Toelichting en regels bestemmingsplan Schietbergweg 6-8a
Tekst van het document
- Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem. - Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater - Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie. - Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor. - De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt. - De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. Doorwerking plangebied Afvalwater In de huidige situatie is er reeds een afvalwatervoorziening in het plangebied aanwezig. Het terrein is in de huidige situatie geheel verhard. De beperkte uitbreiding van de bestaande bedrijfsbebouwing leidt niet tot extra afvalwater. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is aan de westzijde (buiten bedrijfsbestemming) oppervlaktewater aanwezig (een poel). Deze poel zal in stand worden gehouden, zie hiervoor ook paragraaf 2.2. Verder is er geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied.
Hoofdstuk 4
30
Hemelwater Het plangebied is in de huidige situatie geheel verhard. Per saldo zal er daardoor geen toename zijn aan verhard oppervlak. De ontwikkeling maakt wel een beperkte uitbreiding mogelijk van de bestaande bebouwing. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is 2.425 m2 toegestaan aan oppervlakte aan bedrijfsbebouwing. Door voorgenomen ontwikkeling zal de bedrijfsbebouwing worden uitgebreid tot maximaal 3.100 m2. Hierdoor zal er een toename plaatsvinden van 675 m2 aan oppervlakte bedrijfsgebouwen. Er zal worden gezorgd dat bij de groenstroken aan de rand van het perceel geen verharding gerealiseerd zal worden. In de Keur is opgenomen dat er geen compensatieplicht geldt wanneer de extra verharding minder bedraagt dan 500 m2. Voor dit initiatief zijn geen compenserende maatregelen nodig. De beperkte uitbreidingen worden aangesloten op de bestaande hemelwaterafvoeren van de bestaande bedrijfsbebouwing. Het hemelwater zal geheel op eigen terrein worden geborgd/geïnfiltreerd. De bestaande poel en omliggende sloten worden hiervoor gebruikt. Conclusie Het verhard oppervlakte in het plangebied neemt door onderhavige ontwikkeling niet toe gelet op het feit dat het terrein in de huidige situatie reeds geheel verhard is. Compenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk, gelet op de beperkte uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijven.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
4.5 Bodem Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om de beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Doorwerking plangebied Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel de feitelijke situatie planologisch gewaarborgd. Naast dit herstel worden ook beperkte uitbreidingsmogelijkheden mogelijk gemaakt voor de bedrijven. Er zal daardoor geen wijziging plaatsvinden naar een functie van bodemgevoeliger gebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet vereist. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
31
4.6 Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG2. In de tabel behorende bij de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG, zijn functies opgenomen die zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per functie is aangegeven wat de indicatieve afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk, of waar door onderzoek is aangetoond dat geen sprake is van een overbelaste situatie. Doorwerking plangebied In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als ‘Gemengd gebied’ vanwege de aanwezigheid van verschillende bedrijvigheid (agrarisch, bedrijven, maatschappelijk en horeca). Beide bedrijven binnen het plangebied kunnen worden aangewezen als milieucategorie 3.1 bedrijven. Op basis van de VNG-brochure gelden voor dergelijke bedrijven een richtafstand van 50 meter. Binnen een gebiedstype ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden worden verlaagd naar 30 meter. Met onderhavige bestemmingsplan wordt de feitelijke situatie van de twee bedrijven aan Schietberg 8 en 8a planologisch gewaarborgd. Rondom het plangebied zijn verschillende (bedrijfswoningen) gevestigd aan de Schietbergweg. Tussen bedrijfswoningen worden onderscheidt gemaakt: Bedrijfswoningen bij het eigen bedrijf (behorende tot de inrichting. Voor deze categorie geldt vanuit het milieuspoor geen of beperkte bescherming; Bedrijfswoningen van derden.
2
Bedrijven en milieuzonering, editie 2009
Hoofdstuk 4
32
Figuur 4.2: Indicatieve weergave verkeersstructuren en functies in bebouwing (Bron: Van Hooft Architecten, 2020)
Schietbergweg 6, 8 en 8a De huidige woning aan Schietbergweg 6 heeft in het vigerende bestemmingsplan een woonbestemming. Zoals in de aanleiding van deze toelichting is vermeld dat bij herziening van het buitengebied bestemmingsplan per abuis de woning als (burger)woning bestemd. Binnen voorgenomen ontwikkeling zal de woning worden omgezet naar bedrijfswoning, wat recht doet aan de feitelijke situatie. De huidige woonbestemming wordt daarvoor omgezet naar bedrijfsbestemming. De grens van deze bedrijfsbestemming ligt op circa 40 meter van de bedrijfswoning aan de Schietbergweg 8a. De aanduiding ‘bedrijfswoning’ bij de Schietbergweg 6 ligt op circa 25 meter van de bedrijfsbestemming van het bedrijf aan de Schietbergweg 8a. De bedrijfsactiviteiten van het naastgelegen bedrijf zijn op deze locatie echter zeer beperkt, aangezien aan deze zijde de bedrijfswoning staat met bijbehorende tuin. Gesteld kan worden dat bij de bedrijfswoning aan de Schietbergweg 6 sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
33
Figuur 4.3: verkeersbewegingen (Bron: Van Hooft Architecten, 2020)
Voor de bedrijfswoning aan Schietbergweg 8b geldt eveneens dat deze onderdeel betreft van het eigen bedrijf op Schietbergweg 8a. De bedrijfswoning is gelegen op een afstand van circa 20 meter tot de bedrijfsbestemming van Schietbergweg 8. Hierdoor wordt er niet voldaan aan de gestelde richtafstanden. In deze situatie kan worden betoogd dat in de feitelijke en bestaande planologische situatie reeds sprake is van een bestaande afstand. Met onderhavige ontwikkeling worden geen ruimere bedrijfsmogelijkheden mogelijk gemaakt, waarbij een toename van milieuhinder zal ontstaan. Daarnaast bevindt de bedrijfswoning zich op een afstand van circa 30 meter tot de dichtbijgelegen bedrijfsgebouwen. Gelet op bovenstaande conclusies is er voor de (bedrijfs)woning sprake van een goed woon- en leefklimaat. In figuur 4.2 zijn de verkeersstructuren op het perceel weergegeven. De bijbehorende verkeersbewegingen zijn weergegeven in figuur 4.3. Op de tekening is te zien dat de routes tussen de
Hoofdstuk 4
34
twee bedrijfswoningen verkeers- en geluidsluw zijn. Om deze reden, en het feit dat er een ruime afstand ligt tussen de onderlinge bedrijfswoningen en bedrijven, is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in het plangebied. Schietbergweg 7, 9, 12 en 14 Bij de (burger)woningen aan de Schietbergweg 12 en 14 geldt dat de woningen in de bestaande situatie aangrenzend de bedrijfswoningen zijn gesitueerd. De woningen aan de Schietbergweg 7 en 9 liggen aan de overzijde van de straat op circa 20 meter van de bedrijfsbestemmingen. Hierdoor wordt niet voldaan aan de gestelde richtafstanden. In deze situatie kan worden betoogd dat met voorgenomen ontwikkeling de buitenopslag wordt verplaatst naar binnenopslag, waarbij een beperkte uitbreiding van bedrijfsgebouwen noodzakelijk is. Door het verplaatsen van de buitenopslag naar binnen zal de eventuele aanwezige (milieu)hinder worden verminderd. Uit voorgaand figuur blijkt daarnaast dat het meest intensieve verkeer aan de achterzijde van het perceel plaatsvind. De geluidseffecten van dit verkeer bij de omliggende woningen is dus beperkt. Hierdoor is er sprake van een acceptabele woonen leefklimaat. Overige aanwezige woningen bevinden zich op een ruime afstand van 30 meter, waarmee kan worden geconcludeerd dat voor deze woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Er zijn vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.7 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Er zijn voor zover bekend ook geen kabels en leidingen in het plangebied gelegen die een beschermingszone vereisen en die in dit bestemmingsplan geregeld moet worden. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een klic-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd. Aanvragen hiervoor dienen rechtstreeks ingediend te worden bij de nutsbedrijven.
4.8 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Hoofdstuk 4
35
Doorwerking plangebied Onderhavige ontwikkeling maakt geen nieuwe woningen mogelijk. Vanuit de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek wegverkeer dan ook niet noodzakelijk. Het aspect akoestiek vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.9 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en parkeren.
Doorwerking plangebied Voorgenomen ontwikkeling maakt geen nieuwe functies mogelijk. Wel zal er een beperkte uitbreiding mogelijk worden gemaakt, waarbij de opppervlakte aan bedrijfsgebouwen in zijn totaliteit met 675 m2 zal toenemen. Parkeren Op grond van de gemeentelijke parkeernormen (2018, verankerd in het Paraplubestemmingsplan Parkeren, vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 31 januari 2019) geldt, uitgaande van een bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied een parkeernorm van van 1,2 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Op basis van deze norm dienen er voor het bedrijf aan de Schietbergweg 6 in totaal 18 parkeerplaatsen en voor het bedrijf aan de Schietbergweg 8a in totaal 20 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Op het terrein van de bedrijven is voldoende ruimte beschikbaar om deze parkeerplaatsen te realiseren (zie figuur 4.4). Verkeersgeneratie Uitgaande van CROW-kengetallen zal de beperkte uitbreiding van de bedrijfsmogelijkheden, te weten 582 m² (3.100 m² in de nieuwe situatie versus 2.518 m² in de bestaande situatie), zorgen voor een toename van in totaal 28 mvt/etmaal (bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief, buitengebied met een verkeersgeneratie van gemiddeld 4,8 mvt/etmaal/100 m²). In de bestaande situatie is reeds sprake van een bedrijf. De ontsluitingswijze van deze bedrijven zullen door de ontwikkeling niet worden gewijzigd.
Gelet op de geringe toename is het aannemelijk dat de bestaande ontsluitingswegen voldoende capaciteit hebben om de toename op te vangen. Er ontstaan geen belemmeringen omtrent verkeer en parkeren ten aanzien van de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
36
Figuur 4.4: (indicatieve) weergave beschikbaarheid parkeerplaatsen (Bron: Van Hooft Architecten, 2020)
4.10 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid3: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van
3
let wel op een zorgvuldige belangenafweging, en het (toekomstige) Besluit gevoelige bestemmingen
Hoofdstuk 4
37
de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Dit volgt uit artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM. b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het Besluit NIBM is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling een project altijd NIBM is. Er zijn immers alleen categorieën van gevallen aangewezen, waarvan aannemelijk is dat de toename van de concentraties in de betreffende gevallen niet de 3% grens overschrijdt. Wanneer een categorie eenmaal is aangewezen, mag er zonder meer van worden uitgegaan dat deze bijdrage NIBM is.
De Regeling NIBM geeft vooralsnog invulling aan de volgende categorieën: woningbouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan; Inrichtingen. Hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Veehouderijen van beperkte omvang zijn nog niet in de Regeling NIBM opgenomen, dit zal op een later moment wel gebeuren. Daarnaast is een voorschrift gereserveerd voor defensie-inrichtingen, maar hieraan is nog geen invulling gegeven. Doorwerking plangebied Gelet op de beperkte toename van het verkeer, blijkt uit de NIBM-tool (zie onderstaand) dat sprake is van een plan dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
38
Figuur 4.5: NIBM-tool voor de planlocatie (Bron: Infomil)
Zoals blijkt uit de rekentool draagt de bijdrage van het extra verkeer ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging. Om aan te tonen of sprake is van een goed werk- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gekeken naar de achtergrondwaarden met betrekking tot fijnstof en stikstof. Deze waarden kunnen achterhaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. Hieronder zijn de achtergrondwaarden van de meetpunten aan de nabijgelegen Nijnselseweg weergegeven.
Id NO2 ug/m3 PM10 ug/m3 PM overschrijdingsdagen PM2.5 ug/m3
Meetpunt 1 22304 26.1 20.6 8.3 12.4
Meetpunt 2 22306 26.2 20.2 7.9 12.4
Norm 40 40 35 25
Uit de tabel blijk dat aan de normen wordt voldaan. Er is sprake van een goed werk- en leefklimaat. Op basis van het bovenstaande wordt gesteld dat het onderliggende initiatief geen nadelige invloed heeft op de luchtkwaliteit.
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico (dat aan activiteiten verbonden is) voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Ri-
Hoofdstuk 4
39
sicobronnen kunnen onderscheiden worden in risicovolle inrichtingen (onder andere LPG-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, vaarwegen) en buisleidingen (onder andere aardgas en brandbare vloeistoffen). De wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Structuurvisie buisleidingen, het Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Om voldoende ruimte te scheppen tussen risicobronnen en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid (meer personen toevoegen aan een gebied) kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken en onbeschermd) op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit. Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.
De belangrijkste artikelen uit het Besluit externe veiligheid transport zijn hieronder weergegeven.
Hoofdstuk 4
40
Doorwerking plangebied Binnen externe veiligheid zijn twee aspecten te onderscheiden: externe veiligheidsaspecten van inrichtingen en leidingen en van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Inrichtingen Op basis van de Risicokaart van de provincie Noord-Brabant kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichting ligt. Het plangebied ligt derhalve niet binnen PR-contouren en GR-invloedsgebieden van risicovolle (Bevi)inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de nabijheid van het plangebied liggen 2 bronnen waarover vervoer/transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt: - de Hoge druk aardgasleiding - de A50 HD-aardgasleiding Z-544-01 Bij HD-aardgasleidingen wordt het maatgevend scenario gevormd door een beschadiging van de transportleiding. Hierdoor komt gas vrij, dat na ontsteking een fakkelbrand vormt met een grote warmtestraling tot gevolg. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen wordt onderscheid gemaakt tussen de zone 100% letaliteit en de zone 1% letaliteit. Het plangebied ligt op 750 meter van deze leiding en bevindt zich daarmee buiten de 1% letaliteitscontour. Nadere toetsing is niet nodig. Rijksweg A50 De PR 10-6-risicocontour van de A50 ter hoogte van het plangebied is 0 meter. Het plangebied ligt derhalve buiten de risicocontour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plan.
Tevens is geen plasbrandaandachtsgebied aanwezig ter hoogte van het plangebied. Over de A50 worden stoffen van de categorieën LF1, LF2, LTl, LT2 en GF3 vervoerd. De stof LT2 heeft het grootste invloedsgebied en is daarom bepalend voor het groepsrisico. De stof LT2 heeft, wanneer vervoerd over de weg, een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied is gelegen binnen dit invloedsgebied en ook binnen de 200 meter-zone van de Rijksweg A50. Er dient derhalve in het kader van artikel 8, lid 1 van het Besluit externe veiligheid een complete verantwoording van het groepsrisico afgelegd te worden. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico indien voldaan wordt aan de voorwaarden uit artikel 8, lid 2 van het Besluit externe veiligheid transport. Verantwoording groepsrisico Vanwege de ligging van het plan in het invloedsgebied van de snelweg A50 dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid wordt op twee aspecten beoordeeld: 1. Is het rampscenario te bestrijden?
Hoofdstuk 4
41
Voor wat betreft de autosnelweg A50 dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid voor een plasbrand, een explosie en een toxische wolk. Gezien de afstand van de locatie tot de autosnelweg A50 is het vrijkomen van een toxische wolk het maatgevende scenario. Bij (zeer) toxisch gas is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een gat in de tankwagen ontstaat. Het giftige gas verdampt direct en er ontstaat een gaswolk die zich snel met de wind mee verspreidt. Bij een percentage aanwezige personen binnen het invloedsgebied van de toxische stof zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Effectbestrijding is mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. De locatie is zeer goed ontsloten, waardoor hulpdiensten tijdig aanwezig kunnen zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie.
Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Voor wat betreft de hogedruk gasleiding dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid voor een fakkelbrand. Gezien de afstand tot de leiding is het risico dat een fakkelbrand zal leiden tot letsel op de locatie zeer beperkt. 2. Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren? Rond de locatie zijn voldoende aan- en afvoerroutes beschikbaar voor de inzet van hulpdiensten. Er is in de directe omgeving van de locatie voldoende bluswatercapaciteit aanwezig voor het blussen van secundaire branden. De bestaande poel op het achterterrein kan hiervoor gebruikt worden. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting en zijn afhankelijk van het maatgevende scenario. 1. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn redelijk. Het initiatief voorziet in de uitbreiding van bedrijfsbebouwing (max. 675 m2). Deze bebouwing wordt ingevuld met opslag en dient niet zo zeer als werkruimte. Daarnaast zal het achtererfgebied natuurlijk worden ingericht.
Er zijn geen aanwijzingen dat een grotere groep niet -of verminderd zelfredzame mensen op de locatie woonachtig zijn. De aanwezigen zijn naar verwachting voldoende mobiel om zelfstandig te kunnen vluchten. Het aantal mensen op de locatie is beperkt, en verandert niet. 2. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredzaamheid mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredzaamheid optimaal kan plaatsvinden.
Hoofdstuk 4
42
Alarmering In geval van een calamiteit kan NL-alert worden ingezet. NL-Alert is een alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Hiermee kunnen mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht worden geïnformeerd. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen (vluchten of schuilen). Schuilen Bij een toxische wolk is schuilen het beste handelingsperspectief. Het verdient de aanbeveling om goede isolatie en – uitschakelbare – mechanische ventilatie toe te passen in de uitbreiding van de bebouwing. Hierdoor kan het schuilen in het plangebied effectief plaatsvinden. Advies Veiligheidsregio Op 13 mei 2020 heeft de Veiligheidsregio Brabant Noord een advies uitgebracht ten aanzien van externe veiligheid van dit planvoornemen. Dit advies is opgenomen in de bijlagen. Hieronder is het advies beschreven: De gewenste splitsing heeft geen gevolgen voor de risicosetting ter plaatse. Er worden geen nieuw activiteiten welke tot een hogere personendichtheden of nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten geïntroduceerd. De splitsing heeft geen gevolgen voor de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Er is geen reden voor het geven van aanvullend advies. Er zijn geen belemmeringen vanuit externe veiligheid.
4.12 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen Het plan voorzien primair in het repareren van een abusievelijke fout uit eerdere bestemmingsplannen. In feitelijke zin vindt er een kleine uitbreiding plaats van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Het uit te breiden bedrijfsdeel is specifiek bestemd voor buitenopslag van het bestaande bedrijf waarmee de volksgezondheid niet onevenredig in het geding is. Daarnaast mogen de bestaande bedrijven beperkt hun gebouwen uitbreiden, echter ook dit zal niet leiden tot onacceptabele gezondheidsrisico’s ten opzichte van de huidige situatie.
4.13 Hoogspanningslijnen Op circa 3,5 kilometer afstand ten oosten van het plangebied ligt een 150 kV hoogspanningslijn. Ten zuiden ligt op grotere afstand een 380 kV hoogspanningslijn. Beide zijn niet belemmerend voor het plangebied.
Hoofdstuk 4
43
4.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Aan de zijde waar de beperkte uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ plaatsvindt, liggen binnen 50 meter van het plangebied liggen geen landbouwgronden die voor teelt van bomen of gewassen gebruikt worden. Daarbij is dit deel van het bedrijfsperceel specifiek bestemd voor opslag en mede om die reden is er geen sprake van een spuitzone die belemmerend kan zijn voor het plangebied.
4.15 Geur agrarisch Geurkaarten van Sint-Oedenrode zijn weergegeven op de volgende pagina. Met dit plan worden geen nieuwe woningen of geurgevoelige functies mogelijk gemaakt. Ter plaatse van de bestaande woningen is sprake van een matig woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. De achtergrondbelasting bedraagt 14-20 oue/m3. Het plangebied ligt op meer dan 100 meter van veehouderijen. Aangezien geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt worden ontstaan er ook niet meer belemmeringen bij omliggende veehouderijen ten opzichte van de huidige situatie. Een geuronderzoek is niet nodig.
Figuur 4.6: geurkaarten Sint-Oedenrode
Hoofdstuk 4
44
5.
JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet 5.1.1 Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Hiervoor is de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Onder vorige wetten werden bijna geen regels gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functie-, bouw- en gebiedsaanduidingen) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen.
Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten. 5.1.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit, de omgevingsvergunning. Ook de thans in de wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen vergunningen en ontheffingen vallen onder de Wabo. Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. De ontheffing heet nu 'omgevingsvergunning voor het afwijken'. De bouwvergunning heet 'omgevingsvergunning voor het bouwen'. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het slopen' respectievelijk 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden´.
De terminologie in dit bestemmingsplan is conform de Wabo.
Hoofdstuk 5
45
5.2 Verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de verschillende planlocaties. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmings- en bouwvlakken en aanduidingen opgenomen. De verbeelding is zowel digitaal als analoog beschikbaar. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.
5.3Toelichting op de bestemmingen Hieronder volgt een beknopte beschrijving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de opgenomen (dubbel)bestemmingen. Agrarisch met waarden – Landschapswaarden Bij het opstellen van deze bestemming is aansluiting gevonden bij de systematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’. Binnen deze aangewezen gronden zijn ze onder andere bestemd voor agrarische doeleinden en agrarische activiteiten bij wijze van hobby. Bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – schuilgelegenheid’ is het mogelijk om een schuilgelegenheid te realiseren, mits de oppervlakte niet meer bedraagt dan 6 m2 en de bouwhoogte niet hoger is dan 3 meter. Daarnaast zijn bijvoorbeeld erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak eveneens toegestaan, mits wordt voldaan aan de maximale bouwhoogte. Bedrijf Binnen deze bestemming zijn twee specifieke aanduidingen opgenomen: een loon-, sloop- en grondverzetbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf 1', met een maximale bedrijfsoppervlakte van 1.500 m2 bvo.
Tevens is binnen de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - statische opslag' tevens statische opslag toegestaan; een groothandel en herstelinrichting ten behoeve van landbouw-, tuin- en bosbouwmachines en ondergeschikte assemblage daarvan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf 2', met een maximale bedrijfsoppervlakte van 1.600 m2 bvo. De bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Buitenopslag is niet toegestaan, met uitzondering van de gronden binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – buitenopslag’. Overal binnen het bouwvlak geldt een bouwhoogte van maximaal 11 meter en goothoogte van 5 meter, tenzij anders aangegeven op de verbeelding.
Hoofdstuk 5
46
De bestaande bedrijfswoningen zijn op de verbeelding aangeduid. De inhoud van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m2 en de bouw- en goothoogte bedraagt respectievelijk 9 en 4,5 meter. Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van een hogere goothoogte (maximaal 7,5 meter). Bijgebouwen en overkappingen dienen 1 meter achter de voorgevellijn te worden gebouwd en per bedrijfswoning mogen bijgebouwen en overkappingen tezamen niet meer dan 100 m2 bedragen. Binnen de bedrijfsbestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarbij onder voorwaarden het mogelijk is om bij bedrijfsbeëindiging de bestemming te wijzigen naar ‘Wonen’. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijke inpassing opgesteld, deze is voorwaardelijk verplichtend binnen de regels opgenomen. Onder voorwaarden kan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning afwijken van de gestelde landschapsmatregelen. Waarde – Archeologie 1 en 2 Deze bestemming voorziet in het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden en zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan.
5.4Toelichting op de regels Hieronder volgt een toelichting op hoofdstuk 1, 3 en 4 van de regels. Hoofdstuk 1. Inleidende regels In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijk hoofdstuk onder te brengen. Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik onder het overgangsrecht vallen.
Hoofdstuk 5
47
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Kostenverhaal Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkeling is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) in samenhang met artikel 6.12 lid 4 Wro is de gemeenteraad van Meierijstad verplicht om de kosten te verhalen en een exploitatieplan vast te stellen gelijktijdig met het besluit (het bestemmingsplan) waarop het exploitatieplan betrekking heeft. Niet in alle gevallen is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen. Op grond van artikel 6.12 lid 2 kan de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad besluiten geen exploitatieplan vast te stellen als aan de cumulatieve bepalingen van artikel 6.12, lid 2 sub a, b en c is voldaan. Met onderhavig bestemmingsplan wordt geen bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Kostenverhaal vindt plaats op grond van de gemeentelijke legesverordening. Financiële haalbaarheid De eigenaren beschikken over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten.
Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.
Hoofdstuk 6
48
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart.
7.1 Omgevingsdialoog In het kader van de bestemmingsplanprocedure is een omgevingsdialoog gehouden met de in de buurt van het plangebied gelegen bedrijven en woningen. Dit betreft de volgende adressen: Schietbergweg 4 en Schietbergweg 7. Er is met beide eigenaren gesproken en beide geven aan akkoord te zijn met het in overeenstemming brengen van de planologische situatie met de feitelijke en daarbij tot een beperkte aanpassing van het bestemmingsvlak voor ‘Bedrijf’ te komen. Om privacy redenen zijn de verslagen hiervan niet opgenomen.
7.2 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan plan zijn geïnformeerd. Het waterschap De Dommel heeft aangegeven te kunnen instemmen met de in het plan opgenomen waterparagraaf. De vooroverlegreacties van het Waterschap en de provincie Noord-Brabant zijn als bijlage opgenomen. Reactie een aanpassing n.a.v. vooroverlegreactie provincie Naar aanleiding van de reactie van de provincie zijn de volgende punten beschouwd en/of aangepast. In de reactie van de provincie werd daarnaast beschreven dat de bedrijvigheid met 675 m2 zal worden uitgebreid. Echter zal alleen de bedrijfsbebouwing toenemen met 675 m2 en de bedrijfsbestemming met slechts 422 m2. Deze uitbreiding van de bedrijfsbestemming betreft het in overeenstemming brengen van het reeds (tijdelijk) vergunde stuk grond aan de noordwestzijde van het plangebied ten behoeve van het bedrijf (met buitenopslag, echter zonder bebouwingsmogelijkheden).
Per saldo neemt het oppervlak met de bestemming ‘Bedrijf’ hiermee met slechts 422 m2 toe. Dit oppervlak is daarnaast reeds via een tijdelijke vergunning als bedrijfsgrond toegestaan en als zodanig in gebruik. Er is dus geen sprake van een feitelijke toename van bedrijvigheid. De extra uitbreidingsmogelijkheid van bedrijfsbebouwing is uit de planregels geschrapt omdat dit plan voorziet in een redelijke uitbreidingsmogelijkheid voor de bedrijven.
Hoofdstuk 7
49
Daarnaast geeft de provincie aan een nadere toelichting te geven op de passendheid van de omzetting van de burgerwoning naar bedrijfswoning in relatie tot artikel 3.70 lid 3 van de Interim Omgevingsverordening. De toelichting is aangevuld met een berekening van de kwaliteitsberekening landschap en een beschrijving van het aantal en typen planten. De provincie dringt aan op het opnemen van een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie en instandhouding van de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering. Deze was reeds opgenomen in de planregels onder artikel 4.4.4. Een aanvulling is hier niet noodzakelijk.
7.3 Procedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader van zaterdag 24 juli 2021 tot en met vrijdag 3 september 2021 ter visie gelegd. Gedurende deze periode kon een ieder zijn/haar zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Het plan is daarna ongewijzigd ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
7.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 7
50
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Quickscan Flora en fauna Bijlage 3: Stikstofdepositieberekening Bijlage 4: Advies veiligheidsregio Bijlage 5: Vooroverlegreactie Waterschap De Dommel Bijlage 6: Vooroverleg Provincie
Inhoudsopgave Regels
5
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
6
Artikel 1
Begrippen
6
Artikel 2
Wijze van meten
15
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
17
Artikel 3
Agrarisch met w aarden - Landschapsw aarden
17
Artikel 4
Bedrijf
22
Artikel 5
Waarde - Archeologie 1
33
Artikel 6
Waarde - Archeologie 2
35
Hoofdstuk 3
Algemene regels
37
Artikel 7
Anti-dubbeltelregel
37
Artikel 8
Algemene afw ijkingsregels
38
Artikel 9
Algemene bouw regels
43
Artikel 10
Algemene gebruiksregels
45
Artikel 11
Algemene w ijzigingsregels
47
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
48
Artikel 12
Overgangsrecht
48
Artikel 13
Slotregel
49
Bijlagen bij regels
51
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
52
Bijlage 2
Kw aliteitsverbetering van het landschap Sint-Oedenrode 2016
55
Bijlage 3
Omgevingsvergunning w erken en w erkzaamheden
67
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 3 van 77
Datum:16-12-2021
Regels
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 Plan het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Herziening Schietbergweg 6-8a met identificatienummer NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01 van de gemeente Meierijstad. 1.2 Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 Agrarische activiteiten bij wijze van hobby activiteiten gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren ondergeschikt aan de hoofdbestemming en in een omvang die niet als een bedrijfsmatige agrarische activiteit kan worden beschouwd. 1.5 Agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder agrarische houtteelt, en/of het houden, fokken of veredelen van dieren. 1.6 Agrarisch bedrijf glastuinbouw agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt.
1.7 Agrarisch bedrijf, grondgebonden een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden agrarische bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteeltbedrijven, vollegrondstuinbouwbedrijven en vollegrondsteeltbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. 1.8 Agrarisch bedrijf, grondgebonden veehouderij veehouderij waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen, respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die zijn gelegen binnen een straal van 15 km van de bedrijfslocatie.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 6 van 77
Datum:16-12-2021
1.9 Agrarisch bedrijf, intensieve veehouderij agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij. 1.10 Agrarisch bedrijf, intensieve kwekerij een agrarisch niet-grondgebonden bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde gronden in de directe omgeving van het bedrijf, zoals een witlofkwekerij en champignonkwekerij. 1.11 Agrarisch bedrijf, niet-grondgebonden agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt. 1.12 Agrarisch bedrijf, overig agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, intensieve veehouderij, intensieve kwekerij of glastuinbouwbedrijf valt. 1.13 Agrarisch bedrijf, veehouderij agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren.
1.14 Agrarische bedrijfswoning een woning, krachtens het plan toegestaan binnen een agrarisch bouwvlak, en kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is. 1.15 Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.16 Bebouwingsconcentratie kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. 1.17 kernrandzone overgangszone van de stedenbouwkundige bebouwde kom naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies. 1.18 bebouwingslint min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg buiten de bebouwde kom. 1.19 bebouwingscluster vlakvormige verzameling van bebouwing, gelegen buiten de bebouwde kom.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 7 van 77
Datum:16-12-2021
1.20 Bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, installeren, inzamelen, herstellen, verhuur, opslag en distributie van goederen, alsmede het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen en bedrijven daaronder niet begrepen. 1.21 Bedrijfsactiviteit handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf. 1.22 Bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf. 1.23 Bedrijfsgebouw, agrarisch een gebouw dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. 1.24 Bedrijfsvloeroppervlakte de totale binnen een gebouw en/of een terrein beschikbare vloeroppervlakte inclusief die van eventuele verdiepingen (exclusief geheel onder het peil liggende kelders en ruimtes), die gebruikt wordt voor de uitoefening van een bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief (binnen)opslag, rust- en rookruimten, administratieruimten en dergelijke. 1.25 Bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.
1.26 Beroep of bedrijf aan huis het beroepsmatig of bedrijfsmatig verlenen van diensten of het bedrijfsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, niet zijnde detailhandel (met uitzondering van internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom), horeca en seksuele dienstverlening en dat op kleine schaal in een woning en of in het bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend. 1.27 Bestaande situatie a. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden. 1.28 Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.29 Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 8 van 77
Datum:16-12-2021
1.30 Bijgebouw uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; aanbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; aangebouwd bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig, (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en niet in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een toevoeging van een afzonderlijke ruimte inhoudt; vrijstaand bijgebouw: een vrijstaand gebouw dat zowel in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; uitbouw: een met het hoofdgebouw verbonden grondgebonden bouwwerk van één bouwlaag een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn
verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht (ligging, maatvoering, kapvorm, dakhelling) ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een bestaande ruimte inhoudt. 1.31 Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.32 Bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.33 Bouwperceel aaneengesloten (virtueel) vlak waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, bestaande uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan. 1.34 Bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.35 Bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.36 Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 9 van 77
Datum:16-12-2021
1.37 Cultuurhistorisch waardevol gebied gebied met een bepaalde cultuurhistorische waarde, bestaande uit waardevolle structuren (ontsluiting, waterhuishouding, verkaveling, beplanting en percelering). 1.38 Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.39 Detailhandel, ondergeschikte niet-zelfstandige detailhandel, in een aan de hoofdfunctie of nevenactiviteit ondergeschikte aard, verschijningsvorm en omvang. 1.40 Erker een uitgebouwd venster aan een gevel, van een beperkte omvang en qua afmeting in verhouding tot de massa van het betreffende gebouw een ondergeschikte toevoeging. Een erker is rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk en dient ter vergroting van de woon- of werkruimte. 1.41 Functie doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan. 1.42 Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.43 Hoofdgebouw een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.44 Huishouden een persoon, of groep personen die een (duurzame) gemeenschappelijke huishouding voert. Indien het huishouden uit twee of meer personen bestaat, betreft het een leefvorm of samenlevingsvorm met een continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid. Kenmerken van continuïteit in de samenstelling en een onderlinge verbondenheid zijn: voor onbepaalde tijd samenleven; een ieder neemt deel aan het gezinsleven, bijvoorbeeld samen eten en verdeling huishoudelijke taken; eigen kamer, maar gemeenschappelijk sanitair, keuken en woonkamer; personen worden niet door instelling geplaatst, er vindt geen behandelingstraject plaats. Bedrijfsmatige kamerverhuur en bijzondere woonvormen vallen niet onder het begrip 'huishouden'. 1.45 Huisvesting in verband met mantelzorg huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 10 van 77
Datum:16-12-2021
1.46 Kamerverhuur het opdelen van een woning in twee of meer onzelfstandige wooneenheden óf het opdelen van een woning in één zelfstandige en één of meer onzelfstandige wooneenheden. 1.47 Landschapsinpassingsplan plan waaruit blijkt hoe een gebouw of een gebruik in het landschap wordt ingepast, waarbij afstemming plaatsvindt op de context van het landschap door middel van de architectuur van het gebouw en de aanplant van gebiedseigen beplanting. 1.48 Loon- sloop- en grondverzetbedrijf een bedrijf dat uitsluitend of overwegend gericht is op het leveren van diensten aan bedrijven in de agrarische, cultuurtechnische en GWW-sector, zo nodig met behulp van werktuigen en apparatuur waaronder in ieder geval wordt verstaan het aannemen en uitvoeren of doen uitvoeren van alle soorten grondwerken en grondbewerking, daaronder medebegrepen bemesting en cultivering alsmede de stalling en verhuur van materieel en materiaal.
1.49 Mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond. 1.50 Normaal onderhoud en/of gebruik tot het normaal onderhoud en/of gebruik behoren onder andere: a. maaien, beweiden en bemesten van grasland; b. verbeteren van grasland door het scheuren van de grasmat buiten het broedseizoen van weidevogels en het direct opnieuw inzaaien; c. ploegen en cultiveren van bouwland niet dieper dan de bouwvoor; d. verbouwen van akkerbouwgewassen, zoals maïs in wisselteelt; e. maaien en schonen van sloot en slootkant; f. vervangen van en onderhoud aan drainage; g. normaal landschapsonderhoud, waaronder: h. periodiek uitdunnen en snoeien van houtwal of singel; i. knotten van bomen; j. opvullen van open plekken in houtwal of singel; k. normaal bosbeheer, waaronder; l. uitdunnen; m. verwijderen van dode bomen; n. opslag van agrarische producten en gewassen tussen oogst en afvoer voor een periode van 2 weken; o. opbrengen van houtsnippers; p.
niet-bedrijfsmatige opslag van organisch materiaal in het kader van kringloopbeheer waarbij voldaan moet worden aan de bepalingen van het Activiteitenbesluit Milieubeheer en de Activiteitenregeling Milieubeheer.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 11 van 77
Datum:16-12-2021
1.51 Onzelfstandige woonruimte Woonruimte die geen eigen toegang heeft en die niet door een huishouden kan worden bewoond zonder gebruik te maken van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, zoals een keuken en sanitaire voorzieningen. 1.52 Overkapping/carport een dakconstructie vrijstaand zonder wanden dan wel aan maximaal drie zijden begrensd door de gevels van belendende gebouwen, die niet wordt aangemerkt als een gebouw. 1.53 Peil a. voor hoofdgebouwen: het bouwkundige peil dat gelijk is aan de wegkruin van de voorliggende weg of, indien niet direct aan een weg gebouwd wordt, de bestaande gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkt terrein; b. voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer van het hoofdgebouw; c. in overige gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; d. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil. 1.54 Perceelsgrens de bouwperceelsgrens.
1.55 Schuilgelegenheid een overdekte ruimte die direct, hetzij indirect, met de grond is verbonden waarvan het/de betreffende dier(en) in geval van weidegang uit oogpunt van dierwelzijn gebruik moet(en) kunnen maken door vrij in en uit te lopen, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter. 1.56 Stagiair iemand die als onderdeel van een opleiding ervaring komt opdoen op de werkvloer. 1.57 Stageverblijf bedrijfsgebouw ingericht ten behoeve van de huisvesting van stagiaires, personeel, en grooms, welke op het desbetreffende (agrarische) bedrijf werkzaam in dienst zijn alsmede voor het verblijf van klanten voor een periode van maximaal 8 aaneengesloten weken waarbij geen sprake is van een zelfstandige woonruimte. 1.58 Statische (binnen)opslag (binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke, niet zijnde opslag in brandgevaarlijke goederen.
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Pagina: 12 van 77
Datum:16-12-2021
1.59 Teeltondersteunende voorzieningen (teelt)ondersteunende voorzieningen, die onderdeel zijn van de totale agrarische bedrijfsvoering van een (grondgebonden) open- of vollegronds tuinbouwbedrijf(stak), boom- of vaste plantenteeltbedrijf(stak) en die gebruikt worden om de bedrijfsvoering te optimaliseren; hierdoor vindt (een deel van) de productie onder meer gecontroleerde omstandigheden plaats, waardoor gezorgd kan worden voor een verbetering van de productiekwaliteit en/of arbeidsomstandigheden, teeltvervroeging of –verlating en het terugdringen van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffengebruik. teeltondersteunende kas: een teeltondersteunende voorziening, bestaande uit een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienend voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden. teeltondersteunende voorzieningen, permanent: teeltondersteunende voorzieningen die op een locatie voor onbepaalde tijd worden gebruikt. Deze permanente voorzieningen, niet zijnde een (teeltondersteunende) kas, een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 meter, hebben een directe relatie met het grondgebruik zoals een containerveld, stellingenteelt en regenkappen.