Toelichting & regels Dijksteegje Sin Oedenrode
Tekst van het document
Dit besluit sluit aan bij de risiconormering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit betekent dot de toetsings- en bebouwingsafstand worden vervangen door een afstond voor het plaatsgebonden risico (PR) en een afstand voor het invloedsgebied van het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt dot er binnen de 10-6-risicocontour geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Voor het GR geldt, indien er objecten binnen het invloedsgebied liggen, een verantwoordingsplicht.
Hoofdstuk 4
32
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.6.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.
Figuur 12: Uitsnede risicokaart
Hoofdstuk 4
33
Risicovolle inrichtingen Aan de Schijndelseweg 19 en de Alfred Nobelstraat 20 zijn tankstations gelegen war LPG is opgeslagen. Voor een tankstation waar LPG is opgeslagen geldt een risicoafstand (PR 10-6) van 15 meter. Deze afstand moet gemeten worden vanaf het gebouw. De afstand van het gebouw tot de bestemmingsplangrens bedraagt circa 230 meter (Schijndelseweg 19) en circa 712 meter (Alfred Nobelstraat 20). Zodoende vormen de tankstations waar LPG is opgeslagen geen belemmering. Aan de Zwembadweg 35 is camping De Kienehoef gelegen. Op deze camping is een propaantank gesitueerd. Voor de propaantank geldt een risicoafstand van (PR 10-6) van 17 meter. De propaantank is gelegen op een afstand van circa 1.300 meter van het plangebied. Zodoende kan worden gesteld dat de ligging van de propaantank geen belemmering vormt voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Transportroutes gevaarlijke stoffen Op circa 1.100 meter meter ten oosten/zuidoosten van het plangebied bevindt zich de A50. Deze weg maakt onderdeel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De weg kent geen PR 10-6-contour of plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied van 880 meter reikt niet tot het plangebied. De beoogde ontwikkeling ligt niet binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A50. Daarnaast zijn er nog enkele lokale risicovolle transportroutes.
Het gaat hierbij om de Schijndelseweg en de Noordelijke Randweg. Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van deze lokale transportroutes waardoor een verantwoording van het groepsrisico opgesteld dient te worden. Het betreft een ontwikkeling waarbij kan worden verondersteld dat dit niet leidt tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde en het groepsrisico niet met 10% of meer toeneemt. Er is wel een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De ligging van het plangebied nabij enkele lokale transportassen vormt verder geen belemmering voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied is één buisleiding gelegen, buisleidingen Z-544-01. Onderstaande tabel toont nadere informatie met betrekking tot voorgenoemde buisleiding. Buis
Inch
Z-544-01
14
Werkdruk (bar) 40
100% letaliteitsafstand in m 80
1% letaliteitsafstand in m 150
Afstand tot plangebied in m 1.600
Uit bovenstaande tabel kan worden afgeleid dat het plangebied niet gelegen is binnen de risicoafstanden van de buisleiding. De buisleiding vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig ruimtelijk initiatief. Beperkte verantwoording groepsrisico Het plangebied is gelegen nabij de Schijndelseweg en de Noordelijke Randweg. Hierover worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in het invloedsgebied van de lokale transportroutes Schijndelseweg en Noordelijke Randweg dient conform art 7 BEVT het groepsrisico te worden verantwoord. Het relevante scenario i.r.t het plangebied is een BLEVE.
Hoofdstuk 4
34
Scenario Een BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. LPG komt vrij en ontsteekt. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De kans dat een incident zich voor doet is klein. Het betreft namelijk lokale transportroutes voor gevaarlijke stoffen waar de intensiteit van het transport laag is. Beoordeling zelfredzaamheid Voor het scenario BLEVE is vluchten het beste handelingsperspectief. Dit betekent dat aanwezigen op tijd gealarmeerd en geïnstrueerd moeten worden en er voldoende vluchtwegen van de risicobron aflopend aanwezig moeten zijn. Via het Dijksteegje kan van de transportroutes afgevlucht worde. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Beoordeling bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een BLEVE is matig. Propaan wordt vervoerd in niet- geïsoleerde tankwagens. Als gevolg van externe hittestraling kan deze na ca.12 minuten ontploffen. De brandweer zal om deze reden defensief optreden en zich richten op het ontruimen van de omgeving. reden sterk defensief optreden. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als slecht beoordeeld.
Advies brandweer Er is door de brandweer een advies opgesteld ten aanzien van externe veiligheid en de BLEVE vanwege de Schijndelseweg en Noordelijke Randweg. Dit advies is opgenomen in de bijlagen. In deze notitie worden bovenstaande beoordelingen ook beschreven. Het advies luidt als volgt: De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te nemen om de zelfredzaamheid in het plangebied te verhogen: Informeer de initiatiefnemers c.q. de toekomstige bewoners actief over het aanwezige risico en handelingsperspectief. Deze informatie kan worden meegenomen in het besluit om zich op deze locatie te vestigen. Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger. Deze informatie zorgt er ook voor dat de bewoners op het moment dat een incident plaats vindt direct weten hoe te handelen, dit heeft een positieve invloed op de mate van zelfredzaamheid. 4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de ontwikkeling van onderhavig ruimtelijk initiatief. Het advies van de brandweer zal worden gerespecteerd en nageleefd.
Hoofdstuk 4
35
4.7 Flora en fauna 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staat. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Bij ruimtelijke ingrepen, waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.
Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Daarnaast wordt ook de groenblauwe mantel beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
36
Bescherende houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 van de Wnb zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10, niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer of gebruik dan wel ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.7.2 Onderzoek Er is door BRO een quickscan Flora en Fauna3 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld. Voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Voor het aspect stikstofdepositie wordt verwezen naar de volgende paragraaf.
3
BRO, Quickscan Flora en Fauna Dijksteegje 46 te Sint-Oedenrode, d.d. 14 juli 2021
Hoofdstuk 4
37
Tabel. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen
Daarnaast is er een stikstofdepositieberekening opgesteld doordat het plangebied gelegen is op circa 11,2 kilometer van een Natura 2000-gebied. Uit de berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen depositieresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Voor de volledige toelichting en de invoergegevens verwijzen we u naar de bijlage van voorliggend bestemmingsplan. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 4.7.3 Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
38
4.8 Bodem 4.8.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Het ruimtelijk infinitief maakt geen nieuwe bestemming mogelijk (wonen is reeds toegestaan). De verwachting is dat er in de huidige schuur asbest verwerkt zit. Na het amoveren van de bestaande bebouwing zal een verkennend onderzoek worden uitgevoerd om te onderzoeken of de bodemkwaliteit voldoet aan de richtlijnen voor een goed woon- en leefklimaat. 4.8.2 Onderzoek Voor onderhavig ruimtelijk initiatief is door Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (projectnummer: AM21096, d.d. 19 juli 2021) en is een verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd (projectnummer: AM21096-2, d.d. 6 oktober 2022).
Navolgend worden de belangrijkste conclusies beschreven. Voor de volledige onderzoeksrapportages wordt verwezen naar de bijlagen van voorliggend bestemmingsplan. Locatie Dijksteegje 46 Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn in de bovengrond bij boring 2, 8 en 9 bijmengingen met baksteen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de boven- en ondergrond geen gehalten gemeten zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is matig verhoogd met barium en licht verhoogd met cadmium en zink. Rondom de woning en voor de schuur ligt een grindverharding. In de grond daaronder zijn sporen baksteen tot zwak baksteenhoudende grond aangetroffen. Verder staat op deze locatie een schuur die mogelijk ook asbest bevat. Het dak van de schuur met asbesthoudende golfplaten is niet voorzien van dakgoten en het terrein rondom de schuur is niet verhard waardoor er sprake kan zijn van bodemverontreiniging in de zogenaamde druppelzone. Dit betekent dat dan ook ter plaatse van de schuur de toplaag van de druppelzones verdacht is op asbest en PCB’s. Het verkennend asbest in grond onderzoek conform NEN 5707 (projectnummer: AM21096-2, d.d.
6 oktober 2022) ter plaatse van de drupzone is uitgevoerd en hieruit blijkt dat op het maaiveld, in het uitgegraven bodemmateriaal ter plaatse van de schuur en ter plaatse van de grindverharde inrit visueel geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Onder de grindverharding is een uiterst baksteenhoudende verhardingslaag aangetroffen. Deze is niet analytisch onderzocht maar is gezien de waargenomen samenstelling als onverdacht op het voorkomen van asbest beschouwd. In het geanalyseerde mengmonster van de fijne fractie van de druipzone is een zeer licht verhoogd gehalte
Hoofdstuk 4
39
(8,4 mg/kg d.s.) aan asbest in de bodem aangetroffen. Het licht verhoogde gehalte ligt ruimschoots onder de helft van de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. waardoor er geen aanleiding is voor het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. Voorts blijkt de druipzone aan de westzijde van de schuur licht verhoogd met PCB. Gezien de aangetoonde lichte verhoging wordt een nader onderzoek naar het voorkomen van PCB niet noodzakelijk geacht. Ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt het aspect asbest in de bodem en het plaatselijk licht verhoogd gehalte aan PCB geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling op de locatie (sloop bebouwing en nieuwbouw woning). Locatie Dijksteegje ong. Het ‘Verkennend bodemonderzoek Dijksteegje 46 te Sint Oedenrode’ (Aeres Milieu, projectnummer: AM21096, d.d. 19 juli 2021) heeft ook betrekking op het perceel Dijksteegje ong. te Sint Oedenrode. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat er geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn aangetroffen. Het grondwater is op dit perceel niet afzonderlijk onderzocht maar gecombineerd met Dijksteegje 46. Gezien de resultaten van het onderzoek uit 2004, dit onderzoek en de historie van het perceel (braakliggend) wordt aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht. 4.8.3 Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.9 Waterparagraaf 4.9.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Deze is recent vervangen door de interim Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen.
De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen.
Hoofdstuk 4
40
Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheer-plan “Waardevol water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn.
Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor de kleine planontwikkeling (<500 m2 buiten hydrologische gevoelig gebied) is de gemeente Meierijstad bevoegd/toetsend gezag. Bij grote projecten is het waterschap De Dommel het toetsend gezag. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt zoveel als mogelijk de maatschappij betrokken. Op particulier terrein liggen nog veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem.
Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem.
Hoofdstuk 4
41
4.9.2 Onderzoek Aeres Milieu4 heeft een onderzoek uitgevoerd, voor het plangebied. Door middel van een waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied ligt in het noordelijk deel van Sint Oedenrode nabij de Noordelijke Randweg. Het plangebied bestaat uit twee percelen langs Het Dijksteegje. Momenteel is het noordelijke perceel bebouwd (huisnummer 46). Het zuidelijk perceel is onbebouwd. De percelen worden gescheiden door een woning (huisnummer 38). Ten oosten zijn woningen aan de Marijnenstraat (nrs. 1, 3, 5 en 7) aanwezig. Het Dijksteegje ligt ten westen van het plangebied en de Dreesstraat ten zuiden. Ten noorden is de Piersonstraat en een oppervlaktewater aanwezig. Voor de nieuwbouw van een woning is voldoende ontwateringsdiepte benodigd om o.a. grondwateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied kent nauwelijks hoogteverschil en ligt gemiddeld op circa 11,2 m +NAP. De omliggende wegen liggen op circa 11,1 m +NAP. De woningen ten oosten van het plangebied liggen gemiddeld ook op circa 11,3 m +NAP.
Grondwater Voor de toekomstige ontwikkeling moet worden voldaan aan de benodigde drooglegging van 0,7 m onderzijde vloer bij gebouwen en 0,5 m voor tuinen. Op basis van de bekende gegevens is dit niet mogelijk zonder het plangebied op te hogen. De gemiddelde grondwaterstand (GHG) is in het plangebied relatief hoog (tussen de 40 en 80 cm onder maaiveld). Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de nieuwbouw ca. 20 tot 30 cm boven de kruin van de weg aan te leggen zodat eventuele instroom in het pand vermeden wordt. De ophoging van perceel 941 ten behoeve van de nieuwbouwwoning mag niet leiden tot wateroverlast op omliggende percelen. Bij de dimensionering van de hemelwatervoorzieningen dient hier rekening mee gehouden te worden. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover bekend, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan. Door het planvoornemen en voldoen aan de milieu hygiënische randvoorwaarden is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten.
Oppervlaktewater Ten westen van het Dijksteegje is een B-watergang aanwezig en tussen het Dijksteegje en Schijndelseweg ligt een kleine waterbuffer. Deze oppervlaktewateren zijn zover bekend niet voorzien van aanvullende beschermingszones of randvoorwaarden.
4
Onderbouwing wateraspect Dijksteegje, Sint-Oedenrode (Aeres Milieu, 30 juni 2021)
Hoofdstuk 4
42
Langs de Schijndelseweg (westzijde) en noordwestelijk (waterbuffer) is een A-watergang aanwezig onder het beheer van het Waterschap De Dommel. Deze watergang heeft een beschermingszone van 5 meter. Deze beschermingszone valt in de bestemming ‘Groen’ van onderhavig plan. Het plaatsen van onomkeerbare werken zoals bomen, hekwerken, gebouwen etc. in deze zone is watervergunningplichtig. Het toekomstig bouwvlak ligt niet in (een beschermingszone van) het oppervlaktewater en binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er wordt geen direct nadelig effect verwacht op het oppervlaktewaterstelsel. Het oppervlaktewater wordt beheerd door het waterschap De Dommel. De basis voor het ontwerp van infiltratie- en/of retentievoorzieningen is omgeschreven in de keur. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen hieraan dient het waterschap betrokken te worden bij het proces van de watertoets. Afvalwater Het plangebied ligt binnen een relatief nieuwe woonwijk met een gescheiden rioolstelsel. Het RWAstelsel loost het hemelwater in de aanwezige waterbuffer ten noordwesten van het plangebied. Noordelijk van het plangebied is een regenwatergemaal aanwezig. Bij de realisatie van de nieuwbouw woningen zal een gescheiden rioolstelsel worden aangelegd. Door de aanwezigheid van het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel kan hierop eenvoudig aangesloten worden.
Voor de wijziging aan en de nieuwe aansluiting op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd een aanvraag te worden ingediend bij de gemeente Meierijstad. Door het toevoegen van een bouwvlak dat het mogelijk maakt om één extra woning te realiseren, en de herbouw van een bestaande woning zal de afvalwaterstroom naar het gemeentelijk stelsel niet significant toenemen. Naar verwachting kan dit verwerkt worden in het huidige stelsel. Hemelwater Momenteel is het noordelijke perceel (nummer 46) deels bebouwd en is er een grindverharde oprit naar de woning en schuur aanwezig. Het zuidelijke perceel is geheel onverhard en in gebruik als grasveld. Over het algemeen wordt gestimuleerd om zo veel mogelijk onverhard te laten bij projectontwikkelingen. De voorkeur van de gemeente gaat naar het op eigen terrein verwerken van hemelwater als dat redelijkerwijs mogelijk is. Het infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen. Echter, door de verwachte aanwezigheid van een onderliggende leemlaag zal de infiltratiesnelheid binnen het plangebied beperkt zijn.
Hoofdstuk 4
43
Door de ontwikkeling vinden er wijzigingen plaats aan het verhard oppervlak. De huidige verharding is vastgesteld op basis van satellietfoto’s. De toekomstige verharding is gebaseerd op de toekomstige bouwvlakken en een verwachte verharde oprit en terras bij de woningen.
Figuur 13 Toename verhard oppervlak
Uit de tabel is af te leiden dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 340 m2. Hierbij is geen rekening gehouden met aanvullende maatregelen. Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie. De gemeente Meierijstad stelt echter dat er 60 mm op eigen terrein verwerkt wordt. Bij het noordelijke perceel is sprake van afname aan verharding en zuidelijk van een toename. De benodigde waterberging bedraagt ca. 33 m³ per deelgebied. Geadviseerd wordt om op beide percelen een bovengrondse hemelwatervoorziening in te passen met een overloop naar het oppervlaktewater of het gemeentelijk RWA-stelsel. Op basis van de verwachte bodemsamenstelling zal er een slechte of matige infiltratiesnelheid aanwezig zijn, waardoor geadviseerd wordt om een lozingsvoorziening in te passen. Als de voorkeur toch uit gaat naar een infiltratievoorziening, wordt het voorafgaand uitvoeren van een infiltratieonderzoek geadviseerd.
Voor de verwerking van het hemelwater zijn enkele mogelijkheden beschikbaar, zoals: Aanleg van een wadi met een totaal oppervlak van circa 85 m² en een diepte van 0,4 meter; Aanleg van een greppel met een totaal oppervlak van circa 50 m² en een diepte van 0,7 meter; Aanleg infiltratieveld door het verlagen van de tuinen met enkele centimeters (kan leiden toch vochtige tuinen); Aanleg waterpasserende bestrating voor de oprit en terrassen; Ondergrondse voorziening boven GHG (beperkt toepasbaar); In overleg met de gemeente; deels verwerken op eigen terrein (bijvoorbeeld 30 mm) en restant afvoeren naar het RWA-stelsel; Combinatie van bovenstaande opties. Een bergingsvoorzieningen kan vertraagd afvoeren naar het RWA-stelsel. Verder wordt een bovengrondse noodoverloop geadviseerd voor boven normatieve buien. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden bij het Waterschap middels het Omgevingsloket.
Hoofdstuk 4
44
4.9.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor de realisatie van onderhavig ruimtelijk initiatief. Door de verwachte aanwezigheid van een onderliggende leemlaag wordt geadviseerd om een bovengrondse hemelwatervoorziening in te passen met een overloop naar het oppervlaktewater of het gemeentelijk RWA-stelsel.
4.10 Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het is met deze wet verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Het plangebied is gelegen ten noorden van de kern Sint-Oedenrode. Op de Archeologische Beleidskaart van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode (2011) geldt de categorie 5: hoge archeologische verwachting. Volgens het vigerende bestemmingsplan (2010) heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 1’.
Voor deze zone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 200 m2 en een verstoringsdiepte vanaf 50 cm -mv. Het ruimtelijk initiatief betreft een oppervlak groter dan 200 m². daarnaast wordt er uitgegaan van een standaard funderingsdiepte zonder onderkeldering van circa 80 – 100 cm -mv waardoor het noodzakelijk wordt geacht om een archeologisch onderzoek te overleggen. 4.10.1 Onderzoek Door Aeres Milieu is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Navolgend zullen de belangrijkste conclusies uit het onderzoek worden benoemd. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlage. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat in een het plangebied enkeerdgronden, zoals beschreven in het bureauonderzoek, aanwezig zijn. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het dekzand bestaat uit zwak tot matig siltig matig fijn, goed gesorteerd zand. De natuurlijke ondergrond bevindt zich op een variërende diepte van
Hoofdstuk 4
45
circa 45 tot 155 centimeter onder maaiveld. Dit komt neer op een gemiddelde diepte van circa 9,70 tot 10,58 meter +NAP. Er is tijdens het veldonderzoek ook vastgesteld dat de bodem in meer of mindere mate verstoord is. Dit is mogelijk het gevolg van moderne grondwerking ten behoeve het de huidige bebouwing en als gevolg van diepploegen en mogelijke ruilverkaveling. Als gevolg hiervan is de overgang van het humeuze toppakket naar de natuurlijke ondergrond verrommeld. Hierdoor zullen eventueel aanwezige resten uit de periode vanaf de jagers-verzamelaars niet langer in situ aanwezig zijn. Het gaat om zeer kwetsbare vindplaatsen en deze zullen verloren zijn gegaan bij de activiteiten die de aftopping van de bodem tot gevolg hebben gehad. De verwachting voor deze perioden kan voor het gehele plangebied worden bijgesteld van middelhoog naar laag. Voor de daaropvolgende perioden van meer sedentaire bewoningsvormen met robuustere sporen kan worden gesteld dat deze naar verwachting nog goed aangetroffen kunnen worden. Ter plaatse van boring 1, 5 en 7 is een deels intacte bodem aangetroffen. In deze boringen is een BC-horizont aanwezig. Het podzolprofiel is dus afgetopt maar de aanwezigheid van de BC-horizont blijft de archeologische verwachting gehandhaafd. Echter het vlekkerige karakter van BC-horizont duidt op verstoring van de bodem tot minstens in de BC-horizont.
Als gevolg hiervan wordt de kans op intacte archeologische resten uit de periode neolithicum tot nieuwe tijd laag geacht. In de overige boringen is de overgang van de (humeuze) top naar de natuurlijke ondergrond verrommeld. Dit heeft tot gevolg dat dit historische niveau en bijbehorende sporen zijn afgetopt als gevolg van moderne grondbewerking en verstoringen. Hierdoor zullen alleen diepere sporen zoals water- en beerputten, greppels en sloten bewaard zijn. Hoewel deze sporen mogelijk vondstrijk zijn ontbreekt een eventuele context. Hierdoor is de informatiewaarde van dergelijke sporen beperkt. Op basis hiervan wordt de verwachting voor het gehele plangebied voor deze periode neolithicum tot en met nieuwe tijd bijgesteld van middelhoog naar laag. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing. 4.10.2 Conclusie Op basis van voorgaande kan worden gesteld dat de archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum – nieuwe tijd) kan worden bijgesteld naar laag. Hierdoor wordt er geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht voor het plangebied.
4.11 Cultuurhistorie 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan
Hoofdstuk 4
46
moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.11.2 Onderzoek Het plangebied is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Noord-Brabant gelegen in een cultuurhistorisch landschap. Op circa 170 meter ten noorden van het plangebied is een cultuurhistorisch waardevol gebied gelegen. Op circa 1.100 meter ten noorden is een complex van cultuurhistorisch belang gelegen. Verder zijn er in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het cultuurhistorische landschap, het cultuurhistorisch waardevol gebied en het complex van cultuurhistorisch belang.
De betrokken percelen en objecten zijn op basis van de Erfgoedverordening van de gemeente niet aangemerkt als monument of beschermd dorpsgezicht.. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de realisatie van onderhavig ruimtelijk initiatief. Verder wordt het bebouwingslint aan het Dijksteegje geaccentueerd door toevoeging van een bouwvlak aan deze historische lintstructuur.
4.12 Kabels en leidingen Op een afstand van circa 3.300 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 80 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering. Een overzicht van lokale kabels en leidingen is opgenomen als bijlage. Met de aanwezigheid van deze kabels en leidingen dient rekening gehouden te worden bij de voorgenomen bouw en herbouw.
Hoofdstuk 4
47
4.13 Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, zodat kan worden bepaald of een advies van de GGD nodig is voor de toevoeging van een nieuwe woning. De uiteindelijke keuze is een afweging welke wordt gemaakt door de gemeente. Stap 1: Endotoxine Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1.0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. In dit toetsingskader blijkt dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van deze advieswaarde van 30 EU/m3. Dit betekent dat wanneer omwonenden in een straal van 500 meter van een pluimveehouderij wonen, zij door de huidige geur- en fijnstofnormen onvoldoende beschermd kunnen worden tegen een verhoogd risico door endotoxinen. De beoogde woningen zijn op voldoende afstand gelegen van de meest nabij gelegen intensieve veehouderij (circa 800 meter verwijderd). Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.
Stap 2: Emissies De ontwikkeling leidt niet tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. De ontwikkeling betreft namelijk het amoveren van de bestaande om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning waarbij eveneens het bouwvlak wordt vergroot en de maximale goothoogte voor bijgebouwen toeneemt. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om het abusievelijk op het achterperceel van Dijksteegje 46 gesitueerde bouwvlak te verplaatsen naar de locatie Dijksteegje ongenummerd (perceelnummer 941). Stap 3a: Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon-/leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader In de beoogde situatie wordt aan de geldende wet- en regelgeving voldaan (vaste afstanden). Daarnaast is er gekeken naar de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied. Hieruit blijkt dat er sprake is van een zeer goede luchtkwaliteit waardoor kan worden verondersteld dat er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Stap 3b: Geur toetsen aan aanvaardbaar woon/leefklimaata.d.h.v. gezondheidskundige advieswaarde In de beoogde situatie wordt aan de gezondheidskundige advieswaarde voldaan; de meest nabijgelegen veehouderij is gelegen op circa 800 meter afstand van de ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
48
Stap 4a-b: Houden meerdere diersoorten binnen één veehouderij De afstand tussen de om te zetten woning en de inrichtingsgrenzen van een varkensbedrijf en een pluimveebedrijf bedraagt in de nieuwe situatie meer dan 100 meter. 5a: Geitenhouderijen Uit het VGO-2onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. De planlocatie ligt niet binnen de straal van 2 km van geitenhouderijen. Onderstaand wordt dit aspect nader beschouwd. 5b: Pluimveebedrijven De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 km van pluimveebedrijven. 5c: Overige veehouderijen De locatie is gelegen op ruime afstand van enkele veehouderijen, te weten de Kampenweg 4 (op 820 meter) en de Fitselsteeg 15 (op circa 1.200 meter). Overige veehouderijen zijn gelegen op een grotere afstand. Onderstaand is ten aanzien van dit onderdeel een afweging gemaakt over het te ontwikkelen plan in relatie tot de volksgezondheid. Stap 6: mestbe- en verwerking Er is geen sprake van mestbe- of ververwerking als nevenactiviteit of als zelfstandige activiteit. Stap 7: ongerustheid Bij omwonenden is geen sprake van ongerustheid over de volksgezondheid. Geitenhouderijen Uit landelijk onderzoek blijkt dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontsteking bij mensen voorkomt dan daarbuiten.
De GGD-Brabant heeft hierover in een advies haar zorgen geuit en mede daarom heeft de provincie Noord-Brabant sinds juli 2017 een bouwstop voor geitenhouderijen afgekondigd. Dit zou kunnen betekenen dat nieuwe ontwikkelingen binnen 2 kilometer van een geitenhouderij niet als ruimtelijk aanvaardbaar worden aangemerkt. Naast de verhoogde gezondheidsrisico’s kan een geitenhouder zich ook benadeeld voelen bij ontwikkelingen binnen 2 km van zijn geitenhouderij. De verschillende Brabantse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk de ‘handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ opgesteld (d.d. 30 april 2018). Deze handreiking omvat een stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. In onderhavig project wordt amoveren van de bestaande om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe vrijstaande woning waarbij eveneens het bouwvlak wordt vergroot en de maximale goothoogte voor bijgebouwen toeneemt. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om het abusievelijk op het achterperceel van Dijksteegje 46 gesitueerde bouwvlak te verplaatsen naar de locatie Dijksteegje ongenummerd (perceelnummer 941). In het plangebied is reeds een woning gelegen en een bouwvlak aanwezig op het achterterrein van Dijksteegje 46. Dit bouwvlak zal worden verplaatst naar de locatie
Hoofdstuk 4
49
Dijksteegje ongenummerd. De gemeente Meierijstad moet een zorgvuldige afweging maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Uit toetsing aan het stappenplan uit de “Handreiking veehouderij en volksgezondheid” volgt dat advies van de GGD niet noodzakelijk is voor dit plan. Er worden geen gezondheidsbeperkingen verwacht, gezien in de handreiking wordt aangegeven dat negatieve gevolgen voornamelijk optreden daar waar er meerdere veehouderijen in de omgeving aanwezig zijn, die gezamenlijk tot cumulatie leiden. In onderhavige situatie is er sprake van varkenshouderijen in de omgeving. Voor de volledigheid kan advies worden ingewonnen van de GGD. Tevens speelt de windrichting een voorname rol bij de verspreiding van de uitstoot van een veehouderij. Windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen, ammoniak en micro-organismen) en geur. Omdat de overwegende windrichting in Nederland uit het zuidwesten komt zal de verspreiding van geur en fijnstof van de betreffende varkens- en geitenhouderijen zich doorgaans niet verplaatsen in de richting van de locatie van het plangebied doordat er ten zuidwesten geen varkens- en geitenveehouderijen gelegen zijn. Daarnaast zal er geen wijziging optreden in de ligging en omvang van de toekomstige burgerwoning.
Slotafweging De gemeente moet op basis van de stappen 5a en 5c een zorgvuldige afweging maken of sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. In dit geval is er sprake van een plan dat voorziet in een (maatschappelijke) behoefte naar woningbouw. Het betreft een wenselijke ontwikkeling met het oog op de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Daarnaast wordt er op het noordelijke deel van het plangebied reeds gewoond. Daarnaast is het plangebied gelegen in een woonwijk. De invloed van het plan op de luchtkwaliteit (fijnstofuitstoot) is zeer gering. Ook is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. De onderhavige ontwikkeling is dan ook van minimale invloed op het volksgezondheidsrisico. Voor de afweging ten aanzien van geitenhouderijen zie onder het kopje ‘geitenhouderijen’. Advies van de GGD wordt daarom niet noodzakelijk en niet doelmatig geacht. Het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen vormt vooralsnog geen belemmering voor het plan. Voor de volledigheid wordt de GGD om advies gevraagd om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het besluitgebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Dit aspect vormt geen belemmering. Hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op geruime afstand.
Derhalve vormt deze geen belemmering voor onderhavig plan.
Hoofdstuk 4
50
4.15 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.15.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 zijn het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten, die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Op 16 mei 2017 is een herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.15.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r.
Het ruimtelijk initiatief voorziet op correctie van een abusievelijk geplaatst bouwvlak op het terrein van Dijksteegje 46. Het bouwvlak wordt verplaatst van het achterterrein van Dijksteegje 46 naar Dijksteegje ongenummerd, waardoor het mogelijk wordt gemaakt om in de toekomst op de locatie Dijksteegje ongenummerd een vrijstaande woning te realiseren. Daarnaast zal er een bestaande woning worden geamoveerd om ruimte te creëren voor de realisatie van een nieuwe woning dat beter aan sluit op de woningen in de omgeving en het landschap. Voor deze woning wordt het bouwvlak uitgebreid. Het realiseren van woningen valt in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Aangezien het gaat om het realiseren van slechts twee woningen, wordt dit op basis van jurisprudentie niet gezien als een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. en is een nadere beschouwing hiertoe niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
51
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding De aanleiding voor de herziening van het vigerende bestemmingsplan is de gewenste woningbouwontwikkeling aan het Dijksteegje in Sint-Oedenrode. Bij het opstellen van de herziening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Sint-Oedenrode Oost’ en bij het recente beleid van de gemeente Meierijstad ten aanzien van erfbebouwing. Het bestemmingsplan voldoet verder aan de vereisten van de SVBP 2012.
5.2 Systematiek van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven.
Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn.
Hoofdstuk 5
52
Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie. Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Nadere eisen: in dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waaraan burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen. Alleen daar waar het wenselijk is om bij de vergunningverlening sturend te kunnen optreden, heeft de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen toegevoegde waarde. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen dient objectief begrensd te zijn en duidelijke criteria te bevatten. Afwijken van de bouwregels: Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden. Afwijken van de gebruiksregels: Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde vormen van gebruik, die conform de bestemmingsomschrijving niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Hoofdstuk 5
53
Algemene bouwregels: deze regels geven algemene regels voor de bouw van ondergeschikte bouwregels en voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Tevens zijn hierin voorwaardelijke verplichtingen voor de realisatie van voldoende parkeergelegenheid en waterberging opgenomen. Algemene afwijkingsregels: in deze regels zijn aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels: in deze regels is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregel(s) In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen: Overgangsrecht: bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsregel houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Een hardheidsclausule is opgenomen zodat Het bevoegd gezag kan afwijken van het overgangsrecht voor gebruik. Slotregel: deze regel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.3 Toelichting op de bestemmingen Hier wordt per bestemming een korte toelichting gegeven ter verduidelijking van de regels. Groen De gronden met de bestemming ‘Groen’ zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, gazons, pad en speelvoorzieningen, hondenuitlaatplaatsen, waterlopen en waterpartijen. Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van de noordwestelijke hoek van het perceel Dijksteegje 46. Wonen Deze bestemming geldt voor de rest van het plangebied. Deze gronden zijn bestemd voor wonen in een woning, al dan niet in combinatie met een beroep aan huis. Daarnaast zijn bijbehorende functies en voorzieningen, waaronder tuinen, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.
Hoofdstuk 5
54
Op beide percelen is één bouwvlak opgenomen. De bouwvlakken zijn minimaal 3 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd. De voorste bouwvlakgrenzen sluiten aan op de voorgevel van de naastgelegen woning Dijksteegje 38. Per bouwvlak is één vrijstaande woning toegestaan, waarbij het hoofdgebouw binnen het bouwvlak dient te worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw zijn op de verbeelding aangeduid. Hoofdgebouwen moeten voor minimaal 35% worden afgedekt met een kap. Binnen de zone ‘tuin’ aan de voorzijde van de percelen zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, carports en erkers toegestaan. Binnen de niet aangeduide zone (het erf) zijn bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Hoofdstuk 5
55
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid Financieel economische haalbaarheid Onderzoek is ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het onderhavige plan. Hierbij is inzicht verkregen in de opbrengsten en kosten die hiermee verband houden. Kostenverhaal Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Met het initiatief worden twee woningen mogelijk gemaakt. Hiermee is er sprake van een aangewezen bouwplan.