CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Elde 3

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3'11.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3

01-02-2023

Colofon Rapport: ‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’ Rapportnummer: 1058BS01 Status: Concept Datum: februari 2023 Opdrachtnemer Geling Advies Postbus 12 5845 ZG Sint Anthonis www.gsadviesgroep.nl Projectleiding Geling Advies S. de Crom Senio Adviseur +31 (0) 493 - 597 500 sdecrom@gelingadvies.nl

© FEBRUARI ‘23

GELING ADVIES

ALLE RECHTEN VOORBEHOUDEN. NIETS UIT DEZE UITGAVE MAG WORDEN VERVEELVOUDIGD DOOR MIDDEL VAN DRUK, FOTOKOPIE, MICROFILM, GELUIDSBAND, ELEKTRONISCH OF OP WELKE ANDERE WIJZE DAN OOK, EN EVENMIN IN EEN GEAUTOMATISEERD GEGEVENSBESTAND WORDEN OPGESLAGEN, ZONDER VOORAFGAANDE SCHRIFTELIJKE TOESTEMMING VAN GELING ADVIES. AAN DE INHOUD VAN DIT RAPPORT KUNNEN GEEN RECHTEN WORDEN ONTLEEND. GELING ADVIES VERWERPT ELKE AANSPRAKELIJKHEID VOOR EEN ANDER GEBRUIK VAN DEZE TEKST DAN VOOR DE SITUATIE WAARVOOR DEZE WORDT UITGEBRACHT. DE INFORMATIE IN DEZE TEKST IS ONDER VOORBEHOUD EN KAN VERANDERD WORDEN ZONDER VOORAFGAANDE KENNISGEVING.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

2

INHOUDSOPGAVE

1 INLEIDING 1.1 Achtergrond 1.2 Doel 1.3 Plangebied 1.4 Vigerend bestemmingsplan 1.5 Leeswijzer

5 5 5 5 6 7

2 PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Ruimtelijke en functionele structuur 2.2 Planbeschrijving

8 8 8

3 BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant 3.2.2 Structuurvisie 2010 Herziening 2014 3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant 3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Ruimte Schijndel 3.3.2 Kansen voor kwaliteit 3.3.3 Bestemmingsplan

11 11 11 11 12 12 12 15 20 20 21 23

4 OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Milieu 4.1.1 Bodem 4.1.2 Lucht 4.1.3 Geur 4.1.4 Geluid 4.1.5 Externe veiligheid 4.1.6 Besluit milieueffectrapportage 4.1.7 Bedrijven en milieuzonering 4.2 Water 4.3 (volks)Gezondheid 4.4 Natuur 4.4.1 Gebiedsbescherming 4.4.2 Soortenbescherming 4.5 Cultuurhistorie 4.6 Archeologie 4.7 Landschap 4.8 Mobiliteit 4.9 Hoogspanningslijnen 4.10 Spuitzones gewasbescherming

24 24 24 24 26 28 29 31 31 33 33 36 36 38 38 39 39 40 42 42

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

3

4.11

Feitelijke belemmeringen

42

5 UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

43 43 43

6 JURIDISCHE PLANTOELICHTING 6.1 Opbouw 6.2 Herziening

44 44 44

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

4

1 1.1

INLEIDING

ACHTERGROND Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op de locatie Elde 3 te Schijndel. Op de locatie Elde 3 te Schijndel wordt momenteel een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. Voorheen betrof dat een intensieve melkveehouderij, maar sinds kort wordt dit omgezet naar een kleinschalige veehouderij, gekoppeld aan grondgebonden akkerbouwbewerking en zzp-werkzaamheden. Daarnaast ziet het beoogde gebruik op het verhuren van een deel van de schuur en zonnepanelen op de daken van de schuur te leggen. Op deze wijze wordt een toekomstbestendige inkomsten bron gecreëerd. De beoogde activiteiten passen echter niet binnen de huidige bestemmingsfunctie. De huidige bestemming betreft ‘Agrarisch met waarden – Kleinschalig landschap’ met de functieaanduiding grondgebonden veehouderij. Hiertoe is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk zodat de bestemming omgezet kan worden naar ‘Bedrijf‘ met als functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – plattelandsonderneming’. Voor het beoogde gebruik van de locatie is geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Hiertoe is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

1.2

DOEL Voorliggende onderbouwing is opgesteld om aan te tonen dat het plan passend is binnen de omgeving en niet leidt tot negatieve effecten.

1.3

PLANGEBIED Het plangebied omvat de percelen aan de Elde 3 te Schijndel. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Schijndel, sectie L, perceelnummer 89. Onderstaand is het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Meierijstad, ten westen van de kern Schijndel.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

5

Figuur 1 Ligging plangebied (bron: www.opentopo.nl)

1.4

VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Op de locatie is het bestemmingsplan “Landelijk gebied” van toepassing, vastgesteld op 27 juni 2013, hierna is het “Landelijk gebied, Herijking” vastgesteld op 24 september 2015. Verder zijn van toepassing het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’, zoals vastgesteld op 31-01-2019 ne het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')', vastgesteld op 21-07-2021. De locatie heeft de hoofdbestemming ‘Agrarisch met waarden – kleinschalig landschapswaarden’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’ alsmede ‘Waarde – Archeologie 2’, ’- Archeologie 3 en ‘– Archeologie 6’. Tot slot heeft de locatie een bouwvlak en zijn de functieaanduiding ‘grondgebonden veehouderij’ en bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ van toepassing. Onderstaand is de ligging van de locatie binnen het bestemmingsplan weergegeven.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

6

Figuur 2 Ligging binnen bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.5

LEESWIJZER In het vervolg van deze toelichting wordt eerst ingegaan op de huidige situatie in het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling (hoofdstuk 2). Vervolgens komt in hoofdstuk 3 de relatie van het plan met het algemene en specifieke rijks-, provinciale en gemeentelijk beleid voor de fysieke omgeving van het plangebied aan bod. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in alle relevante aspecten van dit project. Het te realiseren plan dient te passen binnen het betrokken gebied, waarbij gemotiveerd moet worden aangegeven hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in dat gebied. Aan de hand van een beschrijving van alle relevante aspecten (onder andere water en milieu komen aan de orde), wordt de planologische aanvaardbaarheid van het project onderbouwd. Hoofdstuk 5 bevat de uitvoerbaarheid en procedure van het plan.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

7

2 2.1

PROJECTOMSCHRIJVING

RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE STRUCTUUR De locatie is gelegen aan de Elde 3 in Schijndel. De bebouwing aan deze weg bestaat uit (agrarische) bedrijven, waarvan de bebouwing geclusterd is. In de omgeving zijn voornamelijk veehouderijen en woningen gelegen. Onderstaand is een uitsnede van de locatie binnen het bestemmingsplan weergegeven.

Figuur 3 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan, omgeving Elde 3 (rode punt)

2.2

PLANBESCHRIJVING De familie van den Heuvel exploiteert een agrarisch bedrijf aan de Elde 3 te Schijndel. Voor de locatie is op 28 augustus 1997 een vergunning verleend voor 45 melk- en kalfkoeien, 65 vrouwelijk stuks jongvee en 2 vleesvarkens. Het bedrijf wilt echter omschakelen naar kleinschalige veehouderij, gekoppeld aan grondgebonden akkerbouwbewerking en zzp-werkzaamheden. Daarnaast willen zij een gedeelte van de schuur verhuren en zonnepanelen

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

8

op de daken van de schuur leggen, om op die manier een toekomstbestendige inkomstenbron te creëren. In onderstaande afbeelding is een huidig bovenaanzicht van de inrichting weergegeven. Figuur 4 Huidig bovenaanzicht Elde 3 (bron: Pdok viewer)

Op de locatie blijft de woning geheel behouden, daarbij is aan de voorzijde in de woning ruimte voor opslag. De lange schuur aan de noodzijde achter de woning zal worden ingericht als werkplaats en een zzp-ruimte. Daarnaast is ruimte voor huisvesting van jongvee en stalling van werktuigen. Achter deze stal is een mestopslag aanwezig, deze blijft behouden. De andere schuur achter de woning, aan de zuidzijde, zal gebruikt gaan worden voor de huisvesting van vee en statische opslagruimte. Momenteel is er sprake van ruwvoeropslag aan de voorzijde van het erf, deze zal verplaatst worden. Achter de stal zullen er twee sleufsilo’s aangelegd worden. Tot slot zal de loods ten zuiden van de woning gebruikt worden ten behoeve van opslag. Op het terrein zal verder voldoende parkeergelegenheid worden gerealiseerd. Onderstaand is de beoogde indeling weergegeven. Figuur 5 Beoogde indeling erf

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

9

Om de beoogde situatie te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De bestemming zal omgezet worden naar ‘Bedrijf’, daarbij zal als functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – plattelandsonderneming’ worden opgenomen. In onderstaande afbeelding is de beoogde plankaart weergegeven. De oppervlakte van het bouwvlak neemt niet toe ten opzichte van de vigerende situatie. In de toekomst zal dit resulteren in het de onderstaande activiteiten: A. kleinschalige grondgebonden agrarische bedrijfsvoering voor 20 koeien en jongvee (en waarvoor 635 m2 aan stallen/loodsen, 20 hectare grond en sleufsilo’s in gebruik zijn), B. statisch opslag (circa 480 m2), C. ZZP-activiteiten (200 m2) Onder de ZZP-werkzaamheden vallen werkzaamheden voor het uit elkaar halen en gereedmaken/schoonmaken van betonbekistingen, zodat materialen hergebruikt kunnen worden, D. Overig, zoals werkplaats/opslag agrarische machines/voer/kantine 385 m2, en E. het plaatsen van zonnepanelen (via SDE-subsidie) op daken van de loodsen/stallen. Verder worden de sleufsilo’s aan de voorzijde van het perceel opgeruimd en verplaats naar de achterzijde van het perceel. Er vindt er een netto afname van het aantal vierkante meters aan sleufsilo’s plaats.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

10

3

BELEIDSKADER

3.1

RIJKSBELEID

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie doelen geformuleerd en per doel een aantal nationale belangen.

Voor deze nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil zij resultaten boeken op de middellange termijn (2028). De provincies dienen deze nationale belangen te verankeren in hun eigen structuurvisies. Via de provinciale belangen en de provinciale Verordening wordt het beleid vastgelegd voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid. De gemeenten zijn vervolgens gehouden om het provinciale kader te vertalen in hun eigen beleid.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt het sluitstuk van rijkszijde van het nieuwe stelsel van ruimtelijke ordening, zoals dat in 2008 met de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking is getreden. De eerste tranche, dat in januari 2010 voor advies naar de Raad van State gezonden is, bevat een beleidsneutrale omzetting van bestaand beleid. De kaders zijn afkomstig uit PKB’s, Nota Ruimte, Derde Nota Waddenzee, Structuurschema Militaire Terreinen en Project Mainportontwikkeling Rotterdam.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

11

De tweede tranche zou het meer recente rijksbeleid bevatten dat moet doorwerken tot in de ruimtelijke plannen van andere overheden. Op 30 juni 2011 zijn alle ontwerpstukken van de Barro als bijlage bij de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) gepubliceerd. Op 30 december 2011 is de Barro in werking getreden. Het Barro is ook wel bekend als de AMvB Ruimte. Op 1 oktober 2012 is de Barro uitgebreid met nieuwe projecten, zoals reserveringen voor infrastructuur. De onderwerpen geregeld in het Barro moeten op provinciaal niveau vertaald worden. Doen de provincies dat niet dan schaden zij de nationale belangen. De Barro werkt in deze hetzelfde als de provinciale verordeningen ruimte voor gemeenten. Afweging Rijksbeleid Het plangebied is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen, derhalve heeft de AMvB Ruimte geen consequenties voor het voorliggend plan.

3.2

PROVINCIAAL BELEID

3.2.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De gaat om ambities op gebied van energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. In 2050 zijn bestaande problemen in de fysieke leefomgeving opgelost. De landbouw produceert op een duurzame manier en de natuur en landschappen zijn veerkrachtig en aantrekkelijk. De bodem-, water- en luchtkwaliteit zijn weer gezond. Het plan draagt bij aan verduurzaming van de landbouw. Door toepassing van een emissiearm stalsysteem zal de uitstoot van ammoniak/stikstofdepositie verminderd worden. Daarnaast wordt de stal voorzien van energiezuinige technieken ten opzichte van de bestaande verouderde ligboxenstal. Tot slot wordt ook met betrekking tot het landschap bijgedragen aan aanpassing.

3.2.2

Structuurvisie 2010 Herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – Herziening 2014 is op 7 februari 2014 door de Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Met dit document legt de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 vast.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

12

Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De autonome ontwikkelingen in het landelijk gebied (agrarische bedrijven die stoppen versus schaalvergroting en intensivering) vragen om ontwikkelingsruimte in het landelijk gebied. De provincie wil daar meer dan voorheen ruimte aan bieden, Maar wel met aandacht voor een versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van Brabant. Daarnaast gaat de provincie in op de intrinsieke ruimtelijke kwaliteiten die Noord-Brabant heeft. Ook hieruit komen opgaven voort die om een ruimtelijke keuze op provinciaal niveau vragen. De opgaven zijn de volgende: ruimtelijke kwaliteit staat onder druk; veranderend klimaat; achteruitgang biodiversiteit; veranderend landelijk gebied; toenemende behoefte aan duurzame energie; toenemende concurrentie tussen economische regio’s; afnemende bevolkingsgroei; toenemende mobiliteit. Structurenkaart Het plangebied ligt in het kader van de Structuurvisie in het ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is.

Figuur 6 Ligging binnen structurenkaart

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

13

Gemengde plattelandseconomie In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Primair agrarisch gebied In de primair agrarische gebieden wil de provincie de ruimte voor aanwezige agrarische functie behouden, versterken en voorkomen dat menging met andere functies leidt tot aantasting van de primaire productiestructuur. In deze gebieden worden daarom geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen gepland op het gebied van verstedelijking, recreatie of natuur. Ook kleinschalige (stedelijke) functies die ten koste gaan van de ruimte voor agrarisch gebruik of die conflicteren met de landbouw worden geweerd.

De primair agrarische gebieden liggen verspreid over de hele provincie. De provincie vraagt aan gemeenten om deze gebieden vast te leggen. De vestigingsgebieden glastuinbouw beschouwt de provincie in ieder geval als primair agrarisch gebied. Ook (delen van) de voormalige landbouwontwikkelingsgebieden uit de reconstructieplannen, de doorgroeigebieden glastuinbouw, gebieden met een sterke boomteelt of vollegrondstuinbouw, richten zich vaak primair op agrarische ontwikkeling. Veehouderij De provincie wil dat iedere ontwikkeling van een veehouderij bijdraagt aan een verder verduurzaming op bedrijfs- en gebiedsniveau. Voor de sociale binding van de veehouderij met dient omgeving is het voeren van een dialoog dan ook belangrijk. Voor de ontwikkeling van een veehouderij is hiertoe de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) vastgesteld. Via dit puntensysteem bepaalt de individuele ondernemer welke maatregelen hij toepast. Bij voldoende maatregelen en certificaten is het mogelijk dat een bedrijf zich verder ontwikkeld. Het voorliggende plan past binnen de kaders van het provinciale beleid zoals dat is vastgelegd in de structuurvisie (Gemengd landelijk gebied). Het voornemen betreft een nieuwe invulling van een agrarische bedrijfslocatie. Hiermee ontstaat een nieuwe economische dragen in het gebied.

Het ontwikkeling van nieuwe economische dragers past binnen de visie van de provincie. Het beleid uit de structuurvisie is vertaald naar de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

14

3.2.3

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant (geconsolideerd op 8 december 2020). De Interim omgevingsverordening is tot stand gekomen door de verschillende regelingen op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Naar verwachting treedt de Omgevingswet op 1 januari 2023 in werking. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er alleen inhoudelijke wijzigingen zijn doorgevoerd als die rechtstreeks voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals bijvoorbeeld het diep, rond en breed kijken van de omgevingsvisie. Omdat de Interim verordening beleidsneutraal is en vooral is bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen, heeft er ook (nog) geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald thema gecontinueerd moet worden. Uitgangspunt van deze Interim omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd.

In het algemeen geldt daarbij dat de inzet van de verordening in de provincie Noord-Brabant is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor het vanuit provinciale belangen nodig is om regels in te zetten of waarvoor het vanuit de wet verplicht is om regels te stellen in de verordening. In hoofdstuk 3 zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen bij de uitvoering van hun bevoegdheden in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. Hierin staan de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte. De instructieregels uit hoofdstuk 3 gelden niet alleen voor bestemmingsplannen, maar bijvoorbeeld ook voor beheersverordeningen, omgevingsvergunningen waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken en overige uitvoeringsbesluiten. Op het projectgebied zijn de volgende structuren en aanduidingen van toepassing binnen de Verordening: Gemengd landelijk gebied – Instructieregels gemeenten: Algemene en rechtstreeks werkende regels voor veehouderijen; Bescherming Natura 2000 – Rechtstreeks werkende regels: landbouw Landelijk gebied – Rechtstreeks werkende regels: landbouw Stalderingsgebied – Rechtstreeks werkende regels: landbouw Cultuurhistorisch waardevol gebied: Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

15

Figuur 7 Uitsnede Interim Omgevingsverordening NoordBrabant

Bevordering ruimtelijke kwaliteit De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Brabant bevorderen. Niet iedereen heeft dezelfde ideeën over ruimtelijke kwaliteit. In het algemeen houdt ruimtelijke kwaliteit in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Het is aan de gemeenten om invulling te geven aan ruimtelijke kwaliteit op lokaal niveau. Ten behoeve van de ruimtelijke kwaliteit zal het huidige erf geheel worden opgeknapt. Er is reeds veel groen aanwezig, maar dit oogt nog rommelig. Door het geheel bij te werken zal het erf er net en overzichtelijk uit komen te zien. Nadere inpassing zal dan ook niet noodzakelijk zijn. Stalderingsgebied Binnen de aanduiding “Stalderingsgebied” gelden extra randvoorwaarden aan ontwikkeling van veehouderijen. Deze voorwaarden geven sturing aan het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en richten zich daarnaast op het tegengaan van leegstand. Vanwege deze extra randvoorwaarden is een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen. De stalderingseis wordt in de regels alleen gesteld aan hokdierhouderijen (een veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij).

Gezien dit initiatief niet betrekking heeft op nieuwbouw van dierenverblijven, is de stalderingseis niet van toepassing.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

16

Gemengd landelijk gebied In de Structuurvisie heeft de provincie haar visie neergelegd voor het gemengd landelijk gebied. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. De kern van de gemaakte afspraken is dat uitbreiding van veehouderijen enkel mogelijk is indien het bedrijf voldoet aan specifieke eisen op het gebied van zorgvuldigheid of duurzaamheid. Om de transitie naar zorgvuldige veehouderij in gang te zetten, hebben provinciale staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. In artikel 3.73 zijn regels opgesteld voor de vestiging van niet-agrarische functies in het Landelijk gebied: Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3.

hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Ad a. De ontwikkeling ziet toe op het vestigen van een plattelandsonderneming. De gemeente Meierijstad heeft beleid opgesteld om voor vrijkomende agrarische bedrijfslocaties in het buitengebied. Op deze locaties is ruimte voor het ontwikkelen van zogenaamde plattelandsondernemingen. Een plattelandsonderneming is een bedrijf dat al dan niet gedeeltelijk met een agrarische tak, producten of diensten aanbiedt die bijdragen aan de instandhouding en beleving van gronden of gebouwen en daarmee in ieder geval aan de gebiedskwaliteit, waarmee deze producten en diensten verduurzamend ruimtelijk of functioneel verbonden zijn. Dit zijn wat kleinschaligere ondernemingen, en zzp’ers. Als deze binnen het gebied passen, kan de gemeente een dergelijke ontwikkeling toestaan. Uit de toetsing in hoofdstuk 5 blijkt

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

17

dat de ontwikkeling passend is in de omgeving en dat de mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid. Verder leidt de ontwikkeling niet tot leegstand elders, gezien de functies die mogelijk gemaakt worden. De voorgestane ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Ad b. Er is geen sprake splitsing van het perceel. Ad c. Er is geen sprake van overtollige bebouwing. Ad d. Er is geen sprake van lawaaisport, mestbewerking of een kantoor met baliefunctie. Kwaliteitsverbetering van het landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De provincie Noord-Brabant heeft de concept Handreiking ‘Kwaliteitsverbetering van het Landschap, de rood met groen regeling’ gepubliceerd. Het doel van deze handreiking is informatie bieden om invulling te geven aan de ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening. De handreiking is een hulpmiddel om invulling te geven aan de Interim omgevingsverordening en geen verplichte regel of beleidskader. De handreiking bepaalt niet wat ruimtelijke kwaliteit is en stelt ook geen regels over de aanvaardbaarheid van ontwikkelingen.

Dat is de bevoegdheid van gemeenten, rekening houdend met de daarvoor geldende kaders. In de handreiking wordt wel aandacht gegeven aan de noodzaak van het opstellen van een kwaliteitskader voor de uitvoering van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat iedere ontwikkeling bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit gaat dus verder dan het mitigeren van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van verlies aan omgevingskwaliteit. Rood-met-groen beoogt een brede ‘groene’ doelstelling waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap in brede zin voorop staat. Deze brede toepassing heeft betrekking op zowel de ‘groene’ component als op de locatie. Hierbij geldt dat kwaliteitsverbetering niet alleen wordt bereikt met een traditionele groene inpassing. Ook sloop van bebouwing, extra aandacht voor architectuur, het verbeteren van de recreatieve ontsluiting van een gebied en het behoud of herstel van cultuurhistorische bebouwing dragen bij aan de kwaliteit van het landschap.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

18

De Gemeente Meierijstad is bezig met het opstellen van de rapportage 'Richtlijnen landschappelijke inpassing en regeling kwaliteitsverbetering Landschap Meierijstad'. De kaders uit deze rapportage zullen de afzonderlijke regelingen voor kwaliteitsverbetering van de voormalige gemeenten Schijndel, Sint-Oedenrode en Veghel gaan vervangen. De gemeente Meierijstad vindt het belangrijk dat een initiatief bijdraagt aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarmee wordt voortgeborduurd op het beleid van de provincie Noord-Brabant, die een belangrijke rol speelt bij de (her)ontwikkeling van het Brabantse buitengebied. Een belangrijk regelinstrument hiervoor is de interim omgevingsverordening. Tegelijkertijd heeft de gemeente Meierijstad recent het afwegingskader ‘Kansen voor Kwaliteit’ opgesteld om invulling te kunnen geven aan specifiek de binnen de gemeente vrijvallende Agrarische bebouwing (VAB). Nadere uitwerking van deze rapportage dient nog plaats te vinden. Het initiatief behoort tot categorie 3 en heeft een grote impact op de omgeving en het landschap.

Het initiatief valt onder de volgende ontwikkelingen: Omschakeling zonder vergroting van het bouwvlak, van agrarisch bouwvlak of Wonen-vab naar Bedrijf, Recreatie, Agrarisch gerelateerd etc; Daarom dient er naast een landschappelijke basisinpassing ook een aanvullende kwaliteitsprestatie aan het landschap te worden geven. Dit kan op de volgende manieren: 1. Fysieke bijdrage binnen het plangebied en of de directe projectomgeving, waarbij de waarde overeenkomt met 20% van de grondwaardevermeerdering; 2. Fysieke bijdrage elders binnen de gemeente mits in overeenstemming met gemeentelijke uitvoeringsprojecten op het gebied van natuur en landschap. 3. Storting van de 20% van de grondwaardevermeerdering in het ‘Fonds Omgevingskwaliteit”;

Bedrijfsgebouwen Agrarische gebouwen Bestemmingsvlak bedrijf Groen Totaal

Nieuw oppervlakte 680 1.080 6.529 2.806

Bedrag € 130,00 € 25,00 € 45,00 € 1,00

Kosten € 88.400,00 € 27.000,00 € 293.805,00 € 2.806,00 € 412.011,00

Agrarisch bouwvlak Bedrijfswoning Agrarisch Totaal:

Bestaand Oppervlakte 8.820 1.000 1.275

Bedrag Kosten € 25,00 € 220.500,00 € 140,00 € 140.000,00 € 7,00 € 8.925,00 € 369.425,00

Voor het omzetten van de agrarische bestemming naar de plattelandsonderneming treedt een waardevermeerdering op van € 42.586,-. Dit geeft een investeringsverplichting van € 8.517,20 (zie bijlage 2). Het terrein wordt landschappelijk ingepast. Met de inpassing is een investering voor aanleg en onderhoud gemoeid van € 16.564,-. Deze investering is nader toegelicht in het inpassingsplan opgenomen als bijlage 1. Met de voorgestelde maatregelen kan in de vereiste kwaliteitsbijdrage worden voldaan.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

19

Concluderend Als gesteld in de structuurvisie is het de opgave om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland, naast de opgave om rekening houdend met de draagkracht van het Brabantse landschap de transitie naar nieuwe vormen van duurzame energiewinning te realiseren. Gelet op de ligging van het perceel in het provinciale beleid is er ruimte voor onderhavige ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het plan passend is binnen de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Met betrekking tot de locatie is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Meierijstad. Op 8 april 2021 is dit verzoek positief beoordeeld en de gemeente Meierijstad wil dan ook medewerking verlenen aan het initiatief.

3.3

GEMEENTELIJK BELEID

3.3.1

Ruimte Schijndel Op 31 mei 2012 heeft de gemeenteraad de ‘Structuurvisie Ruimte Gemeente Schijndel’ vastgesteld. De volgende vier kernwaarden zijn het uitgangspunt bij de totstandkoming van deze structuurvisie: Verdieping van de Strategische visie; Behoud en versterken van bestaande kwaliteiten voor een complete gemeente; Regierol voor gemeente Schijndel; Transparantie en toegankelijkheid van ruimtelijke keuzes. De structuurvisie richt zich op de hoofdlijn van gewenste en voorstelbare ruimtelijke ontwikkelingen.

Figuur 8 Uitsnede kaart structuurvisie Schijndel (locatie zwarte cirkel)

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

20

De locatie is gelegen in het buitengebied. Voor landbouw/buitengebied zijn de volgende doelen gesteld: Ontwikkelen Landbouwontwikkelingsgebied ’t Woud; Hergebruik van Vrijkomende Agrarische Bebouwing; Ontwikkeling nevenactiviteiten in het buitengebied. De locatie voorziet in het verbreden van de activiteiten op de locatie, waarbij kleinschalige veehouderij mogelijk blijft. Hiermee is het plan passend binnen de structuurvisie waarbij de huidig aanwezige bebouwing benut blijft. Hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimte gebruik en wordt verrommeling voorkomen. Daarnaast zal aan kwaliteitsverbetering van het landschap worden voldaan. Het huidig aanwezige groen blijft behouden en de voorzijde van het erf wordt opgeruimd. De opslag van voer aan de voorzijde van het erf wordt onder andere verwijderd. 3.3.2

Kansen voor kwaliteit Om het buitengebied van de gemeente Meierijstad vitaal te houden is de gemeente aan de slag met het project ‘Vitaal Buitengebied’. De kunst is de juiste balans te vinden en te houden tussen: -

agrarische bedrijvigheid natuur en landschap recreatie en toerisme de inwoners.

Als gevolg op dit project is de Meierijstad voornemens een nieuw afwegingskader voor herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing vast te stellen, ‘Kansen voor Kwaliteit’. Het concept van dit afwegingskader dateert van januari 2020. Het doel van dit rapport is om te komen tot een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een kwaliteitsverbetering vereist is en de directe omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. De gemeente staat open voor nieuwe initiatieven, maar stelt eisen aan (het behoud en de versterking van) de omgevingskwaliteit. De gemeente wil hergebruik faciliteren, daar waar dit passend is, en sloop stimuleren. Vooruitlopend op de Omgevingswet, wil de gemeente insteken op een fundamenteel andere wijze van kijken en werken vanuit sterk wijzigende posities en rollen van het openbaar bestuur, de ambtelijke organisatie en de participerende samenleving: a. b. c. d.

van sectoraal naar integraal; van beleid naar initiatief; van inspraak naar dialoog en co-creatie; van controle naar vertrouwen;

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

21

e. van ‘nee, tenzij’, naar ‘ja, mits’ een bijdrage wordt geleverd aan de kernkwaliteiten van het (buiten)gebied Deze aanpak vraagt om een omkering van de traditionele planningspraktijk en het lef om los durven te laten. De gemeente Meierijstad kiest er daarom voor om de kwantitatieve normen (afgezien van wettelijke verplichtingen), zoals opgenomen in de nu vigerende bestemmingsplannen los te laten en maatwerk toe te passen. Geen enkele vrijkomende locatie is namelijk vergelijkbaar. Met het loslaten van de kwantitatieve normen wordt aangesloten op het provinciaal beleid. De omgeving van de planlocatie is leidend voor de beoordeling van het initiatief. Een initiatief mag geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Daarnaast vindt de gemeente het van groot belang dat er wordt voorzien in een kwaliteitsimpuls. Dit betreft een handeling met als effect de verbetering van de kwaliteit. Als basis dient te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Als aanvullende kwaliteitsprestaties kan gedacht worden aan het slopen van overtollige bebouwing, het wegnemen van verharding of het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land.

Ook de toepassing van hoogwaardige stedenbouw/vernieuwende architectuur en extra inspanningen ten aanzien van klimaatadaptatie en/of duurzaamheid zijn voorbeelden van aanvullende kwaliteitsprestaties. Verder wil de gemeente met dit beleid flexibele bestemmingen mogelijk maken. Een van de experimenten die gemeente Meierijstad wil doorvoeren betreft het opnemen van een flexibele bestemming, welke passend is bij de gewenste activiteiten. Steeds vaker zie je dat bij invulling aan vrijkomende agrarische bebouwing verschillende nevenactiviteiten worden uitgevoerd, bijvoorbeeld naast een woonfunctie. In de huidige plansystematiek met de bestaande bestemmingen zijn daarvoor nog geen passende bestemmingen voor. De gemeente Meierijstad zal de komende tijd inventariseren welke mogelijkheden er zijn om over te gaan tot een flexibele bestemming. Deze aanpak sluit ook aan op de visie van de provincie Noord-Brabant welke is beschreven in de notitie ‘Brabantse aanpak leegstand’. Een voorbeeld van een flexibele bestemming kan bijvoorbeeld zijn een ‘plattelandsonderneming’ of ‘plattelandsbedrijf’.

Een plattelandsonderneming is een bedrijf dat al dan niet gedeeltelijk met een agrarische tak, producten of diensten aanbiedt die bijdragen aan de instandhouding en beleving van gronden of gebouwen en daarmee in ieder geval aan de gebiedskwaliteit, waarmee deze producten en diensten verduurzamend ruimtelijk of functioneel verbonden zijn. Toets In het bestemmingsplan zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor realisatie van andere dan agrarische bedrijfsfuncties. Dit plan voorzien in een zogenaamde plattelandsonderneming. Een dergelijke mogelijkheid is nog

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

22

niet opgenomen in het bestemmingsplan. Met het plan wordt het agrarische bedrijf op de locatie verkleind. Daarnaast worden twee activiteiten toegevoegd, te weten statische opslag en werkzaamheden als zzp’er. Met deze ontwikkeling wordt een nieuwe invulling gegeven aan agrarische bedrijfslocatie, wat als een gewenste ontwikkeling wordt gezien in het beleid. Als tegenprestatie wordt er geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit op en rondom het bedrijf. Dit in aanvullende landschappelijke inpassing van het terrein maar ook verplaatsing van en verkleining van het oppervlakte aan sleufsilo. Hiermee wordt aan het beleid voldaan. 3.3.3

Bestemmingsplan De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Landelijk gebied, Herijking”. Dit bestemmingsplan is op 24 september 2015 vastgesteld. Verder zijn van toepassing het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’, zoals vastgesteld op 31-01-2019 ne het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')', vastgesteld op 21-07-2021. De locatie heeft de hoofdbestemming ‘Agrarisch met waarden – kleinschalig landschapswaarden’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle elementen’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle ensembles’, ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebieden’ en ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen’. Tot slot heeft de locatie een bouwvlak en zijn de functieaanduiding ‘grondgebonden veehouderij’ en bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ van toepassing. Onderstaand is de ligging van de locatie binnen het bestemmingsplan weergegeven.

Figuur 9 Ligging binnen bestemmingsplan (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen het bestemmingsplan is geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de wijziging van de bestemming. Dit maakt een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

23

4 4.1

OMGEVINGSASPECTEN

MILIEU In deze paragraaf wordt ingegaan op de relevante milieuaspecten en bekeken in hoeverre er sprake is van belemmeringen voor de voortgang van het plan. De nieuwe functies, zijnde statische opslag en werkzaamheden als zzp’er zijn activiteiten welke vallen onder milieucategorie zoals op genomen in bedrijven en milieuzonering van Vereniging Nederlandse Gemeenten.

4.1.1

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. Een bodemonderzoek kan noodzakelijk zijn om te bepalen of de grond voldoende geschikt is voor het beoogde gebruik. Voor zover bekend hebben er op de locatie geen bodem verontreinigende activiteiten plaats gevonden. Er is geen aanleiding dat er een vermoeden bestaat van een mogelijk geval van bodemverontreiniging op de locatie. Daarnaast voorzien de nieuwe functies niet in nieuwbouw van bebouwing en langdurige verblijfplaatsen voor mensen. Een bodemonderzoek ter plaatse is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect bodem is geen belemmering voor de voorgenomen wijziging.

4.1.2

Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

24

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een plan niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Voor veehouderijbedrijven kan getoetst worden aan grenswaarden tot een te toetsen object. Tabel 1: Bron: ECN. Getallen op basis van berekening Stacks, versie 2008

Afstand tot te toetsen plaats Totale emissie gr/jr van uitbreiding/oprichting

70 m 324000

80 m 38700

90 m 473000

100 m 581000

120 m 817000

140 m 1075000

160 m 1376000

Met het voorgenomen initiatief vindt een wijziging plaats in de emissie van fijnstof. Gezien in de beoogde situatie nog wel op kleine schaal vee gehouden kan worden, is ter indicatie een aantal stuks rundvee aangehouden. Ten opzichte van de vigerende situatie blijft echter sprake van een afname in fijnstofemissie. Tabel 2: Fijn stof emissie vigerende situatie o.b.v. vergunning 1997

Diercategorie Melkkoeien Jongvee Vleesvarkens

RAV-Code A1.100 A3.100 D3.100

Aantal 45 65 2

Fijn stof 148 38 153 Totaal

Totaal gram 6.660 2.470 306 9.436

Aantal 20 10

Fijn stof 86 38 Totaal

Totaal 1.720 380 2.100

Tabel 3: Fijn stof emissie beoogde situatie

Diercategorie Zoogkoeien Jongvee

RAV-Code A2.100 A3.100

Blijkens de regeling ‘niet in betekende mate’ is er geen onderzoek nodig als de grenswaarde uit tabel 1 niet worden overschreden. Het meest dichtbij gelegen gevoelig object betreft de woning aan de Elde 2 te Schijndel deze woning licht op ca. 52 meter afstand van de grens van de inrichting. Gezien de totale emissie van het bedrijf ruim onder de grens van 240.000 gr/jr. ligt, valt hiermee het bedrijf onder de NIBM grens. De overige toekomstige gebruiksfuncties leiden niet direct tot emissie van fijnstof, maar gaan wel gepaard met verkeersbewegingen. Echter leidt het

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

25

plan niet tot een toename van verkeersbewegingen. Gezien de huidige veehouderijtak aanzienlijk inkrimpt, zal dit leiden tot een afname in verkeersbewegingen. De nieuwe gebruiksfuncties leiden qua verkeer niet tot meer bewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Het invullen van de NIBM tool is dan ook niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het project NIBM bijdraagt. Het aspect fijnstof is geen belemmering voor de voorgenomen wijziging. 4.1.3

Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteiten besluit milieubeheer vormen het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. In artikel 4 en 5 van de Wet geurhinder en veehouderij zijn afstanden opgenomen waar een veehouderij zich aan dient te voldoen. Het gaat hier om veehouderijen waren dieren gehuisvest worden zonder geuremissiefactor. Gezien de planlocatie buiten de bebouwde kom is gelegen, zijn de volgende afstanden van toepassing: De afstand tussen een veehouderij (het emissiepunt) en een geurgevoelig object dient minimaal 50 meter te bedragen; De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object dient minimaal 25 meter te bedragen. Voor het kleinschalig houden van vee dient aan de bovenstaande afstanden te worden voldaan. Dit wijkt niet af van de vigerende situatie van het bedrijf. Indien sprake zal zijn van het houden van dieren met een geuremissie zal tevens een berekening voor geurbelasting uitgevoerd moeten worden. Mocht in de toekomst sprake zijn van het houden van dieren met een geuremissie, dient ter zijne tijd het aspect geur getoetst te worden, waarbij een berekening V-Stacks noodzakelijk zal zijn. De dichtstbij gelegen woningen betreffen de Elde 2, Elde 4 en Elde 8. De afstand vanaf de dierverblijven tot de woning Elde 2 is ca. 46 meter, Elde 4 is ca.

50 meter en Elde 8 is 120 meter. Voor de woning Elde 4 geldt wordt voldaan aan de minimale afstand tot de buitenzijde van een dierverblijf wordt voldaan met 44 meter. Op dit punt bevindt zich geen emissiepunt. Het emissiepunt is gelegen op een afstand van circa 52 meter tot de woning. Geconcludeerd kan worden de voldaan wordt aan de minimale afstandseisen, er zijn geen gevels binnen de 25 meter gelegen, en geen emissiepunten binnen de 50 meter. Het aspect geur is daarmee geen belemmering met betrekking tot het kleinschalig houden van dieren. Daarbij geldt dat de omliggende woningen niet zondermeer verplaatst kunnen worden. Dit kan uitsluiten met een afwijking van het bestemmingsplan, waarbij bij herbouw sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Als de woningen dichterbij komen is daar geen sprake van. Er vinden geen wijzigingen plaats met betrekking tot (de ligging van) geurgevoelige objecten. Daarom worden naburige veehouders niet benadeeld door het plan.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

26

Figuur 10 Afstand dierenverblijven t.o.v. geurgevoelig object 44 m 52 m

120 m 54 m

Op het bedrijf blijft sprake van een kleinschalig bedrijf waar vee wordt gehouden. Hiermee blijft de woning aan te merken als een geur gevoelig object bij een veehouderij. Hiermee is moet voldaan worden aan volgende vaste afstanden ten opzichte van omliggende veehouderijen,: De afstand tussen een veehouderij (het emissiepunt) en een geurgevoelig object dient minimaal 50 meter te bedragen; De afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object dient minimaal 25 meter te bedragen. Binnen de afstand van 25 meter zijn geen dierenverblijven gelegen. Op de locatie Elde 4 zit geen vergunning meer voor het houden van dieren. De dierenverblijven op de locatie Elde 4 zijn gelegen op 55 meter van de bestaande woning Elde 3. Hiermee is ter plaatse van de woning sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

27

Figuur 11 Afstand t.o.v. geurgevoelig object

4.1.4

Geluid De beoogde situatie zal niet leiden tot negatieve effecten met betrekking tot geluid. Het bestaande agrarische bedrijf neemt in opvang en de oppervlakte is gelimiteerd. In de toekomstige situatie worden niet langen melkkoeien op de locatie gehouden. Het transport van melk komt hiermee te vervallen. De werkzaamheden die niet agrarisch zijn en welke op de locatie verricht worden zijn kleinschalig. Dit betreft ten eerste zzp-werkzaamheden. De Verder is de ruimte die voor de werkzaamheden beperkt tot een oppervlakte van 200 m2. De toegestane statische opslag krijgt een omvang van 480 m2. Deze zijn beperkt tot werkzaamheden in de milieucategorie 2.Deze werkzaamheden hebben een richtafstand van 30 meter. De werkzaamheden worden uitsluitend in de dagperiode uitgevoerd (tussen 07.00 en 19.00). In de avond- en nachtperiode zijn geen activiteiten voorzien, zeker niet ten behoeve van de niet-agrarische activiteiten. Verder vinden alle niet-agrarische activiteiten inpandig plaats. De uitstaling naar de omgeving wordt hiermee beperkt. Ook liggen zowel de statische opslag als zzp-werkzaameheden plaats op meer dan 30 meter van de omliggende geluidsgevoelige objecten. Verder geldt dat er geen mogelijkheid is om de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen te vergroten. Tot slot zijn geluidsgevoelige objecten op voldoende afstand gelegen, minimaal 30 meter.

Een overschrijding van de geluidsnormen is dan ook niet aannemelijk. De omliggende woningen kunnen niet zondermeer verplaatst worden. Dit kan uitsluiten met een afwijking van het bestemmingsplan, waarbij bij herbouw sprake moet zijn van een goed woon- en leefklimaat. Als de woningen dichterbij komen is daar geen sprake van.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

28

4.1.5

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.

Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag(veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

29

Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Figuur 12 Wanneer verantwoorden?

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Toetsing aan beleid Inventarisatie risicobronnen Buisleidingen: Aardgasleiding Gasunie Op +/- 1.260 meter ten zuidoosten van het plangebied en 2.050 meter ten westen loopt een buisleiding waarin aardgas wordt getransporteerd. Deze buisleiding heeft een invloedsgebied van 70 meter. Het plangebied valt hier buiten. Onderstaand is de inrichting aan de Elde 3 te Schijndel binnen de risicokaart weergegeven.

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

30

Figuur 13 Uitsnede risicokaart Nederland (planlocatie rode ruit)

4.1.6

Besluit milieueffectrapportage Voor alle activiteiten genoemd in kolom 1 van bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. De voorgenomen planvorming heeft echter geen betrekking op de genoemde activiteiten in kolom D. Er is wel sprake van het houden van vee, maar dit wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is enkel sprake van een verkleining van de veehouderijtak (kleinschalig). Dit maakt dat er geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

4.1.7

Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten van bestaande en toekomstige bedrijvigheid om zodoende kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Doormiddel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs)woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang e.d. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009), die voor het eerst in 1986 verscheen en daarna een aantal malen is geactualiseerd, is een omvangrijke lijst van bedrijven opgenomen, waarin per bedrijf voor een aantal

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

31

aspecten de mate van ruimtelijk relevante hinderlijkheid is weergegeven. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandstap worden verlaagd zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Navolgend wordt voor de aspecten geur, stof, geluid en externe veiligheid aangegeven wat de richtafstanden bedragen. Deze worden getoetst aan de dichtst bijgelegen woningen Elde 2 en Elde 4 te Schijndel. De afstand tussen de bouwvlakken onderling betreft circa 18 meter. De afstand bij de toetsing betreft de afstand vanaf de woningen aan de Elde 2 en 4 tot de functietoebedeling van de inrichting aan de Elde 3 te Schijndel. Hieruit blijkt dat voor alle aspecten aan de richtafstand wordt voldaan.

Enkel de afstand met betrekking tot geur bij het houden van rundvee is kleiner dan 100 meter. Echter blijkt uit de toetsing in paragraaf 4.1.3 voor geur dat de benodigde afstand van minimaal 50 meter wel wordt behaald. Tabel 4: Overzicht afstanden Richtafstand Activiteiten geur Fokken en houden van 100 meter rundvee Statische opslag (verhuur 0 meter opslagruimte) ZZP ruimte (bouwbedrijf, 0 meter werkplaats)

Richtafstand stof

Richtafstand geluid

Richtafstand externe veiligheid

Afstand woning Elde 2

Afstand tot woning Elde 4.

30 meter

30 meter

0 meter

50 meter

54 meter

0 meter

30 meter

10 meter

58 meter

51 meter

10 meter

30 meter

10 meter

31 meter

85 meter

Figuur 14 Afstanden tot de verschillende bedrijfsonderdelen, Elde 2 en 4 te Schijndel

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

32

4.2

WATER Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Vanwege dit belang moeten bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Het doel van onderhavige paragraaf is een toelichting te geven op de waterhuishoudkundige aspecten van het plan en de benodigde informatie aan te leveren met betrekking tot de toekomstige berging en afvoer van hemelwater. De waterhuishouding van de inrichting zal niet wijzigen. Er is geen sprake van een toename in verharding. Dit maakt dat watercompensatie niet noodzakelijk is, er zal geen sprake zijn van versnelde afvoer van hemelwater. Het hemelwater wordt zoals in de huidige situatie opgevangen en zal infiltreren in de grond. Verder is er geen sprake van demping van oppervlaktewaterlichaam.

Figuur 15 Uitsnede legger Waterschap Aa en Maas.

4.3

(VOLKS)GEZONDHEID Een aspect dat de laatste jaren vaak aan bod komt is de volksgezondheid. Officieel is hier nog geen toetsingskader voor. Wel kunnen veehouderijen maatregelen nemen om risico’s voor de volksgezondheid zoveel mogelijk te beperken. In onderhavige situatie komt de mogelijkheid voor het voeren van een volwaardige veehouderij te vervallen. Er zal enkel nog sprake zijn van het kleinschalig houden van dieren. Wel wordt rekening gehouden met het volgende: Zodra er geconstateerd wordt dat een dier ziek is, zal deze direct apart gehuisvest worden, zodat het contact met het overige vee voorkomen wordt. Hierdoor wordt de verspreiding van een ziekte voorkomen. Daarnaast zullen de zieke en zwakke dieren op stro gehuisvest worden, zodat deze dieren een comfortabele huisvesting hebben met veel rust en geen

‘Buitengebied Schijndel, herziening Elde 3’

33

rekening hoeven te houden met divers hekwerk in de stal. Dit draagt bij aan een snellere verbetering van de gezondheid van het dier. De droge koeien zullen ook in een strohok gehuisvest worden. De dieren dienen voor het afkalven over een ruim strobed te beschikken met veel rust. Daarnaast is het belangrijk dat het dier afkalft in een zo schoon mogelijke omgeving. Een groot strohok zal hier een grote bijdrage aan leveren. Ook wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van antibiotica, dit om resistentie te voorkomen. Daarnaast vindt er dagelijks een controle plaats aangaande de gezondheid van het vee, dit gebeurt tijdens een controle ronde door de stal en ook tijdens het melken. Ook vindt er regelmatig een bezoek plaats van de veearts. Op deze wijze kan het zieke vee in een vroeg stadium behandeld worden en wordt eventuele verspreiding voorkomen. Onderstaand zijn de hoofdzakelijke aspecten weergegeven, ten behoeve van een goede diergezondheid binnen de inrichting: Zo min mogelijk gebruik antibiotica; Dagelijkse controle; Regelmatig bezoek veearts; Vroegtijdig behandelen van zwakke/zieke dieren; Comfortabele huisvesting; Hygiëne. Geconcludeerd kan worden dat initiatiefnemer voldoende maatregelen neemt om de gezondheid van het vee te waarborgen en verspreiding van dierziekten zoveel mogelijk te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=64eb177e-55e8-4cf0-9605-e5e82c389572