Toelichting Veghel, herziening Corsica 8
Tekst van het document
Bestemmingsplan
‘Buitengebied Veghel, herziening Corsica 8 Zijtaart’
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, herziening Corsica 8 Zijtaart’
Zaakkenmerk gemeente Meierijstad
BP-2021-0082
Planstatus
ontwerp
Projectnummer
NL.IMRO.1948.BGV000BP0092022P-ON01
Datum
1 augustus 2023
Bestemmingsplan Corsica 8 Zijtaart Gemeente Meierijstad Ontwerp
Rapportnummer:
P02651
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1948.BGV000BP0092022P-ON01
Zaakkenmerk gemeente Meierijstad:
BP-2021-0082
Datum:
1 augustus 2023
Opdrachtgever:
Particulier
Projectteam BRO:
JRi, RTa
Concept-ontwerp:
oktober 2021, december 2021
Ontwerp:
maart 2023, 1 augustus 2023
Vaststelling:
--
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan voor het toestaan van (neven)gebruik van een grondverzet- en loonbedrijf binnen de bestemming ‘Agrarisch’ en de realisatie van een overkapping te Zijtaart.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Toelichting
pagina
Inhoudsopgave
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 4 5 7
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgestane ontwikkeling 2.3 Ruimtelijk stedenbouwkundige inpassing
8 8 8 8
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking 3.2 Provinciaal beleid
10 11 11 12
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid
12 13 16
3.3.1 Structuurvisie Veghel
16
4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren
17 17
4.1.1 Verkeersgeneratie 4.1.2 Parkeren 4.2 Geluid
17 18 18
4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusie 4.3 Luchtkwaliteit
18 19 19 20
4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusie 4.4 Bedrijven en milieuzonering
20 20 22 22
4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Conclusie 4.5 Geur
22 22 24 24
4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie
24 24 25
Inhoudsopgave
1
4.6 Kabels en leidingen 4.7 Externe veiligheid
25 27
4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Ecologie
27 28 30 31
4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie 4.9 Bodem
31 32 34 35
4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Water
35 35 35 35
4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Archeologie
35 37 39 39
4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Cultuurhistorie
39 39 39 40
4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling
40 40 40 42
4.13.1 Toetsingskader
42
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Toelichting op de bestemmingen
44 44 44 46
6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid
48 48
6.1.1 Financieel-economische haalbaarheid 6.1.2 Kostenverhaal 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
48 48 49
6.2.1 Vooroverleg 6.2.2 Inspraak 6.2.3 Vaststellingsprocedure
Inhoudsopgave
49 49 49
2
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Correspondentie Brabant Water Bijlage 2: Landschappelijke inpassing Bijlage 3: Stikstofonderzoek gebruiksfase Bijlage 4: Stikstofonderzoek bouwfase Bijlage 4: Formulier vrijstelling bodemonderzoek Bijlage 5: Verslag omgevingsdialoog
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Op het adres Corsica 8 te Zijtaart (Veghel) is een agrarisch bedrijf in de vorm van een paardenhouderij aanwezig. Daarnaast is initiatiefnemer eigenaar van een grondverzet- en loonbedrijf dat tevens gevestigd is op hetzelfde adres. Het grondverzet- en loonbedrijf is een tweede activiteit naast de agrarische bedrijfsvoering. Ten behoeve van het grondverzet- en loonbedrijf is initiatiefnemer voornemens om een overkapping te plaatsen aan de oostzijde van de paardenhouderij. Deze overkapping is bedoeld voor de stalling voor de machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Qua ruimtebeslag is er met betrekking tot het grondverzet- en loonbedrijf sprake van een nevenactiviteit. Ten aanzien van deze nevenactiviteit bestaat er strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel, tegenwoordig gemeente Meierijstad. De beoogde ontwikkeling van o.a. 670 m² aan bebouwing (exclusief keerwanden voor opslag grond en groen) past in functionele zin niet binnen het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vigerend 22 oktober 2015), waarin het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ heeft. Tevens zijn voor delen van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Water’ en/of ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing.
Ook zijn de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2’ en ‘vrijwaringszone – radar’ van toepassing. Uit artikel 3.1 van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ blijkt dat de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden niet bestemd zijn voor (neven)gebruik als grondverzeten loonbedrijf. Daarnaast is het blijkens artikel 31 niet zondermeer toegestaan om een overkapping te realiseren op gronden bestemd als ‘Leiding – Water’. De gemeente heeft in het voortraject de volgende randvoorwaarden meegegeven: a. de bebouwing wordt opgericht en bedrijfsactiviteiten vinden plaats buiten de op de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ opgenomen beschermingszone ‘Leiding - Water’, Dit in verband met de bescherming van de ter plaatse gesitueerde hoofdtransportleiding voor drinkwater. b. de aard en omvang van het grondverzet- en loonbedrijf/hoveniersbedrijf wordt als eindsituatie vastgelegd in de planologische gebruiksmogelijkheden; c. de locatie wordt landschappelijk ingepast aan de hand van een door de gemeente goed te keuren berekende kwaliteitsverbetering. Deze randvoorwaarden zijn meegenomen bij het opstellen van het voorliggende plan. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Plangebied Het plangebied beslaat het perceel aan de Corsica 8 te Zijtaart (Veghel), dat kadastraal bekend staat onder gemeente Veghel, sectie P, perceelnummers 33, 92 en 93 en kent een oppervlak van 15.405 m².
Hoofdstuk 1
4
Het plangebied ligt in het buitengebied van Zijtaart. De omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit agrarische gronden. Het plangebied wordt aan de noordzijde omsloten door agrarische gronden. Ten oosten is een zandweg gelegen. De zandweg vormt een verbinding tussen de weg Corsica en de weg De Kampen. Ten zuiden grenst het plangebied aan de Corsica. Ten westen van het plangebied is een woning gelegen. De locatie van het plangebied bestaat uit grasland, een paardenhouderij en een grondverzet- en loonbedrijf. De omliggende bebouwing bestaat uit vrijstaande woningen, veelal bestaand uit één bouwlaag met een kap. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven in figuur 1. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Figuur 1: Ligging plangebied binnen kern Vught (Bron: PDOK)
Figuur 1: Ligging plangebied (Bron: PDOK)
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeren een aantal verschillende bestemmingsplannen, te weten: Bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld op 22 oktober 2015 door de raad van de (voormalige) gemeente Veghel, thans gemeente Meierijstad (deels onherroepelijk in werking); ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door de raad van de gemeente Meierijstad (deels onherroepelijk in werking); Bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’, vastgesteld op 27 januari 2021 door de raad van de gemeente Meierijstad.
Hoofdstuk 1
5
De voor het initiatief relevante verbeelding is onderdeel van bovengenoemd bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Een voor het plangebied relevante uitsnede hiervan is weergegeven in nevenstaande figuur 2. Op basis van dit plan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd met de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Tevens zijn voor delen van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Water’ en/of ‘Waarde – Archeologie 2’ van toepassing. Ook zijn de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2’ en ‘vrijwaringszone – radar’ van toepassing. Hervestiging van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2’ is niet toegestaan. Daarnaast wordt de maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne. De beoogde ontwikkeling zijn niet in strijd met deze bepalingen. Uit artikel 3.1 van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ blijkt dat de voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden niet bestemd zijn voor (neven)gebruik als grondverzet- en loonbedrijf. Naast het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn er twee paraplubestemmingsplannen vigerend.
De paraplubestemmingsplannen zijn specifiek opgesteld met betrekking tot het regelen van het aspect parkeren en een harmonisatie van diverse regelingen (door het fuseren van de gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel tot de gemeente Meierijstad). Binnen het plangebied is het gebruik van de gronden voor een grondverzet- en loonbedrijf niet toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan stelt het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied.
Figuur 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan
Hoofdstuk 1
6
1.4 Leeswijzer Voorliggend plan is opgebouwd uit 6 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk dient als introductie voor het plan en bijbehorend plangebied. In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de beoogde ontwikkelingen. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten westen van de kern Zijtaart en betreft een perceel dat in de huidige situatie dienst doet als paardenhouderij en een grondverzet- en loonbedrijf. Het perceel is gelegen tussen agrarische gronden en is deels natuurlijk ingericht met grasland ten behoeve van de paardenhouderij en deels volledig verhard ten behoeve van het grondverzet- en loonbedrijf. Het plangebied is aan de noordzijde gelegen aan agrarische grond. Aan de oostzijde van het plangebied is een zandpad gelegen. Het grondverzet- en loonbedrijf wordt ontsloten via het zandpad oostelijk van het perceel. Dit zandpad komt uit op de aan de zuidzijde van het plangebied gelegen Corsica. De Corsica vormt de verbindingsweg tussen de kern Zijtaart met Veghel. Aan de overzijde van de Corsica is een bedrijf gevestigd (veehandelsbedrijf). Ten westen van het plangebied is een woning gelegen. Verder ten westen, op een afstand van circa 180 meter is bedrijventerrein Doornhoek gelegen.
2.2 Voorgestane ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel, kadastraal bekend als “gemeente Veghel, sectie P, perceelnummers 33, 92 en 93’’ het juridisch-planologische regime in overeenkomst te brengen met de feitelijke situatie ter plaatse. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om een overkapping te plaatsen aan de oostzijde van de paardenhouderij, ten behoeve van de stalling voor de machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Op onderstaande afbeelding is de huidige situatie weergegeven inclusief de locatie van de beoogde overkapping ten behoeve van het stallen van de machines voor het grondverzet- en loonbedrijf (ten oosten van de rijbak voor de paarden).
2.3 Ruimtelijk stedenbouwkundige inpassing Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de kern Zijtaart. De maatvoering van het perceel is gelijkwaardig aan de maatvoering van de omliggende percelen. Het perceel kent twee in- en uitritten. De in- en uitrit aan de Corsica wordt gebruikt voor de bewoners van de bedrijfswoning en de bezoeker van de paardenhouderij. De in- en uitrit aan de oostzijde van het plangebied, uitkomend op de zandweg, wordt gebruikt door het grondverzet- en loonbedrijf. Door deze inritten wordt een wenselijke scheiding aangebracht tussen de activiteiten van de bedrijfswoning en paardenhouderij enerzijds, en de activiteiten van het grondverzet- en loonbedrijf anderzijds. Het toevoegen van een overkapping aan de oostzijde van de bestaande paardenhouderij ten behoeve van het stallen van de machines voor het grondverzet- en loonbedrijf zorgt voor een geordend aangezicht vanaf de Corsica en het zandpad doordat de machines allen onder de overkapping geplaatst zullen worden na gebruik. Hierdoor ontstaat er aan de oostzijde van het perceel ruimte voor het opslaan van grondstoffen als zand, grind, hout, straatklinkers, etc.. Als bijlage is het landschappelijk inpassingsplan met voorstel voor de benodigde kwaliteitsbijdrage toegevoegd. Om hierin te kunnen voorzien wordt een tegenprestatie gedaan in het landschap.
De aanleg van hagen, houtsingel, bomenrij en een strook kruidenrijk grasland wordt ingezet als tegenprestatie. Met de voorgestelde landschapsinvestering kan aan de verplichte kwaliteitsbijdrage worden
Hoofdstuk 2
8
voldaan. Ook vindt een beperkte verkleining van het agrarisch bouwvlak aan de zijde van de paardenstalling plaats.
Figuur 3: Toekomstige situatie plangebied met voorstel voor landschapsinvestering
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk wordt het beleidskader, dat relevant is voor het plan, toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
Figuur 4: Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
In de Nationale Omgevingsvisie wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Ook worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.
Hoofdstuk 3
10
De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3.
Afwentelen voorkomen Doorwerking plangebied Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkelingen zijn dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de SVIR, die juridische borging vragen, zijn geborgd in het Barro. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Doorwerking plangebied Met onderhavig bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die in strijd zijn met één van de nationale belangen. Onderhavige ruimtelijk initiatief is daarmee in overeenstemming met het Barro. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 3
11
wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt het juridisch-planologisch regime in overeenstemming gebracht met het feitelijk gebruik op de locatie van het plangebied waarbij (neven)gebruik van de gronden binnen de betemming ‘Agrarisch’ voor een grondverzet- en loonbedrijf wordt toegestaan.
Daarnaast voorziet voorliggend bestemmingsplan in de mogelijkheid tot het realiseren van een overkappig ten behoeve van het stallen van de machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Bij een ontwikkeling waarbij sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is de ladder verplicht. Gezien het voorgenomen ruimtelijk initiatief voorziet in het juridisch-planologisch verankeren van het feitelijk gebruik van de locatie, kan niet worden gesproken van een stedelijk ontwikkelingstraject. Toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet noodzakelijk en vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van onderhavig ruimtelijk initiatief.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De visie bevat ambities voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied Het in overeenstemming brengen van het juridisch-planologische regime met het feitelijk gebruik ter plaatse van de Corsica 8 (door het toestaan van het gebruik van de gronden voor de (neven)gebruik als grondverzet- en loonbedrijf binnen de bestemming ‘Agrarisch’) heeft geen negatieve invloed op de opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling aan deze aspecten voldoet. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de Omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
12
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen (Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en Verordening wegen). De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale Omgevingsvisie. De onderwerpen die in de Verordening ruimte stonden en nu dus in de Interim omgevingsverordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. In de verordening staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening stelt daarbij de provinciale belangen veilig. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Dat betekent dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan de kernkwaliteiten van Brabant en dat gemeenten bij ruimtelijke afwegingen het principe van zorgvuldig ruimtegebruik moeten toepassen. Hiermee wordt beoogd de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag op het buitengebied af te remmen. Het provinciale beleid is al jaren gericht op het bundelen van de verstedelijking.
Dit betekent dat de realisering van woningbouw, bedrijventerreinen, overige stedelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet plaatsvinden in de stedelijke concentratiegebieden (bestaand stedelijk gebied van de grotere kernen). Nieuw ruimtebeslag buiten deze gebieden kan slechts als inbreiding of herstructurering in bestaand stedelijk gebied niet tot de mogelijkheden behoren. Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe is opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit en is uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied en dat de ruimte binnen stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Hierbij past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de Interim omgevingsverordening opgenomen als landelijk gebied. Het planvoornemen voorziet in het in overeenstemming brengen van het juridisch-planologische regime met de feitelijke situatie. In de feitelijke situatie is er reeds een grondverzet- en loonbedrijf gevestigd op de locatie Corsica 8. Onderstaand artikel uit de Interim Omgevingsverordening is van toepassing.
Artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk Gebied.
Hoofdstuk 3
13
Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d.
dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Onderhavig ruimtelijk initiatief voorziet in het toestaan van (neven)gebruik als grondverzet- en loonbedrijf binnen de gronden bestemd als ‘Agrarisch’. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om een overkapping te realiseren aan de oostzijde van de rijbak voor paarden. Hierdoor wordt het feitelijk gebruik van de locatie in overeenstemming gebracht met het juridisch-planologische regime. Het planvoornemen voorziet niet in een toename van het gebruiksoppervlak voor mestbewerking. Er is namelijk al sprake van bestaande mestopslag ten behoeve van de paardenhouderij. Dit verandert niet. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op de omgeving van het plangebied (zie hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten).
Er vindt eveneens geen splitsing plaats van het perceel en er wordt geen kantoor met baliefunctie gevestigd en geen lawaaisport mogelijk gemaakt. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt geborgd welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan doordat specifiek een grondverzet- en loonbedrijf wordt toegestaan binnen de functie ‘Agrarisch’. De omvang van het huidige grondverzet- en loonbedrijf is kleinschalig van aard en past daarmee binnen de eigenschappen
Hoofdstuk 3
14
van de omgeving. De locatie is goed ontsloten. Vanuit de Corsica kan snel op het hoofdwegennet worden gekomen. In de nabijheid van het plangebied is een bedrijventerrein in ontwikkeling en aan de weg Corsica zijn diverse niet-agrarische bedrijven, agrarisch verwante bedrijven en bedrijven met meerdere bedrijfsactiviteiten (zoals een bloemenkwekerij met daarbij een groothandel in bloemen en een veehandel). In dat opzicht past de combinatie van een grondverzet- en loonbedrijf met de agrarische paardenhouderij binnen het gebiedsprofiel van de Corsica. In de gemeentelijke structuurvisie (zie paragraaf 3.3.1) is aangegeven dat in dit gebied ruimte voor andere functies afweegbaar is mits deze de landbouw niet in de weg staan. Aangezien met de toegevoegde functie grondverzet- en loonbedrijf geen beperkingen volgen voor de landbouw, acht de gemeente deze ontwikkeling als gebiedspassend. De gemeente Meierijstad heeft de ontwikkelrichtingen voor gebieden nog niet specifiek uitgeschreven maar een kaart met gebied typologieën in het buitengebied van de gemeente opgesteld.
Figuur 5: Uitsnede kaart ‘gebiedtypologieën’ met plangebied rood omcirkeld (bron: gemeente Meierijstad)
Het plangebied is gelegen binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, verwerving van functies (zie figuur 5), Het gebied binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, verweving van functies betreft een gebied waarbinnen bedrijfsfuncties, agrarische functies en wonen zich afwisselen. Het toevoegen van een niet-agrarische, maar wel agrarisch verwante nevenactiviteit, naast de paardenhouderij, is een passende ontwikkeling binnen deze gebiedstypologie. Het voornemen bestaat om de machines van het grondverzet- en loonbedrijf te stallen onder een overkapping. In artikel 3.73 lid 2 onder c wordt daarnaast aangegeven dat stalling plaatsvindt in gebouwen. In het vigerende bestemmingsplan wordt onder gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. De overkapping kan daarmee worden gezien als een gebouw en is daarmee passend binnen de regels van de Interim omgevingsverordening. Door het toestaan van de overkapping wordt er ruimte geboden voor het stallen van machines van het grondverzet- en loonbedrijf. Hierdoor ontstaat er een geordend geheel binnen het plangebied doordat er duidelijke afbakeningen zijn voor het stallen van machines. Dit draagt bij aan de kwaliteit van het landschap waardoor kan worden gesteld dat voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de Interim omgevingsverordening.
Hoofdstuk 3
15
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Veghel De voormalige gemeente Veghel heeft de Structuurvisie Veghel 2030 opgesteld (vastgesteld op 19 december 2013). Met deze visie schets de gemeente haar visie op het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2030. Dit beleid is voornamelijk gericht op het versterken van typische Veghelse kwaliteiten, zoals de dorpse woonkwaliteiten en bijbehoren voorzieningen, maar ook de positie van Veghel als werkstad met bijbehorende stedelijke kwaliteiten. Doorwerking plangebied Het plangebied is in de structuurvisie gelegen in een gebied bestemd voor het ontwikkelen van het agrarisch kerngebied, zie onderstaande figuur. Dit planvoornemen voorziet in een kleinschalige ontwikkeling, namelijk het toestaan van een grondverzet- en loonbedrijf aan de Corsica 8 zodat het feitelijk gebruik overeenkomt met het juridisch-planologische regime. Daarnaast bestaat het voornemen om een overkapping te realiseren aan de oostzijde van de huidige paardenhouderij. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een andere functie toegestaan binnen het plangebied welke niet als beperkend wordt geacht voor de landbouw. Het perceel wordt landschappelijk passend ingericht met oog voor de voor lokale landschapskenmerken en kwaliteiten. Dit is uitgewerkt in een landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in bijlage 2 Landschappelijke inpassing.
Het plan is derhalve in lijn met de vigerende structuurvisie Veghel 2030.
Figuur 5: Uitsnede Structuurvisie
Hoofdstuk 3
16
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.
4.1 Verkeer en parkeren Met de realisatie van de woningbouw neemt de verkeersintensiteit toe en dienen voldoende parkeerplaatsen te worden gerealiseerd, waarbij dient te worden voldaan aan de norm als gesteld in de gemeentelijke parkeernormen. 4.1.1 Verkeersgeneratie De theoretische verkeersgeneratie van het grondverzet- en loonbedrijf kan worden berekend aan de hand van de CROW-kengetallen (publicatie 381). Voor het grondverzet- en loonbedrijf is uitgegaan van het functietype ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekerextensief’. Aangezien de gemeente Meierijstad in 2020 een omgevingsadressendichtheid van 990 kende, is sprake van ligging in de stedelijkheidsklasse ‘weinig stedelijk’. Gelet op de ligging van het plangebied is uitgegaan van de locatiecategorie ‘buitengebied’. Hierbij hoort een theoretische verkeergeneratie van minimaal 7,9 mvt/100 m² bvo en maximaal 9,6 mvt/100 m² bvo. Uitgaande van 670 m² aan bebouwde niet-agrarische oppervlakte volgt hieruit een theoretische verkeersgeneratie van (afgerond) minimaal 53 mvt/etmaal en maximaal 65 mvt/etmaal (inclusief vrachtverkeer). De huidige werkelijke verkeersgeneratie van het grondverzet- en loonbedrijf is echter beduidend lager dan de theoretisch te verwachten verkeersgeneratie. In onderstaande tabel is weergegeven hoeveel te werkelijk te verwachten verkeers-generatie per werkdag ongeveer bedraagt.
Tabel 4.1: Feitelijk aantal te verwachten verkeersbewegingen ten behoeve van het grondverzet- en loonbedrijf (exclusief sporadische verkeersbewegingen; bron: initiatiefnemer) Tijdstip
Aantal verkeersbewegingen
6.30 uur – 7.30 uur (aankomst medewerkers)
3 x auto (inkomend)
7.00 uur (vertrek medewerkers naar werklocatie)
2 keer auto (uitgaand) 1 x vrachtwagen met machine (uitgaand)
16.15 uur (terugkomst medewerkers)
2 x auto (inkomend) 1 x vrachtwagen met machine (inkomend)
16.30 uur (medewerkers naar huis)
3 x auto (uitgaand)
Uit bovenstaande tabel blijkt dat het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van het grondverzet- en loonbedrijf standaard bestaat uit (circa) 10 autobewegingen en 2 vrachtwagenbewegingen per dag. Daar komen nog ongeveer 6 sporadische vrachtwagen- en/of tractorbewegingen per week bij ten behoeve van de afvoer van materialen en grondstoffen. Gemiddeld genomen is dat 1 sporadische verkeersbeweging per dag bovenop het standaardaantal van 12. Daarmee is de daadwerkelijk te verwachten verkeersgeneratie van het grondverzet- en loonbedrijf ongeveer 13 mvt/etmaal. De daadwerkelijk te verwachten verkeersgeneratie van het grondverzet- en loonbedrijf (13 mvt/etmaal) is redelijkerwijs lager dan bij bepaalde (agrarische) vormen van gebruik die wel rechtstreeks
Hoofdstuk 4
17
toegestaan zijn. Zo zou gebruik van de gronden voor de uitbreiding van de paardenhouderij rechtstreeks toegestaan zijn op grond van de bestemmingsplan-regels voor de bestemming ‘agrarisch’. Op deze gronden zou ruimte zijn voor het realiseren van ruim 30 (royale) paardenboxen. Elke dag zou dit per definitie al 2 verkeersbewegingen/paardenbox/etmaal met zich meebrengen, aangezien elke eigenaar zijn of haar paard elke dag dient te bezoeken. Dat resulteert in minimaal 60 mvt/etmaal. Dit aantal is nog exclusief verkeersbewegingen voor aan- en afvoer van voer en het vervoer van en naar wedstrijden. Dit laatste vindt voornamelijk plaats gedurende de weekenden. Aan deze bewegingen zijn vooraf geen tijdstippen te koppelen, aangezien eigenaren 24 uur per dag bij hun paarden moeten kunnen. Uit bovenstaande volgt dat de daadwerkelijk te verwachten verkeersgeneratie van het grondverzet- en loonbedrijf meer dan 75% lager is dan het te verwachten aantal verkeersbewegingen bij wel rechtstreeks toegestaan gebruik van de gronden van het grondverzet- en loonbedrijf als paardenhouderij (gemiddeld 13 mvt/etmaal versus meer dan 60 mvt/etmaal). Daarom bestaan er vanuit het omgevingsaspect verkeer geen belemmeringen.
Het tegenovergestelde is mogelijk zelfs het geval: gebruik als grondverzet- en loonbedrijf zorgt voor minder potentiële verkeersoverlast dan een wel rechtstreeks toegestane paardenhouderij. 4.1.2 Parkeren Op grond van artikel 2, onderdeel a, van het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid. In onderdeel b van dit artikel is opgenomen dat hierbij de parkeernormen uit de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ (vastgesteld op 18 december 2018) in acht dienen te worden genomen. Voor een functie van de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ met een ligging die geduid kan worden met de locatiecategorie ‘rest bebouwde kom/buitengebied’ geldt op basis van deze nota een parkeernorm van 1,2 pp/100 m2 bvo. Bij een oppervlakte van ongeveer 670 m2 betekent dat een totale parkeernorm van 8,04 parkeerplaatsen. Naar boven afgerond dient daarom voorzien te worden in 9 parkeerplaatsen. Er is op het perceel voldoende ruimte om te voorzien in het benodigde aantal parkeerplaatsen. Gelet op het aantal verkeersbewegingen is de verwachting dat ten behoeve van het grondverzet- en loonbedrijf in werkelijkheid bovendien minder dan 9 parkeerplaatsen benodigd zijn. Het aspect parkeren zorgt daarom niet voor belemmeringen.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet inzicht worden gegeven in de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt. Het geluidsaspect is relevant in relatie tot industrielawaai, wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. Toetsingskader zijn de Wet geluidhinder en enkele uitvoeringsbesluiten. Wegverkeerslawaai Voor woningbouw binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. In artikel 74 van de Wet geluidhinder wordt de breedte van de zone van een weg in stedelijk gebied, bestaande uit 1 of 2 rijstroken bepaald op 200 meter. Conform artikel 82, lid 1 van de Wet geluidhinder
Hoofdstuk 4
18
geldt voor de geluidbelasting op de gevel van een woning binnen de zone van een weg een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hebben geen geluidszone. Spoorverkeerslawaai In artikel 105 van de Wgh wordt het Besluit geluidhinder (Bg) van toepassing verklaard. Het besluit is alleen van toepassing binnen de wettelijke vastgestelde zone van een spoorweg. De breedte van de geluidzone langs het spoor wordt geregeld in artikel 1.4 Bg en is afhankelijk van de hoogte van de geluidproductieplafonds langs het spoor ter hoogte van het plangebied. Binnen de zone van een spoorweg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden -waarde in dB bepaald. De Lden-waarde is het energetisch en naar de tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende drie waarden: het geluidniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur); het geluidniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB; het geluidniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 07.00 uur) + 10 dB. De berekende geluidbelasting dient getoetst te worden aan de grenswaarden van het Besluit geluidhinder.
Indien de (voorkeurs)grenswaarde wordt overschreden, dient beoordeeld te worden of maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. In artikel 4.9 en volgende van het Besluit geluidhinder worden de grenswaarden vermeld met betrekking tot nieuwe situaties bij zones. 4.2.2 Onderzoek De gebouwen of andere bouwwerken die in gebruik zijn door het grondverzet- en loonbedrijf worden niet gezien als geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Geluidsgevoelige objecten in de zin van de Wgh zijn namelijk woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen. In het Besluit geluidhinder (Bgh) staat nader gespecificeerd wat verstaan moet worden onder andere geluidsgevoelige gebouwen. In artikel 1.2, eerste lid, Bgh, worden in dit kader onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven aangewezen. Gelet op voorgaande wordt het uitvoeren van akoestisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Aangezien geen sprake is van een geluidsgevoelig object, kan ten aanzien van het aspect geluid kan bij voorbaat gesteld worden dat er geen belemmeringen zullen ontstaan. 4.2.3 Conclusie Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
19
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie tot 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een ‘NIBM’ toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 13 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 15%. Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2022 (worst-case scenario), zie onderstaande afbeelding.
Hoofdstuk 4
20
Figuur 7: NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer
Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO 2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijnstof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,01 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,00 µg/m3 bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2021 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2021, de meest recente versie van de tool waarin waarden zijn opgenomen voor de jaren 2020 en 2030 (prognose). De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2021 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 17.8 µg/m3 en voor PM10 19.5 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 11,9 µg/m3. NO2 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdaμg/m3 gen Rekenpunt 15519898 17.7 19.2 7.0 Rekenpunt 15520104 17.1 19.1 6.9 Rekenpunt 15520008 17.8 19.2 7.0 Rekenpunt 15520241 17.0 19.1 7.0 Norm 40 40 35 Tabel 4.2: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id
PM2.5 μg/m3
Jaar
11.9 11.8 11.9 11.8 25
2020 2020 2020 2020
Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden kan worden verondersteld dat de concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 (fijnstof) niet stijgt. Hierdoor kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.
Hoofdstuk 4
21
4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Met onderhavig ruimtelijk initiatief wordt een grondverzet- en loonbedrijf mogelijk gemaakt. Loonbedrijven (> 500 m 2) zijn bedrijven van milieucategorie 3.1. In een rustig woongebied/rustig buitengebied geldt hiervoor een richtafstand van maximaal 50 meter. Alle milieugevoelige functies in de omgeving van het plangebied liggen op een afstand groter dan 50 meter.
Hoewel de bedrijfswoning
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
22
behorende bij het bedrijf Corsica 8a op circa 35 meter van het bestemmingsvlak voor het bedrijf Corsica 8 is gelegen, ligt de zone waarbinnen het grondverzet- loonbedrijf is toegestaan op circa 53 meter van deze woning (uiterste situering van de gevel of vergunningvrije mogelijkheden) waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Om die reden is het aannemelijk dat ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan. Gelet op de aanwezigheid van verschillende functies in de directe omgeving van het plangebied is mogelijk sprake van gemengd gebied. In dat geval mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, omdat gemengde gebieden al een hogere milieubelasting kennen. Dat zou betekenen dat een richtafstand van maximaal 30 meter mag worden aangehouden. Van belang in het kader van bedrijven en milieuzonering is dat het grondverzet- en loonbedrijf zeer specifiek bestemd wordt. Daarbij wordt alleen de huidige feitelijke gebruiksvorm toegestaan. Tevens zal het gebruik enkel toegestaan worden binnen een gespecificeerde locatie binnen het bestemmingsvlak. Daarnaast zal een maximale oppervlakte aan bebouwing die voor het grondverzet- en loonbedrijf aangewend wordt in de op te stellen planregels worden opgenomen. Daarmee blijven de milieueffecten op de omgeving beheersbaar en is er sprake van een beperkte impact op de omgeving.
In de planregels van voorliggend bestemmingsplan zal een grondverzet- en loonbedrijf enkel toe worden gestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – 2’. Ter plaatse van deze aanduiding zal ook alleen een grondverzet- en loonbedrijf worden toegestaan. De oppervlakte van de aanduiding is circa 2.500 m² groot. De strekking van de definitie voor het grondverzet- en loonbedrijf is als volgt: Grondverzet- en loonbedrijf Een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het vervaardigen van (samengestelde) gronden bouwstoffen ten behoeve van toepassing van deze grond- en bouwstoffen in de agrarische, hippische, cultuurtechnische en GWW-sector. Hoewel een grondverzet- en loonbedrijf op grond van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt aangemerkt als een bedrijf van milieucategorie 3.1 zullen de milieueffecten van dit bedrijf feitelijk gezien eerder te vergelijken zijn met die van een bedrijf behorende tot milieucategorie 2. De bedrijfsactiviteiten bestaan namelijk voornamelijk uit de opslag van materiaal en materieel. De inhoudelijke werkzaamheden van het bedrijf vinden als gezegd plaats op de locatie van de klant. Het grondverzet- en loonbedrijf is een verlengstuk van de agrarische bedrijfsvoering. Ligging van dit bedrijf in het buitengebied is niet per definitie gebiedsvreemd.
Bovendien is het waarschijnlijk dat op andere plaatsen ook binnen het plangebied van bestemmingsplan ‘Buitengebied’ al een grondverzeten loonbedrijf als nevenactiviteit naast de agrarische bedrijfsvoering toegestaan is, aangezien voor dit nevengebruik op grond van artikel 3.1, onderdeel b, van bestemmingsplan ‘Buitengebied’ al is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 2'. Aangezien het grondverzet- en loonbedrijf binnen de op de planverbeelding aangegeven aanduiding dient te worden gerealiseerd kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan zowel de richtafstanden van milieucategorie 2 als milieucategorie 3.1. Nadelige gevolgen van het toestaan van een grondverzet- en loonbedrijf zijn daarmee uitgesloten.
Hoofdstuk 4
23
4.4.3 Conclusie Met de oprichting van het grondverzet- en loonbedrijf wordt er een milieubelastende functie opgericht in het buitengebied van Zijtaart. Een grondverzet- en loonbedrijf wordt feitelijk gezien als een activiteit in milieucategorie 3.1. Aangezien het grondverzet- en loonbedrijf binnen de op de planverbeelding aangegeven aanduiding dient te worden gerealiseerd kan worden verondersteld dat wordt voldaan aan zowel de richtafstanden van milieucategorie 2 als milieucategorie 3.1. Het toestaan van een grondverzet- en loonbedrijf op de locatie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om stank veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde ‘omgekeerde werking’ in het kader van de ruimtelijke ordening. 4.5.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen geurgevoelig object toegestaan. In een straal van 250 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Voor de volledigheid is de achtergrondbelasting geur onderzocht, zie navolgende afbeelding. Ter plaatse van het plangebied is de achtergrondwaarde van de geurbelasing tussen de 3 en 7 ou/m³. Een dergelijke achtergrondwaarde wordt als een ‘goede’ kwaliteit van de leefomgeving beoordeeld.
Hoofdstuk 4
24
Daarnaast zal de ontwikkeling geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven, daar er reeds een grondverzet- en loonbedrijf is gevestigd op de locatie van onderhavig ruimtelijk initiatief.
Figuur 8: Ligging plangebied t.o.v. achtergrondbelasting geur (bron: atlas Omgevingsdienst Zuidoost Brabant, kaart d.d. maart 2022)
4.5.3 Conclusie Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels gelegen die bescherming behoeven en daarom een belemmering van het initiatief vormen. Wel wordt het plangebied doorkruist door een buisleiding van Brabant Water. Hiervoor gelden binnen de beschermingszone van de leiding de volgende regels:
Hoofdstuk 4
25
31.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van een ondergrondse watertransportleiding, waarbij de aanduiding 'hartlijn leiding - water' de hartlijn van de watertransportleiding aangeeft. 31.2 Bouwregels Op of in de in 31.1 genoemde gronden mogen, in afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, uitsluitend bouwwerken worden gebouwd die noodzakelijk zijn voor een doelmatig beheer van de ondergrondse watertransportleiding, tot een maximale bouwhoogte van 4,5 meter. 31.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 31.2 voor het bouwen ten behoeve van de andere daar voorkomende bestemming(en), mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b.
het bouwwerk vormt geen belemmering voor het doelmatig functioneren van de watertransportleiding; vooraf is advies ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
31.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 31.4.1 Verbod Het is verboden op of in de in 31.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. b. c. d. e. f. g.
het aanleggen en/of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het ophogen, verlagen, afgraven, vergraven, egaliseren of anderszins wijzigen van het maaiveldniveau; het mengen, ontginnen, woelen, diepploegen of uitvoeren van andere grondbewerkingen dieper dan 0,50 meter; het graven, verbreden, verdiepen, dempen of anderszins wijzigen van oppervlaktewateren; het uitvoeren van heiwerken of het anderszins indrijven van voorwerpen in de bodem; het aanbrengen of verwijderen van andere transport-, energie-, telecommunicatie- en/of drainageleidingen dan in de bestemmingsomschrijving aangegeven, en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
31.4.2 Uitzonderingen Het in lid 31.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden welke: a. b. c.
het normale onderhoud, beheer en/of gebruik betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning.
31.4.3 Toelaatbaarheid De in lid 31.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien: a. b.
de werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden geen belemmering vormen voor het doelmatig functioneren van de watertransportleiding; vooraf advies is ingewonnen bij de desbetreffende leidingbeheerder.
Hoofdstuk 4
26
Het voornemen bestaat om ter plaatse van de buisleiding een overkapping te realiseren ten behoeve van de stalling van de machines van het grondverzet- en loonbedrijf waardoor afstemming over het bouwen binnen de leidingenstrook plaats moet vinden en een vergunning nodig is voor bouwen binnen deze zone.
Figuur 9: Tekening beoogde overkapping en profiel buisleiding met beschermingszone
De gemeente heeft – zoals verwoord in paragraaf 1.1 – als randvoorwaarde meegegeven dat de bebouwing dient te worden opgericht buiten de op de verbeelding van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ opgenomen beschermingszone ‘Leiding – Water’. Er is echter intensief overleg gevoerd met Brabant Water over het voornemen en over de wens om wel deels binnen de zone te kunnen bouwen om zo een grote mate van clustering van bebouwing te bereiken. Brabant Water heeft randvoorwaarden aangegeven onder welke voorwaarden zij een overkapping binnen de leidingenstrook acceptabel acht. Zo is het realiseren van funderingen en/of staanders niet toegestaan, maar mag de strook wel overbouwd worden. In het ontwerp van de overkapping is rekening gehouden met de opgegeven randvoorwaarden. Er zullen geen staanders en/of nieuwe funderingen binnen de leidingenstrook worden aangebracht. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. In de bijlage is een geanonimiseerde mailcorrespondentie met Brabant Water toegevoegd.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
Hoofdstuk 4
27
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag.
Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.