Toelichting en regels bestemmingsplan Schietbergweg 6-8a
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Schietbergweg 6 en 8a
Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48
Betreffende
Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Schietbergweg 6 en 8a
Planstatus
vastgesteld
Projectnummer
NL.IMRO.1948.BGO000BP00720220P-VG01
Datum
16 december 2021
Toelichting
Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, Herziening Schietbergweg 6-8a Gemeente Meierijstad Vastgesteld
Rapportnummer:
P01598_7
IMRO-code:
NL.IMRO.1948.BGO000BP0072020P-VG01
Datum:
16 december 2021
Projectteam BRO:
JRi, TSc, TAu, RTa
Concept:
januari 2020
Ontwerp:
juli 2021
Vastgesteld:
16 december 2021
Trefwoorden:
--
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 4 6 7
2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling
8 8 10
3. BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid
14 14 15 18
4. MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Cultuurhistorie & Archeologie 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Akoestiek 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Volksgezondheid i.r.t. veehouderijen 4.13 Hoogspanningslijnen 4.14 Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen 4.15 Geur agrarisch
24 24 25 27 29 31 32 35 35 36 37 39 43 43 44 44
5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Algemene opzet
45 45
5.1.1 Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) 5.1.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Inhoudsopgave
45 45
1
5.2 Verbeelding 5.3 Toelichting op de bestemmingen 5.4 Toelichting op de regels
46 46 47
6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
48
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 7.1 Omgevingsdialoog 7.2 Vooroverleg 7.3 Procedure 7.4 Beroep
49 49 49 50 50
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Quickscan Flora en fauna Bijlage 3: Stikstofdepositieberekening Bijlage 4: Advies veiligheidsregio Bijlage 5: Vooroverlegreactie Waterschap De Dommel Bijlage 6: Vooroverleg Provincie
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Aan de Schietbergweg in Nijnsel zijn de bedrijven Mechanisatiebedrijf Jan van Gemert BV (nr. 8a) en M. van Gemert (nr. 6-8) gevestigd. Het bedrijf op de locatie 8a betreft een groothandel en herstelinrichting voor machines en het bedrijf op de locatie 6-8 betreft een loon-, sloop- en grondverzetbedrijf. Beide locaties waren altijd afzonderlijk bestemd (met een eigen functieaanduiding en bouwvlak) maar met de tweede herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente SintOedenrode in 2016 is voor de twee locaties één functieaanduiding opgenomen. Op beide locaties is nu enkel een groothandel en herstelinrichting ten behoeve van landbouw-, tuin- en bosbouwmachines toegestaan. Dat was niet de bedoeling gezien het feit dat op het perceel ter plaatse van huisnummer 8 nog steeds een loon-, sloop- en grondverzetbedrijf (met buitenopslag) is gevestigd. Hierdoor is een planologische situatie ontstaan die niet overeenkomt met de daadwerkelijke situatie -het loon-, sloopen grondverzet bedrijf is immers niet aangeduid/bestemd en de bouwmogelijkheden zijn niet toegekend per afzonderlijk bedrijf- en worden de afzonderlijke bedrijven hierdoor belemmerd in hun zelfstandige ontwikkelings- en bouwmogelijkheden. Op basis van het bestemmingsplan uit 1997 is duidelijk dat sprake is van twee verschillende bedrijven, zie onderstaande afbeelding.
Figuur 1.1: Kaart bestemmingsplan Buitengebied 1997 met ligging twee bedrijven
Hoofdstuk 1
3
De eigenaren van de twee bedrijven willen het huidige bestemmingsvlak voor Bedrijf in planologische zin weer op splitsen in twee bestemmingsvlakken. Eén voor het loon- en grondverzetsbedrijf aan de Schietbergweg 6-8 (adres wordt nr. 6) en één voor het mechanisatiebedrijf aan de Schietbergweg 8a (en het tevens aan deze locatie toegekende huisnummer 8b). Beide bedrijven krijgen een specifieke regeling voor het bouwen van bedrijfsloodsen, opslag en de bedrijfswoningen. Van deze wijziging wordt tevens gebruik gemaakt om tegelijkertijd een uitbreiding van het bouwvlak voor nr. 6 en uitbreiding van de bouwmogelijkheden voor zowel nr. 6 als nr. 8a mee te nemen. Op 5 februari 2019 heeft de gemeente Meierijstad laten weten onder voorwaarden mee te willen werken aan de bestemmingsplanwijziging. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief op de verschillende relevante onderdelen haalbaar is.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied betreft de locaties Schietbergweg 6, 8, 8a en 8b in Sint-Oedenrode en staat kadastraal bekend staat als gemeente Sint-Oedenrode, sectie N, nummers 535, 727, 506, 915 en 916. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Meierijstad, tussen Nijnsel en Sint-Oedenrode en ten westen van de A50. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven op de afbeeldingen op de volgende pagina. De exacte begrenzing volgt uit de verbeelding.
Hoofdstuk 1
4
Sint-Oedenrode
A50
Nijnsel
Figuur 1.2: Ligging en globale begrenzing van het plangebied
Hoofdstuk 1
5
1.3 Geldend bestemmingsplan Op dit moment is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode het geldende bestemmingsplan voor een gedeelte van het plangebied, waarbij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ gelden. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 29 maart 2018. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Wonen’. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor niet-agrarische bedrijven. Tevens is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 28’ van toepassing zijnde ‘Groothandel en herstelinrichting ten behoeve van landbouw-, tuin- en bosbouwmachines’. Hierbinnen is een bebouwd oppervlakte van maximaal 2.425 m2 toegestaan. De bestemming ‘Wonen’ hoort bij het bedrijf nr. 6-8. Hier is de woning behorende bij het bedrijf gevestigd. Voor de weilanden ten noordoosten en noordwesten van het bedrijf is het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’, vastgesteld op 15 maart 2012, waarbij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ gelden. Ter plaatse van de weilanden geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’.
Figuur 1.1: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met het plangebied rood omlijnd
De huidige planologische situatie komt niet overeen met de daadwerkelijke situatie. Het loon-, sloopen grondverzet bedrijf is immers niet aangeduid/bestemd en de bouwmogelijkheden zijn niet toegekend per afzonderlijk bedrijf. De bedrijven worden hierdoor belemmerd in hun zelfstandige ontwikkelings- en bouwmogelijkheden. De gewenste herziening van de bedrijfsbestemming, functieaanduiding en bedrijfsuitbreidingen is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Door beide bedrijven afzonderlijk te bestemmen, elke bedrijf te voorzien van eigen bebouwingsmogelijkheden en de woning ter plaatse van huisnummer 6 te bestemmen als bedrijfswoning wordt recht gedaan aan de daadwerkelijke situatie en wordt de strijdigheid met betrekking tot de bedrijfspercelen met de vigerende planologische situatie opgeheven. Daarnaast worden de bedrijven voorzien van eigen bebouwingsmogelijkheden waardoor per bedrijf wordt vastgelegd wat de separate mogelijkheden en bouwregels zijn.
Hoofdstuk 1
6
Daarnaast gelden er ter plaatse van het plangebied een paraplubestemmingsplan voor parkeren en een bestemmingsplan waarin de harmonisatie van diverse planregelingen is vervat. Voorliggend bestemmingsplan stelt de nieuwe planologisch-juridische kaders voor het plangebied en vormt de partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan. Er is aansluiting gezocht bij de planregeling uit zowel de vigerende bestemmingsplannen voor het buitengebied alsmede de parapluplannen.
1.4 Leeswijzer De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Na deze inleiding volgt een beschrijving van het plan in hoofdstuk 2. De beleidstoets is in hoofdstuk 3 van dit bestemmingsplan opgenomen. In hoofdstuk 4 worden alle relevante milieuonderwerpen behandeld en verantwoord. De juridische toelichting is in hoofdstuk 5 opgenomen en in hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid beschreven. In hoofdstuk 7 is tenslotte de maatschappelijke haalbaarheid beschreven. Rapportages van uitgevoerde sectorale onderzoeken zijn als separate bijlage aan dit bestemmingsplan gevoegd.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt ten westen van het kerkdorp Nijnsel en de Rijksweg A50. De locatie ligt in een ontginningslandschap aan het gemengde bebouwingslint Schietbergweg. Er zijn voornamelijk woningen en niet-agrarische bedrijven langs het lint aanwezig. Het plangebied bestaan in de huidige situatie uit twee locaties, namelijk Schietbergweg 6-8 en Schietbergweg 8a en 8b. Op de locatie Schietbergweg 6-8 is het bedrijf ‘M. van Gemert’ gevestigd. Dit is een loon-, sloop- en grondverzetbedrijf. De bedrijfsactiviteiten zijn ondergebracht op nr. 8. Hier is een bedrijfsloods met een oppervlakte van 1.218 m2 aanwezig en een groot gedeelte van het terrein is verhard. Er zijn enkele solitaire bomen aanwezig. Op nr. 6 is een woning aanwezig waar de eigenaren van het bedrijf
Figuur 2.1: feitelijke situatie (Bron: Van Hooft Architecten)
Hoofdstuk 2
8
woonachtig zijn. De woning is bestemd als burgerwoning maar feitelijk gezien in gebruik als bedrijfswoning behorende bij de bedrijfsactiviteiten op nr. 8. Ten westen van de bedrijfsloods is een weide met een poel en een grondwal met bomen aanwezig.
Nr. 8
Nr. 6
Nr. 8a en 8b
Figuur 2.2: luchtfoto met begrenzing plangebied
Op de locatie Schietbergweg 8a is het bedrijf ‘Mechanisatiebedrijf Jan van Gemert BV’ gevestigd. Dit is een groothandel en herstelinrichting voor machines op het gebied van land- en tuinbouw, industrie en tuin & park. Ook dit terrein is grotendeels verhard. Het grootste gedeelte van de bedrijfsactiviteiten vinden plaats in de bedrijfsloods achter de bedrijfswoning. De loods heeft een oppervlakte van 1.300 m2. Daarnaast vindt er ook buitenopslag plaats, wat niet bevorderlijk is voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
Hoofdstuk 2
9
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De eigenaren van beide bedrijven wensen een planologisch kader te scheppen welke recht doet aan de situatie zoals deze in het verleden ook van kracht was, overeenkomt met de daadwerkelijke situatie en voor ieder bedrijf afzonderlijk toekomstgerichte bouwregels gaan gelden. Daarbij streeft men geen substantiële vergroting na van het bedrijfsbestemmingsvlak maar wil men door middel van het ‘verplaatsen’ en herbestemmen van vigerende bestemmingen alleen de vorm van het bedrijfsbestemmingsvlak wijzigen en een kleine vergroting (422 m2) aan de noordzijde bewerkstelligen.
Figuur 2.3: toekomstige situatie (Bron: Van Hooft Architecten)
In de nieuwe situatie zal de als burgerwoning bestemde woning Schietbergweg 6, conform het feitelijke gebruik bestemd worden als ‘bedrijfswoning’ behorende bij het sloop-, loon- en grondverzet bedrijf. Hiermee wordt een potentiele belemmerende werking van een burgerwoning ten opzichte van het bedrijf zoveel mogelijk voorkomen. Binnen de bestaande regeling is het thans mogelijk om voor bedrijfswoningen bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (weer en uiteraard onder voorwaarden die strekken tot een goede ruimtelijke ordening) te kunnen omzetten naar een burgerwoning.
Hoofdstuk 2
10
Aan de noordwestzijde van het plangebied vindt er een kleine uitbreiding ten behoeve van het sloop-, loon- en grondverzet bedrijf (met buitenopslag, echter zonder bebouwingsmogelijkheden) plaats. Dit deel wordt voorzien van een versterking van de groen- en landschapsstructuren. Per saldo neemt het oppervlak met de bestemming ‘Bedrijf’ hiermee met slechts 422 m2 toe. Dit oppervlak is daarnaast reeds via een tijdelijke vergunning als bedrijfsgrond toegestaan en als zodanig in gebruik. Er is dus geen sprake van een feitelijke toename van bedrijvigheid. Qua bebouwingsmogelijkheden krijgen beide bedrijven een op de toekomstgerichte mogelijkheden. Voor het sloop-, loon- en grondverzetbedrijf is dit 1.500 m2 en voor de groothandel en herstelinrichting ten behoeve van landbouw-, tuin- en bosbouwmachines is dit 1.600 m². Dit laatste bedrijf wil graag de huidige buitenopslag inpandig kunnen opslaan en daarvoor is de bouw van een loods van circa 150 m² nodig. Hiermee wordt verrommeling van het bedrijfsperceel tegengegaan. Door het bedrijf is tevens aandacht gevraagd voor de toegestane hoogte van (vee-kerende) hekwerken buiten de bedrijfsbestemming. Deze wordt in onderhavig plan gesteld op 1,50 meter in verband met de doelmatigheid en de veiligheid van de beoogde functie van deze agrarische gronden als paardenweide.
Ook is een regeling voor het opnemen van een 2-tal kleine schuilgelegenheden (maximaal 6 m² en 3 meter hoog) op de agrarische percelen aan de noordwest en noordoostzijde van het plangebied. De omschrijving van het bedrijf aan de Schietbergweg 8a voldoet daarnaast niet helemaal aan de huidige bedrijfsvoering. De wens is om dit aan te passen in: ‘groothandel en herstelinrichting ten behoeve van landbouw-, tuin- en bosbouwmachines en ondergeschikte assemblage daarvan’. Ook dit onderdeel is in onderhavig bestemmingsplan aangepast. Door beide bedrijven afzonderlijk te bestemmen, elke bedrijf te voorzien van eigen bebouwingsmogelijkheden en de woning ter plaatse van huisnummer 6 te bestemmen als bedrijfswoning wordt recht gedaan aan de daadwerkelijke situatie en wordt de strijdigheid met betrekking tot de bedrijfspercelen met de vigerende planologische situatie opgeheven. Daarnaast worden de bedrijven voorzien van eigen bebouwingsmogelijkheden waardoor per bedrijf wordt vastgelegd wat de separate mogelijkheden
Hoofdstuk 2
11
en bouwregels zijn. De voorgenomen ontwikkelingen gaan gepaard met een versterking van de groenen landschapsstructuren. Hiervoor is een landschappelijk aanpassingsplan opgesteld. Deze landschappelijke inpassing zal de nieuwe ontwikkelingen aan het zicht onttrekken en bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van het terrein en de directe omgeving. Tevens wordt een landschappelijke kwaliteitsverbetering doorgevoerd binnen de gronden welke direct ten westen zijn gelegen van het plangebied, zie hiervoor onderstaande figuur.
Figuur 2.4: landschappelijke inpassing.
Hoofdstuk 2
12
Om de beoogde ontwikkeling goed aan te laten sluiten op de omgeving is er binnen het landschappelijke inpassingsplan rekening gehouden met het karakteristiek van het landschap, waarin het plangebied zich bevindt. Beoogde ontwikkelingen kunnen immers afbreuk dan aan de bestaande landschappelijke structuren van het landschap. Binnen het plan wordt dan ook de nadruk gelegd op het behouden van deze kwaliteiten en de beoogde ontwikkeling een onderdeel te laten zijn binnen de landschapsversterking. In het inpassingsplan zal gebiedseigen sortiment worden toegepast. Naast de landschappelijke inpassing is er een kwaliteitsbalans opgesteld. In de kwaliteitsbalans wordt duidelijk of er nog extra maatregelen getroffen moeten worden naast de landschappelijke inpassing voor een kwaliteitsverbetering in het landschap. In de bijlagen tabel is deze kwaliteitsbalans weergegeven.
Hoofdstuk 2
13
3.
BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: - een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys; - over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; - een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): - het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; - het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; - het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren. De SVIR heeft geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.
De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het me-
Hoofdstuk 3
14
rendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Dit plan voorziet in de planologische borging van de feitelijke situatie zoals die al geruime tijd in het plangebied aanwezig is. Daarnaast wordt een zeer beperkte uitbreiding van de bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt. Gezien de aard van de ontwikkeling is er geen sprake van een ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals omschreven in artikel 1.1.1 van het Bro. Daarnaast heeft het plangebied reeds een stedelijke functie (niet-agrarisch bedrijf) en heeft het initiatief geen verdere verstedelijking tot gevolg, zodat geconcludeerd kan worden dat het initiatief past binnen het streven naar duurzaam ruimtegebruik.
3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
15
lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De Brabantse economie staat er goed voor: de economie is concurrerend en internationaal georiënteerd. Dit is te danken aan de ligging met goede verbindingen, een uitstekende fysieke en digitale infrastructuur, een sterke kennis- en innovatiekracht en een aantrekkelijke combinatie van een grootstedelijke allure in een groene leefomgeving. De economie en leefomgeving worden sterker gekoppeld, waar beide van profiteren. Want een goed functionerende economie stelt ons in staat te investeren in natuur, landschap en cultuurhistorie. Een fraai, beleefbaar landschap met veelzijdige natuur en cultuurhistorische elementen, historische binnensteden en karakteristieke dorpen en een gevarieerd aanbod aan recreatieobjecten in landelijk en stedelijk gebied vormen een essentiële vestigingsfactor. Daarnaast is de export van hoogwaardige Brabantse producten, agrotechniek en –kunde, is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren, is een transitie noodzakelijk waarvan de eerste stappen al gezet zijn. Hierdoor ontstaat een diverser palet aan productiemethoden op de as low-tech high-tech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten.
Onderhavig bestemmingsplan biedt passende toekomstgerichte uitbreidings- en ontwikkelingsruimte voor de twee bedrijven in het plangebied. De ontwikkeling gaat daarnaast gepaard met een versterking van het landschap. Het plan is in lijn met de omgevingsvisie. Interim omgevingsverordening De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is ervoor gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een Interim omgevingsverordening. Provinciale Staten hebben op 25 november 2019 deze verordening vastgesteld. Het is een ‘Interim’ omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet nog niet zijn verwerkt. Er is wel zo veel als mogelijk aansluiting gezocht bij de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening (bijvoorbeeld bij de opbouw en de digitale vormgeving). De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening ruimte 2014.
In de omgevingsverordening staan onderwerpen uit de provinciale omgevingsvisie, waarbij is aangegeven welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. Deze verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De Verordening heeft het plangebied aangewezen als ‘Gemengd landelijk gebied’. Onderstaand is uitsluitend de voor het onderhavige plan relevante regelgeving vanuit de Interim omgevingsverordening beschreven. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.
Hoofdstuk 3
16
Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.
Artikel 3.70 Afwijkende regels bedrijfswoningen Lid 3 Een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een bestaande burgerwoning als bedrijfswoning, als de woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt. Artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die: a. de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; b. een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; c. kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Doorwerking plangebied De Verordening bepaalt dat de vestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied onder voorwaarden is toegestaan.
In dit geval is echter geen sprake van nieuwvestiging aangezien er altijd twee bedrijven aanwezig zijn geweest. Met dit bestemmingsplan wordt enkel de planologische borging van de twee bedrijven hersteld. De uitbreiding van de bedrijfsbestemming betreft het in overeenstemming brengen van het reeds (tijdelijk) vergunde stuk grond aan de noordwestzijde van het plangebied ten
Hoofdstuk 3
17
behoeve van het bedrijf (met buitenopslag, echter zonder bebouwingsmogelijkheden). Per saldo neemt het oppervlak met de bestemming ‘Bedrijf’ hiermee met slechts 422 m2 toe. Dit oppervlak is daarnaast reeds via een tijdelijke vergunning als bedrijfsgrond toegestaan en als zodanig in gebruik. Er is dus geen sprake van een feitelijke toename van bedrijvigheid. Wel wordt met dit bestemmingsplan beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor het bebouwd oppervlakte van de bedrijven gerealiseerd. Het omzetten van de burgerwoning naar de bedrijfswoning voldoet aan artikel 3.70 lid 3, aangezien deze woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en er reeds sprake was van een ruimtelijke eenheid. Deze is met onderhavig plan ook planologisch geborgd. De ontwikkeling gaat tevens gepaard met een investering in het landschap en een passende landschappelijke inpassing. Hierdoor draagt het plan bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de omgeving, conform artikel 3.1. Het initiatief is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid Herijking Rooi(s)e Draad ‘De Rooi(s)e draad’ is de integrale strategische visie van Sint-Oedenrode. De oorspronkelijke visie is opgesteld in 2005 en heeft veel bouwstenen aangedragen voor de verdere ontwikkeling van de gemeente. Om de visie zo actueel mogelijk te houden is een herijking van ‘De Rooi(s)e draad’ opgesteld. Het gaat om een herijking en niet om een compleet nieuwe visie. Zodoende ligt de focus op de beleidsterreinen waar sprake is van een andere koers ten opzichte van de oorspronkelijke ‘De Rooi(s)e draad’. Het accent ligt bij de herijking op een drietal belangrijke thema’s: Woningbouw en Leefbaarheid; Vitaal Platteland; Economie en Ruimtelijke ontwikkeling. Doorwerking plangebied Voor onderhavig planvoornemen zijn met name de thema’s ‘Vitaal Platteland’ en Economie en Ruimtelijke ontwikkeling’ van belang. Vitaal platteland De visie met betrekking tot het vitaal platteland is het blijven vasthouden aan het groene imago als plattelandsgemeente. Daarnaast vindt een transitie in de landbouw plaats. De gemeente Meierijstad wil een groene gemeente zijn waar landbouw een belangrijke plaats in blijft nemen. Van belang hierbij is de samenwerking van de agrariërs en de overige huidige en potentieel toekomstige gebruikers van het landelijk gebied. Voor een vitaal platteland is een vitale agrarische sector van belang.
Dat neemt niet weg dat de agrarische sector zal krimpen. Een substantieel aantal bedrijven zal de agrarische activiteiten beëindigen. De gemeente richt zich daarom op een passende herontwikkeling van bestaande werklocaties in het buitengebied. Ondernemers krijgen de ruimte en benutten de mogelijkheden voor ruimtelijke transities passend bij de aard, schaal en gewenste kwaliteit van het landelijk gebied.
Hoofdstuk 3
18
Economie en Ruimtelijke ontwikkeling Er is in Brabant een overcapaciteit aan bedrijvenontwikkellocaties. De gemeente ziet de ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein dan ook als een allerlaatste optie en wil insteken op benutting en passende herontwikkeling van bestaande bedrijfslocaties in het stedelijk en buitengebied. De beoogde ontwikkeling voorziet in een passende toekomstgerichte uitbreidings- en ontwikkelingsruimte voor de twee bedrijven in het plangebied. De planologische borging van de twee bedrijven hersteld en daarnaast worden beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor het bebouwd oppervlakte van de bedrijven mogelijk gemaakt. Het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ blijft hierbij hetzelfde oppervlakte behouden. De ontwikkeling gaat tevens gepaard met een investering in het landschap en een passende landschappelijke inpassing en is zodoende in lijn met de strategische visie van Sint-Oedenrode. Bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2 Met betrekking tot het voorgenomen plan zijn enkele regels uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ van bijzonder belang. Het betreft hier strijdig gebruik ten behoeve van buitenopslag, de voorwaarden voor toestemming buitenopslag te realiseren en de vormverandering van het bouwvlak.
De regels (of relevante delen hiervan) worden hierna vermeld waarna een uiteenzetting plaatsvindt hoe aan de voorwaarden wordt voldaan. 6.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a) het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van buitenopslag, met uitzondering van buitenopslag tot een hoogte van 5 meter binnen de zone met de aanduiding (SB-Bu) zoals aangegeven op de verbeelding. Voor Schietbergweg 8 en 8A is deze aanduiding niet opgenomen waardoor opslag in de buitenlucht strijdig is. Om buitenopslag toch mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van artikel 6.5.2. Daarnaast voorziet het plan in een verruiming van de bouwmogelijkheden zodat de huidige buitenopslag bij het landbouw-, tuin- en bosbouwmachinesbedrijf inpandig kan gaan plaatsvinden. 6.5.2 Buitenopslag Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van de regels voor het toestaan van (permanente) buitenopslag, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a) Het toepassen van de afwijking mag geen onevenredige beperking opleveren van de bestaande bedrijfsvoering/bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven tot gevolg hebben. b) Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen.
c) Ten minste 10% van de oppervlakte wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan. d) De hoogte mag niet meer bedragen dan 5 m. Ad a Buitenopslag vindt plaats binnen de grenzen van de huidige bedrijfsbestemming. Daarnaast wordt een vormverandering doorgevoerd aan de noordwestzijde van het plangebied waar tevens buitenopslag mogelijk wordt gemaakt. Door de opslaghoogte conform bestemmingsplan te beperken tot 5 meter wordt geen beperking gecreëerd voor omliggende bedrijven.
Hoofdstuk 3
19
Ad b Tevens blijven de milieucategorieën van de bedrijven gevestigd aan Schietbergweg 8 en 8A ongewijzigd en neemt de afstand vanwege de uitbreiding aan de noordwestzijde niet dusdanig toe dat de richtafstand ten opzichte van de meest nabij gelegen gevoelige bestemming wordt overschreden. De huidige burgerwoning van huisnummer 6 is reeds gelegen direct grenzend aan de bedrijfsbestemming, maar wordt herbestemd als bedrijfswoning, waarmee er andere eisen gelden ten aanzien van hinder vanuit de eigen inrichting. Daarbij zorgt het toestaan van buitenopslag binnen deze bestemming geen extra milieubelasting waardoor het woon- en leefklimaat ter plaatse niet wijzigt. Ad c De te realiseren buitenopslag wordt omgeven door een goede landschappelijke inpassing zodat de opslag aan het zicht wordt onttrokken. Het uitgangspunt voor het oppervlakte aan beplanting bedraagt in ieder geval 10%. Ad d Zie Ad a. 6.6.1 Vormverandering bouwvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a) De totale oppervlakte van het bouwvlak niet mag worden vergroot. b) De vormverandering is noodzakelijk voor de ontwikkeling van het bedrijf. c) Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen.
d) De wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Ad a De vormverandering aan de noordwestzijde leidt tot een beperkte vergroting van het bestemmingsplan. Het bouwvlak zal echter niet worden vergroot. Ook vindt er een theoretische vergroting plaats ter plaatse van het herbestemmen van de burgerwoning tot bedrijfswoning. Mede om deze redenen kan geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid en zal er een herziening van het bestemmingsplan moeten plaatsvinden. Gezien de beperkte uitbreiding en het omzetten van de woonbestemming in een bedrijfsbestemming specifiek bedoeld voor het in overeenstemming brengen van de feitelijke situatie met de planologische, achten het gevraagde ruimtelijk verantwoord en verdedigbaar vanuit de doelstellingen van gemeentelijk en provinciaal beleid. Ad b Zoals hiervoor reeds uiteengezet is abusievelijk in het verleden een planologische situatie ontstaan die niet overeenkomt met de daadwerkelijke situatie waardoor de afzonderlijke bedrijven worden belemmerd in hun ontwikkelings- en bouwmogelijkheden. Door beide bedrijven afzonderlijk te bestemmen, elke bedrijf te voorzien van eigen bebouwingsmogelijkheden en wordt de strijdigheid met betrekking tot de bedrijfspercelen met de vigerende planologische situatie opgeheven.
Daarnaast worden de bedrijven voorzien van eigen bebouwingsmogelijkheden waardoor per bedrijf wordt vastgelegd wat de separate mogelijkheden en bouwregels zijn. Uitvloeisel van de aanpassingen om één te bewerkstelligen, betreft de vormverandering van het bedrijfsperceel.
Hoofdstuk 3
20
Ad c en d Zie Ad a en b van artikel 6.5.2. Hieraan kan worden toegevoegd dat door de herbestemming van het woonperceel tot ‘Bedrijf’ ten behoeve van een bedrijfswoning er juist in planologisch opzicht een toekomstbestendige gaat ontstaan die potentiele hinder en belemmeringen over en weer zal beperken. 6.3.2 Uitbreiding oppervlakte bedrijfsgebouwen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2 voor het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen waarbij moet worden voldaan aan de volgende bepalingen: a) De vergroting is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van het bedrijf. b) De vergroting dient plaats te vinden binnen het bouwvlak. c) Agrarisch technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 25% van de aangegeven bebouwde oppervlakte. d) Niet-agrarische bedrijven mogen uitbreiden met maximaal 15% van de aangegeven bebouwde oppervlakte, met dien verstande dat de oppervlakte van het bestemmingsvlak maximaal 5.000 m² mag bedragen, indien gelegen in de 'groenblauwe mantel'. e) Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen.
f) Deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in Bijlage 6 van de planregels. g) Toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid is niet mogelijk ter plaatse van de aanduiding ‘sb – 24’. Ad a Zie Ad b van artikel 6.6.1. Ad b De vergroting van het toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing vindt geheel plaats binnen het huidige bouwvlak. Op het uit te breiden gedeelte van het bestemmingsvlak bij nummer 6, mag geen bedrijfsbebouwing worden opgericht. Ad c Zowel het ‘loon-, sloop- en grondverzetbedrijf’ als de ‘Groothandel en herstelinrichting ten behoeve van landbouw-, tuin- en bosbouwmachines met ondergeschikt assemblage daarvan’ worden aangemerkt als Agrarisch technische hulpbedrijven en agrarische verwante bedrijven. Het momenteel toegestane bebouwingsoppervlak bedraagt 2.425 m2. In de toekomstige situatie is sprake van (circa) 3.100 m2 (1x 1.500 m2 en 1x 1.600 m²). Deze toename benaderd de uitbreidingsmogelijkheid van 25% (gevraagde uitbreiding is circa 27,8%). Ad d Er is geen sprake van niet-agrarische bedrijven. Ad e Zie Ad a en b van artikel 6.5.2.
Hoofdstuk 3
21
Ad f De uitbreiding vindt plaats in combinatie met een goede landschappelijke inpassing. Tevens wordt een aantoonbare en uitvoerbare fysieke kwaliteitsverbetering van het landschap doorgevoerd op de gronden welke direct aansluitend zijn gelegen aan de westzijde van de planlocatie. Een nadere uitwerking van zowel de landschappelijke inpassing als de landschapsverbetering vindt in een later stadium plaats. Ad e Ter plaatse is geen sprake van de aanduiding ‘sb – 24’. indirect opgenomen. 6.3.6 Toestaan hogere goothoogte bedrijfsgebouwen Voorts is in het bestemmingsplan een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van een hogere goothoogte van de bedrijfsgebouwen (artikel 6.3.6). Voor de bestaande bedrijfsbebouwing op het adres Schietbergweg 8a is van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Het ligt in de rede dat de toekomstige uitbreiding van de bedrijfsbebouwing qua ruimtelijke verschijningsvorm zal aansluiten op de bestaande bebouwing met een goothoogte van circa 6,5 meter en dat wederom een beroep op deze bevoegdheid zal worden gedaan. Er gelden de volgende voorwaarden voor het toestaan van een hogere goothoogte: a) De afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. b) De afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. c) De goothoogte mag niet meer bedragen dan 7,5 m.
d) De ontwikkeling gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode. Aan bovenstaande voorwaarden wordt (in beginsel) voldaan. Formele en finale toetsing vindt plaats in het kader van de Omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’. Ad a. Voor een doelmatige bedrijfsvoering is het nodig dat de bedrijfsbebouwing een hogere goothoogte heeft. Immers worden er in de loods tractoren gestald en komen er tankwagens waarbij het noodzakelijk is dat er nog voldoende ruimte boven deze voortuigen aanwezig is. Ad b. Er vindt geen onevenredige aantasting plaats van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen aangezien de locatie waar de beoogde uitbreiding plaats zal vinden is gelegen achter op het perceel daar waar ook de bedrijfsbebouwing van Schietbergweg 6-8 is gesitueerd. Het gebouw sluit met een goothoogte van 6,5 meter beter aan op de huidige ruimtelijke verschijningsvorm van de bestaande bedrijfsbebouwing. Ad c. De goothoogte zal met 6,5 meter lager zijn dan de maximaal toegelaten goothoogte van 7,5 meter.
Hoofdstuk 3
22
Ad d. Er is in de landschappelijke inpassing behorende bij onderhavig plan rekening gehouden met de inpassing van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsloods. Op deze manier wordt een fysieke verbetering bereikt voor het perceel en omgeving. Deze kwaliteitsverbetering voldoet aan de Regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint- Oedenrode’. Er is sprake van een categorie 3 ontwikkeling, omdat het plan voorziet in de uitbreiding van het aantal vierkante meter bebouwing binnen de bestemming bedrijf. Aangezien er geen sprake is van een substantiële waardevermeerdering kan worden volstaan met de landschappelijke inpassing. Zie bijlagen voor nadere berekening en de voorgenomen inpassing. Uit onderstaande berekening blijkt dat de huidige waarde hoger is dan de toekomstige waarde en dat daarmee geen sprake is van extra maatregelen ter verbetering van het landschap. Tabel 1: kwaliteitsbalans
Figuur 3.1: Huidige bestemmingen
Hoofdstuk 3
Figuur 3.2: Toekomstige bestemmingen
23
4.
MILIEUHYGIËNISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
Er bestaat een duidelijke relatie tussen het milieubeleid en de ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien het ruimtelijk en milieubeleid naar elkaar in de vorm van omgevingsbeleid. De milieukwaliteit is derhalve een belangrijke afweging bij de ontwikkeling van ruimtelijke functies. In dat verband dient bij de afweging bij de ontwikkeling van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht welke milieuaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op alle milieuaspecten.
4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee bedrijfspercelen in het buitengebied. Bepaald moet worden of de ontwikkelingen kunnen leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst C en D van het Besluit m.e.r. overschrijdt. Een bedrijfsuitbreiding of vestiging van een bedrijf wordt vaak aangemerkt onder categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r. (stedelijk ontwikkelingsproject).
Het kan echter zijn dat een ontwikkeling gezien de aard, omvang en locatie van dat specifieke plan niet kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is namelijk het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.
Hoofdstuk 4
24
Concrete omstandigheden Schietbergweg 6-8 en 8a De eigenaren van beide bedrijven wensen een planologisch kader te scheppen welke recht doet aan de situatie zoals deze in het verleden ook van kracht was, overeenkomt met de daadwerkelijke situatie en voor ieder bedrijf afzonderlijk toekomstgerichte bouwregels gaan gelden. Daarbij wordt geen substantiële vergroting n van het bedrijfsbestemmingsvlak mogelijk gemaakt, maar wordt ingezet op het ‘verplaatsen’ en herbestemmen van vigerende bestemmingen, waarbij alleen de vorm van het bedrijfsbestemmingsvlak wijzigt en slechts een kleine vergroting (422 m²) aan de noordzijde bewerkstelligd wordt. In de nieuwe situatie zal de als burgerwoning bestemde woning Schietbergweg 6, conform het feitelijke gebruik bestemd worden als ‘bedrijfswoning’ behorende bij het sloop-, loon- en grondverzet bedrijf. Hiermee wordt een potentiele belemmerende werking van een burgerwoning ten opzichte van het bedrijf zoveel mogelijk voorkomen. Binnen de bestaande regeling is het thans mogelijk om voor bedrijfswoningen bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van de bedrijfsactiviteiten (weer en uiteraard onder voorwaarden die strekken tot een goede ruimtelijke ordening) te kunnen omzetten naar een burgerwoning. Aan de noordwestzijde van het plangebied vindt er een kleine uitbreiding ten behoeve van het sloop-, loon- en grondverzet bedrijf.
Per saldo neemt het oppervlak met de bestemming ‘Bedrijf’ hiermee met slechts 422 m²) toe. Deze locatie is slechts bedoeld voor buitenopslag en is niet voorzien van enige bebouwingsmogelijkheden. Tevens wordt hier voorzien in versterking en instandhouding van groen en landschapsstructuren om de invloed op de omgeving erg te beperken. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot hinder voor omliggende functies maar zelfs tot een verbetering voor de milieuomstandigheden en leefomgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of – technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan (zie navolgende milieuparagrafen) dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
4.2 Cultuurhistorie & Archeologie De kaders voor bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden wordt gevormd door de Erfgoedwet en het Bro. De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. In het Bro is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving dient te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Hoofdstuk 4
25
Het is daarmee dus verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Cultuurhistorie Daarnaast ligt het plangebied in de regio ‘De Meijerij’. De Meijerij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van 's-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen.
In het plangebied is reeds de bedrijfsbebouwing en bedrijfswoningen van twee niet-agrarische bedrijven aanwezig. De beperkte uitbreidingsmogelijkheden vinden plaats aan de bestaande bebouwing op de bedrijfspercelen. De ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden van de regio. Archeologie De voormalige gemeente Sint-Oedenrode heeft haar archeologische verwachtingswaarden vastgelegd in een archeologische beleidskaart. Volgens deze beleidskaart ligt het plangebied in de zone met categorie 1 (een hoge archeologische verwachting). Er geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen die groter zijn dan 200 m2 en die dieper gaan dan 50 cm beneden maaiveld. Alleen ter plaatse van de beoogde nieuwbouw aan de Schierbergweg 8a worden bodemingrepen gedaan. De bestaande bedrijfsbebouwing van ca. 1.412 m2 mag worden uitgebreid tot maximaal 1.600 m2. De bodemingrepen zullen dan ook niet groter zijn dan 200 m2. Een klein deel van het plangebied valt binnen een zone met categorie 2 (middelhoge verwachting). Hier zijn geen bodemingrepen voorzien. Met de beoogde ontwikkeling wordt deze drempelwaarde niet overschreden. De huidige dubbelbestemmingen blijven gehandhaafd in het plangebied. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Hoofdstuk 4
26
4.3 Flora en fauna Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Vanaf 1 januari 2017 geldt de nieuwe Wet natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. Er is een verschuiving opgetreden in de tabellen voor soortenbescherming. Sommige soorten worden beter beschermd, sommige soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft daarbij bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Doorwerking plangebied Er heeft een ecologische quickscan plaatsgevonden. Deze is als bijlage opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Soortenbescherming Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de planologische borging van de twee bedrijven. Om de bedrijven toekomstgericht bestendig te maken, maakt het plan eveneens beperkte uitbreidingsmogelijkheden mogelijk in de vorm van een (lichte) toename aan bebouwing en het planologisch mogelijk maken van (statische) binnenopslag.
Figuur 4.1: beoogde locatie uitbreiding bedrijfsbebouwing (Bron: Van Hooft Architecten, 2018)
Hoofdstuk 4
27
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen sloopwerkzaamheden verricht of houtopstanden gekapt. Eventuele werkzaamheden zullen binnenpands plaatsvinden, waardoor het redelijkerwijs aannemelijk is dat de eventuele aanwezige (natuur)waarden niet worden verstoord. De beoogde uitbreiding van de bedrijfsbebouwing aan de Schietbergweg 8a vindt aanpandig plaats aan de achterzijde van de bestaande bedrijfsbebouwing. De uitbreiding vindt plaats op een volledig verharde grond. Leefgebied van beschermde soorten gaat hiermee niet verloren. Daarnaast biedt de locatie waar het gebouw uitgebreid wordt geen potentiele nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten, gezien het ontbreken van een spouwmuur en doorgangen daar naartoe, en de aanwezigheid van vogelschroot aan de dakvoet (figuur 4.1 ter indicatie). Negatieve effecten met betrekking tot beschermde soorten zijn redelijkerwijs uitgesloten. Gebiedsbescherming De meest dichtbijgelegen NNB-gebied is gelegen op een afstand van circa 500 meter. Verder is de meest nabijgelegen Natura-2000 gebied ‘Kampina & Oisterwijkse vennen’ gelegen op een afstand van ruim 12 kilometer. Gelet op deze ruime afstanden tot het plangebied zullen de beperkte uitbreidingsmogelijkheden geen negatieve gevolgen hebben voor deze gebieden. Zorgvuldigheidshalve is een Aerius-berekening uitgevoerd voor zowel de gebruiksfase als de aanlegfase van dit plan.
Aanlegfase De aanlegfase is beperkt tot de aanbouw aan de achterzijde van de bedrijfsbebouwing van de Schietbergweg 8a. Voor de bouw van de aanbouw wordt een kraan, graafmachine en betonpomp gebruikt. Om inzicht te geven in de nog beschikbare ‘ruimte’ is een fictieve puntbron toegevoegd bij de berekening van de aanlegfase. Deze bron heeft een emissie van 600 kg/jaar. Dit is ongeveer 30x zo veel als de berekende aanlegfase zou uitstoten. Zelfs met deze worst-case situatie wordt geconcludeerd dat het plan zorgt voor een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar bij Natura 2000 gebieden in de omgeving tijdens de aanlegfase. Gebruiksfase Voor de gebruiksfase zijn de vervoersbewegingen van de verschillende voertuigen van belang. Hiervoor is uitgegaan van de gegevens uit de tabellen uit paragraaf 4.6 “bedrijven en milieuzonering”. Daarnaast is onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar verkeer. Ook is 100% van het verkeer van en naar het plangebied zowel richting het noorden als het zuiden ingevoerd. Hiermee is dus meer verkeer meegenomen in de berekening dan dat feitelijk plaats gaat vinden. De agrarische gronden rondom het bedrijf zijn niet meegenomen in de berekening aangezien hier niets wijzigt ten opzichte van de huidige bestemming en/of functie. Naast het verkeer is worst-case uitgegaan dat bij de twee woningen en de complete toekomstige bebouwing op gas gestookt wordt.
Hierbij is rekening gehouden met een vloeroppervlak van 3.100 m2 en daarbij nog 2 vrijstaande woningen. Ook is bij de gebruiksfase nog een fictieve puntbron met een emissie van 200 kg/jaar toegevoegd. Zelfs met deze worst-case situatie wordt geconcludeerd dat het plan zorgt voor een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar bij Natura 2000 gebieden in de omgeving tijdens de gebruiksfase.
Hoofdstuk 4
28
Uit beide Aerius berekeningen wordt geconcludeerd dat het plan in deze erge worst-case situatie zorgt voor een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar bij Natura 2000 gebieden in de omgeving. Hiermee is duidelijk aangetoond dat invloed van het plan op Natura 2000 kan worden uitgesloten. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000, het NNB en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden (voormalige Boswet) is bij dit plan verder niet aan de orde.
4.4 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets te doorlopen. Hierin dient inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente (water)advies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele watertoets noodzakelijk. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. Beleidskaders Waterschap De Dommel Sinds maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen opgesteld. Op grond van de Keur zijn Algemene regels (Algemene regels Keur Waterschap De Dommel 2015) en een aantal Beleidsregels opgesteld. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem.
Waterbeheerplan ‘Waardevol Water’ Naast het beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Voorts zijn er in Nederland diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan “Waardevol Water” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een
Hoofdstuk 4
29
aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het Waterschap is verantwoordelijk voor het waterkeringenbeheer, het waterbeheer en het transporteren en zuiveren van afvalwater. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het Waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen onderzocht dient te worden hoe omgegaan wordt met het schone hemelwater. Het uitgangspunt is om ontwikkelingen hydrologisch neutraal uit te voeren. Kortom, het initiatief mag niet leiden tot een verandering in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en in de directe omgeving. Daarnaast is het streven om het schone en het verontreinigde water zoveel mogelijk te scheiden. Gemeente Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een nieuw VGRP 2017-2022 en Waterplan ‘Waardevol water in Meierijstad’ opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau: - Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen. Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water. - Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren.