CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting VGBP Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12'20.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

zijn zoals aangegeven echter indicatieve waarden. Uit jurisprudentie blijkt dat het oordeel of een ruimtelijke ontwikkeling wel of niet aangemerkt kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject onder andere afhangt van de aard en omvang van het plan/voornemen en de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Uit rechtbankuitspraken zijn hiertoe de volgende algemeen geformuleerde criteria af te leiden: •

Plaats van het project/activiteit: Het projectgebied ligt in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Voor de beoogde ontwikkeling zijn in voorliggende toelichting meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht. Het projectgebied is gelegen in een gebied dat door de gemeente Meierijstad in het kader van haar Omgevingsvisie is aangemerkt als ‘Gebiedstypologie iii. Landelijk gebied, verweving van functies (LGVF)’. De gebiedstypologie iii. LGVF laat een veelheid aan - 27 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

functies toe zonder het landschap teniet te doen. Daarnaast is het projectgebied gelegen in een door de gemeente Meierijstad als zodanig aangewezen ´bebouwingsconcentratie´, waarin sprake van een verscheidenheid aan bestemmingen zoals burgerwoningen, reguliere bedrijvigheid en agrarische bedrijvigheid en waarin de toegestane oppervlaktes aan bedrijfsbebouwing groter zijn dan in het overige buitengebied van Meierijstad. •

Wijkt de branche waarbinnen het project valt, qua ruimtelijke impact af van de branches die zijn toegestaan: In de huidige situatie is binnen het projectgebied op basis van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4 reeds een bomenrooibedrijf toegestaan en gevestigd. De aanvullende mogelijkheid tot het binnen de reeds vigerende bedrijfstemming maximaal 12 keer per jaar kunnen chippen c.q. shredderen van snoeihout (gedurende maximaal 4 uur per keer) is dermate kleinschalig van aard, dat sprake is van een incidentele bedrijfssituatie. Deze activiteit behoort daarmee niet tot de reguliere bedrijfsvoering van het bomenrooibedrijf.

•

Aantal vierkante meters dat wordt beoogd voor het project in relatie tot het aantal vierkante meters dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan: In de huidige situatie zijn binnen het plangebied een tweetal bedrijfsloodsen aanwezig van respectievelijk 315 m2 en 135 m2. In het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4 is de totale toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing voor het perceel vastgelegd op deze 450 m2. Het project ziet in de nieuwe situatie niet toe op een toename van het bebouwd oppervlak. De voorgenomen uitbreiding van het bestemmingsvlak wordt benut voor buitenopslag. Op deze uitbreiding komt dan ook nadrukkelijk géén bouwvlak te liggen, waarmee deze gronden niet bebouwd kunnen worden. Het maximaal toegestane aantal vierkante meters van 450 m2 aan bedrijfsbebouwing binnen het projectgebied blijft ook in de nieuwe situatie gehandhaafd, waarmee het beoogde aantal vierkante meters niet toeneemt.

•

Kenmerken van de (mogelijke) nadelige milieueffecten: Uit voorliggende toelichting blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten.

Conclusie Bovenstaande toetsing aan de uit jurisprudentie af te leiden criteria maakt duidelijk dat er bij voorliggend initiatief geen sprake is van “D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Omdat er geen sprake is van een

- 28 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

stedelijk ontwikkelingsproject is het Besluit milieueffectrapportage dan ook niet van toepassing.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt bestaande weten regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In het bestemmingsplan is aan het plangebied de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ toegekend, zoals blijkt uit figuur 1.2 van voorliggende toelichting. Deze dubbelbestemming blijft gehandhaafd. De dubbelbestemming houdt in dat bij het bouwen van een bouwwerk met een oppervlakte groter dan 500 m2 én dieper dan 0,5 m. er een rapport moet worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag verstoord worden voldoende zijn vastgesteld. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de uitbreiding van het bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag van boomstammen en houtsnippers met 1.185 m2. Hierbij worden geen nieuwe bouwwerken opgericht. De op het perceel te realiseren verharding ten behoeve van de buitenopslag wordt op het maaiveld aangebracht en reikt hiermee nimmer dieper dan 0,5 m..

Cultuurhistorie Volgens de Erfgoedwet dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden te worden met het aanwezige culturele erfgoed. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zoals aangegeven in hoofdstuk 3.1.3 van voorliggende toelichting is het plangebied is getoetst aan de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. Onderstaand is in figuur 4.1 een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgenomen, met daarop het plangebied rood omkaderd. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is het plangebied gelegen binnen de regio Meierij en meer specifiek binnen het cultuurhistorische landschap het Groene Woud. Het Groene Woud is aangewezen als Nationaal Landschap. Kenmerkend is de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Voorliggende ontwikkeling is dermate kleinschalig van aard, dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarden van het Groene Woud in (de omgeving van)

- 29 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

het plangebied. Daarnaast vindt er als gevolg voor voorliggende ontwikkeling géén sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing plaats.

Figuur 4.1: Uitsnede CHW-kaart (bron: Provincie Noord-Brabant).

Conclusie Er zijn hiermee geen belemmeringen vanuit de aspecten archeologie en cultuurhistorie voor onderhavig initiatief.

4.3

Flora en fauna In Nederland zijn flora en fauna beschermd via gebiedsbescherming en via soortenbescherming. Vanaf 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er treden verschuivingen op in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora en fauna. Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt geen sloop van bebouwing plaats waarin beschermde soorten gehuisvest kunnen zijn. Er zijn hiermee geen directe of indirecte negatieve effecten op de staat van instandhouding van beschermde soorten te verwachten. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de algemene zorgplicht geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc.). Te allen tijde geldt dat de algemene zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en Faunawet van toepassing is. Handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora

- 30 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

en fauna, blijven achterwege. Voor de activiteit hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Gebiedsbescherming Er zijn geen Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kampina en Oisterwijkse Vennen´. Dit gebied ligt op een afstand van ca. 8,5 kilometer van het plangebied. Daarnaast maakt het plangebied ook geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De meest dichtbij het plangebied gelegen ‘ecologische verbindingszone’ is op ca. 850 meter gelegen ter plaatse van de ‘Broekdijk’. De effecten die voortvloeien uit het plan (zoals onder andere verstoring door licht, geluid en optische verstoring) zorgen, gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, niet voor significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van het perceel Kremselen 12 is, zoals blijkt uit hoofdstuk 3.1.3. van voorliggende toelichting, aangemerkt als Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het betreft hier een vochtig bos met productie. De aanduiding NNB is gelegen op een gedeelte van de percelen M 668 en M 669. Deze percelen maken onderdeel uit van het reeds bestaande bedrijfsperceel. De voorgenomen uitbreiding van het bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag van boomstammen/houtsnippers vindt plaats op het perceel M 416. Dit perceel is nagenoeg volledig buiten het NNB gelegen.

In het kader van het wettelijk vooroverleg is in samenspraak met de provincie Noord-Brabant geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voor slechts een zeer klein gedeelte, namelijk 57 m2, plaatsvindt binnen het NNB. Deze aantasting kan worden gecompenseerd met een kleinschalige herbegrenzing (artikel 3.21). Het voorstel tot herbegrenzing, inclusief effectenbeoordeling, is opgenomen als bijlage aan voorliggende toelichting. De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op het NNB zijn zeer beperkt. De ontwikkeling leidt hiermee dan ook niet tot een onevenredige afbreuk van het NNB. Stikstofdepositie Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de gemeenteraad in de zogenaamde ‘voortoets’ te bezien of een passende beoordeling van het plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor één of andere meerdere Natura 2000-gebieden. Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000-gebieden als de stikstofdepositie niet meer bedraagt dan 0,00 mol/ha/jaar. Dit kan worden aangetoond middels een AERIUS-berekening. De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bestaande bedrijfsperceel ten behoeve van de buitenopslag van boomstammen/houtsnippers en het incidenteel mogelijk maken van het op kleinschalige wijze

- 31 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

versnipperen van snoeihout. Voor wat betreft de gebruiksfase vindt in de nieuwe situatie een toename van maximaal 4 verkeersbewegingen per dag met zwaar verkeer plaats. Het betreft hier de afvoer van houtsnippers die als gevolg van de voorgenomen uitbreiding extra kunnen worden opgeslagen op het bedrijfsperceel. Voor wat betreft de gebruiksfase dient als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen wel een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Aanlegfase Voor wat betreft de aanlegfase is als onderdeel van het plan sprake van het aanbrengen van verharding, het plaatsen een drietal keerwanden van stapelblokken en het aanleggen van een grondwal met beplanting. Op 1 juli 2021 is de Wet en het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering (Stikstofwet) in werking getreden. Belangrijk onderdeel van het Besluit is de bouwvrijstelling. Kort gezegd houdt deze vrijstelling in dat de aanlegfase van ontwikkelingen vrijgesteld is van de vergunningplicht Wet natuurbescherming en dat voor deze fase geen stikstofberekening meer nodig is. Hiermee kan voor onderhavig plan voor wat betreft de aanlegfase een stikstofberekening achterwege blijven.

Gebruiksfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) afkomstig van het plangebied vinden in de gebruiksfase plaats door een drietal type bronnen namelijk: 1) verkeersbewegingen van en naar het plangebied; 2) het incidenteel op kleinschalige wijze versnipperen van snoeihout; 3) de stookinstallaties binnen het plangebied. Ten behoeve van het in beeld brengen van de stikstofdepositie voor de gebruiksfase dient uitgegaan te worden van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In (de regels van) het bestemmingsplan zijn geen wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de wijziging van de bestemming Bedrijf naar een andere bestemming zoals Agrarisch t.b.v. een veehouderij. Wél zijn enkele afwijkingsbevoegdheden opgenomen, waarmee middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan biedt de ruimte een omgevingsvergunning te verkrijgen voor het uitoefenen van een andere bedrijfsactiviteit, zolang dit bedrijf naar aard en invloed niet meer milieuhinder voor de omgeving opleveren dan de oorspronkelijk toegestane bedrijfssoort. Dit geldt ook voor toegestane stikstofdepositie, waardoor deze afwijkingsbevoegdheid niet ter zake doet. Wel biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om in de toekomst de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing met 15% uit te breiden.

Deze situatie kan dan ook worden beschouwd als de maximale planologisch mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.

- 32 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Verkeersbewegingen De uitbreiding van het bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag zal leiden tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. Het betreft een toename van 4 verkeersbewegingen met zwaar verkeer per dag ten behoeve van de afvoer van houtsnippers en/of boomstammen die als gevolg van de voorgenomen uitbreiding extra kunnen worden opgeslagen op het bedrijfsperceel. Om de stikstofdepositie van de totale gebruiksfase van het bedrijf in de nieuwe situatie in beeld te brengen, wordt gerekend met zowel deze toename van het aantal verkeersbewegingen als met de bestaande verkeersbewegingen. Hierbij wordt in eerste instantie uitgegaan van een worst-case scenario, zoals ook gehanteerd bij het akoestisch onderzoek industrielawaai voor de inrichting aan Kremselen 12. Dit totaal aantal verkeersbewegingen betreft 18 bewegingen met licht verkeer (personenauto’s en busjes) en 20 bewegingen met zwaar verkeer (o.a. vrachtwagens, mobiele kraan, tractor) per dag voor het bedrijf inclusief bedrijfswoning. Vervolgens wordt in het kader van de maximale planologische mogelijkheden dit aantal verkeersbewegingen nog verhoogd met respectievelijk 3 bewegingen met licht verkeer en 3 bewegingen met zwaar verkeer per dag.

In totaal wordt hiermee ten behoeve van de berekening van de stikstofdepositie uitgegaan van 21 bewegingen met licht verkeer en 23 bewegingen met zwaar verkeer per dag. Versnipperen snoeihout Naast de uitbreiding van het bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag wordt middels voorliggend plan tevens mogelijk gemaakt dat door het bedrijf incidenteel op kleinschalige wijze snoeihout versnipperd kan worden. Het chippen van hout vindt primair op de projectlocaties plaats met afvoer van de chips rechtstreeks naar de afzetkanalen (biomassacentrales Eindhoven en Cuijk), echter soms dient het vanuit praktische overwegingen ook mogelijk te zijn om op de bedrijfslocatie aan Kremselen 12 te chippen. Per jaar zal maximaal 12 keer op de bedrijfslocatie worden gechipt gedurende maximaal 4 aaneengesloten uren per keer in de dagperiode. De chipper voldoet aan STAGE-klasse IV. Het opvoeren van hout vindt plaats door middel van een mobiele kraan die eveneens voldoet aan STAGE-klasse IV en 25% van de tijd stationair zal draaien. De maximale planologische mogelijkheden m.b.t. het met 15% kunnen uitbreiden van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing heeft geen invloed op de frequentie van het versnipperen. Het versnipperen blijft begrensd op maximaal 12 keer per jaar gedurende maximaal 4 uur aaneengesloten per keer in de dagperiode.

Stookinstallaties Binnen het plangebied zijn 2 bedrijfsloodsen en 1 bedrijfswoning aanwezig. Zowel de woning als één van de bedrijfsloodsen, waarin een bedrijfskantine c.q. kantoorruimte is, wordt verwarmd met aardgas. In de tweede bedrijfsloods is geen stookinstallatie aanwezig. De norm voor de emissie NOx ten gevolge van Wonen bedraagt 3,0 kg per jaar per woning. In onderhavig geval wordt, vanwege het feit dat het hier gaat om een vrijstaande woning en een kantoor-

- 33 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

ruimte, in eerste instantie uitgegaan dat per jaar gezamenlijk 6,0 NOx vrijkomt. Vervolgens wordt in het kader van de maximale planologische mogelijkheden rekening gehouden met een scenario waarbij de oudste bedrijfsloods wordt herbouwd met een grotere oppervlakte en daarbij ook voorzien wordt van een stookinstallatie. In totaal wordt hierdoor gerekend met 9,0 NOx emissie. Op basis van bovenstaande gegevens is middels het programma AERIUS Calculator 2021.0.5 de berekening uitgevoerd voor de mogelijke toename van de stikstofdepositie als gevolg van de gebruiksfase. De gehanteerde ‘grenswaarde’ bedraagt 0,00 mol/ha/j. Een hogere waarde wordt beschouwd als een overschrijding. De berekening en bijbehorende uitkomsten zijn toegevoegd als bijlage aan voorliggende toelichting. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd wordt dat door de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is geen sprake van een significante verslechtering van Natura 2000-gebieden door de gebruiksfase van het plan. Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.4

Water Waterbeheer is een essentieel onderdeel bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Bij ruimtelijke ontwikkelingen hanteert het Waterschap een aantal beleidsmatige uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer Beleidskaders Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het Waterschap de Dommel, de Keur Waterschap De Dommel 2015, het Provinciaal Waterhuishoudingsplan van de provincie NoordBrabant, de Vierde Nota Waterhuishouding, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Kern van deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een

- 34 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen. Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water- en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’: op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving.

Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur.

De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: - 35 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

• • •

Gemeente Meierijstad

van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied. van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

Keur Waterschap De Dommel 2015 In de 'Keur Waterschap De Dommel 2015' staan regels (met name geboden en verboden) die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Daarnaast kent de Keur beleidsregels voor het beschermen van bepaalde deelgebieden met elk een eigen beschermingsbeleid. Het gaat hierbij om beschermde gebieden waterhuishouding, beekdalen en attentiegebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met waterbelangen. Realisatie van nieuw verhard oppervlak en het afkoppelen van verhard oppervlak moet op grond van de keur hydrologisch neutraal worden uitgevoerd en optimaal worden ingepast in het bestaande watersysteem. De aanvrager/initiatiefnemer moet daarom voldoende compenserende maatregelen nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding voldoende robuust blijft. Uitgangspunt hierbij vormt de voorkeurstrits “vasthouden-bergenafvoeren”. Vasthouden kan door hergebruik of door het infiltreren van water in de bodem. In geval niet of onvoldoende kan worden geïnfiltreerd is een aanvullende voorziening noodzakelijk die het water tijdelijk bergt.

In onderhavige situatie wordt nieuwe verharding met een oppervlakte van 1.085 m2 aangebracht ten behoeve van buitenopslag. De plek waar de verharding wordt aangebracht is in de bestaande situatie onverhard en in gebruik als weiland. Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijfsperceel neemt het verhard oppervlak ter plaatse dan ook toe met 1.085 m2. Compensatie is op basis van het huidige beleid aan de orde omdat deze boven de ondergrens van 500 m2 valt, die door het waterschap De Dommel per 27 maart 2021 wordt gehanteerd. Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m2 tot en met 10.000 m2 kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Hieruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De kaart ‘Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015’ geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden.

- 36 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Waardevol Water in Meierijstad (VGRP+ 2017-2022) De gemeente Meierijstad heeft per september 2017 een water- en rioleringsplan (VGRP+ Meierijstad) vastgesteld. In het plan streeft de gemeente ernaar dat nieuwbouwplannen hydrologish neutraal worden uitgevoerd. Als voorkeursvolgorde hanteert de gemeente: infiltreren - bergen - afvoeren naar oppervlaktewater - afvoeren naar riolering. Uit onderstaande tabel, zoals opgenomen in het VGRP+, blijkt dat de gemeente Meierijstad (in tegenstelling tot waterschap De Dommel) ook voor ontwikkelingen onder de 500 m2 (0 tot 10.000 m2) compenserende maatregelen benodigd acht. Hiervoor wordt dezelfde bergende eis van 60 mm gehanteerd als die het Waterschap hanteert.

Figuur 4.4: Tabel uitgangspunten afvoer hemelwater (bron: VGRP+ Meierijstad).

Kenmerken huidige watersysteem Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sint-Oedenrode. Voor de kenmerken van het plangebied is gebruik gemaakt van de bodematlas van de provincie Noord-Brabant en de Legger van Waterschap De Dommel. Bodem en grondwater De bodem in het plangebied bestaat uit humuspodzolgrond. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt op een diepte van circa 80-100 centimeter beneden maaiveld. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) ligt op een diepte variërend van 120-140 tot 140-160 centimeter onder maaiveld. Dergelijke grondwaterstanden komen overeen met Grondwatertrap (GT) VI. Oppervlaktewater Rondom het plangebied is een oppervlaktewater in de vorm van een sloot aanwezig. Deze sloot betreft echter zowel geen A-watergang als geen B-watergang. Riolering In het buitengebied van Sint-Oedenrode is voor het grootste gedeelte drukriolering aanwezig. Vuilwater wordt afgevoerd via de drukriolering. Drukriolering heeft een beperkte capaciteit en is daarom niet geschikt voor de afvoer van hemelwater. Afvloeiend hemelwater dient derhalve niet afgevoerd te worden via de riolering waardoor vuilwater en hemelwater van elkaar gescheiden zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling komt geen vuilwater vrij en wordt dan ook geen nieuwe aansluiting op het drukriool gerealiseerd.

De huidige capaciteit van het rioleringsstelsel wijzigt hiermee niet en behoeft dus geen aanpassing.

- 37 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Benodigde compensatie Zoals bovenstaand aangegeven neemt als gevolg van voorliggend initiatief het verhard oppervlak toe met 1.085 m2. Hiermee geldt dat voor onderhavige ontwikkeling een compensatie benodigd is van: 1.085 * 0,06 = 65 m3. Ten behoeve van de afvoer van het hemelwater zal gebruik worden gemaakt van de watergang die aan de noordoostzijde van het perceel is gelegen. Deze watergang is in de huidige situatie niet in gebruik en heeft een lengte van circa 80 meter. Daar de GHG 80 – 100 cm bedraagt, kan enkel de bovenste 80 cm onder het huidige maaiveld worden gebruikt voor de berging van hemelwater. De watergang kent in haar huidige vorm een breedte van 3,0 meter en een talud met een helling van 1:1,25. Dit talud zorgt ervoor dat op een diepte van 80 cm de watergang nog een breedte van 1 meter heeft. De bergingscapaciteit van de watergang bedraagt hiermee: 80 * (3-1) * 0,8 = 128 m3. Hiermee kan ruimschoots voorzien worden in de benodigde compensatie van 65 m3. In haar vooroverlegreactie heeft Waterschap De Dommel kenbaar gemaakt dat gebruik van de sloot voor waterberging enkel mogelijk is wanneer het water in de sloot kan worden vastgehouden en niet (te snel) afstroomt naar het regionale oppervlaktewatersysteem. Om hierin te voorzien zal een stuw geplaatst worden in de sloot.

Omdat het gebruik van de sloot voor de waterberging van Kremselen 12 effect zou kunnen hebben op de ontwatering van het perceel M 643, is door waterschap De Dommel verzocht hierover een (aanvullende) omgevingsdialoog te voeren met de eigenaar van dit landbouwperceel. Het verslagformulier van deze omgevingsdialoog is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De eigenaar van perceel M 643 heeft aangegeven akkoord te zijn met het gebruik van de sloot voor de waterberging van voorliggend initiatief. Conclusie Het aspect water vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5

Bodem Op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht moet in planvorming rekening gehouden worden met bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. In aanvulling hierop is in de Bouwverordening van de gemeente Meierijstad geregeld dat onder bepaalde omstandigheden het oprichten van gebouwen pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit door middel van onderzoek de bodemkwaliteit te worden vastgesteld. Ook bij nieuw gebruik voor gevoelige functies, zoals voorliggende bestemmingswijziging, kan bodemonderzoek nodig zijn. Bij de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied wordt voor een gedeelte van het perceel M 416 de bestemming ‘Agrarisch met waarden - LW’ gewijzigd naar de bestemmingen ‘Bedrijf’ (ten behoeve van buitenopslag van boom-

- 38 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

stammen en houtsnippers) en de bestemming ‘Bos’. Daarnaast blijft voor een gedeelte van het perceel M 416 de huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden - LW’ gehandhaafd. Het betreft hier een strook aan de noordoostzijde van het perceel met een oppervlakte van 550 m2, zoals nader weergegeven in figuur 2.2 van voorliggende toelichting. Ter plaatse van een gedeelte van deze strook agrarische grond is een puinpad aanwezig. Daar de bestemming van deze strook niet wijzigt en er ter plaatse geen grondverzet plaatsvindt is nader onderzoek naar de samenstelling van dit puinpad (vooralsnog) niet vereist. Ten behoeve van de wijziging van de overige gronden binnen het perceel M 46 naar de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Bos’ is door initiatiefnemer opdracht verstrekt aan Bodeminzicht voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek zijn hieronder samengevat opgenomen en luiden als volgt:

CONCLUSIES EN ADVIES Ter plaatse van het perceel Kremselen 12 te Sint-Oedenrode is juni 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is in opdracht van de heer J. Peters van Gebroeders Peters te Sint-Oedenrode uitgevoerd in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. In de bovengrond zijn maximaal licht verhoogde gehaltes aan verontreinigen gemeten. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Op basis van deze verontreinigingen wordt de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen en vervangen door de hypothese ‘verdachte locatie’. Echter gezien de maximaal licht verhoogde gehaltes is de uitvoering van aanvullend of nader onderzoek, ons inziens, niet zinvol. De resultaten van het onderzoek stemmen niet geheel overeen met de hypothese. De resultaten vormen echter geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt, ons inziens, geen belemmering voor de beoogde bestemming. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar.

Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit.

- 39 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Conclusie Het aspect bodem vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.6

Kabels en leidingen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn volgens de provinciale risicokaart en het bestemmingsplan geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Als gevolg van voorliggend plan is geen sprake van nieuwe aansluitingen op de nutsvoorzieningen. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt hiermee geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.7

Bedrijven en milieuzonering Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende fysieke afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Wettelijk kader De Vereniging van Nederlandse Gemeenten doet in de publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009), een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie ten opzichte van woningen krijgen. Omgevingstype In een intensief gebruikt gebied met veel functies en ‘bedrijvigheid’ wordt vaak minder hinder ervaren van een milieubelastende activiteit dan in een rustige woonwijk. De VNG-handreiking hanteert daarom twee omgevingstypen, te weten ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. Rustige woonwijk en rustig buitengebied “Een rustige woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar - 40 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.” Gemengd gebied “Een gemengd gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.”

7.

8.

4. 6. 5. 3.

1.

8.

8. 2.

Figuur 4.5: Kaart met bestemmingen en functies rondom plangebied Kremselen 12.

Rondom het plangebied is sprake van een verscheidenheid aan bestemmingen zoals burgerwoningen, reguliere bedrijvigheid en agrarische bedrijvigheid. Binnen een straal van 250 meter van het plangebied zijn de volgende bedrijfsmatige functies gelegen: 1) Bomenrooibedrijf 2) Loon- en grondverzetbedrijf 3) Aannemersbedrijf incl. hobbymatig melk- en rundvee 4) Hondenkennel - 41 -

Kremselen 12 Kremselen 14 Kremselen 7 Kremselen 4

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

5) Vollegronds groente- en fruitteeltbedrijf 6) Groothandel isolatiemateriaal 7) Opslag en bedrijfsruimte ambulante handel 8) Diverse locaties t.b.v. boomteelt

Bus 1 Bus 9a Bus 6 Bus – Kremselen

In figuur 4.5 is een uitsnede van de plankaart behorende bij het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode opgenomen, met daarop de verschillende bestemmingen en functies in de nabijheid van het plangebied weergegeven. Ondanks de verscheidenheid aan functies rondom de planlocatie wordt in voorliggend bestemmingsplan voorzichtigheidshalve toch uitgegaan van het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. Milieuzonering als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt de uitbreiding van een reeds bestaand bomenrooibedrijf mogelijk gemaakt. De uitbreiding voorziet in 1.085 m2 extra buitenterrein voor de opslag van boomstammen en houtsnippers. In de nieuwe situatie bedraagt de oppervlakte van het bedrijfsoppervlak 4.760 m2. De gemeente Meierijstad heeft hierbij de voorwaarde gesteld dat een grootte van 5.000 m2 voor het bestemmingsvlak de eindsituatie is. Daarnaast wordt mogelijk gemaakt dat incidenteel op kleinschalige wijze snoeihout kan worden versnipperd (maximaal 12 keer per jaar gedurende maximaal 4 aaneengesloten uren in de dagperiode). De gemeente Meierijstad heeft aan de voorgenomen ontwikkeling de voorwaarde verbonden dat de milieucategorie van het bedrijf niet toe mag nemen. In de huidige situatie heeft het bomenrooibedrijf reeds een bedrijfsoppervlak (b.o.) van 3.675 m2.

Een bomenrooibedrijf met een bedrijfsoppervlak groter dan 500 m2 wordt conform de VNG handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangemerkt als een bedrijf in milieucategorie 3.1. De grootste richtafstand in een rustig buitengebied bedraagt hiermee 50 meter voor wat betreft geluid, zoals weergegeven in figuur 4.6. VNG – Bedrijven en milieuzonering

Richtafstand in meters

Id

Omschrijving

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

1.

Loonbedrijven, plantsoen- en hovenieresbedrijven: b.o. > 500 m2

30

10

50

10

Milieucat. 3.1

Figuur 4.6: Milieuzonering bomenrooibedrijf (bron: VNG 2009, Bedrijven en milieuzonering).

De voorgenomen uitbreiding van het bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag vindt plaats aan de noordoostzijde van het bedrijfsperceel. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele burgerwoningen gelegen. Voor de burgerwoningen aan Kremselen 11a en Kremselen 11 bedraagt de afstand tussen de bestemmingsgrens ‘Bedrijf’ en de meest dichtbij gelegen gevels van deze woningen in de nieuwe situatie respectievelijk 37 meter en 40 meter. Hiermee wordt ten opzichte van deze woningen niet aan de grootste richtafstand van 50 - 42 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

meter (voor geluid) voldaan. In hoofdstuk 4.10 alsmede in het akoestisch onderzoek in de bijlage van voorliggende toelichting wordt daarom het industrielawaai afkomstig van de inrichting nader onderzocht. Aan de overige richtafstanden voor respectievelijk geur, stof en gevaar tot de meest dichtbij gelegen woningen wordt voldaan. Door de toezichthouder van de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) is op 6 mei 2022 een controle bij de inrichting aan Kremselen 12 uitgevoerd. Hierbij is geconstateerd dat dichtbij de opslag van de houtchips een geur van vochtig hout herkenbaar is. Op een afstand van 1 meter is deze geur echter niet meer waarneembaar. Daarnaast zijn de houtchips van zichzelf vochtig en veroorzaken geen stof. De toezichthouder heeft eerder op een moment dat er hout gechipt werd geconstateerd dat er van dat proces geen stof vrijkomt. Op het terrein en de gebouwen is ook niet geconstateerd dat er stof opgehoopt zou zijn (neerslag van stof op bijvoorbeeld het dak of in de open loods is niet zichtbaar aanwezig). Als er stof is, lijkt dit vooral zand te zijn.

Bovenstaande constateringen van de toezichthouder sluiten aan bij de van toepassing zijnde richtafstanden en bevestigen dat middels het in acht nemen van deze afstanden tot nabij gelegen woningen, het aannemelijk is dat voor wat betreft de aspecten geur, stof en gevaar er geen onevenredige hinder wordt ondervonden door omwonenden. Milieuzonering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling wordt geen nieuwe bedrijfsbebouwing opgericht waarin verblijfsruimtes gesitueerd zijn. Op het bedrijfs-perceel wordt daarmee geen nieuw gevoelig object opgericht. De bedrijfswoning blijft in zijn huidige vorm gehandhaafd (bestaand gevoelig object). Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden dan ook geen omliggende bedrijven beperkt in hun gebruiks- dan wel ontwikkelingsmogelijkheden.

4.8

Geur Per 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door veehouderijbedrijven. Voor een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of: ➢ Bestaande bedrijven door het plan niet worden belemmerd in huidige of toekomstige bedrijfsvoering; ➢ Er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het eerste punt wordt de zogenaamde toets op de ‘omgekeerde werking’ toegepast. Daarbij wordt uitgegaan van de geurnormen en de richtafstanden uit de Wet geurhinder (Wgv) of de gemeentelijke verordening. Voor het tweede punt moet worden getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of de gemeentelijke beleidsregel.

- 43 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Individuele geurhinder De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. Deze wettelijke normen voor de voorgrondbelasting zoals vastgelegd in de Wgv zijn door de voormalige gemeente SintOedenrode overgenomen in haar ‘Verordening geurhinder en veehouderij’. Voor diercategorieën waarvan de geuremissiefactor per dier is vastgesteld, zoals varkens, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Deze bedraagt maximaal: ➢ 3,0 ouₑ/m³ binnen de bebouwde kom ➢ 14,0 ouₑ/m³ buiten de bebouwde kom Voor dieren zonder geuremissiefactor, zoals melkkoeien en paarden, gelden minimaal de volgende aan te houden afstanden: ➢ ten minste 100 meter binnen de bebouwde kom ➢ ten minste 50 meter buiten de bebouwde kom Bij voorliggend initiatief wordt een uitbreiding van het bestaande bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag mogelijk gemaakt. Er wordt hiermee geen nieuw geurgevoelig object opgericht. Nabij het plangebied is, zoals blijkt uit hoofdstuk 4.7, op Kremselen 7 een aannemersbedrijf gevestigd waarbij hobbymatig enkele stuks melk- en rundvee worden gehouden. Op basis van de Wgv dient ten opzichte van dit bedrijf een vaste afstand van 50 meter buiten de bebouwde kom te worden aangehouden ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Deze afstand wordt in het kader van de omgekeerde werking gemeten vanaf de rand van het bouwvlak van beide bedrijven tot de gevel van de bedrijfswoning dan wel de bedrijfsloods. Ondanks dat bij voorliggend initiatief geen nieuw geurgevoelig object wordt opgericht, wordt aan deze afstand van 50 meter ruimschoots voldaan. Het bedrijf wordt dan ook niet beperkt in haar gebruiks- dan wel ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van voorliggend plan. Gecumuleerde geurhinder Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarden worden aangehouden: 10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied. Door de Omgevingsdiensten Zuid-Oost Brabant is onlangs een actuele geurkaart van de achtergrondbelasting in diverse Brabantse gemeenten, waaronder Meierijstad, opgesteld. In figuur 4.7 is een uitsnede van deze geurkaart opgenomen. - 44 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Zoals uit figuur 4.7 blijkt is ter plaatse van de planlocatie sprake van een achtergrondbelasting in de range van 0-3 ouₑ/m³. De wettelijke norm van 20 ouₑ/m³ wordt hiermee niet overschreden.

Figuur 4.7: Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting (Bron: ODZOB).

Om het woon- en leefklimaat te beoordelen hanteert het RIVM voor de achtergrondbelasting geur de milieukwaliteitscriteria zoals opgenomen in figuur 4.8. De achtergrondbelasting ter plaatse van de drie woningen valt in de categorie 1-3 ouₑ/m³. Het woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondbelasting kan dan ook als zeer goed worden beoordeeld. Achtergrondbelasting (ou /m³ ) E

1-3

Mogelijke kans op geurhinder (%)

Beoordeling leefklimaat

<5

zeer goed

4-8

5-10

goed

9-13

10-15

redelijk goed

14-20

15-30

matig

21-28

20-25

tamelijk slecht

29-38

25-30

slecht

39-50

30-35

zeer slecht

51-65

35-40

extreem slecht

Figuur 4.8: Classificatie achtergrondbelasting (bron: RIVM).

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

- 45 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

4.9

Gemeente Meierijstad

Gezondheid in relatie tot veehouderijen Door middel van toetsing aan het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) kan beoordeeld worden of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Het stappenplan 2.0 wordt hieronder weergegeven, waarbij per stap een nadere toetsing plaatsvindt. 1. Voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de blootstelling aan endotoxine heeft de Gezondheidsraad een advieswaarde van 30 EU/m3 vastgesteld. De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. Rondom de planlocatie is binnen een straal van 1,0 kilometer één varkenshouderij gelegen. Deze varkenshouderij en haar jaarlijkse PM10 (endotoxine) emissie is weergegeven in figuur 4.9.

Op basis van de vergunde fijnstofemissie kan door middel van onderstaande vergelijkingen worden berekend binnen welke afstand naar verwachting de advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden.

id

Adres

Type bedrijf

1.

Liempdseweg 37

Vleesvarkens: 99 kg. PM10/jaar

Richtafstand

Werkelijke

Endotoxine

Afstand

44 m.

640 m.

Figuur 4.9: Richtafstanden Endotoxine.

Bovenstaande richtafstand worden conform het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0' aangehouden vanaf het emissiepunt van het bedrijf, zoals opgenomen in Web-BVB, tot aan de gevel van een gevoelig object. Hierbij wordt geen rekening gehouden met meteo-omstandigheden, daar de mogelijkheden om dit te doen vooralsnog ontbreken. Zoals weergegeven in figuur 4.9 wordt ruimschoots voldaan aan de geldende richtafstand voor endotoxine.

- 46 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

2. Toename in emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak; De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van bestaand bomenrooibedrijf ten behoeve van buitenopslag. Hierbij vindt geen toename in emissies van geur, fijnstof en/of ammoniak plaats. 3. Geurbelasting; toetsen aan een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; a. Wettelijke uitgangspunten In hoofdstuk 4.2 van voorliggende toelichting heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de Wgv plaatsgevonden. Op de planlocatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur. b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekeken worden naar een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld geeft voor deze gezondheidskundige beoordeling. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD het uitgangspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarden voor het buitengebied door de GGD landelijk wordt gesteld op respectievelijk 5,0 OU/m3 voor de voorgrond en 10,0 OU/m3 voor de achtergrond. Zoals blijkt uit de toetsing uit hoofdstuk 4.8 van voorliggende toelichting worden aan deze gezondheidskundige advieswaarden voldaan. 4.

Bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; Niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee. 5. Geitenhouderij: binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden; a. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De provincie heeft een verbod van uitbreiding van geitenhouderijen ingevoerd. In het kader van de omgekeerde werking

- 47 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

(gevoelige functies rond geitenhouderijen) wordt bekeken of er zich binnen 2 kilometer van het plan bedrijven met geiten bevinden. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen waar meer dan 50 geiten gehouden worden. Er is dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. b. Pluimveehouderijen Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen. Binnen een straal van 1 kilometer van de planlocatie bevinden zich echter geen pluimveehouderijen. Er is dan ook geen sprake van een onaanvaardbaar volksgezondheidsrisico ter plaatse van de planlocatie. c. Overige veehouderijen Ook voor overige veehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen, namelijk 250 meter ten opzichte van gevoelige functies.

Op het perceel Kremselen 7 bevindt zich een aannemersbedrijf waarbij het tevens is toegestaan om hobbymatig enkele stuks vee te houden. 6. De aanwezigheid van mestbewerking en mestverwerking; Niet van toepassing. 7. De ongerustheid bij omwonenden; Zowel in het vigerende bestemmingsplan als in het planvoornemen is er sprake van de bestemming ‘Bedrijf’ met, onder andere, de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 48’ (bomenrooibedrijf). Bij omwonenden is daarmee geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er geen specifieke omstandigheden aan de orde zijn. Of in onderhavig geval een advies van GGD benodigd is blijft echter een afweging van de gemeente Meierijstad.

- 48 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. De ontwikkeling moet getoetst worden aan dit afwegingskader. Concreet betekent dit dat in de gemeente Meierijstad voorlopig als volgt gehandeld wordt: ▪

Een uitbreiding van het aantal geiten in bestaande stallen of gebouwen wordt niet toegestaan, tenzij er geen gezondheidskundige bezwaren daarvoor zijn. Bij voorliggende ontwikkeling is geen sprake van de uitbreiding van het aantal geiten.

▪

Binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen doet zich, vooralsnog, een extra risico voor. Daarom hanteert het college daar een extra zorgvuldigheid. Dat betekent dat met plannen voor het huisvesten of opvangen van kinderen, kwetsbare mensen en ouderen sowieso terughoudend omgegaan wordt. Er bestaat géén hard afwegingskader voor de toetsing van bouwplannen. Locatie, omgeving, het soort bedrijf en het soort ontwikkeling zijn telkens anders en vragen om maatwerk. Het gezondheidsbelang wordt daarbij afgezet tegen bijvoorbeeld volkshuisvestelijke, sociale, economische en financiële belangen. Binnen een straal van 2 kilometer van de planlocatie zijn geen geitenhouderijen gevestigd.

▪

Aanvragers van plannen en nieuwe potentiële bewoners in het gebied worden geïnformeerd over het risico. Ook wordt hen gevraagd een verklaring daarover te ondertekenen. Het plangebied is niet gelegen in het genoemde gebied met geitenhouderijen.

Conclusie Er zijn hiermee voor wat betreft het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.10 Geluid Ten aanzien van het aspect geluid zijn het wegverkeer en de bedrijven van belang. Voor het wegverkeerslawaai vormt de Wet geluidhinder het toetsingskader en voor de bedrijven de Wet milieubeheer (waaronder het Activiteitenbesluit). Daarnaast moet in het kader van de Wet ruimtelijke ordening sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

- 49 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Wegverkeerslawaai De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bestaande bedrijfsperceel ten behoeve van buitenopslag. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten in de zin van de Wgh opgericht. Daarnaast hoeft op basis van artikel 76 lid 3 van de Wgh de bestaande bedrijfswoning niet getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wgh. Industrielawaai Middels de voorgenomen ontwikkeling wordt de inrichting aan Kremselen 12 uitgebreid ten behoeve van buitenopslag van boomstammen en houtsnippers en het incidenteel op kleinschalige wijze versnipperen van snoeihout mogelijk gemaakt (maximaal 12 keer per jaar gedurende maximaal 4 aaneengesloten uren in de dagperiode). Nagegaan moet worden of door de uitbreiding sprake is van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving (RO) en of de gewenste inrichting inpasbaar is in de omgeving (Activiteitenbesluit).

In het kader van deze ontwikkeling is door initiatiefnemer opdracht verstrekt aan De Roever Omgevingsadvies voor het uitvoeren van een onderzoek industrielawaai. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd aan voorliggende toelichting. De conclusies van het onderzoek industrielawaai zijn hieronder samengevat opgenomen en luiden:

CONCLUSIES In dit onderzoek zijn de geluidniveaus door de gewenste inrichting aan de Kremselen 12 te Sint-Oedenrode ter plaatse van woningen in de omgeving berekend. In dit onderzoek is de zowel de representatieve bedrijfssituatie als de incidentele bedrijfssituatie is berekend. Representatieve bedrijfssituatie Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, maximaal geluidniveau en indirecte hinder Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle beoordelingspunten wordt voldaan aan stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Daarnaast wordt ter plaatse van alle beoordelingspunten voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit.

- 50 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

Daarbij wordt opgemerkt dat ook ter plaatse van de buitenruimten behorende bij woningen in de omgeving eveneens voldaan wordt aan de richtwaarden. Ter plaatse van de buitenruimten is sprake van een aanvaardbaar geluidniveau. Uit de rekenresultaten blijkt verder dat ter plaatse van de woningen in de omgeving voldaan wordt aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering voor de indirecte hinder. Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen in de omgeving en dat de gewenste uitbreiding inpasbaar is in de omgeving. Incidentele bedrijfssituatie Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit de rekenresultaten blijkt dat de hoogste geluidbelasting in de incidentele bedrijfssituatie 55 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Dit is 10 dB(A) hoger dan de geluidbelasting in de representatieve bedrijfssituatie. Verdere maatregelen om de geluidbelasting vanwege de incidentele bedrijfssituatie terug te dringen worden niet doelmatig geacht. Het bevoegd gezag zal bepalen of de berekende waarden aanvaardbaar worden geacht en onder welke voorwaarden. Maximaal geluidniveau Ter plaatse van alle beoordelingspunten (op de gevel) wordt voldaan aan de richt en grenswaarden uitgaande van ‘reguliere’ toetsing.

Omdat voldaan aan de richt- en grenswaarden behorende bij de ‘reguliere’ toetsing kan worden gesteld dat piekniveaus in de incidentele bedrijfssituatie niet zorgen voor onaanvaardbare hinder naar de omgeving. Indirecte hinder De incidentele bedrijfssituatie is niet van invloed op de indirecte hinder

Conclusie Voor wat betreft het aspect geluid zijn er hiermee geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

4.11 Luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ vormt per 15 november 2007 het toetsingskader voor nieuwe plannen en projecten in relatie tot de kwaliteit van de lucht. Als onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is de AMvB ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM) - 51 -

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Kremselen 12’

Gemeente Meierijstad

opgenomen. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Deze regeling is in het leven geroepen om kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen niet onnodig te frustreren of vertragen.

Figuur 4.10: Uitkomst berekening NIBM-tool 2020 (bron: www.infomill.nl)

Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit binnen het plangebied zelf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. De bestaande bedrijfswoning blijf gehandhaafd. In de nieuwe situatie is daarmee sprake van één bestaand gevoelig object. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van het plangebied zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden uit de GCN-kaarten van het RIVM zoals opgenomen in figuur 4.11 t/m figuur 4.13.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=f198d373-9bb1-48e3-a484-0211775e7742