Toelichting Elde 3
Tekst van het document
Voor wat betreft de voorkoming van infectieziekten geldt het volgende: Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. De belangrijkste zoönosen zijn hierna benoemd: 1. Influenzavirus: virus dat zowel bij de mens, kip als het varken voorkomt en het risico met zich meedraagt dat door uitwisseling van erfelijk materiaal een nieuw griepvirus zou kunnen ontstaan. Mensen kunnen geïnfecteerd raken door het influenzavirus door direct contact met geïnfecteerd pluimvee. Er is binnen de inrichting geen sprake van het huisvesten van pluimvee of varkens. Het influenzavirus is geen relevante infectievirus. 2. ESBL staat voor extended spectrum betalactamase producerende bacterie. Het gaat om bacteriën (bijvoorbeeld E.coly of samonella) die een enzym produceren die bepaalde antibiotica afbreken. Infecties treden voornamelijk op door het eten van besmet vlees en eieren of producten die door vlees of eieren zijn besmet. Als consumenten de hygiënemaatregelen rondom voedselbereiding opvolgen, is het geen risico. 3. Toxoplasma is een parasiet. De mens kan besmet raken door contact met eitjes, besmette aarde of door het eten van met eitjes besmette groenten. Besmetting kan ook optreden door het eten van rauw of niet
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
34
goed doorbakken vlees. Aanwezigheid wordt in verband gebracht met kleinere bedrijven, uitloop naar buiten en aanwezigheid van katten. Op het bedrijf van initiatiefnemer wordt de mest gecontroleerd op toxoplasma. Indien er een besmetting is wordt het vee hiertoe behandeld. Hiermee wordt het risico voor een besmetting zoveel mogelijk voorkomen. 4. MRSA is een bacterie die ongevoelig is voor de meeste antibiotica. Personen die nauw (beroepsmatig) contact hebben met varkens en vleeskalveren hebben een verhoogd risico op het oplopen van een besmetting. Bekend is dat veelvuldig antibioticagebruik in de stal de kans op resistente micro-organismen zoals MRSA vergroot. Vooral hierom is het al vanaf 2006 verboden om antimicrobiële voerbespaarders toe te passen. Op het bedrijf van initiatiefnemer wordt het gebruik van antibiotica zoveel mogelijk beperkt. Daarnaast is er geen sprake van huisvesting van varkens en vleeskalveren. 5. Endotoxinen zijn bestanddelen van de celwand van bacteriën. Na inademing kunnen verschijnselen zoals droge hoest, kortademigheid met verminderde longfunctie en koorts optreden. Langdurige blootstelling aan endotoxinen kan leiden tot chronische bronchitis en vermindering van de longfunctie. De hoogste concentraties zijn te verwachten in en dicht bij de stallen van varkens en pluimveehouderijen.
Aangezien er geen sprake is van een intensieve veehouderij is het aspect endotoxine geen belemmering. Ten aanzien van het aspecten geur voldoet het plan aan de gestelde normen. Gezien de ligging van onderhavig bedrijf ten opzichte van de omliggende voor geurgevoelige objecten kan worden aangenomen dat de (negatieve) ervaring van geuremissie vanuit de inrichting beperkt zal blijven. Daarnaast is sprake van een krimp van de veehouderijtak. Dit leidt lokaal tot een betere leefomgeving. Indien er zich een situatie voor doet waarbij een dierziekte uitbreekt zullen er meer maatregelen genomen worden. Afhankelijk van de dierziekte zal de ondernemer de volgende maatregelen nemen: Extra hygiëne maatregelen (Extra ontsmetting van dierverblijven, schone wegwerpkleding voor bezoekers van buitenaf, entree ontsmettingsbak); Vaccineren van het vee indien mogelijk (bijv. Bij BVD). Bij een landelijke uitbraak van een veeziekte, zullen er landelijk maatregelen opgelegd worden. Zoals een verbod op veevervoer. Dit kan ook regionaal worden ingesteld. Indien hier sprake van is, zal de inrichting zich aan deze opgelegde maatregelen houden. Een nadere toetsing van de GGD wordt niet noodzakelijk geacht. Dit mede omdat onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande veehouderij met bedrijfsbebouwing naar een kleinschaligere veehouderij met landbouw en zzp-werkzaamheden.
In die zin verandert er niets wezenlijks aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe en het aantal dieren
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
35
neemt zelfs af. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig.
4.4
NATUUR Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele ecologische waarden in of nabij het projectgebied. De voorgenomen ontwikkelingen mogen geen negatieve effecten hebben op de aanwezige beschermde soorten zoals aangewezen in de Wet natuurbescherming. Indien hiervan sprake is moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Tevens mogen de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op aangewezen gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds-en soortenbescherming.
4.4.1
Gebiedsbescherming In Nederland is gebiedsbescherming geregeld middels de Wet natuurbescherming, waarin alle gebiedsbeschermende internationale afspraken en richtlijnen zijn geïmplementeerd. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van Natura 2000-gebieden van belang. Bij negatieve effecten kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling, en dergelijke. De voorgenomen planvorming ziet toe op de wijziging van het gebruik van de locatie. Voor het aspect stikstof is in de regels van dit plan vastgelegd dat alle ontwikkeling in het plangebied onder de werking van dit bestemmingsplan niet mogen leiden tot een hogere depositie van stikstof op de kwetsbare gebieden dan de depositie van de referentiesituatie. De referentiesituatie is hiermee gelijk de maximale invulling van het plan. In het kader van een bestemmingsplan is de referentiesituatie de feitelijk aanwezige en planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Deze depositie is in kaart gebracht door middel van een berekening met de AERIUS-calculator en bijgevoegd als bijlage 3 (AERIUS-berekening ‘Feitelijke situatie’) bij onderhavige toelichting van dit plan.
De eerder beschreven ontwikkeling past binnen de referentiesituatie, hiertoe is ook een verschilberekening gemaakt en bijgevoegd als bijlage 3 (AERIUS-berekening ‘Verschil’). Met het vastleggen van de referentiesituatie als de maximale invulling van het plan is uitgesloten dat sprake is van een toename van de depositie van stikstof op de kwetsbare gebieden. Hiermee is een ander onderzoek niet noodzakelijk. Tot slot leidt het beoogde gebruik van de locatie niet tot andere effecten, zoals versnippering, waardoor sprake kan zijn van verstoring
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
36
op het gebied, hiertoe is de afstand van minimaal 9,3 kilometer tot de gebieden ruim voldoende. Onderstaand is de ligging ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Figuur 16 Ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000-gebieden
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: ecologische hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. De locatie Elde 3 is op een afstand van ca. 280 meter gelegen van het Natuurnetwerk Brabant. De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot versnippering of oppervlakteverlies van het groen. Het aspect natuur is geen belemmering voor het voorgenomen initiatief.
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
37
Figuur 17 Ligging planlocatie t.o.v. Natuurnetwerk Brabant
4.4.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De voorgenomen planvorming leidt niet tot nieuwbouw van bebouwing. Dit maakt dat de wijziging van het gebruik van het perceel niet zal leiden tot verstoring van beschermde soorten. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling van de locatie geen onevenredige nadelige gevolgen zal hebben voor natuurwaarden.
4.5
CULTUURHISTORIE Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorisch erfgoed moet worden beschermd. Het gaat dan om erfgoed in brede zin; in cultuurlandschappelijke, stedenbouwkundige en bouwhistorische betekenis. Voorgaande is sinds 1 juli 2016 vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Uit de cultuurhistorische kaart van de provincie Brabant blijkt dat het plangebied in de het gebied “Meierij” is gelegen, en het cultuurhistorische landschap “Groene Woud” heeft.
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
38
Figuur 18 Ligging binnen cultuurhistorische waardenkaart Brabant
Gezien de huidige bebouwing behouden blijft zullen er geen negatieve effecten zijn met betrekking tot cultuurhistorie.
4.6
ARCHEOLOGIE Op grond van het Verdrag van Malta en de daaruit vloeiende Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), dient bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met bekende archeologische waarden en de te verwachten archeologische waarden. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. De locatie heeft de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’ en voor een klein deel ‘Waarde – Archeologie 6’. Dit betekent dat voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 m een archeologisch onderzoeksrapport voorgelegd moet worden. De dubbelbestemming blijft behouden. Gezien er geen sprake is van bodemingrepen is het aspect archeologie geen belemmering. Er hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden. Mochten er bij toekomstige werkzaamheden archeologische relicten of grondsporen worden gevonden op de locatie, dan zal dit – in overeenstemming met de wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet – zo spoedig mogelijk worden gemeld bij Onze minister.
4.7
LANDSCHAP In het kader van landschapsverbetering zal de voeropslag aan de voorzijde van het erf verwijderd worden. Daarnaast zal de voortuin opgeknapt worden en blijft het huidig aanwezige groen behouden. Op deze manier wordt een net en overzichtelijk erf gecreëerd. Verder is er, ten behoeve van de ontwikkeling een landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1) opgesteld. Met dit plan wordt het groen rondom de locatie versterkt. Vrijwel al het bestaande groen blijft hierbij behouden.
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
39
Figuur 19 Landschappelijk inpassingsplan
Met het plan worden verschillende nieuwe elementen aangelegd, Het beplantingsplan omvat op grond hiervan de aanplant van navolgende elementen:
knotwilgen, een bomenrij bestaande uit essen en esdoorn, een struweelhaag, een boomgaardje.
Zie de plantlijst op de navolgende pagina.. Dit wordt nader uitgelegd in bijlage 1.
4.8
MOBILITEIT Het voorgenomen initiatief leidt niet tot een toename van verkeersbewegingen van en naar de inrichting ten opzichte van de huidige situatie. Gezien de veehouderijtak aanzienlijk verkleind zal worden zal dit gepaard gaan met een afname in verkeersbewegingen. De overige functies welke worden toegevoegd gaan gepaard met minimale bewegingen. Verder zijn er binnen de inrichting voldoende parkeermogelijkheden aanwezig, dit wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. De twee nieuwe bedrijfstakken op de locatie, de zzp-werkzaamheden en de statische opslag, zijn beide aan te merken als arbeidsextensief en bezoekersextensief. Gezien de ligging in het buitengebied geldt er volgend de Parkeernota van de gemeente Meierijstad een parkeernorm van 1,2 parkeerplaatsen per 100 m2. In totaal krijgt de ontwikkeling een oppervlakte van 680 m2. Dit geeft een nieuwe parkeerbehoefte van 9 parkeerplaatsen. Bij de woning zijn tevens 3, uitgaande van 2,3 parkeerplaatsen per woning, parkeer-
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
40
plaatsen aanwezig. In totaal zijn er op terrein 12 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen krijgen een omvang van 5 bij 2,5. De ligging is weergegeven in navolgende figuur. Figuur 20 Landschappelijk inpassingsplan
Het aspect verkeer en parkeren zal geen belemmering opleveren. Ten aanzien van de verkeersaantrekkende werking kan het volgende gesteld worden. Ten aanzien van de zzp-werkzaamheden geldt dat deze uitgevoerd worden door de initiatiefnemer. Verder vindt er statische opslag plaats. Dit betreffen activiteiten die bezoekers en arbeidsextensief zijn. De oppervlakte van de activiteit is 680 m2. Dit geeft volgens CROW kencijfers verkeer en parkeren een verkeersaantrekkende werking van 6 verkeersbewegingen per dag. De woning kent een verkeersaantrekkende werking van 8,6 verkeersbewegingen per dag. De verkeersaantrekkende werking van het agrarische bedrijf is beperkt. Er zijn geen kencijfers voor beschikbaar. Er hoeft geen melk meer van de locatie afgevoerd te worden. Het gaat uitsluitend om het aanvoeren van voer en het aan- en afvoeren van de dieren met daarbij incidenteel een bezoek van derden. Ook voor de akkerbouwtak zijn de verkeersbewegingen beperkt. Over het algemeen worden de werkzaamheden zo gepland deze zo veel als mogelijk aansluitend uitgevoerd kunnen worden. Gemiddeld zal de verkeersaantrekkende werking niet meer dan 4 bewegingen per dan bedragen.
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
41
In totaal zal sprake zijn van maximaal 18,6 verkeersbewegingen per dag in de nieuwe situatie. De omliggende wegen hebben een voldoende capaciteit om dit verkeersaanbod te verwerken.
4.9
HOOGSPANNINGSLIJNEN Het plan voorziet niet in een nieuwe gevoelig object. Aangezien in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig zijn, is dit aspect geen belemmering.
4.10
SPUITZONES GEWASBESCHERMING Het plan voorziet niet in een nieuwe gevoelig object. Aangezien in de omgeving geen gronden aanwezig zijn waar mogelijk sprake is van een spuitzone, is dit aspect geen belemmering.
4.11
FEITELIJKE BELEMMERINGEN Indien sprake zal zijn van grondverzet zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. Vooralsnog zijn geen problemen voorzien aangezien er geen uitbreiding dan wel sloop van bebouwing plaats vindt.
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
42
5 5.1
UITVOERBAARHEID
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In deze situatie is er sprake van een particulier initiatief, waarbij de gemeente alleen medewerking verleent door middel van het volgen van de benodigde procedure. De kosten die verbonden zijn aan deze procedure zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe wordt een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer.
5.2
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure eerst in ontwerp gepubliceerd, dit ontwerp ligt dan gedurende zes weken ter inzage. Het plan bestaat uit onderhavige toelichting, een verbeelding en regels. Gedurende het inzagetermijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen. Het plan heeft in ontwerp ter inzage gelegen van … tot en met …..
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
43
6 6.1
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
OPBOUW Voorliggend plan bestaat uit een toelichting, verbeelding en planregels. De verbeelding en de regels vormen de juridische basis van het plan. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsook de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met de daarbij horende randvoorwaarden. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft geen juridische status, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan alsmede bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
6.2
HERZIENING De herziening heeft betrekking op de omzetting van de bestemming ‘Agrarische met waarden – Kleinschalig landschap’ naar ‘Bedrijf’. Hiermee worden beoogde activiteiten mogelijk gemaakt. De bestemmingsplanwijziging is noodzakelijk om de wijziging positief te bestemmen. De gemeente kan medewerking verlenen aan de wijziging middels een herziening van het bestemmingsplan. Aan de hand van onderhavig onderbouwing kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen initiatief niet leidt tot negatieve effecten in de omgeving. Het initiatief voldoet aan de thans vigerende Wet- en regelgeving.
‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’
44