CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Villenbraken 18 - Ruimtelijke onderbouwing + Bijlagen

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'25.972 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

 Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.  Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem.  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater.  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie.

Hoofdstuk 4

27

  

Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor. De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt. De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken.

4.4.2 Onderzoek Grondwater Het initiatief heeft geen effecten op het grondwater. Oppervlaktewater Aan de westelijke en noordelijke randen van het besluitgebied is een A-watergang aanwezig welke uitkomt in de Dommel. De Dommel stroomt aan de oostzijde langs het perceel. Voor deze watergangen geldt dat er minimaal vijf meter afstand gehouden dient te worden met het zetten van beplanting, hekwerk, bebouwing etc. om hinder bij onderhoud en beschadiging door onderhoudsmachines te voorkomen. Met de realisatie van het plan blijven de watergangen intact en zal er ten alle tijden rekening worden gehouden met de vijf meter afstand tot de A-watergangen met betrekking tot het planten van beplanting, aanleggen van hekwerk en realiseren van bebouwing. Er zijn geen nieuwe duikers e.d. benodigd. Verder worden de aanwezige poelen in en/of in de nabijheid van het plangebied behouden. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op het oppervlaktewater. Bij het inrichtingsplan is rekening gehouden met de huishoudkundige situatie. Afval- en hemelwater In de huidige situatie is er sprake van een rioolaansluiting op het gemeentelijke drukriool voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater. Het drukrioolsysteem is niet geschikt voor bedrijfsafvalwater en/of regenwater. Toiletten, afvoer van de wastafel, etc.

vanuit de bedrijfsbebouwing mag wel worden afgevoerd omdat dit gezien wordt als huishoudelijk afvalwater. De huidige aansluiting is gedimensioneerd op de afvoer van een huishouden. Het overige hemelwater zal via de onverharde ondergrond afgevoerd worden en kan het direct vrij in de bodem infiltreren. Hiermee wordt de natuurlijke opvang van het hemelwater gehandhaafd. Met het initiatief zal het aantal vierkante meters aan verhard oppervlak (bebouwing en erfverharding) afnemen met circa 3.590 m². Compensatie voor eventuele waterberging is derhalve niet aan de orde. Wel is initiatiefnemer voornemens om het hemelwater wat op de bebouwing valt, op te vangen in een regenton en te gebruiken voor het vee danwel het besproeien van de fruitbomen zodat het hemelwater wordt hergebruikt en op deze manier kan infiltreren in de bodem. Waterkering Het besluitgebied ligt buiten de beschermingszones van waterkeringen. 4.4.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief

Hoofdstuk 4

28

4.5 Bodem 4.5.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.5.2 Onderzoek Onderhavige ontwikkeling betreft de herbestemming van de agrarische gronden naar een woonbestemming met daarbij de mogelijkheid voor statische opslag en een ontwerpatelier. De bedrijfsmatige gronden betreffen geen milieugevoelige functies. In het kader van de omgevingsvergunning dient ten finale beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit passend is bij de beoogde functie. Mochten er verontreinigingen worden aangetroffen zullen deze, indien noodzakelijk, gesaneerd worden. Initiatiefnemer heeft hiervoor middelen beschikbaar, waarmee de financiële haalbaarheid van de herbestemming niet in het geding is.

Uit het onderzoeksrapport van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat in de zwak tot matig baksteen-, puin- en asfalthoudende bovengrond (BG1) zijn gehaltes aan koper, zink, lood, PAK, PCB en minerale olie gemeten boven de achtergrondwaarden. Het gehalte aan zink is aangetoond boven de tussengrenswaarde (190 mg/kgds) en vormt daarmee aanleiding voor aanvullend onderzoek van de separate deelmonsters uit het mengmonster BG1. In de matig slib-, puin- en baksteenhoudende ondergrond ter plaatse van de gedempte rivierarm (OG3) is een gehalte aan cadmium gemeten boven de achtergrondwaarden. Het gehalte aan cadmium vormt echter geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. In de overige analysemonsters zijn verder geen gehaltes aangetroffen boven de achtergrondwaarden. Eveneens is er niet-hechtgebonden asbest aangetroffen in de grondmengmonsters mm1, mm2 en mm3 van de verwachte druppelzones. Het aangetroffen gewogen gehalte aan asbest overschrijdt de interventiewaarden en vormt aanleiding tot saldering. Ten aanzien van mengmonster BG1 is nader onderzoek verricht waarbij er zes deelmonsters zijn genomen van BG1. Deze deelmonsters zijn separaat geanalyseerd. Uit deze deelmonsters blijkt dat deelmonster (meetpunt) 03 een gehalte aan zink bevat, namelijk 1.300 mg/kg droge stof).

Het aangetroffen gehalte zink zal nader worden onderzocht om de omvang en ernst van de bodemverontreiniging vast te stellen. 4.5.3 Conclusie Het nader bodemonderzoek wordt uitgevoerd op basis van de richtlijn zoals deze zijn opgesteld in de Nederlandse technische afspraak (NTA) 5755 (juli 2010). Het onderzoek zal zich richten op meetpunt 03. Dit meetpunt bevindt zich tussen de stallen ter plaatse van de asfaltverharding en de voormalige

Hoofdstuk 4

29

weg. De werkzaamheden ten aanzien van het nader onderzoek staan gepland voor 25 januari 2021, waarna de rapportage uiterlijk 9 februari 2021 zal worden aangeleverd. De resultaten van het onderzoek zullen op 9 februari verwerkt worden in dit bestemmingsplan en zullen voor de vaststelling van het bestemmingsplan zijn toegevoegd. Daarnaast is er ernstige verontreiniging door asbest aangetroffen in de druppelzone van de middelste stal. Geadviseerd wordt de druppelzone (toplaag onverhard maaiveld) ter plaatse van de middelste stal op het erf de saneren tot 0,2 m-mv. Door het saneren zal circa 40 kubieke meter grond ontgraven worden en afgevoerd. Initiatiefnemer houdt er voor de begroting van het project rekening mee dat er eventueel gesaneerd dient te worden. De bodemkwaliteit staat hiermee de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief niet in de weg.

4.6 Kabels en leidingen Er zijn voor zover bekend geen kabels en leidingen op de initiatieflocatie gelegen die een beschermingszone vereisen die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden.

4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.7.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en 2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

30

milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.7.2 Onderzoek Het gebied kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied. Naast het huidige agrarisch bedrijf, zijn rondom het plangebied een samenvoeging van verschillende functies aanwezig. Melkveehouderij Villenbraken 15 Op korte afstand van het plangebied is een melkveehouderij aanwezig (Villenbraken 15). Op basis van de VNG-brochure betreft een dergelijk bedrijf van milieucategorie 3.2 met een daarbij behorende richtafstand van 100 meter. Gemeten vanaf het bouwvlak tot aan de woning zit een afstand van circa 36 tot 50 meter (70 meter werd voorheen aangegeven). Hierdoor wordt er niet voldaan aan de richtafstanden zoals vermeldt in de VNG-brochure. Daarom is een geuronderzoek uitgevoerd, zie hiervoor paragraaf 4.8.

Overige agrarische bedrijvenAan de westzijde van de Rooijseweg liggen eveneens enkele agrarische bedrijven (Rooijseweg 59, 61, 63 en 65), variërend van een hoveniersbedrijf tot intensieve veehouderij waarvan de dichtstbijzijnde gelegen is op circa 165 meter van het plangebied. Aan de Rooijseweg 61 is een veehouderij gelegen welke circa 196 meter verwijderd is van de voorgestelde ontwikkeling.

Figuur 4.1 Uitsnede bestemmingsplannen

Hoofdstuk 4

31

De hoogste milieucategorie betreft hier eveneens milieucategorie 3.2, met een bijbehorende richtafstand van 100 meter. Deze wordt bij alle overige (ook agrarische bedrijven met een lagere milieucategorie en daarmee een lagere richtafstand) ruimschoots behaald. Rooijseweg 12 Aan de Rooijseweg 12 is een caravanstalling gelegen. Wanneer er uit wordt gegaan van een worstcase scenario, kan dit worden gezien als een Stalling van vrachtwagens (met koelinstallaties). Hiervoor geldt een milieucategorie van 2 met een bijbehorende maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. De afstand van de caravanstalling tot het plangebied bedraagt circa 200 meter en valt daarmee ruimschoots buiten de richtafstand. Milieubelasting planvoornemen Het planvoornemen is om de huidige agrarische bestemming om te zetten naar een woonbestemming met VAB. Aanleiding hiervoor is het voornemen om te stoppen met de agrarische activiteiten en te starten met het aanbieden van statische opslag (stalling van campers, caravans en aanhangers) en het opzetten ven een technisch werkatelier. De statische opslag valt onder milieucategorie 2 waarbij een richtafstand wordt gehanteerd van 30 meter wat betreft geluid. De overige richtafstanden voor stof en geur bedragen 0. De richtafstand van de voorgenomen ontwikkeling naar de dichtstbijzijnde geluids- en geurgevoelige object is circa 35 meter.

Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand voor deze activiteit. Het technisch werkatelier omvat het ontwerpen en realiseren van schilderijen en/of technische snufjes. Dit valt onder de categorie van een atelier. Een atelier valt onder milieucategorie 1 en kent een maximale richtafstand van 10 meter (voor het aspect geluid). Het plangebied en daarmee het ontwerpatelier is op geruime afstand gelegen van de meest nabijgelegen geluidgevoelige functie en vormt derhalve geen belemmering. 4.7.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. Wel dient er een geuronderzoek (zie paragraaf 4.8) uitgevoerd te worden ten aanzien van de melkveehouderij aan de Villenbraken 18.

4.8 Geur agrarisch 4.8.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het

Hoofdstuk 4

32

bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.8.2 Onderzoek Er is door De Roever Omgevingsadvies een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit dit onderzoek volgt dat er ten aanzien van afstanden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad. Indien een geurgevoelige ruimte wordt opgericht buiten de geurcontour van 14 ouE/m3 is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat ten aanzien van de voorgrondbelasting. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten in de richting van het plangebied dichterbij de melkveehouderij aan Villenbraken 15 liggen, wordt deze veehouderij niet in haar belangen geschaad. Ten aanzien van de achtergrondbelasting is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geurhinder van veehouderijen vormt geen belemmering voor het plan indien een geurgevoelige ruimte wordt opgericht buiten de geurcontour van 14 ouE/m3. In de planregels en op de verbeelding is een zone opgenomen waarbinnen geen geurgevoelige ruimtes zijn toegestaan.

4.8.3 Conclusie Het aspect geur vormt met inachtneming van de geurcontouren geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.9 Geluid 4.9.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. 4.9.2 Onderzoek Onderhavige ontwikkeling ziet niet toe op het toevoegen van een geluidgevoelig object, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. Een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder is derhalve niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

33

4.9.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.  Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM.

 Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.10.2 Onderzoek Door onderhavige ontwikkeling zal de verkeersgeneratie binnen het gebied afnemen. De bestaande planologische mogelijkheid om een agrarisch bedrijf te vestigen wordt omgezet naar een woonbestemming met een VAB-aanduiding. Per saldo is dus sprake van een verbetering van de juridisch-planologische situatie. Niettemin is gekeken naar de achtergrondwaarden binnen de omgeving, zie figuur 4.2. In figuur 4.2 is de concentratie PM10 en NO2 weergegeven. Deze bedraagt respectievelijk 18-22 µg/m3 en 10-25 µg/m3 . Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 welke geldt voor beide concentraties.

Hoofdstuk 4

34

Figuur 4.2: PM10- en NO2-concentratie 2018 (Bron: GCN en GDN).

NIBM-Tool Bij toepassing van de NIBM-tool is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens in paragraaf 4.12. Hieruit blijkt dat het project NIBM is.

4.10.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 4

35

4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.11.2 Onderzoek Om de eventuele externe veiligheidsrisico’s ter plaatse van het plangebied te bepalen is de risicokaart beoordeeld. In figuur 4.3 is een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied opgenomen. Ten westen van het plangebied loopt de rijksweg A50. In het zuiden lopen twee leidingen waar olie door wordt vervoerd. Ook ligt in het westen een risicovolle inrichting.

Hoofdstuk 4

36

Figuur 4.3: Risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

De A50 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied ligt op circa 400 meter van de A50 en daarmee binnen dit invloedsgebied. Aangezien de afstand wel groter is dan 200 meter kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De inrichting ten westen van het plangebied betreft een bedrijf met een bovengrondse propaantank. Volgens de risicokaart geldt voor deze inrichting een aan te houden risicoafstand van 15 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Een verantwoording van het groepsrisico vanwege deze inrichting is niet nodig. Ten zuiden lopen twee leidingen. Door deze leidingen wordt olie vervoerd. Zowel op de risicokaart als in het geldende bestemmingsplan is voor deze leidingen een belemmeringenstrook/veiligheidsafstand opgenomen. Het plangebied ligt hierbuiten. Een verantwoording van het groepsrisico vanwege deze leidingen is niet noodzakelijk. 4.11.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico Bestrijdbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hieronder geschaard.

Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding blus-watervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor

Hoofdstuk 4

37

de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar zijn. De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men nodig heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Een toxische wolk ontstaat wanneer er bij een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op een tank. Hierdoor ontstaat er een gat in de tank waardoor er in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrij komt en door de wind wordt verspreidt. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is van belang indien een toxische wolk richting het plangebied drijft.

Ten aanzien van de bereikbaarheid bij een toxisch scenario is met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van het plangebied is hieraan ondergeschikt. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen nieuwe functies voorzien die specifiek gericht zijn op minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht in veiligheid kunnen brengen danwel met hulp van valide personen in veiligheid gebracht kunnen worden. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3).

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om veilig schuilen binnen bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Hierdoor dient er extra aandacht besteedt te worden aan de afdichting van gebouwen. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen dienen afgesloten te kunnen worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn.

Hoofdstuk 4

38

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven:  wie de organisatie van het evacueren begeleidt;  de verantwoordelijkheden;  waar de verzamelplaats is;  de organisatie op de verzamelplaats;  wie zorg draagt voor alarmering. Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarvan de frequentie in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert hierin de gemeenten in voorbereiding op een alarmering bij rampen.

In het regionaal beleidsplan dient uitgewerkt te zijn hoe binnen de regio aan risicocommunicatie vorm gegeven wordt. 4.11.4 Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A50. Bovengenoemde punten ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dienen voor advies aan de Veiligheidsregio te worden voorgelegd.

4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Toetsingskader Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Bij het onderzoek is uitgegaan van de volgende uitgangspunten:  1 burgerwoning (vrijstaand-koopwoning);  Statische opslag (1.000 m 2);  Ontwerpatelier (400 m 2). 4.12.2 Onderzoek Verkeer Bij berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-kencijfers:  Voor de woning betreft de huidige en toekomstige verkeergeneratie op een gemiddelde weekdag 8 mvt/etmaal.

Hoofdstuk 4

39

 

Voor het statische opslag wordt uitgegaan van arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf. Gemiddelde weekdag 47 mvt/etmaal. Voor ontwerpatelier wordt uitgegaan arbeidsintensief/bezoekersextensief 40 mvt/etmaal.

Hierbij zal de nieuwe situatie een verkeersgeneratie genereren op een gemiddelde weekdag van 95 mvt/etmaal. Gelet op de huidige ontsluitingswegen en bereikbaarheid van het perceel kan de verkeersgeneratie worden opgevangen via de bestaande wegen. Parkeren Bij berekening van de toekomstige parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de Nota parkeernormen Meierijstad 2018. Voor het gebied is voor de stedelijkheidsgraad ‘niet-stedelijk’ gekozen. Hieruit komen de volgende conclusies:  Voor de woning geldt een parkeerbehoefte van 3 parkeerplaatsen.  Voor statisch opslag geldt een parkeerbehoefte van 12 parkeerplaatsen.  Voor het ontwerpatelier geldt een parkeerbehoefte van 10 parkeerplaatsen. In totaal dient er dus 25 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de huidige bedrijfswoning geldt dat op eigen terrein voldoende ruimte is om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Voor de overige functies geldt dat het terrein ruimschoots de ruimte biedt om aan de parkeerbehoefte te voldoen. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting ter borging van de realisatie van voldoende parkeergelegenheid opgenomen conform het parapluplan ‘Parkeren’. 4.12.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.13 Overige omgevingsaspecten 4.13.1 Volksgezondheid in relatie tot veehouderij De handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen alleen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met stallen naar een burgerwoning met bedrijfsbebouwing voor een ontwerpatelier en statische opslag en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de uiteindelijke afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. 4.13.2 Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 3,6 kilometer ligt een hoogspanningslijn. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.

Hoofdstuk 4

40

4.13.3 Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van het plangebied ligt voornamelijk akkerbouw. De dichtstbijzijnde mogelijkheid voor eventuele spuitzones bevindt zich op circa 180 meter van de perceelsgrens van het plangebied. Hierdoor zijn belemmering wat betreft het aspect spuitzones gewasbescherming uitgesloten.

Hoofdstuk 4

41

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Initiatiefnemers zijn voornemens om mee te liften met het toekomstige veegplan van de gemeente Meierijstad waarbij verschillende ruimtelijke ontwikkelingen worden gebundeld in een bestemmingsplan. De juridische regeling van het plan en verbeelding worden door gemeente Meierijstad opgesteld. In onderhavige paragraaf wordt beschreven welke bestemmingen voorkomen binnen onderhavig ruimtelijk initiatief.

5.3 Bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de volgende bestemmingen. Wonen Het plangebied krijgt de bestemming ‘Wonen’ met daarin de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – VAB’. Binnen deze functieaanduiding is het mogelijk om statische opslag te realiseren van 1.000 m2 en een technisch ontwerpatelier van 400 m2. Verder is het mogelijk om bijgebouwen te realiseren tot een maximum aan 200 m 2.

Hoofdstuk 5

42

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.1.1 Financieel economische haalbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing maakt een bouwplan mogelijk dat is bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Op grond daarvan is de gemeenteraad verplicht om voor het wettelijk kostenverhaal een exploitatieplan vast te stellen in de zin van artikel 6.12, lid 1 Wro.

De raad kan besluiten daarvan af te zien wanneer het wettelijk kostenverhaal wordt verzekerd met een anterieure grond exploitatieovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer heeft de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Tevens wordt met initiatiefnemer een verhaalovereenkomst voor planschadevergoeding aangegeven. Op grond daarvan kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het verhaal van de kosten anderszins is verzekerd. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

Hoofdstuk 6

43

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft met de directe omgeving een omgevingsdialoog gevoerd. Tijdens dit dialoog is met de omgeving het plan besproken aan de hand van een schetsplaat. Aan initiatiefnemers is aangegeven dat omwonenden geen bezwaar hebben tegen het plan, mits de plannen die zoals aan hen zijn voorgelegd, worden gerespecteerd en nageleefd. Een (geanonimiseerde) verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Wettelijk (voor)overleg Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Vanuit het vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant zijn een aantal punten naar voren gekomen die om een nadere motivering vragen, onder andere m.b.t. de aanpassing van het landschappelijk inpassingsvoorstel en de berekening kwaliteitsverbetering landschap en de onderbouwing van de gronden die zijn gelegen binnen het Cultuurhistorisch waardevol gebied en Aardkundig waardevol gebied. De opmerkingen zijn verwerkt, evenals een aantal opmerkingen op de regels en verbeelding.

Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van de procedure heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad. Tijdens deze termijn zijn er zienswijzen ingediend door het Waterschap en de Provincie Noord-Brabant. De zienswijze van het Waterschap had betrekking op het ontbreken van de dubbelbestemming Waterstaat – waterberging op de verbeelding. Deze dubbelbestemming is opgenomen. De zienswijze van de provincie had betrekking o.a. op de landschappelijke inpassing en het vestigen van een niet-agrarische functie in het Landelijk gebied, de opmerkingen zijn waar mogelijk verwerkt. Nota beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan. Voor een overzicht van de zienswijzen, de reactie van de gemeente daarop en de wijzigingen die voortvloeiden uit de zienswijzen, wordt kortheidshalve verwezen naar deze bijlage. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.

Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

Hoofdstuk 6

44

BIJLAGEN

Bijlage 1: Landschappelijke inpassingsplan en kwaliteitsverbetering Villenbraken 18

Landschappelijk inpassingsplan Villenbraken 18 - Meierijstad

05 november 2020

Landschappelijk inpassingsplan Villenbraken 18 - Meierijstad

datum: 8 oktober 2019 gewijzigd op: 20 juli 2022 projectnummer: P05518

Projectteam:

Ontwerpatelier BRO

RvO MSc LW BSc

Wij zien de Nederlandse leefruimte als een schaars collectief goed. Daarom vinden wij dat een ruimtelijke opgave nooit sec te benaderen is. Ons ontwerpatelier is ingericht met landschapsarchitecten, stedenbouwkundigen, ecologen, architecten en planologen om integraal te werken. Anders dan de tekentafel- en de beeldgerichte ontwerpbureau’s richten

BRO Boxtel

wij ons daarbij op het social design door publieke en private

Boscheweg 107

belangen te verenigen waardoor grip en begrip ontstaat in het

5282 WV Boxtel

ontwikkelingsproces. Daarbij maken we visie’s en zoeken we

T +31 (0)411 850 400

naar het evenwicht van bestaand naar nieuw beleid.

E info@bro.nl

Inleiding Bij het toestaan van een ruimtelijke ontwikkeling is het van belang dat alle ruimtelijke waarden worden meegewogen. Een bouwplan kan immers afbreuk doen aan bestaande landschappelijke of cultuurhistorische waarden. Elke ontwikkeling dient bij te dragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid. In de landschappelijke inpassing wordt de omgeving bestudeerd en aan de hand daarvan ruimtelijke randvoorwaarden opgesteld voor de nieuwe ontwikkeling. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan kan de voorgestelde ontwikkeling op een natuurlijke en verzorgde wijze worden ingepast en aansluiten op de aanwezige landschapsstructuren.

Aanleiding en initiatief De initiatiefnemer is voornemens de agrarische bedrijfsbestemming op het perceel Villenbraken 18 te herbestemmen voor bedrijfsmatige activiteiten en de woning te herbestemmen tot VAB-locatie. Op de locatie is momenteel fors meer bebouwing aanwezig en deze wordt gesloopt. Het voornemen is de agrarische bedrijfsbestemming (9.178 m²) op het perceel Villenbraken 18 te herbestemmen voor bedrijfsmatige activiteiten (400 m² voor een technisch ontwikkelatelier en 1.000 m2 statische opslag) en 200 m2 aan bijgebouwen. De initiatiefnemer heeft in januari 2019 een principeverzoek ingediend waarop op 18 september 2019 door de gemeente onder voorwaarden principemedewerking verleend is. Eén van deze voorwaarden is een goede landschappelijke inpassing en een tegeprestatie in het kader van de regeling kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiervoor is bij het principeverzoek reeds een concepttekening op hoofdlijnen bijgevoegd. In het principeakkoord is hierover vermeld dat deze concepttekening aangevuld dient te worden met een beplantingsplan, beschrijving van onderhoud/beheer en andere normbedragen voor het berekenen van de tegenprestatie gehanteerd dienen te worden.

3

Luchtfoto met plangebied rood omkaderd.

4

Rijweg tussen bestaande veestallen.

Stelconplaten en bestaande bomen aan de noordzijde van de veestallen.

De woning met op de achtergrond de bestaande veestallen.

De achterzijde van de woning met aan de rechterzijde op de foto een boomgroep.

Gebiedsbeschrijving en historische kenschets Villenbraken 18 is een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie N, perceelnummer 422. Het plangebied ligt binnen een aardkundig waardevol gebied. In de landschapsanalyse Meierijstad (2019) bevindt het plangebied zich op een overgangszone van de oude ontginningen naar het beekdallandschap van de Dommel tot aan het open jonge heide ontginningen landschap ten oosten van het plangebied. Oude ontginningen De ontstaansgeschiedenis van de oude ontginningen gaat ver terug. Bepalend was de intrede van de landbouw en veeteelt. De hooggelegen en droge gronden waren het meest geschikt voor de agrarische activiteiten. Het landschap van de oude zandontginningen is een halfopen, kleinschalig landschap met een onregelmatig, organisch gevormd wegen- en verkavelingspatroon. Binnen het landschap is er een grote diversiteit aan landschapselementen, waaronder lanen, bomen(rijen), houtsingels, solitaire bomen, droge en natte boscomplexen en kleinere hakboutbosjes. Door de diversiteit aan landschapselementen zijn de ruimtes binnen dit landschap gevarieerd in omvang en vorm. Zo komen er besloten en open landschapsdelen voor. Grote structuren ontbreken echter in dit landschap. Wel zijn er lokale verschillen in openheid. Dit mede door de hoeveelheid aanwezige bebouwing of bosschages.

Het beekdal van de Dommel De Dommel ontspringt in België ten zuiden van Peer. Dit beekje stroomt door de Kempen richting de Nederlandse grens. Via Borkel en Schaft, Veldhoven en Eindhoven kronkelt de Dommel richting ’s-Hertogenbosch. In ’s-Hertogenbosch komen de Dommel en de Aa samen en vormen ze de Dieze, die uitmondt in de Maas. De Dommel is ca. 120 kilometer lang en het hoogteverschil is ca. 75 meter. De Dommel wordt ook wel een laaglandbeek genoemd, een beek met een onregelmatige stroomsnelheid die door een breed dal loopt. Via een waternetwerk van sloten, greppels en beekjes wordt de Dommel gevoed met regenwater en kwel. Het beekdal wordt gekenmerkt door een zeer onregelmatige verkaveling, afgewisseld met kleinschalige landschapselementen.

5

Dit landschap is mede dankzij de natuurlijke dynamiek met het bijbehorend extensief gebruik nog redelijk goed intact gebleven. Aan weerszijden van het beekdal liggen hogere gronden. Hierop liggen de historische wegen met bijbehorende lintbebouwing. In het beekdal zelf komt niet of nauwelijks bebouwing voor.

Landschapsanalyse Meierijstad, gemeente Meijerijstad 2019

Jonge heide ontginningen De jonge ontginningen zijn grotendeels pas na 1900 als heide ontgonnen. De woeste gronden werden tot begin 20e eeuw hoofdzakelijk gebruikt als begrazingsgebied. Ook werd de heide afgeplagd ten behoeve van de bemesting van de enkeerdgronden. In dit deelgebied is momenteel hoofdzakelijk sprake van agrarisch gebruik. Door de jonge ontginning is een rationele open verkavelingsstructuur ontstaan. (Landschapsanalyse Meierijstad, bron: gemeente Meierijstad 2019) Het is belangrijk om met de beoogde ontwikkeling te kunnen bijdragen aan landschapsversterking en een goede overgang te creëren naar de verschillende landschapstypes.

6

Cultuurhistorische waarden In en rondom het plangebied komen cultuurhistorische en archeologische waarden voor. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord Brabant worden de volgende elementen vermeld: 1) De Rooiijseweg is aangeduid als historische lijn (redelijk hoog); 2) Binnen het plangebied is er een middelhoge trefkans aanwezig voor archeologische waarden; 3) Het broekbos ten oosten van de Dommel betreft historisch groen; 4) De padenstructuur binnen dit broekbos betreft een historische geografie met een hoogwaardige kwaliteit; 5) Binnen het broekbos komen nog enkele archeologische monumenten voor, deze liggen echter meer aan de noord- en zuidzijde van het plangebied en hebben geen directe invloed op de planontwikkeling. De bovenstaande elementen worden binnen het planvoornemen in acht genomen. Zo vindt de ontwikkeling met name plaats ter hoogte van de Rooijseweg. Het profiel van deze weg blijft behouden en wordt dus niet onnodig aangetast. De cultuurhistroische elementen liggen met name op het oostelijke deel van het plangebied. In deze zone wordt er dan ook ingezet op het behouden, herstellen en versterken van deze elementen. Door bijvoorbeeld een strook te ontwikkelen als natuur en hiermee aan te sluiten op de natuurdoeltypen binnen het broekbos, welke onderdeel uit maakt van het Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Zie in onderstaande afbeelding een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant.

Cultuurhistroische Waardekaart Noord-Brabant

7

Aardkundige waarden Het plangebied betreft een aardkundig waardevol gebied, namelijk het gebied van de Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenens Broek. Dit aardkundig waardevolle gebied omvat het Dommeldal tussen Boxtel in het noordwesten en Geldrop in het zuidoosten, en een aantal ermee geassocieerde nabijgelegen dekzand- en stuifzandgebiedjes en bolle akkercomplexen (esdekken). Binnen dit gebied zijn een aantal belangrijke aardkundige elementen uiteengezet. Een daarvan is de aardkundige waarde van de Dommel. Voor het behoud en beschermen van deze waarden zijn er enkele beschermingsregels opgesteld (Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant): 1) Reliëfverschillen samenhangend met bovengenoemde verschijnselen mogen niet worden ver- of afgegraven of anderszins aangetast (ontgrondingen / ophogingen), met name de natuurlijke overgang rivierdal-dekzandlandschap moet beschermd worden (steilranden, dalglooiing, etc.); 2) Natuurlijke meandering van de Dommel mag niet verder aangetast worden.

3) Bij hermeandering mag alleen zeer nauwkeurig het historische tracé gevolgd worden; 4) Het archeologisch en aardkundig bodemarchief in vennen mag niet aangetast worden bij grootschalige graaf- of baggerwerkzaamheden in het kader van natuurontwikkeling, met name in de Moerkuilen; 5) Uitbreiding van bebouwing en infrastructuur (met name op de hogere delen) mag niet ten koste gaan van de kenmerkende landschapsstructuren en zichtrelaties; 6) Historische bolle akkers en historische beemdenpercelering mogen niet aangetast worden (door o.a. bebouwing). Met het planvoornemen worden bovenstaande uitgangspunten in acht genomen. Zo draagt de ontwikkeling bij aan het versterken van zichtrelaties naar de Dommel. Daarnaast blijft het tracé van de Dommel behouden en wordt de overgang naar het NNB versterkt door natuurontwikkeling. Bovendien vinden er geen grote afgravingen of ophogingen plaats, waardoor het aardkundige bodemarchief gewaarborgd blijft.

8

Beschrijving plangebied Het plangebied is momenteel een agrarisch bedrijf gevestigd met bedrijfswoning. Binnen het plangebied staan verschillende veestallen. De locatie Villenbraken 18 was tot eind twintigste eeuw gelegen aan de weg ‘Villenbraken’. Daarna werd deze weg onderbroken en de Villenbraken 18 direct op de Rooijseweg ontsloten. Hierdoor ligt de bebouwing van het plangebied relatief ver van de weg. Kort nabij de voorgevel van de woning ligt de gemeentegrens tussen Meierijstad en Son en Breugel. De bebouwing van Villenbraken 18 vormt een cluster met de naastgelegen woning en melkveebedrijf. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de Dommel en maakt onderdeel uit van een natte natuurparel. Daarnaast behoort dit gebied tot het NatuurNetwerk Brabant. Naast de Dommel is reeds een rij Populieren aanwezig. Daarnaast zijn op verschillende plaatsen op het terrein boomgroepen en solitaire bomen aanwezig. In de weide tussen de bebouwing en de Dommel bevindt zich een natuurlijke poel omringd door struikachtige beplanting. De genoemde kwaliteiten dienen bebouden te blijven of te worden versterkt door de aanplant van nieuwe landschapselemten. Daarnaast dient er een zorgvuldige overgang te worden gemaakt richting het beekdallandschap van de Dommel en hierbij de natuurwaarden van het NNB in acht te nemen.

9

Inrichtingsplan landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering.

10

(Schets op schaal in bijlage)

Bestaande boom

1

6

1

7

2

Bestaande verharding

1

3

6

4

4

5

tekening nr.:

getekend: R. van Och www.bro.nl info@bro.nl

datum: 20-07-2022

Dommel

5

5

Bosscheweg 107 Boxtel

Grens plangebied

Te behouden poel

Bestaand perceel met agrarische bestemming

4

Nieuw te bouwen loods: 400m² ontwerpatelier 1000m² statische opslag

Nieuw te bouwen bijgebouw Toepassing sloop-bonus voor bijgebouw behorende bij de woning

Bestrating (vorm indicatief)

Te behouden boomgroepen

Bestaande bebouwing

Bestemmingsplan nieuwe situatie Villenbraken 18 te Nijnsel

Nieuw aan te planten boom

Kwaliteitsverbeterende maatregelen 5) te realiseren natuur nabij oever Dommel en bestaande poel, kruidenrijke vegetatie rondom poel met bosjes en landschapsbomen; 6) sloop veestallen; 7) verwijderen kelderruimte binnen bestaande bebouwing.

Inpassingsmaatregelen 3) aanplant bosstrook als robuuste overgang naar het landschap; 4) aanplant bomenrij haaks op de beek;

Inrichting 1) aanplant lage haag; 2) aanplant fruitbomen;

Advies De inpassing en vormgeving van het plangebied aan de Villenbraken richt zich op de overgang van het nieuwe woonperceel naar het omliggende landschap en de openbare weg. Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie zijn vormgegeven. Onderstaande schets illustreert de voorgestelde maatregelen, gevolgd door een argumentatie. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: •

Aanplant haag (inrichting)

•

Aanplant fruitbomen (inrichting)

•

Behoud van bestaande boomgroepen

•

Aanplant houtsingel (inpassing)

•

Aanplant bomenrij (inpassing)

•

Natuurontwikkeling rond bestaande poel (kwaliteitsverbetering)

•

Sloop veestallen (kwaliteitsverbetering)

•

Verwijderen kelderruimte (kwaliteitsverbetering)

Aanplant haag De bestaande inrit blijft bestaan en wordt verlengd tot rond de nieuwe loods en het nieuwe bijgebouw. Deze bestrating is relatief ver van de dichtsbijzijnde weg de ‘Rooijseweg’ gelegen. Maar, om deze bestrating enerzijds aan het zicht te onttrekken en anderzijds het ruimtelijke beeld van de locatie te behouden wordt een lage haag aangeplant aan de westzijde van de bestrating. Aanplant fruitbomen De tuin rond de woning zal geleidelijk overlopen naar het achtergelegen landschap. Het deel tussen de woonbestemming en de verkeersbestemming zal bestemd worden als agrarisch met waarden. Dit deel zal landschappelijk ingericht worden met onder meer een fruitboomgaard. De fruitbomen komen dicht bij de bebouwing te staan en dragen daardoor bij aan een groene uitstraling rond de bebouwing.

11

Behoud van bestaande boomgroepen Op verschillende plaatsen op het terrein is reeds een bestaande boomgroep of solitaire bomen aanwezig. Deze worden opgenomen in de landschappelijke inpassing zodat het behoud hiervan geborgd is. Dit geldt onder meer voor de boomgroep tussen de woning en de nieuwe loods. Deze draagt net als de fruitboomgaard bij aan de groene uitstraling rond de loods. Ook nabij de sloot aan de noordzijde zijn al verschillende bomen aanwezig die als onderdeel van de inpassing opgenomen worden. Aanplant houtsingel De nieuwe loods komt op de plaats waar nu al veestallen staan. Om de nieuwbouw aan de noord- en oostzijde op een passende manier in het landschap over te laten gaan wordt hier een robuuste houtsingel voorgesteld. De houtsingel kleedt de nieuwbouw groen in en heeft naast de landschappelijke meerwaarde een ecologische meerwaarde als schuilen nestellocatie voor vogels en kleine zoogdieren. De houtsingel wordt aangeplant op minimaal 5 meter afstand van de insteek van de watergang. Aanplant bomenrij Aan de noord en zuidzijde van het plangebied loopt een watergang waarnaast reeds enkele bomen staan. deze rand zal aangevuld worden door verspreid enkele bomen in een los patroon toe te voegen.

Zo wordt bijgedragen aan het versterken van het kleinschalig landschap zoals dit in dit landschapstype (beekdal) karakteristiek is (zie landschapsontwikkelingsplan Sint Oederode). De bomen worden aangeplant op minimaal 5 meter afstand van de insteek van de watergang. Natuurontwikkeling rond bestaande poel In het weiland tussen de bestaande bebouwing en de Dommel is een natuurlijke poel aanwezig. Dit gebied is tevens gelegen in attentiegebied NNB. Om de natuurwaarden daarom te versterken wordt voorgesteld de poel te beschermen en een strook naast de Dommel natuurlijk in te richten met kruidenrijke vegetatie, in combinatie met een aantal bosjes. Door het toevoegen van bosjes en kruidenrijke vegetaties wordt het beekdal versterkt en draagt deze ontwikkeling bij aan het terugbrengen van beekdalbeplantingen. Daarnaast dient de toevoeging van bosjes een goede schuilplaats voor verschillende soorten fauna.

12

Sloop veestallen Verwijderen kelderruimte De nieuwbouw is significant kleiner dan de huidige bouw. De sloop van deze veestallen, het verwijderen van de asbestplaten en de bestaande kelderruimte levert een verbetering op voor het landschap. In de ‘Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap - Sint Oedenrode’ is daarom aangegeven dat deze maatregelen meegenomen mogen worden in de benodigde landschappelijke tegenprestatie.

Beplantingsplan De soortensamenstelling voor de toe te voegen beplanting is toegespitst op inheemse soorten die passen bij het karakter van het gebied en de bodemgesteldheid. In onderstaande tabel zijn de verschillende vakken, maatvoering, voorgesteld sortiment, plantverband en het aantal aan te schaffen stuks opgenomen. Element

Omvang/stuks

Voorgesteld sortiment

Verband

1. Haag

237 m1

Soort:Veldesdoorn Plantmaat: 60-80, Eindhoogte: 1,00 m.

Enkele rij, driehoeksverband, 5 st/m1

2. Fruitbomen

10 st

Soort: inheemse fruitsoorten als appel, kers, peer, pruim. Stamdiameter aanplant: 8-10 cm. Eindhoogte: 6 m

Zoals op tekening aangegeven.

4. Houtsingel

880 m2

Soort: • hazelaar • kornoelje • vlier • veldesdoorn • lijsterbes • hulst • krenteboom Plantmaat aanplant: 60-80, Eindhoogte: 5 m

Driehoeksverband, 1x1 mtr

5. Bomenrij (landschapsbomen)

20 st

Soort:Veldesdoorn, Ruwe Berk, Zomereik Plantmaat: 10-12 cm, Eindhoogte: 15 m.

Zoals op tekening aangegeven.

7. kruidenrijke vegetatie

2.300 m2

Soort: bloemrijk mengsel

nvt

13

Onderstaande afbeeldingen geven een indruk van het toegepaste sortiment:

Veldesdoorn

Gele kornoelje

Hazelaar

Hulst

Krentenboom

Haagbeuk

Gewone Vlier

Lijsterbes

Beheer en onderhoud •

De haag: minimaal 1x per jaar snoeien in de zomer. Het snoeien begint al bij het aanplanten van de haag. Hoe vaker de haag geknipt wordt des te rechter en óók des te dichter hij wordt. Snoei de bovenkant van de haag pas als deze de juiste hoogte heeft bereikt;

•

De bomen worden periodiek gesnoeid, hierbij zal ten alle tijden rekening gehouden worden dat de kroon (onderste takken tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van de takvrije stam bedraagt;

•

De houtsingel: overhangende takken worden elke drie jaar verwijderd. De houtsingel kan de eerste 10 tot 12 jaar vrij uitgroeien. Daarna wordt de houtsingel om de 5 à 6 jaar afgezet. Het afzetten van de singel wordt niet ineens gedaan maar steeds twee rijen tegelijk.

•

De fruitbomen worden minimaal één keer per jaar gesnoeid tussen november en maart. De snoei is erop gericht de waterloten te verwijderen en de boom in vorm te houden zodat zoveel mogelijk kortloten behouden blijven of kunnen groeien. Aan deze kortloten komen namelijk de bloemen en later de bloemen.

14

Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap De provinciale handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap omschrijft dat: bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in categorie 3 de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur. Het achterliggende idee is dat ontwikkelingen actief bijdragen aan versterking van het landschap. Dit gaat dus verder dan de reguliere landschappelijke inpassing die vooral is gericht op het mitigeren van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van verlies aan omgevingskwaliteit. De omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming, zoals voorgesteld aan de Villenbraken 18, valt voor een deel in categorie 2. De Handreiking kwaliteitsverbetering van de gemeente Meierijstad meldt het volgende: wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarischtechnisch hulpbedrijf) of nietagrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2128a098-d407-46fd-a48e-9736b4dcfcaf