkse taalgebruik naar wordt gerefereerd – kent in technische zin de volgende uitleg. Elk habitattype en leefgebied van soorten heeft een eigen KDW. De facto hebben hectares waar meerdere habitattypen of leefgebieden voorkomen, dus meerdere KDW’s. De relevante KDW voor een hectare, is de KDW van het meest gevoelige habitattype of leefgebied. Die duidt de grens aan waar de stikstofdepositie onder moet blijven om het risico weg te nemen dat de kwaliteit van de habitat significant wordt aangetast door de invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op deze manier wordt gestreefd naar het voorkomen van overbelasting van alle habitattypen en leefgebieden die op een hectare voorkomen.

Zodoende is een methode om het aantal en welke habitattypen te meten dat zich per hectare boven of onder de betreffende KDW van een specifieke habitattype bevindt, niet relevant voor de stikstofdoelstelling. Voor de beantwoording van het onderdeel van de vraag over de keuzes over hectares verwijs ik ook naar het antwoord op vraag 77. 80. “Het realiseren van de omgevingswaarde vraagt om een groot aantal bronmaatregelen, waarvoor de regering voor de periode tot aan 2030 ruim 2 miljard euro beschikbaar stelt.” Klopt het dat hier ook aanpassingen van reeds verleende vergunningen onderdeel van kunnen uitmaken, wanneer zij bijvoorbeeld een piekbelaster blijken te zijn? Zo nee, waarom niet? Het aanpassen van reeds verleende vergunningen maakt geen onderdeel uit van het huidige landelijke bronmaatregelenpakket. Voor de aanpak van piekbelasters hebben de provincies inmiddels – los van de 2 miljard euro – een specifieke uitkering ontvangen ten behoeve van uitkoop. 81. “Bij het vaststellen van de doelstelling is echter door de regering rekening gehouden met de maximale inspanning die verwacht mag en kan worden van de verschillende sectoren.

Hiermee voldoet de omgevingswaarde aan artikel 2, lid 3, van de Habitatrichtlijn, op grond waarvan bij het treffen van instandhoudingsmaatregelen rekening moet worden gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.” Kan er in gebieden sprake zijn van cumulatieve effecten van stikstof ondanks de omgevingswaarde voor stikstofreductie? Hoe hangt dit samen met het verslechteringsverbod? De omgevingswaarde is een doelstelling gericht op reductie van stikstofemissie en –depositie, die van toepassing wordt náást het minimale beschermingsniveau waartoe de Habitatrichtlijn verplicht, namelijk het behoud van natuurwaarden. Dit minimale beschermingsniveau brengt met zich dat positieve maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat natuurwaarden behouden

2

blijven (art. 6 lid 1) en preventieve maatregelen worden getroffen als een achteruitgang van de natuurwaarden dreigt (art. 6 lid 2). Vanwege het verslechteringsverbod is het nodig dat in samenhang wordt gewerkt aan reductie van de overbelasting (door middel van bronmaatregelen) en de versterking van de natuur (door middel van herstelmaatregelen). Dit kunnen ook bronmaatregelen betreffen die aanvullend zijn op het in april aangekondigde maatregelenpakket, dat nodig is voor het bereiken van de omgevingswaarde. Bij het vaststellen van de maatregelen zal ook rekening moeten worden gehouden met de stapeling (accumulatie) van stikstof als gevolg van een langdurige overbelasting. In de KDW komen verschillen in stapeling niet tot uiting, omdat dit locatieafhankelijk is. Bij de ecologische beoordeling moet daarom ook goed gekeken worden naar de actuele natuurkwaliteit, waaraan zichtbaar is in hoeverre er sprake is van stapelingseffecten. De cijfermatige doelstelling heeft hier dus geen betrekking op, maar de verplichting vanuit de Habitatrichtlijn uiteraard wel. 82.

“Om flexibiliteit te houden wordt de uitvoeringsplicht gecombineerd met een vervangingsmogelijkheid voor de maatregelen, mits het beoogde resultaat niet in gevaar komt” Hoe moet een bevoegd gezag dit aantonen of motiveren? Is gebruikmaking van de vervangingsmogelijkheid een appellabel besluit? Zo nee, waarom niet? Wat wordt hier bedoeld met ‘het beoogde resultaat’ en hoe wordt bepaald of het, gegeven de grote onzekerheden over de effectiviteit van maatregelen, niet in gevaar komt? De toepassing van de door deze leden bedoelde bepaling (het voorgestelde artikel 1.12e van de Wnb en artikel 3.19 van de Omgevingswet, hierna ook: de vervangingsmogelijkheid) is voorbehouden aan het daarvoor in het programma aangewezen bestuursorgaan. Dat kan de Minister van LNV zijn of een ander bestuursorgaan. Een bestuursorgaan dat verplicht is om een in het programma opgenomen maatregel uit te voeren, kan het aangewezen bestuursorgaan verzoeken om het programma te wijzigen. De toepassing van de vervangingsmogelijkheid vereist een wijziging van het programma, inclusief voorafgaande inspraakprocedure.4 Bij het verzoek moet aannemelijk worden gemaakt dat is voldaan aan het vereiste dat het beoogde resultaat niet in gevaar komt, of in de woorden van de wettelijke bepaling: dat de gevraagde wijzigingen “per saldo passen binnen, of in ieder geval niet in strijd zijn met, het programma”.

Het is vervolgens aan het aangewezen bestuursorgaan om te bepalen of de gevraagde wijzigingen voldoen aan dat vereiste. De schriftelijke inhoudelijke reactie op het verzoek om een maatregel te vervangen is onder de Wnb een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaat voor het betrokken bestuursorgaan. Onder de Omgevingswet ligt dit anders. Programma’s, inclusief programma’s met een programmatische aanpak, zijn beleidsdocumenten die beleidsvoornemens en maatregelen bevatten. Daartegen staat onder de Omgevingswet geen bestuursrechtelijke rechtsbescherming open, behalve voor zover ze een rechtstreekse titel geven voor het verrichten van activiteiten (zogenoemde toestemmingsvervangende onderdelen). Dit sluit aan bij de rechtsbeschermingsvoorzieningen onder de bestaande omgevingsrechtelijke wetgeving. Latere wijzigingen van een programma, zoals wijzigingen die verband houden met het vervangen van in het programma opgenomen maatregelen (artikel 3.19 van de Omgevingswet), zijn daarom evenmin appellabel. De bestuurlijke instemming met maatregelen in een programma is onder de Omgevingswet overigens vormvrij.5 83. “Het programma – een beleidsdocument – heeft geen rechtstreekse doorwerking in die zin dat daardoor rechtstreeks ruimtelijke plannen of andere besluiten of regels zouden worden aangepast.

Het wetsvoorstel wijzigt niets ten aanzien van de bestaande verantwoordelijkheden en bevoegdheden.” Kunnen bestuursorganen onder de bestaande bevoegdheden reeds verleende vergunningen indien nodig aanpassen om de stikstofemissie te verlagen? Zo ja, hoe? Inspraak is niet vereist in geval van een wijziging van ondergeschikte aard (zie het voorgestelde artikel 1.12c van de Wnb), dan wel een wijziging van ondergeschikte aard die niet leidt tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu of een wijziging die alleen ziet op het herstel van een kennelijke verschrijving (zie respectievelijk de artikelen 16.27, tweede lid, en 16.24, tweede lid, van de Omgevingswet). 5 Memorie van toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, p. 460. 4

2

Artikel 5.4 van de Wnb biedt een grondslag om een krachtens de Wet natuurbescherming of voorheen krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 verleende Natura 2000-vergunning in te trekken of te wijzigen. Dat kan onder meer als de omstandigheden sinds het tijdstip waarop de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd, dat deze niet zonder beperkingen of voorwaarden, of onder andere beperkingen en voorwaarden zou zijn verleend, indien deze omstandigheden op het tijdstip waarop de vergunning is verleend zouden hebben bestaan. Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt het tweede lid van dat artikel bovendien dat een dergelijke vergunning in elk geval wordt ingetrokken of gewijzigd, indien dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Dat kan aan de orde zijn als bij ongewijzigde continuering van de betrokken activiteit in een bepaald gebied behoud van de natuurlijke typen habitats en habitats van soorten (kwaliteit, oppervlakte) niet kan worden verzekerd en er geen alternatieven zijn in de zin van andere reële maatregelen waardoor behoud ook zonder intrekking of wijziging van de vergunning kan worden verzekerd. De betrokken vergunninghouder kan, als hij in vergelijking met andere vergunninghouders onevenredig wordt getroffen, een beroep doen op nadeelcompensatie (artikel 6.3 van de Wnb).

De eventuele intrekking of wijziging geschiedt door het bevoegde gezag voor de Natura 2000-vergunning, meestal gedeputeerde staten, soms de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Artikel 5.4 is niet van toepassing op activiteiten die reeds een vergunning hadden – bijvoorbeeld een milieuvergunning – voordat destijds de specifieke Natura 2000-vergunningplicht van de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing werd (artikel 9.4, achtste lid, van de Wnb). Voor die categorieën van bedrijven kan het bevoegd gezag evenwel gebruik maken van de zogenoemde aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb, dat de mogelijkheid biedt individueel (beschikking) of generiek (verordening, regeling) beperkingen aan activiteiten op te leggen als dat noodzakelijk is in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Ook daarbij spelen de alternatievenafweging en de eventuele nadeelcompensatie. 84. Hoe denkt de regering dat een programma zonder rechtstreekse doorwerking de juiste volgende stap is, gezien de voortdurende overbelasting van stikstof en bedroevende staat van instandhouding nu? Het programma beschrijft de te nemen maatregelen. Dat kunnen feitelijke maatregelen zijn, civielrechtelijke overeenkomsten met bijvoorbeeld beheerders of gebruikers van een gebied of convenanten met maatschappelijke organisaties of met andere bestuursorganen.

Ook kan het programma maatregelen bevatten die leiden tot een publiekrechtelijk besluit: algemeen (in de vorm van wet- en regelgeving of beleidsregels ten aanzien van de inzet van bevoegdheden) ofwel individueel (bijvoorbeeld in de vorm van het intrekken van vergunningen of het verlenen van subsidies). Voor alle maatregelen is nog een nadere uitwerking nodig voordat zij daadwerkelijk uitgevoerd kunnen worden, zoals inpassing in ruimtelijke plannen of wijziging van bestaande regelgeving. Bij gebiedsgerichte maatregelen wordt per maatregel, bestuursorgaan en regio bekeken welk instrument het meest passend is voor de uitvoering. Daarom is het programma alleen rechtstreeks bindend voor de bestuursorganen waarvoor de uitvoeringsplicht geldt. Rijk en provincies zullen gezamenlijk uitvoering geven aan de maatregelen. 85.

“De regering kiest ervoor om het ambitieniveau en de invulling van het programma om de zes jaar te actualiseren, op basis van de voortgang bij het bereiken van de omgevingswaarde en de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden, ook bezien in het licht van de landelijke staat van instandhouding van de desbetreffende natuurwaarden.” Hoe verhoudt de zesjaarlijkse actualisatie zich met de zorgwekkende staat van instandhouding alsmede het feit dat er pas na tien jaar PAS-beleid een streep door de aanpak werd gehaald omdat de natuur toestand niet beter werd? Vraagt de huidige staat van instandhouding niet om snelle maatregelen nu, die daadwerkelijk de depositie op de Natura 2000-gebieden structureel verminderen? Zo ja, waarom wordt dan zes jaar gewacht met actualisatie? Waarom wordt er geen gebruik gemaakt van de jaarlijkse voortgangsrapportage over de staat van instandhouding? Waarom wordt deze jaarlijkse landelijke rapportage niet jaarlijks per gebied beschikbaar gesteld?

2

Met de structurele aanpak stikstof voert het kabinet een divers pakket aan bronmaatregelen uit om snel te komen tot structurele stikstofreductie waarvan de resultaten met een monitorings- en bijsturingssystematiek worden bijgehouden. De zesjaarlijkse monitoring van de voortgang in het realiseren van de gebiedspecifieke instandhoudingsdoelstellingen en daaropvolgende actualisatie van het programma sluit aan bij de Europese verplichting om zesjaarlijkse voortgangsrapportages over de landelijke staat van instandhouding van soorten en habitats op te stellen. Dit ritme sluit tevens aan bij het tempo waarin resultaten in de natuurkwaliteit ook daadwerkelijk vast te stellen zijn. Daarnaast wordt er tweejaarlijks gemonitord wat de voortgang en de gevolgen zijn van de maatregelen zelf. Daarbij wordt er zowel naar de uitvoering van de maatregelen als reductie in stikstofdepositie en waarneembare veranderingen in de natuurkwaliteit gekeken (bijvoorbeeld middels veldbezoeken) om indien nodig de maatregelen aan te kunnen passen. Kortom, actualisatie van maatregelen indien dat nodig is om behoud te garanderen en herstel te realiseren vindt plaats om de twee jaar, niet alleen om de zes jaar. 86.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de veronderstelling juist is dat de gegevens in de Standaard Data Formulieren (SDF) laten zien dat bij de zes meest stikstofgevoelige habitattypen (KDW van 400 tot 600 mol/ha/jaar) ruim 50% van de habitattype-gebied combinaties in een goede staat van instandhouding verkeert. Hoe verhoudt de weergave in de SDF zich tot de weergave van de staat van instandhouding in nationale rapportages, zoals geschetst in de memorie van toelichting? Het SDF geeft het belang van het gebied aan voor de waarden waarvoor het gebied is aangewezen, daar kan de landelijke staat van instandhouding niet zomaar uit afgeleid worden. Hoe ‘beter’ de score van een waarde in een gebied des te belangrijker is het gebied voor het behalen van de landelijke gunstige staat van instandhouding van die waarde. De Natura 2000-gebieden hebben voor de zes meest stikstofgevoelige habitattypen dus een grote rol in het bereiken van de doelstellingen van de Habitatrichtlijn. De landelijke staat van instandhouding van habitattypen wordt bepaald aan de hand van het landelijke verspreidingsgebied, het landelijke oppervlak en de kwaliteit van het habitattype en het toekomstperspectief van die drie onderdelen. De staat van instandhouding is een beoordeling over het gehele landelijke voorkomen, binnen en buiten de Natura 2000-gebieden. 87.

De leden van de SGP-fractie horen graag of de veronderstelling juist is dat bij de vaststelling van de landelijke dan wel de lokale staat van instandhouding in veel gevallen in verband met het ‘one out, all out’-principe ook een ongunstige staat van instandhouding wordt vastgesteld als op een groot deel van het oppervlak de stikstofdepositie hoger is dan de (KDW), terwijl oppervlak en vegetatie positieve ontwikkelingen laten zien. De staat van instandhouding betreft het gehele natuurlijk verspreidingsgebied van de soort of het habitattype en dient op dat niveau bepaald te worden. Omdat het voor lidstaten ondoenlijk is om de situatie in de rest van Europa te bepalen wordt de staat van instandhouding over het algemeen op lidstaatniveau bepaald. Deze landelijke staat van instandhouding wordt inderdaad bepaald aan de hand van een ‘one out, all out’-principe. Dit betekent dat als slechts één onderdeel zeer ongunstig zou zijn, dat de conclusie voor de gehele staat van instandhouding zeer ongunstig is. Verspreidingsgebied en oppervlakte worden gunstig als ze landelijk boven een grenswaarde komen, de zogenaamde gunstige referentiewaarde, en er geen negatieve trend is.

Als landelijk meer dan een kwart van de oppervlakte van het habitattype (binnen en buiten de Natura 2000-gebieden opgeteld) niet in goede conditie verkeert, dan wordt de staat van instandhouding voor kwaliteit beoordeeld als ‘zeer ongunstig’. Landelijk moet dus een groot deel van het habitattype in goede conditie verkeren vóór de staat van instandhouding als ‘gunstig’ beoordeeld kan worden. Daardoor verandert de beoordeling van de staat van instandhouding pas als positieve ontwikkelingen niet alleen kleinschalig en lokaal zijn, maar op grote schaal hebben plaats gevonden. Omdat de staat van instandhouding daardoor niet snel verbetert, is er een trend aan toegevoegd, waarmee je wel kunt zien dat er verbetering aan het optreden is. Overigens wordt de staat van instandhouding van de kwaliteit niet gebaseerd op overschrijding van de KDW, maar op hoe het habitattype ervoor staat, dus hoe de stikstofdepositie uitpakt in de bodem en op de vegetatie, ook op basis van bijvoorbeeld hydrologische condities, de invloed van invasieve exoten en hoe het ervoor staat met de typische soorten van het habitattype. Op lokaal niveau wordt de staat van de natuur niet bepaald aan de hand van de criteria voor de landelijke staat van instandhouding, wel is het mogelijk om in een gebied te beoordelen of de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied worden behaald.

2

88. De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat goede monitoring van de ontwikkeling van habitats in de Natura-2000 gebieden cruciaal is, ook ten behoeve van de vergunningverlening. Alleen zo kan vastgesteld worden hoe habitats zich – ondanks een hoge stikstofbelasting – ontwikkelen. Een beoordeling van de staat van instandhouding eens in de zes jaar is niet voldoende. Wordt gezorgd voor frequente monitoring van de habitatontwikkeling, inclusief rapportage daarvan? Zo ja, hoe? Het kabinet acht de uitwerking van een passende monitoring en bijsturingssystematiek een essentieel onderdeel van de structurele aanpak en neemt deze systematiek daarom op in het wetsvoorstel. Hiermee wordt toetsing op voortgang van realisatie van de omgevingswaarde geborgd. Ook wordt hiermee geborgd dat het programma met bron- en natuurmaatregelen voorziet in het realiseren van een reductie van stikstofemissie en uiteindelijk verbetering van natuur in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats. De monitor bestaat uit een aantal onderdelen en onderscheidt effectmonitoring en voortgangsmonitoring. De monitoringssystematiek bestaat uit de volgende aspecten: 1. Een jaarlijkse rapportage van de omvang van de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om de trend in stikstofdepositie waar te kunnen nemen. 2.

Een tweejaarlijkse tussentijdse rapportage over de voortgang, uitvoering, gevolgen en doelbereik van bronmaatregelen ten aanzien van de reductieopgave en omgevingswaarde en rapportage van de voortgang en gevolgen van natuurmaatregelen. Deze rapportage is de basis waarop het kabinet kan besluiten om bij te sturen wanneer blijkt dat de maatregelen die gericht zijn op het bereiken van de streefwaarde tot onvoldoende stikstofdepositievermindering of verbetering van de Staat Van Instandhouding leiden of om een disproportionele inzet vragen, dan wel als de feitelijke effecten van het maatregelenpakket anders uitpakken dan voorzien. 3. Ieder zesde jaar een rapportage over de omvang en de kwaliteit van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen in relatie tot de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden en de landelijke staat van instandhouding. De zesjaarlijkse frequentie van de beoordeling van de staat van instandhouding sluit aan bij de zesjaarlijkse monitoringscyclus van de reeds bestaande monitoring van de beheerplannen (instandhoudingsdoelen van gebieden) en de Europeesrechtelijke rapportageplicht vanuit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (staat van instandhouding).

Een hogere frequentie van het beoordelen van de staat van instandhouding achter het kabinet weinig zinvol omdat het tijd kost voordat effecten van maatregelen in relatie tot de staat van instandhouding zichtbaar zijn. Wel worden, zoals aangegeven, de gevolgen van natuurmaatregelen met een hogere frequentie in beeld gebracht. Diverse kennisinstellingen (RIVM, PBL, WUR, TNO en KNMI) en overheden zijn betrokken bij de ontwikkeling van de monitor. In dit proces zijn bestaande monitoringsinstrumenten tegen het licht gehouden en wordt bepaald waar extra inzet of nieuwe instrumenten nodig zijn om de benodigde informatie te verkrijgen. Dit resulteert in een opdrachtformulering waaraan kennisinstellingen, vanuit hun onderscheiden rollen en verantwoordelijkheden (zoals dataverzameling, modelberekeningen of informatiebeheer) zullen bijdragen. 89. De leden van de SGP-fractie horen graag hoe de stikstofdepositie zich de afgelopen twintig jaar ontwikkeld heeft in de in figuur 4 genoemde Natura-2000 gebieden. Er zijn geen trendgegevens of -kaarten beschikbaar van de ontwikkeling van de stikstofdepositie per Natura 2000-gebied. De ontwikkeling van de stikstofdepositie in Nederland is wel door het RIVM berekend, zie hieronder en op https://www.rivm.nl/stikstof. Daarnaast kan er nog gekeken worden naar de stikstofemissies in de omgeving van een Natura 2000-gebied.

De ontwikkeling van de emissies van stikstofoxiden en ammoniak in (gemeenten en provincies van) Nederland is terug te vinden op Emissieregistratie.nl.

2

2.3 Stikstof in relatie tot de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en andere milieurichtlijnen 90. De leden van de SP-fractie constateren dat de regering terecht stelt dat de staat van instandhouding van Nederlandse natuur in vergelijking met andere Europese lidstaten overwegend slechter is en dat stikstof hier een belangrijke bron van is. Deze leden vragen de regering te reflecteren wat de grondoorzaken zijn dat Nederland zo afwijkt in dit beeld. Zij wijzen erop dat het niet het aantal of de omvang van Nederlandse Natura 2000-gebieden kan zijn, aangezien ook deze in vergelijking met andere landen zeer beperkt is. Is de regering het eens met de conclusie dat het vooral de omvang en intensiviteit van de veehouderij is waardoor Nederland afwijkt? De gehele Atlantische regio waar Nederland toe behoort scoort minder goed dan de andere biogeografische regio’s van Europa. Zoals uit de recente ‘Staat van instandhouding EU-soorten en habitattypen (2020)’ blijkt, wijkt binnen deze regio de staat van instandhouding in Nederland niet wezenlijk af van wat er in de andere lidstaten binnen deze regio geconstateerd wordt. In de Atlantische regio bevinden zich (gebieden binnen) lidstaten die dichtbevolkt zijn, met veel bebouwing, industrie en recreatie, en die inderdaad een intensieve vorm van landbouw hebben in vergelijking met veel zuidelijke of noordelijke lidstaten.

2.4 De bronnen van de stikstofbelasting 91. De leden van de PVV-fractie vragen of de stikstofmodelberekeningen met betrekking tot droge depositie met experimenteel onderzoek gevalideerd zijn. Zo ja, kunnen de uitkomsten van dit experimenteel onderzoek met de Kamer worden gedeeld? Zo nee, waarom is dit niet gedaan en moet er beleid worden gemaakt op basis van modeluitkomsten die niet experimenteel zijn gevalideerd? Recentelijk is door het RIVM een vergelijking gemaakt tussen de stikstofmodelberekeningen en de metingen van de droge depositie. Deze resultaten zijn nog niet gerapporteerd. Dit zal in de loop van 2021 gebeuren en daar zal ik uw Kamer ook over informeren.

2

92. De leden van de CDA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat ongeveer een derde van de depositie in Nederland afkomstig is uit buitenlandse bronnen. Kan de regering aangeven in hoeverre hier in de doelstelling rekening mee wordt gehouden? Wat zijn de verwachtingen van de regering voor het effect op de Nederlandse situatie als de uitstoot van buitenlandse bronnen toeneemt? Moet in Nederland dan meer gereduceerd worden? In de formulering van de omgevingswaarde en het vormgeven van de structurele aanpak is rekening gehouden met depositie die afkomstig is van buitenlandse emissiebronnen. Bij doorrekening van de situatie in 2030 is rekening gehouden met een daling van de depositie die afkomstig is van buitenlandse bronnen als gevolg van de ook voor andere Europese landen geldende verplichtingen van de NEC-richtlijn. Mocht de depositie vanuit het buitenland toenemen, dan zal bijsturing nodig zijn om de omgevingswaarde voor 2030 en een gunstige of – waar dat nog niet mogelijk is – een verbeterde landelijke staat van instandhouding van stikstofgevoelige soorten en habitattypen te realiseren. Ik informeer u over de contacten die ik in het buitenland onderhoud in de beantwoording op vraag 8. 93.

Hoe is de voorziene afname van de stikstofdepositie procentueel verdeeld over de verschillende sectoren (landbouw, mobiliteit en verkeer, industrie en energie, handel en bouw) en hoe verhouden deze percentages zich tot het aandeel van deze sectoren in de totale stikstofdepositie? De verwachte afname van binnenlandse depositie als gevolg van eerder vastgesteld beleid (voor de peildatum van 1 mei 2019) is als volgt per sector berekend: 10% voor de landbouw (naar circa 654 mol/ha/jr in 2030), 25% voor mobiliteit en verkeer (naar 127 mol/ha/jr in 2030), 19% voor industrie en energie (naar 22 mol/ha/jr in 2030) en 31% voor handel en bouw (naar 5 mol/ha/jr in 2030). De afname bij consumenten is gering (gebaseerd op KEV20196). Voor een nadere toelichting op de raming van de autonome ontwikkeling verwijs ik u naar de Analyse Stikstofbronmaatregelen van het PBL, online hier beschikbaar: https://www.pbl.nl/sites/default/files/downloads/pbl_analyse_stikstofbronmaatregelen_24_april_2020 .pdf (paragraaf 4.1). De totale binnenlandse depositie is gemiddeld ongeveer 1000 mol/ha/jr in 2018.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meppel&id=ec74c291-dd38-45e0-a6c8-2788e8c96126