CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Villenbraken 18 - Ruimtelijke onderbouwing + Bijlagen

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'25.972 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Ruimtelijke onderbouwing Villenbraken 18 te Nijnsel Gemeente Meierijstad

Ruimtelijke onderbouwing Villenbraken 18 te Nijnsel Gemeente Meierijstad

Rapportnummer:

P05518_5

Datum:

1 augustus 2022

Opdrachtgever:

Gemeente Meierijstad

Projectteam BRO:

JR, TA, MvDn

Concept:

januari 2021, juli 2021

Definitief:

Juli 2022, augustus 2022

Bron foto kaft:

BRO

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 4 6 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkelingen

8 8 8

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

12 12

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid

12 12 13 13 14

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid

14 14 21

3.3.1 Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode 21

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie

23 23 23

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Ecologie

23 24 24 24

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Water

24 26 27 27

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Bodem

27 28 28 29

Inhoudsopgave

1

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Kabels en leidingen 4.7 Bedrijven en milieuzonering

29 29 29 30 30

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Geur agrarisch

30 31 32 32

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Geluid

32 33 33 33

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Luchtkwaliteit

33 33 34 34

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Externe veiligheid

34 34 35 36

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 (Beperkte) verantwoording groepsrisico 4.11.4 Conclusie 4.12 Verkeer en parkeren

36 36 37 39 39

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Overige omgevingsaspecten

39 39 40 40

4.13.1 Volksgezondheid in relatie tot veehouderij 4.13.2 Hoogspanningslijnen 4.13.3 Spuitzones gewasbescherming

40 40 41

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

42 42 42 42

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid

43 43

Inhoudsopgave

2

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 44

BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassingsplan en kwaliteitsverbetering Villenbraken 18 Bijlage 2: Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Villenbraken 18 te Nijnsel Bijlage 3: Quickscan flora en fauna ‘Villenbraken 18’ te Nijnsel Bijlage 4: Onderzoek geurhinder veehouderijen Bijlage 5: Geanonimiseerde omgevingsdialoog Bijlage 6: Advies veiligheidsregio Bijlage 7: Verkennend bodemonderzoek

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Villenbraken 18 is een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Op het perceel zijn een voormalige pluimvee- en varkensstal en diverse loodsen voor statische opslag aanwezig. Initiatiefnemers zijn voornemens de agrarische bedrijfsbestemming op het perceel Villenbraken 18 te herbestemmen voor bedrijfsmatige activiteiten en de woning te herbestemmen tot VAB-locatie. Op de locatie is momenteel fors meer bebouwing aanwezig en deze wordt gesloopt. Het perceel aan de Villenbraken 18 heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ met een bouwvlak op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (vastgesteld op 15 maart 2012). Het plan past derhalve niet rechtstreeks binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. In een eerder stadium hebben initiatiefnemers een principeverzoek ingediend, waarbij is beargumenteerd dat de gewenste ontwikkelingen zowel beleidsmatig als stedenbouwkundig past binnen de gemeentelijke kaders. De gemeente heeft daarin een principeakkoord gegeven. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing maakt deel uit van het veegplan ‘Ontwikkelplan Buitengebied’. Hierin worden meerdere ruimtelijke initiatieven in één plan gebundeld waaronder onderhavig initiatief. In de ruimtelijke is aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met het beginsel van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied omvat de locatie Villenbraken 18 te Nijnsel. Dit gebied wordt omsloten door weilanden en akkerlanden, een burgerwoning en een melkveehouderij. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie N, perceelnummer 422 en heeft een grootte van circa 31.500 m 2. De (globale) ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op onderstaande afbeeldingen.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1: Globale ligging en begrenzing plangebied.

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het perceel aan de Villenbraken 18 heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ met een bouwvlak op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ (vastgesteld 15 maart 2012). Tevens beschikt de locatie over de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat – Attentiegebied NNB’ en gedeeltelijk ‘Waarde - Archeologie 2 (middelhoge verwachting)’ en verschillende gebiedsaanduidingen. Voor het gehele buitengebied van Sint-Oedenrode is een herziening van het Buitengebied plan vastgesteld (d.d. 29 maart 2018). Deze vierde herziening van het buitengebied bestemmingsplan voorziet voor de planlocatie uitsluitend in een harmonisatie van de van toepassing zijnde planregels en is tevens daarom van toepassing. Binnen de bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschapswaarden’ zijn de ontwikkelingen niet rechtstreeks toegestaan. In figuur 1.2 is een uitsnede opgenomen van het vigerende bestemmingsplan, met daarin globaal het plangebied aangeduid.

Figuur 1.2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied’.

Op 27 januari 2021 is het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ vastgesteld door de gemeente Meierijstad. Dit bestemmingsplan is ook vigerend voor onderhavig plangebied. Tevens is op de locatie het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld 31 januari 2019) vigerend. In dit bestemmingsplan is opgenomen dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw, voldoende parkeergelegenheid dient te worden gerealiseerd.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk

Hoofdstuk 1

6

beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die van belang zijn voor het voorliggende project. In het laatste hoofdstuk komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

Hoofdstuk 1

7

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Villenbraken 18 is een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Op het perceel zijn een voormalige pluimvee- en varkensstal en diverse loodsen voor statische opslag aanwezig. De agrarische activiteiten op het perceel zijn reeds gestaakt. Op korte afstand van het plangebied bevindt zich de Dommel en de A50 (Eindhoven-Veghel). In figuur 2.1 is de huidige situatie van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.1: Huidige situatie plangebied.

2.2 Voorgenomen ontwikkelingen De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van de agrarische bedrijfsbestemming op het perceel naar een woonbestemming met VAB-aanduiding voor de bedrijfsmatige activiteiten. Op de locatie is momenteel fors meer bebouwing aanwezig en deze wordt gesloopt. Beoogd wordt de agrarische bedrijfsbestemming (9.178 m²) op het perceel Villenbraken 18 te herbestemmen (in de vorm van sloop- nieuwbouw) voor bedrijfsmatige activiteiten (400 m² voor een technisch ontwikkelatelier en 1.000 m 2 statische opslag) en 200 m2 aan bijgebouwen ten behoeve van het wonen. Het technisch werkatelier omvat het ontwerpen en realiseren van schilderijen en/of technische snufjes, waarbij de activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie.

Hoofdstuk 2

8

Op de locatie is momenteel fors meer bebouwing aanwezig dan beoogd is in de nieuwe situatie. Met het initiatief zal het aantal vierkante meters aan verhard oppervlak (bebouwing en erfverharding) afnemen met circa 3.590 m². Naast de (forse) sloop van de bestaande bebouwing is gekeken naar een nieuwe inrichting van het perceel. Hierbij is rekening gehouden met de eisen en aandachtspunten met betrekking tot de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing. De ontwikkeling betreft:  het opnemen van de bestemming ‘Wonen’ voor de huidige bedrijfswoning met maximaal 200 m 2 aan bijgebouwen behorende bij de woning, met daarbij een functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – VAB’;  het realiseren van bedrijfsgebouwen tot een maximum van 1.400 m 2, waarvan 1.000 m2 voor statische opslag en het overige voor een technisch werkatelier (400 m2), deze nevenactiviteiten zijn ondergeschikt aan de woonfunctie In ruil daarvoor wordt een fysieke bijdrage geleverd in de vorm van het toevoegen van natuur en/ of landschapselementen ter plaatse van Villenbraken 18 alsmede het slopen van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering De inpassing en vormgeving van het plangebied aan de Villenbraken richt zich op de overgang van het nieuwe woonperceel naar het omliggende landschap en de openbare weg.

Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld, welke op basis van de gestelde kaders, kennis van het landschap en de betreffende locatie zijn vormgegeven. Figuur 2.2 (tevens te vinden in bijlage 2) illustreert de voorgestelde maatregelen. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld:  Aanplant haag De bestaande inrit blijft bestaan en wordt verlengd tot rond de nieuwe loods en het nieuwe bijgebouw. Deze bestrating is relatief ver van de dichtsbijzijnde weg de ‘Rooijseweg’ gelegen. Maar, om deze bestrating enerzijds aan het zicht te onttrekken en anderzijds het ruimtelijke beeld van de locatie te behouden wordt een lage haag aangeplant aan de westzijde van de bestrating.  Aanplant fruitbomen De tuin rond de woning zal geleidelijk overlopen naar het achtergelegen landschap. Het deel tussen de woonbestemming en de verkeersbestemming zal bestemd worden als agrarisch met waarden. Dit deel zal landschappelijk ingericht worden met onder meer een fruitboomgaard. De fruitbomen komen dicht bij de bebouwing te staan en dragen daardoor bij aan een groene uitstraling rond de bebouwing.  Behoud van bestaande boomgroepen Op verschillende plaatsen op het terrein is reeds een bestaande boomgroep of solitaire bomen aanwezig. Deze worden opgenomen in de landschappelijke inpassing zodat het behoud hiervan geborgd is.

Dit geldt onder meer voor de boomgroep tussen de woning en de nieuwe loods. Deze draagt net als de fruitboomgaard bij aan de groene uitstraling rond de loods. Ook nabij de sloot aan de noordzijde zijn al verschillende bomen aanwezig die als onderdeel van de inpassing opgenomen worden.  Aanplant houtsingel De nieuwe loods komt op de plaats waar nu al veestallen staan. Om de nieuwbouw aan de noorden oostzijde op een passende manier in het landschap over te laten gaan wordt hier een robuuste

Hoofdstuk 2

9

  

houtsingel voorgesteld. De houtsingel kleedt de nieuwbouw groen in en heeft naast de landschappelijke meerwaarde een ecologische meerwaarde als schuilen nestellocatie voor vogels en kleine zoogdieren. De houtsingel wordt aangeplant op minimaal 5 meter afstand van de insteek van de watergang. Aanplant bomenrij Aan de noordzijde van het plangebied loopt een watergang waarnaast reeds enkele bomen staan. deze rand zal aangevuld worden door verspreid enkele bomen in een los patroon toe te voegen. Zo wordt bijgedragen aan het versterken van het kleinschalig landschap zoals dit in dit landschapstype (beekdal) karakteristiek is (zie landschapsontwikkelingsplan Sint Oedenrode). De bomen worden aangeplant op minimaal 5 meter afstand van de insteek van de watergang. Natuurontwikkeling rond bestaande poel In het weiland tussen de bestaande bebouwing en de Dommel is een natuurlijke poel aanwezig. Dit gebied is tevens gelegen in attentiegebied NNB. Om de natuurwaarden daarom te versterken wordt voorgesteld de poel te beschermen en een strook naast de Dommel natuurlijk in te richten met kruidenrijke vegetatie, in combinatie met een aantal bosjes. Door het toevoegen van bosjes en kruidenrijke vegetaties wordt het beekdal versterkt en draagt deze ontwikkeling bij aan het terugbrengen van beekdalbeplantingen.

Daarnaast dient de toevoeging van bosjes een goede schuilplaats voor verschillende soorten fauna. Sloop veestallen Verwijderen asbestplaten Verwijderen kelderruimte. De nieuwbouw is significant kleiner dan de huidige bouw. De sloop van deze veestallen, het verwijderen van de asbestplaten en de bestaande kelderruimte levert een verbetering op voor het landschap. In de ‘Regeling kwaliteitsverbetering van het landschap - Sint Oedenrode’ is daarom aangegeven dat deze maatregelen meegenomen mogen worden in de benodigde landschappelijke tegenprestatie.

Verder voldoet het plan ook aan de eisen voor kwaliteitsverbetering van de gemeente Meierijstad, conform de Handreiking kwaliteitsverbetering Meierijstad. Voor dit initiatief wordt voorgesteld de basisinspanning op eigen terrein aansluitend aan de te wijzigen bestemming te realiseren. Voor het kostenoverzicht zijn de volgende investeringen meegerekend:  Aanleg- en beheerkosten van de voorgestelde inrichtingsmaatregelen op basis van STILA normbedragen  205 waardedaling van de gronden die ingericht worden met landschapselementen en als dusdanig bestemd worden. Op basis van forfaitaire normbedragen uit: Handreiking kwaliteitsverbetering Meierijstad 2021 In totaal wordt de kwaliteitsverbetering op eigen terrein begroot op € 52.313. Hiermee wordt ruim voldaan aan de benodigde basisinspanning van € 10.554. Voor een volledige toelichting op de landschappelijke inpassing en kwaliteitsberekening wordt verwezen naar bijlage 1 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing.

Hoofdstuk 2

10

Figuur 2.2: Landschappelijke inpassing

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Van 20 augustus 2019 tot en met 30 september 2019 heeft de ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ter inzage gelegen. De ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in januari 2023 in werking treedt. Belangrijk uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zodat er in gebieden betere en meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien gaat de herbestemming gepaard met samenhangende landschapsinvesteringen. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, vastgesteld op 13 maart 2012, staan de plannen van de rijksoverheid ten aanzien van aspecten op het gebied van ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

Hoofdstuk 3

12

een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Doorwerking plangebied Onderhavig plan bevindt zich niet in een van de nationale hoofdstructuren en heeft geen invloed op het nationaal belang. De SVIR heeft in dit geval geen specifieke betekenis. Conclusie De SVIR vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Zoals reeds onder 3.1.1 is vermeld treft onderhavige ontwikkeling geen nationaal belang. Conclusie Het Barro vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt.

Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

13

binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling betreft geen stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro. Voldaan wordt aan het beginsel van zorgvuldig ruimtegebruik. Conclusie Voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant

Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied Het beoogde initiatief heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling van negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Conclusie De Omgevingsvisie Noord-Brabant vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 3.2.2

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en geconsolideerd. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

Hoofdstuk 3

14

Figuur 3.1: Uitsnede Interim Omgevingsverordening.

Doorwerking plangebied Het gebied is gelegen binnen de aanduiding ‘Landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. Tevens is het plangebied gelegen binnen ‘Aardkundig waardevol gebied’ en ‘Cultuurhistorisch waardevol gebied’. Aan de oostkant van het plangebied ligt de natte natuurparel De Dommel, dit is aangeduid als Natuur Netwerk Brabant. De Interim Omgevingsverordening biedt de mogelijkheid voor het vestigen van niet-agrarische functies in het landelijk gebied. Wel worden hier voorwaarden aan gesteld. De relevante voorwaarden en artikelen worden hieronder weergegeven. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b.

Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel. c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt. d. De vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

Hoofdstuk 3

15

a. b. c. d.

over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Dat voorkomt gelegenheidsplanologie en biedt duidelijkheid naar zowel initiatiefnemers als omwonenden.

Figuur 3.2 Kaart Gebiedstypologieën (bron: gemeente Meierijstad).

De gemeente Meierijstad heeft de ontwikkelrichtingen voor gebieden nog niet specifiek uitgeschreven maar wel bovenstaande kaart met gebied typologieën in het buitengebied van de gemeente opgesteld. Het plangebied is gelegen binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, hoofdfunctie natuur. Naast het huidige agrarisch bedrijf, zijn rondom het plangebied een samenvoeging van verschillende functies aanwezig. Het gebied kan zodoende worden gekenmerkt als een gemengd gebied.

Hoofdstuk 3

16

Met onderhavige ontwikkeling wordt er een flink deel van de bestaande bebouwing gesloopt. De nieuwe hoofdfunctie is wonen. Een kleinschalig technisch werkatelier van 400 m2 en statische opslag is een passende ontwikkeling binnen de notitie Kansen voor Kwaliteit en de gebiedstypologie Hoofdfunctie natuur. Het buitengebied in gemeente Meierijstad en de provincie Noord-Brabant heeft door de beëindiging van veehouderijen, de komende jaren te maken met toenemende leegstand, verrommeling, botsende belangen en oprukkende verstedelijking. De gemeente Meierijstad heeft het rapport ‘Kansen voor Kwaliteit’ opgesteld, wat dient als afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing. Het doel van deze rapportage is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende(agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. In de notitie wordt onderscheid gemaakt in 3 verschillende functies, namelijk gebiedsgebonden, gebiedspassende en gebiedsstrijdige functies. Onderhavige ontwikkeling kan worden gezien als een gebiedspassende functie.

Gebiedspassende functies zijn namelijk functies die op zich horen op een bedrijventerrein of binnen de bebouwde kom, maar die ruimtelijk verantwoord passen of in te passen zijn in (delen van) het buitengebied. Gebiedspassende functies worden niet uitgesloten. Vestiging op een voormalige agrarische locatie is toelaatbaar voor zover de aard en schaal van die bedrijven niet voorschrijven dat deze op een bedrijventerrein of in het centrum thuishoren. Als bedrijvigheid die de gemeente passend acht in het buitengebied wordt o.a. genoemd: statische opslag, dienstverlening en ambachtelijke werkplaatsen (bewerking en vervaardiging van producten en materialen), mits niet te grootschalig en passend in de omgeving. Op het moment dat bedrijven niet meer in het buitengebied passen als gevolg van aard en omvang en/of milieueisen, moeten ze alsnog verhuizen naar een bedrijventerrein. Als gebiedsstrijdige functies zijn niet toegestaan, hieronder wordt verstaan o.a. detailhandel, showrooms, kantoren met baliefunctie, bedrijven met een industriële uitstraling c.q. bedrijven die qua aard en omvang thuishoren op een bedrijventerrein; bedrijven die veel verkeer genereren, Op zichzelf staande mestbewerking en/of –verwerking en structurele buitenopslag en grootschalige (licht) reclame.

Daarmee is er een afbakening opgenomen in de notitie, van niet-agrarische bedrijvigheid, die de gemeente niet gewenst acht in het buitengebied. Het gebiedstype ‘hoofdfunctie natuur’ omvat alle grote natuur- en bosgebieden. Binnen dit gebied komen ook woningen of andere functies voor, maar deze functies zijn in principe ondergeschikt. Of een nieuwe functie daadwerkelijk op een specifieke locatie haalbaar is, hangt voor een belangrijk deel af van de impact op de aanwezige natuur. De aanvaardbaarheid van een initiatief is dus afhankelijk van de impact van de nieuwe activiteit. Voor het bepalen van deze impact wordt gekeken naar de effecten van de beoogde activiteit op de ondergrond (bodem, grondwater en archeologische waarden), de netwerken (alle vormen van zichtbare en onzichtbare infrastructuur) en de occupatie (ruimtelijke patronen ten gevolge van menselijk gebruik). Voor de beoordeling van de effecten is het van belang om in ieder geval te weten: a. Wat is de omvang van de beoogde functie; b. Wat is de aard van de beoogde functie; c. Wat is de aard van de (directe) omgeving; d. Wat is de uitstraling van de beoogde functie

Hoofdstuk 3

17

Met voorliggend bestemmingsplan wordt de agrarische bedrijfsbestemming (9.178 m²) herbestemd (in de vorm van sloop- nieuwbouw) voor bedrijfsmatige activiteiten (400 m² voor een technisch ontwikkelatelier en 1.000 m2 statische opslag) en 200 m 2 aan bijgebouwen ten behoeve van wonen. Het technisch werkatelier omvat het ontwerpen en realiseren van schilderijen en/of technische snufjes, waarbij de activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Statische opslag betreft het opslaan van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven. Het bestemmingsplan legt de toegestane functies vast met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – VAB’. Binnen deze functieaanduiding is het mogelijk om statische opslag te realiseren van 1.000 m 2 en een technisch ontwerpatelier van 400 m2. Het gebied kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied. Naast het huidige agrarisch bedrijf, zijn rondom het plangebied een samenvoeging van verschillende functies aanwezig. Namelijk een veehouderij (Villenbraken 15) en overige agrarische bedrijvigheid. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats in bedrijfsbebouwing. Tevens wordt de locatie landschappelijk ingepast. Dit maakt dat het landelijke karakter van de locatie behouden en wordt versterkt. De nieuwbouw is significant kleiner dan de huidige bouw.

De sloop van deze veestallen, het verwijderen van de asbestplaten en de bestaande kelderruimte levert een verbetering op voor het landschap. De nieuwe loods komt op de plaats waar nu al veestallen staan. Om de nieuwbouw aan de noord- en oostzijde op een passende manier in het landschap over te laten gaan wordt hier een robuuste houtsingel voorgesteld. De houtsingel kleedt de nieuwbouw groen in en heeft naast de landschappelijke meerwaarde een ecologische meerwaarde als schuilen nestellocatie voor vogels en kleine zoogdieren. Het technisch werkatelier omvat het ontwerpen en realiseren van schilderijen en/of technische snufjes, waarbij de activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. De mogelijkheden voor vestiging in het buitengebied zijn voorts nadrukkelijk niet bedoeld voor bedrijven die zich vanwege optredende milieubelasting horen te vestigen op een bedrijventerrein. De vestiging is uitsluitend bedoeld voor kleinschalige, bedrijfsmatige activiteiten die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken. Een technisch werkatelier, waarbij de activiteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie is niet passend op een bedrijventerrein.

Met de voorgenomen ontwikkelingen worden er prototypes gebouwd, hiervoor geldt vaak een geheimhoudingsplicht/-verklaring waardoor er meer ruimte nodig is om prototypes te kunnen opstellen, maar wat niet leidt tot meer productie. Het is voor de bedrijfsvoering belangrijk dat er toezicht kan worden gehouden, doordat het een bedrijf aan huis betreft, is er veelal iemand aanwezig op het terrein. Het bedrijf is kleinschalig en de kantoorwerkzaamheden worden vanuit het woonhuis uitgevoerd. Bovendien is het niet rendabel voor een dergelijk kleinschalig werkatelier om ergens een bedrijfsruimte te moeten huren. Inpandige statische opslag is een veel voorkomende activiteit voor een VAB-locatie en passend in het buitengebied. De relatief lage opbrengsten die gegenereerd kunnen worden door statische opslag in combinatie met de relatief lage milieucategorie, maken vestiging op een bedrijventerrein minder geschikt en opportuun. De bedrijventerreinen in Meierijstad zijn over het algemeen bedoeld voor de vestiging van bedrijven in de hogere milieucategorieën en statische opslag is niet een functie waaraan prioriteit wordt gegeven bij uitgifte van gronden. In paragraaf 4.7 is aangetoond dat de ontwikkeling geen belemmeringen veroorzaakt voor omliggende (milieugevoelige) functies en vice versa.

De beoogde woonfunctie (VAB) in combinatie met statische opslag en werkatelier is passend gelet op de omgeving, waarbij tevens een bijdrage wordt geleverd om verdere leegstand binnen het landelijk gebied te voorkomen. Hierbij wordt overtollige bebouwing gesloopt en tevens wordt er geen vestiging mogelijk gemaakt voor kantoren, lawaaisport en/of mestbewerking. De opslag zal enkel binnen de bedrijfsgebouwen plaatsvinden.

Hoofdstuk 3

18

Artikel 3.32 Landschappelijke waarden in de groenblauwe mantel Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op de Groenblauwe mantel: a. strekt tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de daarmee samenhangende ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken; b. stelt regels ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken van het gebied; c. borgt dat een ontwikkeling gepaard gaat met een positieve bijdrage aan de bescherming en ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. Lid 2 De toelichting bij een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat een beschrijving van de aanwezige ecologische waarden en kenmerken en landschappelijke waarden en kenmerken. De Interim Omgevingsverordening biedt de mogelijkheid om niet-agrarische functies binnen het landelijk gebied te vestigen. Hierbij dient te worden gekeken naar de omgeving en dient er een bijdrage te worden geleverd aan ruimtelijke kwaliteit. Zoals in het inrichtingsplan is betoogd wordt met onderhavige ontwikkeling fors geïnvesteerd in ruimtelijke kwaliteit.

Hiermee wordt ook voldaan aan de doelstellingen van de Groenblauwe mantel, waarbij de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van het gebied waar nodig worden behouden en waar mogelijk worden versterkt door de voorgenomen inrichtingsmaatregelen. Naast de (forse) sloop van de bestaande bebouwing is gekeken naar een nieuwe inrichting van het perceel. Hierbij is rekening gehouden met de eisen en aandachtspunten met betrekking tot de stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing. Er wordt een fysieke bijdrage geleverd in de vorm van het toevoegen van natuur en/of landschapselementen ter plaatse van het plangebied, alsmede het slopen van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing. Artikel 3.69 Afwijkende regels wonen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt; b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing; c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Vanwege de beëindiging en het wegbestemmen van de agrarische bedrijfsactiviteiten is de planologische bedrijfswoning niet meer passend. De Interim Omgevingsverordening biedt de mogelijkheid voor de omzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning, mits overtollige bebouwing wordt gesloopt. Met het initiatief zal het aantal vierkante meters aan verhard oppervlak (bebouwing en erfverharding) afnemen met circa 3.590 m². Tevens mag er geen splitsing plaatsvinden van verschillende woonfuncties. In onderhavige geval is daar geen sprake van. Artikel 3.28 Aardkundig waardevol gebied Daarnaast zijn de gronden gelegen binnen Aardkundig waardevol gebied (artikel 3.28 IOV). Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied:

Hoofdstuk 3

19

 

is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.

Het plangebied is gelegen binnen het aardkundig waardevol gebied: Dommel, Vresselsche Bosch, Breugelse Beemden, Nuenens Broek. Het betreft een Beekdal met o.a. overstromingsvlakte, actieve bedding, stootoevers en oeverwallen. In de landschapsanalyse Meierijstad (2019) bevindt het plangebied zich op een overgangszone van de oude ontginningen naar het beekdallandschap van de Dommel tot aan het open jonge heide ontginningen landschap ten oosten van het plangebied. In het als bijlage bijgevoegde landschappelijk inpassingsplan wordt een gebiedsbeschrijving en historische kenschets gegeven. Het is belangrijk om met de beoogde ontwikkeling bij te dragen aan landschapsversterking en een goede overgang te creëren tussen de verschillende landschapstypes. Zo is in het plan een duidelijk onderscheid gemaakt tussen inrichtingsvoorstellen van het beekdal met de overstromingsvlakten en de oeverwal waarop de bebouwing (woning en diverse bijbehorende bouwwerken staan. Bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan is in die zin dan ook rekening gehouden met het landschap, de aardkundige waarden en de dynamiek van het plangebied en omgeving. De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels behorende bij het bestemmingsplan. Hiermee draagt het plan mede bij aan het behoud, herstel en de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden.

Artikel 3.16 Natuur Netwerk Brabant Aan de oostkant van het plangebied ligt de natte natuurparel De Dommel, dit is aangeduid als Natuur Netwerk Brabant (NNB) (artikel 3.16 IOV). In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd. Het oostelijke gedeelte van het plangebied maakt onderdeel uit van het NNB. Het betreft een strook van circa 60 meter welke als natuurbeheertype “N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)” heeft. De direct aangrenzende Dommel bestaat uit “N03.01 Beek en Bron”, en de overzijde van de Dommel “N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland”. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven. Met het toevoegen van landschapsbomen en kruidenrijke vegetatie met bosjes worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB versterkt. Zo is in het weiland tussen de bestaande bebouwing en de Dommel een natuurlijke poel aanwezig.

Om de natuurwaarden te versterken wordt de poel beschermd en een strook naast de Dommel wordt natuurlijk ingericht met kruidenrijke vegetatie, in combinatie met een aantal bosjes. Door het toevoegen van bosjes en kruidenrijke vegetaties wordt het beekdal versterkt en draagt deze ontwikkeling bij aan het terugbrengen van beekdalbeplantingen. Daarnaast dient de toevoeging van bosjes een goede schuilplaats voor verschillende soorten fauna. Vervolgonderzoek of compensatie in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Art. 3.29 Cultuurhistorisch waardevol gebied Tot slot is de voorgenomen ontwikkeling gelegen binnen cultuurhistorisch waardevol gebied (artikel 3.29 IOV). Derhalve is met de landschappelijke inpassing onderzocht of de inpassing een versterking van de erfgoedwaarden in het gebied kan betekenen en is er een gebiedsbeschrijving en historische

Hoofdstuk 3

20

kenschets opgesteld. Zoals hierboven en in het landschappelijk inpassingsplan beschreven ligt het plangebied binnen het karakteristieke beekdallandschap Dommeldal. Als waarden en kenmerken van dit gebied zijn benoemd:  De moerkuilen;  De broekbosjes;  Het hakhout;  De kleinschalige percelering,  een mozaïek waarin afwisselend akkertjes, graslanden en broekbosjes voorkomen;  De perceelrandbegroeiing;  De afgesneden meanders;  Het (micro)reliëf;  De (onverharde) paden en wegen In het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met de aanwezigheid van deze waarden en kenmerken en met het inbrengen van maatregelen ter versterking daarvan. Concreet worden onder andere een houtsingel en enkele landschapsbomen aangeplant ter versterking van de perceelsrandbegroeiing, Er vindt sloop plaats en de beoogde herbouw van loodsen is compacter, waardoor ruimte ontstaat voor een betere landschappelijke inpassing en daarmee passender bij het kleinschalig karakteristieke beekdallandschap. Met de voorgestelde en voorwaardelijk verplicht gestelde maatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan wordt het cultuurhistorisch waardevolle landschap versterkt. Voor meer informatie over het landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar paragraaf 2.2, figuur 2.2 en het landschappelijk inpassingsplan in de bijlagen.

Conclusie De Interim omgevingsverordening vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode Op 31 januari 2013 heeft de voormalige gemeenteraad van Sint-Oedenrode de ‘Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige Buitengebied Sint-Oedenrode’ vastgesteld. De voormalige gemeente Sint-Oedenrode wil met deze herziening het beleid van bebouwingsconcentraties verruimen en meer ruimte maken voor toekomstige ontwikkelingen gericht op het versterken van de kwaliteiten van het buitengebied. Deze herziening geeft een verruiming waarbij de kwaliteit van het landelijk gebied centraal staat en niet meer de scheiding van functies. Dit sluit aan bij de nieuwe koers van de provincie Noord- Brabant en de strategische visie van Sint-Oedenrode, zoals verwoord in de herijking van de Rooi(s)e Draad. Doorwerking plangebied Villenbraken is niet gelegen in een bebouwingsconcentratie, waardoor eigenlijk geen aanspraak gemaakt kan worden op dit beleid. Echter gezien de hoge kwaliteitswinst die wordt gehaald door het beoogde plan aan de Villenbraken wordt beargumenteerd waarom het initiatief gebruik kan maken van dit beleid. Op locatie wordt 2.569 m 2 aan bebouwing gesloopt, hiervan wordt 1.400 m 2 herbestemd voor gebruik als technisch ontwikkelatelier en statische opslag. Daarnaast wordt ter plaatse maximaal 200 m 2 aan

Hoofdstuk 3

21

bijgebouwen ten dienste van de woning mogelijk gemaakt. De sloop-bonus welke gegenereerd wordt in combinatie met de landschappelijke kwaliteitsimpuls. Met betrekking tot het technisch werkatelier en de statische opslag is van de 1.400 m2, 1.000 m2 rechtstreeks toegestaan via het bestemmingsplan. Dat betekent dat (2.569 – 1.000 =) 1.569 m2 overblijft om in te zetten als extra tegenprestatie. In veel gemeenten wordt middels een sloopregeling gewerkt, waarbij geldt dat 25% van het totaal aan gesloopte bebouwing teruggebouwd mag worden. Dit resulteert in (1.569*0,25 =) 392,25 m 2 aan bebouwing welke teruggebouwd mag worden. Afgerond biedt dit de mogelijkheid om 400 m2 in te zetten ten behoeve van statische opslag en technisch ontwikkelatelier. Concreet betekent dit dat 1.000 m2 aan bebouwing wordt ingezet ten behoeve van statische opslag. De overige 400 m 2 betreft de vestiging van het technisch werkatelier. Dit betreft volgens het ‘Herziening Bebouwingsconcentraties en het overige buitengebied Sint-Oedenrode’ een niet-agrarische functie. Het voorgenoemde beleid laat het toe om bij een cumulatie van deze twee functies in bebouwingsconcentraties maximaal 1.400 m2 aan bedrijfsgebouwen toe te staan.

Hoewel de locatie niet is gelegen in een bebouwingsconcentratie, wordt als tegenprestatie aangedragen de grote absolute kwaliteitswinst die bereikt kan worden, waardoor het initiatief in lijn is met de algehele doelstellingen van het gemeentelijk beleid. Conclusie Het initiatief is in lijn met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 3

22

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Toetsing Besluit m.e.r. / Vormvrije m.e.r.-beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Doorwerking plangebied Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt het mogelijk gemaakt om een voormalige veehouderij om te zetten naar een wonen met een VAB-aanduiding voor statische opslag en technisch ontwerpatelier. De voorgenomen activiteit komt niet voor als activiteit in Bijlage D van het Besluit m.e.r. Er is geen sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteit. Er is geen m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk. Er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden. Conclusie Het doorlopen van een m.e.r.(beoordelings)-procedure is niet noodzakelijk. Het vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Toetsingskader Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2022 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.

Hoofdstuk 4

23

Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.2.2 Onderzoek Archeologie Het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ (zie ook figuur 1.2). Dit houdt in dat voor werkzaamheden die een oppervlakte bedragen groter dan 500 m 2 en dieper gaan dan 0,5 m2 een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De geplande werkzaamheden (sloop en bouw bedrijfsbebouwing voor statische opslag en ontwerpatelier) zullen een groter oppervlak beslaan van 500 m2, maar waarschijnlijk niet dieper dan 0,5 m2. Op voorhand is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Ter bescherming van het archeologisch bodemarchief blijft de dubbelbestemming gehandhaafd en bij indiening omgevingsvergunning voor het bouwen of de aanlegwerkzaamheden zal ten finale getoetst worden of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Cultuurhistorie Blijkens het vigerende bestemmingsplan is het gebied gelegen binnen een ‘cultuurhistorisch waardevol gebied’. De gronden zijn hierdoor mede bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden. Op basis van het bestemmingsplan (artikel 4.6) dienen voor bepaalde werkzaamheden binnen een cultuurhistorisch waardevol gebied een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden te worden verleend. De beoogde werkzaamheden vinden hoofdzakelijk plaats binnen het bouwvlak, waarvoor geen omgevingsvergunning benodigd is. Wel zijn er werkzaamheden voorzien die strekken tot de aanleg en instandhouding voor de voorgestane landschappelijke inpassing. Deze werkzaamheden zijn uitgezonderd van de vergunningsplicht. Binnen het plangebied zijn verder geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Tevens is het gebied niet gelegen binnen een beschermd stads-/dorpsgezicht. 4.2.3 Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.3 Ecologie 4.3.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten

Hoofdstuk 4

24

aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het oostelijke gedeelte van het plangebied maakt onderdeel uit van het NNB. Het betreft een strook van circa 60 meter welke als natuurbeheertype “N00.01 Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)” heeft. De direct aangrenzende Dommel bestaat uit “N03.01 Beek en Bron”, en de

Hoofdstuk 4

25

overzijde van de Dommel “N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland”. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, en door het toevoegen van landschapsbomen en kruidenrijke vegetatie met bosjes worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB enkel versterkt. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.3.2 Onderzoek Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 13,3 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de sloop van enkele stallen en de nieuwbouw van een loods betreft, is een toename aan stikstofuitstoot niet te verwachten. In de toekomstige situatie zal het aantal verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn.

De nieuwe loods zal energiezuiniger zijn ingericht. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is niet te verwachten. Een negatief effect op een Natura 2000-gebied is daarmee uitgesloten. Op basis van deze quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde.  Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.  Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.

Hoofdstuk 4

26

4.3.3 Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4 Water 4.4.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2022-2027 staan beschreven in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voor planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m2 geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. De gemeente Meierijstad (waartoe Sint-Oedenrode sinds 2017 behoort), waterschap De Dommel en waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk een Waterplan opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2128a098-d407-46fd-a48e-9736b4dcfcaf