CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Veghel, herziening Corsica 8

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Corsica 8 Zijtaart'30.035 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.7.2 Onderzoek Een overkapping is geen (beperkt) kwetsbaar object. Ook zal het toestaan van de activiteit grondverzeten loonbedrijf niet leiden tot een veel grotere aanwezigheid van personen in het plangebied. De externe veiligheidsrisico’s voor het plangebied zijn met behulp van de nationale risicokaart geïnventariseerd. Hieruit blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied géén risicobron is gelegen.

Hoofdstuk 4

28

Figuur 10: Uitsnede risicokaart (plangebied blauw omlijnd)

Risicovolle inrichtingen In en nabij het plangebied bevinden zich enkele risicovolle inrichtingen. Voor de risicovolle inrichting ten zuidoosten van het plangebied (aan de Hoge Biezen 1) is geen risicoafstand aangegeven. Echter, gezien de dermate grote afstand van het plangebied tot de omliggende risicovolle inrichting en het gegeven dat er in de feitelijke situatie reeds een grondverzet- en loonbedrijf is gevestigd op de locatie, kan worden verondersteld dat de ligging van de risicovolle inrichtingen geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Buisleidingen Uit de risicokaart blijkt dat er geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen gelegen zijn in of in de directe nabijheid van het plangebied. In de wijdere omgeving van het plangebied zijn echter drie buisleidingen gelegen, te weten Z-542-10 en A-521. Buisleiding

Diameter (inch)

Werkdruk (bar)

Z-542-10 A-521

6 36

40 66

Hoofdstuk 4

100% - letaliteitsafstand (in m.) 70 180

1% - letaliteitsafstand (in m.) 140 430

Werkelijke afstand (in m.) 1.099 1.770

29

Bovenstaande tabel geeft de letaliteitsafstanden en werkelijke afstand van het plangebied tot de buisleidingen weer. Hieruit valt op te maken dat het plangebied gelegen is buiten de invloedsgebieden van de buisleidingen. Transportroutes gevaarlijke stoffen Nabij het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd over de A50. Het betreft de A50: afrit 10 (Eerde) - A58 (Eindhoven), wegvak B132. Het plangebied bevindt zich buiten de hiervoor geldende risicocontour van 880 meter. Voor het scenario toxische wolk hoeft het groepsrisico derhalve niet verantwoord te worden. De A50 knooppunt Paalgraven-Zeeland, wegvak B80, ligt op circa 1,5 km afstand. Over deze transportweg worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie LT2 vervoerd. LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Omdat het plangebied niet binnen het invloedsgebied ligt vormt het ook geen belemmering voor het aspect externe Veiligheid. Ook over de plaatselijke weg ‘Corsica’ worden gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 vervoerd. Deze weg heeft een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied ligt op ca. 40 meter van de Corsica waardoor het invloedsgebied over het plangebied rijkt en een verantwoording van het groepsrisico ten aanzien van het scenario BLEVE / explosie dient plaats te vinden. De veiligheidsregio dient om advies gevraagd te worden. Scenario’s Het relevante scenario i.r.t.

het plangebied is een BLEVE. Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. Propaan komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Dit is nabij het plangebied het geval. Via de Lage Biezen kan afstand worden genomen. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Beoordeling bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

30

4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien

Hoofdstuk 4

31

are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.

Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Onderhavig ruimtelijk initiatief ziet toe op het mogelijk maken van een grondverzet- en loonbedrijf ter plaatse van de Corsica 8 te Zijtaart zodat het juridisch-planologische regime overeenkomt met het feitelijke gebruik van de gronden. Volgens het vigerende bestemmingsplan geldt er op deze locatie de bestemming ‘Agrarisch’ waarbinnen het gebruik van de gronden voor een grondverzet- en loonbedrijf niet is toegestaan. Op de locatie is reeds een grondverzet- en loonbedrijf gevestigd. Initiatiefnemer is daarnaast voornemens om binnen het plangebied een overkapping te realiseren ten behoeve van de stalling van de machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Deze overkapping komt aan een bestaand bedrijfsgebouw te staan en vervangt een bestaande overkapping (zie figuur 11).

Noch de bestaande overkapping, noch de loods waar de nieuwe overkapping tegenaan gebouwd wordt bevat geschikte plekken die als rust- of verblijfplaats kunnen dienen voor beschermde fauna-soorten, of sporen die het gebruik hiervan aanduiden.

Hoofdstuk 4

32

Figuur 11 Foto’s bestaande situatie ter plaatse van de beoogde overkapping (d.d. 16 september 2022)

Met het voornemen worden geen (onderdelen van) houtopstanden verwijderd. Daarnaast vinden er geen sloopactiviteiten plaats. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten. In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

Hoofdstuk 4

33

Stikstofdepositie De stikstofdepositie is de belangrijkste factor die voor verstoring in de natuurgebieden kan zorgen. De verstoring heeft betrekking op verzuring en/of vermesting van het desbetreffende gebied. Tijdens de gebruiksfase van een ontwikkeling kan sprake zijn van stikstofdepositie op omliggende Natura2000gebieden. Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, op een afstand van ongeveer 16,1 kilometer. Daarnaast zijn de Natura2000-gebieden ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek” en de “Strabrechtse Heide & Beuven” relevant. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator is de stikstofdepositiebijdrage als gevolg van het plan (voor de gebruiksfase) berekend ter plaatse van nabijgelegen gevoelige habitattypen in de voor het plan relevante Natura 2000-gebieden. Uit de berekening van de beoogde situatie (gebruiksfase) blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,01 mol/ha/jaar is (ter plaatse van de Natura 2000-gebieden ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’).

Uit de hierop volgende projectberekening, waarbij is uitgegaan van de huidige feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie (paardenhouderij met maximaal 29 paarden), blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan. De gehele stikstofberekening en toelichting hierop is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Het aantal paarden is in de planregels gemaximeerd. Gelet op het vervallen van de een vrijstelling voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, aanleg- en sloopfase, moet ook de stikstofuitstoot tijdens deze fase betrokken te worden bij de effectbeschrijving. Echter omdat het gaat om een legalisering van reeds bestaande activiteiten en het terrein als is ingericht voor deze activiteiten, zal de bouwfase beperkt blijven tot het oprichten van de overkapping. Hiervoor zijn alle materialen reeds op het bouwperceel voorhanden en wordt de bouw geheel in eigen beheer uitgevoerd. Er zal dus niet van noemenswaardige stikstofuitstoot tijdens de bouwfase sprake zijn. Zorgvuldigheidshalve is alsnog een berekening uitgevoerd voor de bouwfase.

Hierbij zijn drie werktuigen ingevoerd, namelijk een trilplaat, een vorkheftruck en een kraan. De werktuigen zijn ieder 8 uur ingevoerd met een brandstofverbruik van 20 liter diesel per uur. Er is uitgegaan van Stage IV-klassen. Daarnaast is wat bouwverkeer ingevoerd. In totaal 100 mvt/jaar licht verkeer en 50 mvt/jaar zwaar verkeer. Op basis van de berekening kan geconcludeerd worden dat er geen depositieresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het aspect stikstof vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief. 4.8.3 Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

34

4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Onderhavig ruimtelijk initiatief ziet toe op het mogelijk maken van een grondverzet- en loonbedrijf ter plaatse van de Corsica 8 te Zijtaart zodat het juridisch-planologische regime overeenkomt met het feitelijke gebruik van de gronden. Volgens het vigerende bestemmingsplan geldt er op deze locatie de bestemming ‘Agrarisch’ waarbinnen het gebruik van de gronden voor een grondverzet- en loonbedrijf niet is toegestaan. Op de locatie is reeds een grondverzet- en loonbedrijf gevestigd.

Initiatiefnemer is daarnaast voornemens om binnen het plangebied een overkapping te realiseren ten behoeve van de stalling van de machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Het oprichten van een grondverzet- en loonbedrijf kan niet worden gezien als een gevoelige functie. Met de realisatie van een overkapping vinden slechts minimaal grondroerende activiteiten plaats op het moment dat het realiseren hiervan is toegestaan. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. In aanvulling hierop heeft initiatiefnemer een formulier historische toets ingevuld, op basis waarvan het uitvoeren van een bodemonderzoek ook niet noodzakelijk wordt geacht. Het formulier is als bijlage gevoegd bij de toelichting. Indien noodzakelijk zal de bodemkwaliteit met betrekking tot de activiteiten grondverzet- en loonbedrijf in het kader van het Activiteitenbesluit vastgelegd moeten worden. Dit is afhankelijk van welke producten en van welke kwaliteit grond opgeslagen zal worden. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling, die mogelijk wordt gemaakt.

Hoofdstuk 4

35

Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschapsbeleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het rijksbeleid. Dit om door samenwerking van organen met de verschillende bevoegdheden tot een duurzaam watersysteem te komen. Naast dit beleidskader is in het provinciaal Milieu- en waterplan Noord-Brabant 2016-2021 (PNWP) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Dit plan staat voor "samenwerken aan Brabant, waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving". Voor het grotere oppervlaktewaterstelsel zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. Op 3 maart 2015 is de nieuwe Keur Waterschap Aa en Maas goedgekeurd.

De Keur is een aanvulling op regels uit de Waterwet en is van toepassing op verschillende wateren die in het beheer zijn bij het waterschap. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Daarnaast zijn eigenaren en/of gebruikers verplicht een aantal activiteiten en werkzaamheden op hun terrein toe te staan die samenhangen met het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk. De waterschapskeuren vormen een aanvulling op hogere regelgeving op landelijk en provinciaal niveau. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in of aan het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn. De gemeenten Deurne, Gemert-Bakel en Veghel (deze laatste gemeente is per 1 januari 2017 gefuseerd en hernoemd tot gemeente Meierijstad) en Waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk het Waterplan opgesteld.

Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water.  Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.  Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem.  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater.  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie.  Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor.  De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt.

Hoofdstuk 4

36

De huidige en toekomstige inwoners van Veghel zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken.

Beleidsnota uitgangspunten Watertoets, Waterschap Aa en Maas:  Gescheiden houden van het vuilwater en het schoon hemelwater.  Het streefbeeld is het schone regenwater af te koppelen. Hierbij wordt het vuile water via de riolering afgevoerd en blijft het schone regenwater in het ideale geval binnen het projectgebied.  Voor de afweging van de wijze waarop met het afgekoppelde schone hemelwater dient worden omgegaan gelden de volgende afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’.  Hydrologisch Neutraal bouwen: Bij nieuwe ontwikkelingen dient de hydrologische situatie minimaal gelijk te blijven aan de uitgangssituatie. De GHG mag niet verlaagd worden en het waterpeil sluit aan bij optimale grondwaterstanden.  Water als kans. De belevingswaarde van water kan bijvoorbeeld voor meerwaarde zorgen.  Meervoudig ruimtegebruik. Omdat de m² duur zijn, wordt aangeraden naar meervoudig grondgebruik te kijken. Op deze manier kan het ‘verlies’ van m² door de ruimtevraag van water beperkt worden.  Voorkomen van vervuiling. Nieuwe bronnen van verontreiniging dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden.  Rekening houden met waterschapsbelangen. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Meierijstad In september 2017 is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan opgesteld voor de gemeente Meierijstad.

In dit beleidsplan zijn de zorgplichten voor zowel de waterhuishouding als riolering verwoord. Het plan is samen met de waterschappen Aa en Maas en De Dommel tot stand gekomen. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen heeft Meierijstad duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Ook bij ruimtelijke ontwikkelingen onder de 500 m 2 is het noodzakelijk om waterbergende voorzieningen te realiseren. Wanneer sprake is van een toename in verhard oppervlak worden als bergende eis de normen uit de Keur van Waterschap Aa en Maas aangehouden. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen zodanig te worden vormgegeven dat er geen negatieve gevolgen ontstaan voor de plaatselijke waterhuishouding en de waterhuishouding in de omgeving. Zo mag een ruimtelijk plan niet tot een structurele verandering van de grondwaterspiegel leiden of tot een structurele toename van het afvloeiend hemelwater naar het omliggende watersysteem leiden. Ook mag de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater niet worden aangetast. Kort gezegd dient een ruimtelijke ontwikkeling zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. 4.10.2 Onderzoek Grondwater Het plangebied ligt in de formatie van Boxtel. De ondergrond bestaat voornamelijk uit zand. Naar verwachting heeft dit bodemtype een matige tot goede doorlatendheid. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend.

Het plangebied ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Door het planvoornemen (legaliseren grondverzeten loonbedrijf en realiseren van een overkapping) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten.

Hoofdstuk 4

37

Oppervlaktewater Binnen de onderzoekslocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Rondom het plangebied is een slotenstructuur aangelegd. Aan de overzijde van de weg is een A-watergang gelegen. Er kan rechtstreeks aangesloten worden op het oppervlaktewater waardoor mogelijk direct (nadelig) effect te verwachten is door de planontwikkeling op het bestaande oppervlaktewaterstelsel. Echter is er ten zuiden van het plangebied een paardenbak gelegen waar overtollig hemelwater op eigen terrein verwerkt kan worden. Daarnaast is er in de huidige situatie reeds sprake van de aanwezigheid van een grondverzet- en loonbedrijf. Tot op heden zijn er geen problemen bekend met betrekking tot omliggende oppervlaktewateren waardoor kan worden aangenomen dat er geen belemmeringen bestaan vanuit het aspect oppervlaktewater. Afvalwater Binnen de (oude) gemeente Veghel is nagenoeg het gehele rioolstelsel reeds gescheiden. Hierbij blijft het afvalwater apart van het ‘schone’ hemelwater. Met voorliggend ruimtelijk initiatief wordt voorzien in het legaliseren van het gebruik van de gronden op de locatie Corsica 8 ten behoeve van een grondverzet- en loonbedrijf. Daarnaast wordt er voorzien in de realisatie van een overkapping aan de oostzijde van de huidige paardenhouderij.

Er zal geen nieuwe aansluiting op de bestaande riolering benodigd zijn door de bebouwing uitsluitend tot doel heeft om materialen en machines op te slaan. Er zal hierdoor geen sprake zijn van een toename in het afvalwater en er zal derhalve ook geen verandering optreden in het verwerken van het afvalwater ter plaatse van Corsica 8. Hemelwater Vanuit de gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving zijn regels opgenomen met betrekking tot hemelwater: Artikel 6.4 Verbod op het lozen van hemelwater op de riolering 1) Het is verboden vanaf een nieuw bouwwerk of een nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op de riolering of openbaar terrein. 2) De eigenaar van een perceel is verplicht het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Hij heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorziening(en), waarbij het volgende geldt: a. de te realiseren hemelwatervoorziening dient minimaal 60 mm (per m² verhard oppervlak) te kunnen verwerken; b. voor het oppervlak aan groen dak (in m²) wordt geen (aanvullende) hemelwatervoorziening vereist; c. de benodigde voorziening(en) dienen uiterlijk 10 weken na het gereedkomen van het nieuw bouwwerk of aanleg van het nieuw verhard oppervlak gerealiseerd te zijn en moeten blijvend in stand worden gehouden; d. bij elke activiteit mag de reeds aanwezige totale hoeveelheid (hemel)waterberging op het perceel van de eigenaar niet afnemen.

Er dient een hemelwatervoorziening aangelegd te worden die het totaal aan nieuw bebouwing/verharding kan verwerken. In totaal zal de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaan met het toevoegen van circa 300 m² bebouwing/verharding. Dit betekent dat er (300x0.06) 18 m3 geborgen moet worden. De borging van het hemelwater zal plaatsvinden in de aangrenzende greppel direct ten noorden van de huidige rijhal. Indien noodzakelijk kan de greppel worden verlengd danwel verbreed waardoor het mogelijk dienst kan doen als wadi.

Hoofdstuk 4

38

4.10.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief.

4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Volgens de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vught ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting, categorie 5. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm -mv er vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het initiatief is daarmee onderzoeksplichtig.

4.11.2 Onderzoek Onderhavig ruimtelijk initiatief ziet toe op het mogelijk maken van een grondverzet- en loonbedrijf ter plaatse van de Corsica 8 te Zijtaart zodat het juridisch-planologische regime overeenkomt met het feitelijke gebruik van de gronden. Volgens het vigerende bestemmingsplan geldt er op deze locatie de bestemming ‘Agrarisch’ waarbinnen het gebruik van de gronden voor een grondverzet- en loonbedrijf niet is toegestaan. Op de locatie is reeds een grondverzet- en loonbedrijf gevestigd. Initiatiefnemer is daarnaast voornemens om binnen het plangebied een overkapping te realiseren ten behoeve van de stalling van de machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Binnen het plangebied treden geen grondroerende activiteiten plaats met een oppervlak groter dan 100 m² en werkzaamheden welke dieper rijken dan 30 cm-mv. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie worden geen belemmeringen verwacht. Afhankelijk van het bouwplan en de te verstoren grond, dient een archeologisch onderzoek overlegt te worden.

Hoofdstuk 4

39

4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.12.2 Onderzoek Het plangebied is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Noord-Brabant niet gelegen binnen een complex van cultuurhistorisch belang, een archeologisch landschap, een cultuurhistorisch waardevol gebied of een cultuurhistorisch landschap.

Het meest nabijgelegen cultuurhistorische landschap is gelegen op meer dan 900 meter afstand van het plangebied. Met de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in het in overeenstemming brengen van het juridisch-planologische regime met de feitelijke situatie ter plaatse. Daarnaast bestaat het voornemen om aan de oostzijde van de huidige paardenhouderij een overkapping te realiseren ten behoeve van de stalling van machines van het grondverzet- en loonbedrijf. De locatie Corsica 8 is niet aangegeven als zijnde een cultuurhistorisch waardvol pand en is niet opgenomen op de monumentenlijst. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. 4.12.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.

4.13 Gezondheid 4.13.1 Toetsingskader Gezondheid in relatie tot veehouderijen De mogelijk nadelige gevolgen van de veehouderij op de volksgezondheid staan de laatste jaren volop in de belangstelling. Met name in veedichte gebieden zoals in de provincie Noord-Brabant

Hoofdstuk 4

40

bestaat onder de bevolking steeds meer onrust. Hierbij komen zaken naar voren als angst voor ziekten die overdraagbaar zijn van dier op mens (zoönosen), luchtwegaandoeningen, maar ook stress in verband met verminderde leefkwaliteit door regelmatige geurhinder. Onderzoek heeft uitgewezen dat het wonen in de nabijheid van een veehouderij inderdaad nadelige gevolgen kan hebben op de gezondheid. Om deze nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken is een stappenplan ontwikkeld (opgenomen in de publicatie ‘Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0’). 4.13.2 Doorwerking plangebied Ondanks dat met onderhavige ontwikkeling geen gevoelig object wordt gerealiseerd (de bedrijfswoning behorende bij de paardenhouderij is reeds aanwezig), en er slechts wordt voorzien in de planologisch-juridische borging van het bestaande loon- en grondverzetbedrijf alsmede een overkapping ten behoeve van het stallen van de machines voor het grondverzet- en loonbedrijf, is zorgvuldigheidshalve het stappenplan doorlopen. Stap 1: De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen Er wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkenshouderijen (500 m). Echter wordt niet voldaan voor de endotoxine richtafstand voor pluimveehouderijen (standaard 1.000 m).

De locatie is gelegen op circa 522 meter afstand van de veehouderij (leghennen) aan de Pastoor Clercxstraat 20. Uitgaande van de handreiking bedraagt de endotoxine-richtstand voor de pluimveehouderij op de Pastoor Clercxstraat 20 124 meter. Hieraan wordt voldaan. Volledigheidshalve bleek uit het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) dat er in de jaren 2009-2013 sprake was van een verhoogd voorkomen van longontstekingen onder omwonenden die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij woonden. In de jaren daaropvolgend (2014-2016) werd dat verband niet meer gevonden. Ook in het aanvullende, recente onderzoek in de regio Utrecht/Gelderland/Overijssel werd een dergelijk verband niet meer gevonden. Dit in tegenstelling tot het verband tussen het verhoogd voorkomen van longontsteking bij omwonenden nabij een geitenhouderij (2 km). In de handreiking veehouderij en volksgezondheid, opgesteld door het Ondersteuningsteam, wordt aangegeven dat het wonen nabij een pluimveehouderij (binnen een straal van 1 km) leidt tot het advies om een advies bij de GGD op te vragen. In het ondersteuningsteam zijn de laatste onderzoeksresultaten recent besproken en is besloten dat er geen advies meer wordt gegeven om een GGD advies op te vragen op grond van het criterium “wonen binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveehouderij”.

Stap 2: Toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammonia De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a-b: Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan In onderhavige situatie is geen sprake van een overbelasting voor geur (zie paragraaf 4.5). Het is ook niet aannemelijk dat de gezondheidskundige normen (in het buitengebied een voorgrondbelasting van maximaal 5 ouE /m3 en een achtergrondbelasting van 10 ouE /m3) worden overschreden. In paragraaf 4.8 is namelijk aangetoond dat er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat is. Stap 4a-b: De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij In zowel de huidige als toekomstige situatie zal er binnen het plangebied sprake zijn van een veehouderij waarbinnen bedrijfsmatig meerdere diersoorten worden gehouden. Deze veehouderij is legaal

Hoofdstuk 4

41

aanwezig. Met het planvoornemen zal niet de afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf worden verkleind Stap 5a-b-c. Geitenbedrijf: binnen 2 kilometer afstand staan woon- of verblijfsruimten van derden. Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden. Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom Voor pluimveebedrijven; zie stap 1. Er zijn geen geitenhouderijen in een straal van 2 kilometer rondom het plangebied gelegen. Verder is er één veehouderijen binnen een afstand van 250 meter tot het plangebied gelegen. Het gaat hier om de veehouderij De Hemel 10 (vleesveehouderij; op circa 235 meter afstand). Aangezien het hier gaat om twee legale veehouderijen (de veehouderij aan De Hemel 10 en de veehouderij Corsica 8) en enkel het loon- en grondverzetbedrijf planologisch-juridisch geborgd moet worden zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het woon- en verblijfsklimaat op het adres Corsica 8 en worden er geen belemmeringen opgelegd aan de veehouderij De Hemel 10. Stap 6: De aanwezigheid van mestbe- of verwerking (verder mestbewerking) Er is geen sprake van mestbe- of verwerking bij omliggende (agrarische) bedrijven (al dan niet als nevenactiviteit). Stap 7.

Ongerustheid bij omwonenden Vanuit de omgeving is verder niet naar voren gekomen dat er sprake is van ongerustheid over de volksgezondheid. 4.13.3 Conclusie Het stappenplan 2.0 opgenomen in de Handreiking Veehouderij en Gezondheid is doorlopen. Hieruit worden geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling verwacht. De veehouderij Corsica 8 (met bedrijfswoning) is reeds legaal aanwezig, het aanwezige loon- en grondverzetbedrijf wordt enkel planologisch-juridisch geborgd en er wordt een overkapping ten behoeve van opslag gerealiseerd. Binnen het bedrijf zal slechts zeer sporadisch een werknemer aanwezig zijn. In de omgeving gelegen veehouderijen vormen dan ook geen belemmering op het woon- en verblijfsklimaat. Onderhavige ontwikkeling is van minimale invloed op het volksgezondheidsrisico. Advies van de GGD wordt daarom niet noodzakelijk en niet doelmatig geacht. Het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering voor het plan.

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang.

Hoofdstuk 4

42

Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. Doorwerking plangebied Onderhavig ruimtelijk initiatief voorziet slechts in het in overeenstemming brengen van het juridischplanologische regime met de feitelijke situatie ter plaatse van e Corsica 8 te Zijtaart. Door het toestaan van een grondverzet- en loonbedrijf binnen de bestemming ‘Agrarisch’ wordt het juridisch-planologische regime in overeenstemming gebracht met het feitelijk gebruik ter plaatse. Het toestaan van een grondverzet- en loonbedrijf ter plaatse van de locatie Corsica 8 in de bestemming ‘Agrarisch’ is niet opgenomen in de lijsten van bijlage C en D van het Besluit m.e.r.. Hierdoor is het opstellen van een planMER, een m.e.r.-beoordeling of een aanmeldingsnotitie niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

43

5.

JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

Hoofdstuk 5

44

Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan:  Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.  Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit:  Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie.  Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.

Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart).  Afwijken van de bouwregels: burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.  Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.

 Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.  Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Ook is een regeling opgenomen ter waarborging van voldoende parkeergelegenheid.  Algemene afwijkingsregels: in deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.

Hoofdstuk 5

45

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen:  Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik.  Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald (de naam van het bestemmingsplan).

5.3 Toelichting op de bestemmingen Voorliggend bestemmingsplan bestaat uitsluitend uit de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Groen – Landschapselement’. Tevens zijn de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Water’ en ‘Waarde – Archeologie 2 en 3’ van toepassing. Ook zijn de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2’ en ‘vrijwaringszone – radar’ van toepassing. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel’ en het parapluplan bestemmingsplan ‘Laaghangend Fruit’ zodat binnen de gemeente een eenduidige regeling zal zijn. Agrarisch De voor ‘Agrarisch’ bestemde gronden zij onder andere bestem voor agrarisch grondgebruik en grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven. Hierbij is bepaald dat er maximaal 29 paarden gehouden mogen worden. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch -2’ is tevens een grondverzet- en loonbedrijf als nevenactiviteit toegestaan. Binnen de bestemming is tevens een bedrijfswoning en 670 m² aan bebouwing (exclusief keerwanden voor opslag grond en groen) toegestaan. Voor de bouwregeling zijn regels opgesteld ten behoeve van bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning en bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de bedrijfswoning, alsmede bouwwerken, geen gebouwen zijnde zowel binnen als buiten het bouwvlak. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.

Voor bedrijfsgebouwen geldt dat voor de nevenfunctie grondverzet- en loonbedrijf een maximum oppervlakte zoals aangeduid op de verbeelding. Voor de bedrijfswoning geldt een maximum inhoud van 750 m3. Bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan tot een maximum van 150 m2. Voor het grondverzet- en loonbedrijf is een landschappelijke inpassing opgesteld, deze is gekoppeld met een voorwaardelijke verplichting. Groen – Landschapselement De gronden ten behoeve van landschappelijke inpassing hebben de bestemming ‘Groen – Landschapselement’ gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere het behoud, herstel en/of

Hoofdstuk 5

46

duurzame ontwikkeling van de ter plaatse voorkomende ecologisch, landschappelijk en/of cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch -2’ is een in- en uitrit toegestaan ten behoeve van het grondverzet- en loonbedrijf. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.

Hoofdstuk 5

47

6.

UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoering van de ontwikkeling is volledig voor rekening en risico van een particuliere initiatiefnemer. Met deze initiatiefnemer zal de gemeente een anterieure grondexploitatieovereenkomst gesloten zoals bedoeld in artikel 6.12 lid 2 Wro juncto artikel 6.24 Wro. Met die overeenkomst is verzekerd dat alle wettelijk te verhalen kosten die de gemeente maakt, worden verhaald op de initiatiefnemer. Eventuele kosten voor de inrichting en overige voorzieningen zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. 6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om het initiatief te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. De haalbaarheid van de gehele grondexploitatie is kostendekkend. 6.1.2 Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro.

Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen:  de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het realiseren van een overkapping en het legaliseren van een grondverzet- en loonbedrijf. Er is derhalve sprake van een aangewezen bouwplan als bedoeld in het Bro. Ten behoeve van onderhavig grondexploitatie zal de gemeente met de ontwikkelende partij een (anterieure) exploitatieovereenkomst gesloten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Hiermee wordt het verhaal van kosten anderszins verzekerd en is het

Hoofdstuk 6

48

opstellen van een exploitatieplan in dit kader op basis van artikel 6.12 lid 2 van de Wro niet noodzakelijk. De raad heeft ook voor het overige afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Er zijn wettelijke eisen met betrekking tot de voorbereiding en totstandkoming van een bestemmingsplan. Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het gewenst dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden:  Omgevingsdialoog;  Vooroverleg;  Inspraak;  Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan worden geïnformeerd. Na het voeren van vooroverleg zullen de uitkomsten van het overleg voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Een verslag van het omgevingsdialoog is toegevoegd als bijlage. De personen wonende aan Corsica 7, 11A en 11 hebben aangegeven geen problemen te hebben met de voorliggende plannen. De personen wonende aan Corsica 8A hebben ten tijde van het opstellen van het omgevingsdialoog te kennen gegeven dat zij nog een standpunt moeten vormen en dat is nog steeds het geval. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure wordt het bestemmingsplan gedurende een

Hoofdstuk 6

49

termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Te zijner tijd zullen de uitkomsten van de ter inzagelegging en de consequenties voor het bestemmingsplan worden beschreven in deze paragraaf.

Hoofdstuk 6

50

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Correspondentie Brabant Water Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Bijlage 3: Stikstofonderzoek - gebruiksfase Bijlage 4: Stikstofonderzoek - bouwfase Bijlage 5: Formulier vrijstelling bodemonderzoek Bijlage 6: Verslag omgevingsdialoog

Inhoudsopgave Regels

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

6

Artikel 1

Begrippen

6

Artikel 2

Wijze van meten

16

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

17

Artikel 3

Agrarisch

17

Artikel 4

Groen - Landschapelement

28

Artikel 5

Leiding - Water

30

Artikel 6

Waarde - Archeologie 2

32

Artikel 7

Waarde - Archeologie 3

34

Hoofdstuk 3

Algemene regels

36

Artikel 8

Anti-dubbeltelregel

36

Artikel 9

Algemene bouw regels

37

Artikel 10

Algemene gebruiksregels

39

Artikel 11

Algemene aanduidingsregels

40

Artikel 12

Algemene afw ijkingsregels

41

Artikel 13

Overige regels

43

Hoofdstuk 4

Slotregel

44

Artikel 14

Overgangsrecht

44

Artikel 15

Slotregel

45

Bijlage bij regels

47

Bijlage 1

48

Landschappelijke inpassing

NL.IMRO.1948.BGV000BP0092022P-ON01

Pagina: 3 van 63

Datum:14-03-2023

Regels

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan Het bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Corsica 8 Zijtaart met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGV000BP0092022P-ON01 van de gemeente Meierijstad. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar -ingevolge de regels- regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1m achter de voorgevel en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.6 afhaalpunt een locatie waar de consument uitsluitend - voorafgaande aan het bezoek - via internet bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van deze eerder bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ter verkoop en/of overige activiteiten; 1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of

het houden, fokken of veredelen van dieren; 1.8 agrarisch grondgebruik gebruik van grond dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of door middel van het houden van dieren; 1.9 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden; 1.10 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

NL.IMRO.1948.BGV000BP0092022P-ON01

Pagina: 6 van 63

Datum:14-03-2023

bebouwingscluster 1.11 vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied; 1.12 bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster; 1.13 bebouwingslint lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied; 1.14 bed & breakfast een kleinschalige verblijfsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt; 1.15 bedrijfsvloeroppervlakte bij aan huis gebonden beroepen en aan huis gebonden bedrijven de totale vloeroppervlakte van de ruimten die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep of bedrijf, een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag-, wacht- en administratieruimten en dergelijke 1.16 bedrijf aan huis het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q.

het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.17 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, met uitzondering van een beroep aan huis; 1.18 bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.19 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor de huisvesting van een huishouden dat daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; 1.20 beroep aan huis een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, of hiermee gelijk stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend; 1.21 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel gebouwd mag worden krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=1ec1b954-0f75-4009-9da0-9ffad810e9cc