CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting BP Boerdonksedijk 17

Raadsvergadering 29 juni 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17'14.492 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Gezien de beperkte omvang van de emissies en de afstand, mag in deze specifieke situatie worden aangenomen dat significant negatieve effecten door stikstofdepositie op voorhand zijn uit te sluiten.

Figuur 6.1: Uitsnede kaartbeeld Natura2000 gebieden met aanduiding locatie Boerdonksedijk 17 (bron: provincie NoordBrabant)

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

23

In de planregels is daarbij expliciet bepaald dat het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of opstallen, waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie (mol/ha/jaar) strijdig gebruik betreft. Dit is verankerd in de gebruiksbepaling stikstofdepositie (artikel 4.4.4). Voor de beoogde situatie is een Aeriusberekening gemaakt, zie bijlage 3 bij de toelichting. In de berekening is uitgegaan van de volgende uitgangspunten:  Er is geen referentiesituatie, in die zin dat de huidige depositie 0,0 mol/ha/jr bedraagt. De vergunning voor de veehouderij is namelijk reeds ingetrokken.  In de berekening is rekening gehouden met de werktuigen die gebruikt worden voor de beoogde functie. Binnen het agrarisch verwant bedrijf zijn verschillende mobiele werktuigen in gebruik (o.a. tractor, loader, verreiker, heftruck en mobiele kraan). De emissies van mobiele werktuigen zijn afhankelijk van de emissienormen die van toepassing zijn op het desbetreffende mobiele werktuig (stageklassen). Van de mobiele werktuigen kan niet altijd op voorhand worden achterhaald welke stageklasse op het werktuig van toepassing is (er komen werktuigen van buiten de inrichting en werktuigen worden tussentijds vervangen door nieuwe).

Omdat niet van alle mobiele werktuigen op voorhand kan worden achterhaald welke stageklassen van toepassing zijn, is in AERIUS een worst case aanname gedaan met het bouwjaar 2004. Het dieselverbruik wordt naar schatting op circa 1.500 liter per mobiel werktuig ingeschat. Het aantal draaiuren is berekend door middel van de methode die beschreven staat in paragraaf 8.4 van ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2021’:

Er wordt niet gebouwd. Er is sprake van een functiewijziging. De nieuwe functie vindt plaats binnen de bestaande bebouwing.

Uit deze berekening blijkt dat het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. De conclusie is dan ook dat er sprake is van een uitvoerbaar plan. Dit betekent dat een passende beoordeling (en MER-plicht) en een vergunningplicht Wet natuurbescherming N2000 niet aan de orde is. Overige beschermde gebieden Op zo’n 300 meter ten oosten van het plangebied zijn gronden aangewezen als Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het betreft een bosgebied dat doorloopt richting de Gemertsedijk. Voorliggend plan voorziet in een wijziging van de planologisch-juridische regeling, waardoor exploitatie van een (intensieve) veehouderij ter plaatse niet meer is toegestaan. Deze ontwikkeling zorgt er voor dat de negatieve effecten van de veehouderij op de omliggende natuur verdwijnen. In de nieuwe situatie is sprake van bedrijfsactiviteiten die inpandig, in reeds bestaande bedrijfsgebouwen, worden uitgevoerd. Aannemelijk is, dat gezien de aard en omvang en de afstand, significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB op voorhand zijn uit te sluiten. Een ‘nee, tenzij’-toets of ‘ja, mits’-toets met een eventuele compensatieplicht, zijn niet aan de orde.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

24

Figuur 6.2: Uitsnede kaartbeeld Natuurnetwerk Brabant met aanduiding locatie Boerdonksedijk 17 (bron: provincie NoordBrabant)

Houtopstanden Met betrekking tot bomenkap kunnen drie beschermingsregimes aan de orde zijn. De Wet natuurbescherming onderdeel houtopstanden, de Gemeentelijke kapverordening (APV Houtopstanden) en/of omgevingsvergunningplicht werken en werkzaamheden op grond van het bestemmingsplan voor het rooien van vegetatie/houtgewas. Door het planologisch vastleggen van de te realiseren en te behouden beplanting middels de bestemming ‘Groen’ en het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan, zijn de realisatie en het behoud van de beplanting voor de toekomst gegarandeerd. Toetsing aan de genoemde beschermingsregimes is daarmee niet aan de orde. Aantasting of het verdwijnen van anderszins planologisch beschermde natuur is eveneens niet aan de orde, gezien het geldende bestemmingsplan en de aard van het voornemen. Voor het overige zijn geen natuurbeschermingsregimes relevant. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Bij het initiatief is geen sprake van het oprichten van nieuwe gebouwen. Wel worden enkele bouwwerken gesloopt.

Het betreft een mestsilo en sleufsilo/voerplaat. Gezien hun verschijningsvorm en gebruik kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat in of op deze bouwwerken planten- of diersoorten voorkomen die wettelijk beschermd zijn. Binnen het plangebied is ook met de agrarische bedrijfsvoering altijd sprake geweest van een bepaalde mate van menselijke activiteiten op het terrein. Diersoorten die hierdoor niet gehinderd worden, kunnen zowel in de huidige als toekomstige situatie op het perceel voorkomen. De beoogde bedrijfsvoering zorgt niet voor beperkingen of belemmeringen. Voor plantensoorten geldt dat deze op het bouwvlak zoveel mogelijk door mensen gereguleerd worden. Met het plan is geen sprake van significante ruimtelijke wijzigingen, die een negatieve invloed hebben op het leefgebied van planten- en diersoorten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect natuur geen belemmeringen zijn voor de herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

25

7

Water

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas. De uitgangspunten die worden gehanteerd bij het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Oppervlaktewater Binnen of direct rond het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Langs het doorgaande traject van de Boerdonksedijk loopt een primaire watergang, die ten westen van het plangebied in westelijke richting aftakt. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op deze watergang of overig oppervlaktewater in de omgeving.

Figuur 7.1: Uitsnede kaartbeeld Legger Oppervlaktewater met aanduiding locatie Boerdonksedijk 17 (bron: Waterschap Aa en Maas)

Hemelwater Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, 500 m2 - 10.000 m2 en meer dan 10.000 m 2. Op basis van artikel 15 van de ‘Algemene regels Keur waterschap Aa en Maas 2015’ en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m2. Er geldt dus een vrijstelling van het verbod, zoals bedoeld in artikel 3.6 van de ‘Keur waterschap Aa en Maas 2015’ (en de Eerste partiële herziening, 1 januari 2019), voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam. Het hemelwater, afkomstig van het (toegenomen) verhard oppervlak, mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Op vrijwillige basis is de aanleg van een infiltratievoorziening toegestaan, mits daarbij in voldoende mate met de omgeving rekening gehouden wordt en geen wateroverlast op eigen terrein of bij derden ontstaat. Het plan betreft de herbestemming van een agrarische bedrijfslocatie tot agrarisch verwante bedrijfslocatie.

Er is sprake van een afname van het verhard oppervlak, doordat bouwwerken die in het verleden werden gebruikt voor de veehouderij worden gesloopt. Voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van de bestaande bebouwing. Er wordt geen bebouwing of verharding toegevoegd. Het bestemmingsplan betreft dan ook een waterneutraal plan.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

26

Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater wordt in de huidige en toekomstige situatie afgewenteld op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Dit geldt ook voor het afvalwater van de bedrijfsactiviteiten. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

27

8

Fysieke belemmeringen

8.1

Kabels en leidingen

In het geldende bestemmingsplan en de risicokaart zijn in de omgeving van het plangebied geen kabels of (buis)leidingen opgenomen, die invloed hebben op het aspect externe veiligheid of die beperkingen stellen aan bouw- en gebruiksmogelijkheden. Uit de Netkaart blijkt dat het plangebied niet binnen of nabij de indicatieve zones van hoogspanningsleidingen ligt. Hoogspanningsleidingen vormen geen belemmering voor het plan. De herbestemming van Boerdonksedijk 17 wordt dan ook niet belemmerd door het aspect ‘kabels en leidingen’.

8.2

Radarverstoringsgebied

Het plangebied ligt binnen de aanduiding ‘vrijwaringszone - radar’, waarmee de hoogtebeperking die hoort bij het radarverstoringsgebied wordt geborgd. Radarsystemen dienen ‘vrij zicht’ te hebben om goed te kunnen functioneren. Objecten binnen een straal van 27,8 kilometer gemeten vanaf de positie van de radar kunnen resulteren in een verstoring van het radarbeeld. Binnen dit gebied mogen dan ook geen objecten worden geplaatst (gebouwd) met een hoogte van meer dan 45 meter ten opzichte van de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de radar. In de regels en op de verbeelding is derhalve een vrijwaringszone opgenomen. De ontwikkeling heeft geen betrekking op de bouw van nieuwe bebouwing hoger dan 45 meter en vormt dan ook geen belemmering.

8.3

Spuitzones gewasbescherming

Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet het aspect spuitzones gewasbeschermingsmiddelen worden beoordeeld. In dit kader dient beoordeeld te worden of wegens het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een veilige afstand aangehouden wordt of moet worden tussen percelen met een gevoelige functie (zoals wonen) en percelen waarop de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarbij speelt het belang van omwonenden vanwege gezondheidsrisico’s een rol. Direct aansluitend aan het plangebied zijn zowel grasland als akkerbouwland gelegen. De gronden zijn allemaal in eigendom van initiatiefnemer. De voorgenomen bestemmingswijziging voorziet niet in toevoeging van gevoelige functies. De bestaande bedrijfswoning blijft als zodanig in gebruik. De bestemmingswijziging wordt niet beïnvloed of beperkt door het aspect ‘spuitzones’.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

28

9

Milieuhygiënische verantwoording

9.1

Inleiding

Bij de toekenning van een nieuwe functie aan een bepaald gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke milieu-effecten op de omgeving en milieu-effecten vanuit de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten zoals bedrijven en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, bodem, geur en externe veiligheid wordt in de volgende paragrafen beschreven.

9.2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Algemeen In de Wet milieubeheer is aangeven dat voor bepaalde ontwikkelingen een milieueffectrapportage moet worden gemaakt. In de wet is de procedure beschreven en zijn de inhoudelijke eisen opgenomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘m.e.r.-plichtige activiteiten’, waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en ‘m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten’, waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor het milieu. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het ruimtelijk plan of de omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig zijn. In het Besluit m.e.r. zijn voor deze activiteiten drempelwaarden opgenomen. Daarnaast zijn er ruimtelijke ontwikkelingen die onder de drempelwaarden blijven. Voor dit soort situaties moet een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' worden gemaakt. Deze toets is weliswaar 'vormvrij'; de wet stelt echter wel eisen aan de inhoud. In de praktijk betekent dat in de toelichting bij het ruimtelijk plan een paragraaf 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt opgenomen. Beoordeling In dit geval is het voorliggend bestemmingsplan het kaderstellend plan. Het plan ziet op de wijziging naar een agrarisch verwant bedrijf, gericht op de productie van teeltaarde.

Deze activiteit komt niet als zodanig voor in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage. Het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk.

9.3

Bodem

In een bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). De veehouderij op de locatie Boerdonksedijk 17 wordt beëindigd. In de nieuwe situatie worden vanaf de locatie een agrarisch verwant bedrijf met akkerbouwtak geëxploiteerd. Een deel van de gronden van het bouwvlak wordt in gebruik genomen als agrarische productiegrond. De toekomstige bedrijfsactiviteiten vinden plaats in de bestaande bedrijfsgebouwen. De verblijfsduur op de locatie en in de bedrijfsgebouwen wijzigt niet wezenlijk ten opzichte van het gebruik ten dienste van de agrarische functie. Ook de situatie van de bedrijfswoning en aangrenzende gronden wijzigt niet. Er is dan ook geen noodzaak tot het uitvoeren van een bodemonderzoek.

9.4

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

29

Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. In dit geval is geen sprake van een nieuw geluidgevoelig object. De bedrijfswoning blijft immers als zodanig in gebruik en het agrarisch verwant bedrijf is niet geluidgevoelig op grond van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Industrielawaai Uit hoofdstuk 10 blijkt dat de nieuwe bedrijfsactiviteiten op voldoende afstand van geluidgevoelige functies zijn gelegen. Tevens worden in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het aspect industrielawaai legt dan ook geen beperkingen op aan de ontwikkeling. Goede ruimtelijke ordening Vanuit het ruimtelijk spoor geldt daarnaast dat er sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. Nu er sprake is van een ruime afstand tussen het plangebied en gevoelige functies en er in het plangebied geen nieuwe geluidgevoelige functies worden gerealiseerd kan ervan uit worden gegaan dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van geluid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17.

9.5

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:  Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.  Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.  Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.  Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen. ‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.

De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:  Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM.  Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBMgrens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBM-project en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

30

Het plan betreft de omzetting van een agrarisch bedrijf naar een agrarisch verwant bedrijf. In zowel de huidige als de nieuwe situatie is sprake van één bedrijfswoning. De nieuwe, agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten zorgen voor een beperkt aantal verkeersbewegingen. Het gaat om maximaal enkele vrachtwagens per week, beduidend minder dan het aantal verkeersbewegingen ten dienste van de voormalige rundveehouderij. Bovendien is binnen de nieuwe bestemming het oprichten van een veehouderij niet (meer) mogelijk. Het plan kan dan ook als ‘Niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en zal leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit ten gevolge van de ontwikkeling is niet nodig. Voor de toetsing van de achtergrondconcentratie, endotoxinen en daarmee verband houdend gezondheid geldt dat geen sprake is van realisatie van een nieuwe gevoelige functie. De bedrijfswoning blijft gehandhaafd en het agrarisch verwant bedrijf vormt geen nieuwe gevoelige functie. Met de beëindiging van de (intensieve) veehouderij wordt een positieve bijdrage geleverd aan de aspecten achtergrondconcentratie, endotoxinen en gezondheid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17.

9.6

Geur

De Wet geurhinder en veehouderijen (Wgv), in werking getreden op 1 januari 2007, schept het beoordelingskader voor geurhinder als gevolg van tot veehouderij behorende dierenverblijven. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Nederland is opgesplitst in concentratie- en niet-concentratie gebieden. In deze gebieden wordt weer onderscheid gemaakt tussen objecten die liggen binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. In diercategorieën wordt onderscheid gemaakt tussen dieren waarvoor vaste afstanden gelden (ongeacht aantal en stalsysteem) en dieren met emissiefactoren, waarvoor de geurcontour berekend dient te worden. Bij geur wordt gekeken naar voorgrond- en achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting betreft de geurinvloed van één bedrijf. Bij de achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie samen genomen. De locatie Boerdonksedijk 17 ligt in een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Op het bedrijf werd bedrijfsmatig vee gehouden (rundvee, planologisch-juridisch intensieve veehouderij toegestaan). Voorliggend bestemmingsplan ziet op de beëindiging van de (intensieve) veehouderij aan de Boerdonksedijk 17. De geuruitstoot van het bedrijf verdwijnt hiermee.

De producten die op het bedrijf worden aangevoerd (houtsnippers met schimmelsporen) hebben een hoog droge stof gehalte (65-70%) en bevatten geen stikstof. Hetzelfde geldt voor de ‘bijproducten’ waarmee gemengd wordt. Sporadisch worden (eveneens droge) meststoffen bijgemengd, maar dit betreffen gesteentemelen die geen stikstof bevatten. De nieuwe bedrijfsactiviteiten veroorzaken dus geen geuremissie. Deze locatie levert dan ook geen bijdrage meer aan de gecumuleerde geurbelasting (achtergrondconcentratie) in het gebied. De voorgrondbelasting vervalt eveneens. Met de planwijziging wordt in het plangebied geen nieuwe geurgevoelige functie mogelijk gemaakt. De bedrijfsgebouwen van het agrarisch verwant bedrijf zijn immers geen gebouwen die permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of verblijf. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat door de beëindiging van de (intensieve) veehouderij Boerdonksedijk 17 de geurbelasting in het gebied afneemt, hetgeen het woon- en leefklimaat ten goede komt. Het plan gaat niet uit van nieuwe geurgevoelige functies. Het aspect geur vormt dan ook geen belemmering voor de herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

31

9.7

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege:  het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);  het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen);  het gebruik van luchthavens;  het gebruik van windturbines. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan.

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Uit de risicokaart en het geldende bestemmingsplan blijkt dat op bijna 900 meter het dichtstbijzijnde object met risicocontour gelegen is. Het betreft een bovengrondse tank bij een agrarisch bedrijf. Voor deze tank geldt een risicocontour van 20 meter. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour van deze inrichting.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

32

Voor het overige zijn in de omgeving van het plangebied geen leidingen, verkeerstrajecten of andere inrichtingen aanwezig, die een invloed hebben op het aspect externe veiligheid. Daarbij kan voor de volledigheid nog worden opgemerkt dat in de te hergebruiken bedrijfsgebouwen ten behoeve van hun oorspronkelijke agrarische functie ook regelmatig personen aanwezig waren. Er is dan ook geen sprake van een toename van het aantal personen binnen een risicocontour.

Figuur 4.7.1: Uitsnede Risicokaart met aanduiding locatie Boerdonksedijk 17 (bron: Risicokaart.nl)

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor de herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17.

9.8

Duurzaamheid

Het plan voorziet in de herbestemming van een bestaande intensieve veehouderij locatie naar een locatie met een agrarisch verwant bedrijf en akkerbouwtak. Als gevolg van deze herbestemming is het niet meer mogelijk dat een (intensieve) veehouderij zich vestigt op de locatie, waarmee negatieve milieueffecten vanuit deze bedrijvigheid voor de toekomst uitgesloten zijn. Ten behoeve van de agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten worden bestaande bedrijfsgebouwen hergebruikt en is geen sprake van nieuwbouw. In onbruik rakende bouwwerken op het perceel worden afgebroken. Het hergebruik van bestaande bebouwing past binnen de duurzaamheidsdoelstellingen om verspilling tegen te gaan en geschikte panden en objecten te blijven gebruiken. Door de vermindering van het verhard oppervlak, nemen de mogelijkheden voor waterinfiltratie op de locatie toe. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van verdere verdroging van gronden in de omgeving. Als onderdeel van het plan wordt in het kader van landschappelijke inpassing groen beschermd en hersteld op de locatie. Dit groen draagt bij aan de kwaliteit van de groen- en landschapsstructuren in de omgeving.

9.9

Gezondheid

Na voorliggende bestemmingswijziging is het niet meer mogelijk een intensieve veehouderij te exploiteren binnen het plangebied. Daarmee wordt de uitstoot van potentieel schadelijke stoffen voor de volksgezondheid beëindigd. De ontwikkeling heeft dan ook uitsluitend positieve gevolgen voor de volksgezondheid.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

33

Het plan voorziet in de bestemmingswijziging van agrarisch bedrijf naar agrarisch verwant bedrijf. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is binnen het plangebied één bedrijfswoning aanwezig. De bedrijfsgebouwen die in het verleden in het gebruik waren ten dienste van de veehouderij, worden in gebruik genomen voor het agrarisch verwant bedrijf en de akkerbouwtak. De bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd door bewoners/ eigenaren, de voormalig agrarische bedrijfsvoerders. Ondanks dat sprake is van een bestemmingswijziging is geen sprake van een wijziging in het blootstellingsrisico of een wijziging van de gezondheidsrisico’s als gevolg van omliggende (agrarische) inrichtingen. Het aspect ‘gezondheid’ zorgt dan ook niet voor beperkingen voor de voorgenomen bestemmingswijziging.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

34

10

Bedrijven en milieuzonering

Op de locatie Boerdonksedijk 17 is in de huidige situatie een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning gevestigd. De agrarische bedrijfsactiviteiten bestaan uit een (voormalige) veehouderij en een akkerbouwtak. De veehouderij is/wordt beëindigd en vervangen door een agrarisch verwant bedrijf, in de vorm van een productiebedrijf van teeltaarde. De akkerbouwactiviteiten worden voortgezet. De bedrijfswoning blijft in gebruik als woning van ondernemer (tevens initiatiefnemer). Een bedrijfswoning is een gevoelige functie, behoudens voor de eigen bedrijfsactiviteiten. Een al dan niet agrarische inrichting kan milieu-invloed uitoefenen op gevoelige functies in de omgeving. Afhankelijk van de aard en omvang van een inrichting kan deze tevens ook milieugevoelig zijn (te denken valt aan een kantoor of onderwijsinstelling). Gezien de beoogde functiewijziging van agrarisch naar agrarisch verwant is het van belang om te toetsen of er functies in de omgeving zijn, die beperkt worden door de ontwikkeling of die de ontwikkeling belemmeren. Allereerst kan worden geconcludeerd dat de nieuwe agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten niet als milieugevoelig zijn aan te merken. Het productieproces van teeltaarde heeft beperkte milieugevolgen op het gebied van geur, geluid en stof, waardoor geen sprake kan zijn van onevenredige hinder op gevoelige functies in de omgeving.

Tevens bevinden zich slechts beperkt mensen in de bedrijfsgebouwen. Geconcludeerd kan dan ook worden dat het agrarisch verwant bedrijf geen gevoelige functie betreft. Vervolgens is de bestemmingswijziging getoetst aan de afstanden, zoals deze zijn voorgeschreven volgens de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009. Eén van de belangrijkste bouwstenen bij milieuzonering is de richtafstandenlijst. Deze lijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast zijn indices voor verkeersaantrekkende werking, bodem, lucht en visuele hinder opgenomen in de lijst. De opgenomen richtafstanden betreffen indicatief de aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt kan hiervan afgeweken worden. De afstand dient te worden gemeten vanaf de bestemmings-/bouwgrens van de inrichting tot daar waar een milieugevoelige functie mag worden gesitueerd. Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen.  De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’.

 De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.  Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie.  De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.  De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen. De richtafstanden voor de te onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten; in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen; ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten.

In de kolom ‘gevaar’ is een richtafstand aangegeven, die bij een gemiddelde activiteit van dat type aangehouden kan worden. Het betreft alle gevaarsaspecten, inclusief brandgevaar en stofexplosies. De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

35

Tabel 4.2.2: Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden Milieucategorie

Richtafstand

1 2

10 m 30 m

3.1 3.2

50 m 100 m

4.1 4.2

200 m 300 m

5.1 5.2

500 m 700 m

5.3 6

1.000 m 1.500 m

Voor de toetsing van Boerdonksedijk 17 worden 4 onderdelen afgewogen: 1. De bedrijfswoning is reeds bestaand en wordt als niet gevoelig ten opzichte van het eigen bedrijf beschouwd. Aangezien het een bestaande woning betreft die als zodanig in gebruik blijft, hoeft deze niet getoetst te worden ten opzichte van functies in de omgeving; 2. De akkerbouwactiviteiten zijn reeds bestaand en betreffen geen gevoelige functie. Deze activiteit hoeft dan ook niet getoetst te worden ten opzichte van de omgeving; 3. Het agrarisch verwant bedrijf, gericht op de productie van teeltaarde, is geen gevoelige functie. Dit nieuwe gebruik hoeft dan ook niet getoetst te worden op hinderveroorzakende inrichtingen uit de omgeving; 4. Het agrarisch verwant bedrijf, gericht op de productie van teeltaarde, betreft een bedrijfsactiviteit die invloed kan hebben op gevoelige functies in de omgeving. Dit aspect wordt hieronder getoetst. De afstand van de nieuwe bedrijfsbestemming aan de Boerdonksedijk 17 tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie in de omgeving bedraagt circa 54 meter. Dit betreft de burgerwoning Boerdonksedijk 19 ten oosten van het plangebied. De afstand van de nieuwe bedrijfsbestemming tot de rand van de woonbestemming bedraagt circa 42 meter. Overige woningen of bedrijfswoningen van derden, waaronder de bedrijfswoning Boerdonksedijk 21, liggen op grotere afstand.

Een productiebedrijf van teeltaarde is niet als zodanig opgenomen in de VNG-lijst. De activiteit kan worden geschaard onder de categorie ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw’. Voor dit type bedrijven met een groter brutovloeroppervlak dan 500 m2 is milieucategorie 3.1 opgenomen, met een minimaal aanbevolen afstand tot gevoelige functies van 50 meter. Gezien de aard van het gebied -bebouwd en onbebouwd- en diversiteit van functies in de omgeving -agrarische en niet-agrarische bedrijvigheid en wonen- kan worden gesteld dat sprake is van een gemengd gebied, waarvoor de afstand met één trede kan worden verlaagd. In dat geval is sprake van een aanbevolen afstand van 30 meter. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Aan de richtafstand van 30 meter wordt ruim voldaan. Ter plaatse van de naastgelegen woning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de bestemmingswijziging zorgt dat ter plaatse geen (intensieve) veehouderij meer geëxploiteerd kan worden.

Hiermee vervallen bedrijfsactiviteiten die in de VNG-lijst zijn ingedeeld in milieucategorie 3.2 met een minimaal aan te houden afstand van 100 meter (uitgaande van rundvee). Conclusie Uit deze analyse blijkt dat de gevoelige functies in de omgeving van de Boerdonksedijk 17 op dusdanige afstand zijn gelegen, dat zij geen hinder zullen ondervinden van het agrarisch verwant bedrijf, gericht op de productie van teeltaarde. De bestemmingswijziging wordt hierdoor dan ook niet belemmerd. Voor de omgeving is sprake van een verbetering van de milieusituatie, nu bedrijvigheid in een hogere milieucategorie (veehouderij) beëindigd wordt.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

36

11

Verkeer en parkeren

Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie wordt de locatie ontsloten via een doodlopende aftakking van de doorgaande Boerdonksedijk. De huidige vervoersbewegingen bestaan uit de vervoersbewegingen ten behoeve van:  de bedrijfswoning,  de veehouderij,  de akkerbouwtak. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling verdwijnen de vervoersbewegingen ten dienste van de veehouderij in zijn geheel. Het betreft zowel vrachtverkeer (voer, mest, dieren) als personenauto’s (dierenarts, adviseurs, vertegenwoordigers). In de nieuwe situatie bestaan de vervoersbewegingen uit de bewegingen ten behoeve van de bedrijfswoning, het agrarisch verwant bedrijf en het akkerbouwbedrijf. Voor de bedrijfswoning en het akkerbouwbedrijf is er geen sprake van een wijziging. Voor het agrarisch verwant bedrijf is sprake van een beperkt aantal vrachtautobewegingen per week. In het hoogseizoen betreft het 5 transporten (10 bewegingen) per week, in het laagseizoen maximaal 3 transporten (6 bewegingen) per week. De Boerdonksedijk is goed in staat deze verkeersintensiteiten op te vangen. Via de doodlopende aftakking en het doorgaande deel van deze weg zijn de provinciale wegen N279 en N272 eenvoudig bereikbaar. Parkeren vindt nu en in de toekomst plaats op eigen terrein. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor manoeuvreren, parkeren, laden en lossen. Dit zal dan ook niet op de openbare weg plaatsvinden.

Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeerssituatie ter plaatse.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

37

12

Juridische planopzet

12.1

Planstukken

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.

12.2

Toelichting op de verbeelding

Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Meierijstad hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied.

12.3

Toelichting op de regels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Inleidende regels.  Bestemmingsregels.  Algemene regels.  Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel en de partiële herziening van de planregels van dat bestemmingsplan middels het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ (vastgesteld 27 januari 2021). De planregels sluiten waar mogelijk aan bij deze regelingen.

12.3.1.

Inleidende regels

In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc..

12.3.2.

Bestemmingsregels

Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf’ en ‘Groen’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen (voormalige ontheffingsbepalingen). Aan delen van het plangebied is, overeenkomstig de geldende regeling, een dubbelbestemming toegekend. Het betreft regelingen gericht op bescherming van eventuele archeologische waarden, geborgd door de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeologie 3’. Voor de dubbelbestemmingen geldt een zelfde opzet als voor de bovenbeschreven enkelbestemmingen.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

38

Om specifieke waarden en belangen in het plangebied te beschermen is de aanduiding ‘vrijwaringszone radar’ opgenomen. Deze aanduiding geldt voor het gehele plangebied en voor een groot deel van de omgeving. In de beschrijving van de beoogde situatie in hoofdstuk 3 is de achtergrond van de wijze van bestemmen nader toegelicht. 12.3.3.

Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 8: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 9: Algemene bouwregels In deze regel is een aantal algemene bepalingen over toegestane bebouwing opgenomen. Artikel 10: Algemene gebruiksregels In deze regel is een aantal algemene bepalingen over strijdig gebruik en parkeren opgenomen. Artikel 11: Algemene aanduidingsregels In deze regel zijn de bepalingen voor het radarverstoringsgebied, de algemene aanduiding binnen het plangebied, vastgelegd. De regel geldt voor alle gronden waarop de aanduiding gelegen is ongeacht de bestemming. Artikel 12: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde maten, afmetingen, grenzen en (neven-)functies, voor zover het ondergeschikte aanpassingen betreft. 12.3.4.

Overgangs- en slotregels

In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

39

13

Economische uitvoerbaarheid

In de Grondexploitatiewet (Grexwet) is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De herbestemming van de locatie Boerdonksedijk 17 betreft een particulier initiatief. De initiatiefnemer, tevens eigenaar van de betreffende gronden, fungeert als financiële drager van het onderhavige project en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. De gemeente Meierijstad zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Er wordt dan ook een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd. In de anterieure overeenkomst worden ook afspraken over planschade opgenomen, evenals afspraken over de landschappelijke inpassing.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

40

14

Overleg en procedure

14.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De bestemmingswijziging vindt plaats op een perceel dat in eigendom is van initiatiefnemer. Het plan heeft geen negatieve milieugevolgen en zal niet voor overlast zorgen voor omliggende bedrijven of woningen. Derhalve mag worden aangenomen dat tegen onderhavig plan geen overwegende bezwaren bestaan.

14.2.

Omgevingsdialoog

Reeds in het traject van het principeverzoek heeft initiatiefnemer de omgeving geïnformeerd over de voorgenomen ontwikkeling. Door initiatiefnemer zijn de plannen persoonlijk toegelicht aan omwonenden. Van de omgevingsdialoog is een algemeen verslag gemaakt en is per omliggend adres een formulier ingevuld. Dit verslag is meegewogen bij de beoordeling van het principeverzoek. Naar aanleiding van deze communicatie is door alle benaderde omwonenden aangegeven dat zij geen problemen hebben met de beoogde ontwikkeling.

14.3.

Vooroverleg

Het concept ontwerp van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17’ is overeenkomstig artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betrokken overheidsdiensten en instanties. Van de provincie Noord-Brabant, Waterschap Aa en Maas en de Defensie vliegbasis Volkel is een reactie ontvangen. Zij zijn allen (na aanpassing) akkoord met het plan.

14.4.

Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17’ doorloopt de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. De reacties en resultaten worden te zijner tijd in deze toelichting vermeld.

Bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Boerdonksedijk 17

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=4e71f2d3-f6a3-4860-b8f1-c0c9e5fddc47