CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting boerdonksedijk 1 vaststelling

Raadsvergadering 10 mei 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Boerdonksedijk 1 te Erp'14.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3 Cultuurhistorie & Archeologie Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. De Rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen aandacht voor het monument zelf is, maar ook voor de omgeving. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor onderhavig plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied. De provincie Noord-Brabant heeft hiertoe de cultuurhistorische waarden kaart opgesteld. In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa.

Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten

29

van oude nederzettingen en grafvelden etc. Een van de belangrijke aspecten voor onderhavig plan is het kader dat het verdrag stelt t.a.v. ruimtelijke ordening. Dit kader houdt in dat er tijdig rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. In onderstaand figuur is een uitsnede van de archeologische verwachtingskaart Brabant weergegeven. Het plangebied is gemarkeerd met een zwarte stip. Te zien is dat het plangebied de aanduiding cultuurhistorische vlakken heeft gekregen op de verwachtingskaart.

Figuur 4.2 Archeologische verwachtingskaart CHW Brabant

De locatie ligt in het gebied ´Groene Woud´ wat weer onderdeel uitmaakt van de Brabantse (dek)zand gronden. Het Groene woud is aangewezen als Nationaal Landschap en wordt gekenmerkt door de opbouw van het gebied in beekdalen en dekzandplateaus en de inrichting die nauw gerelateerd is aan de terreingesteldheid. Kleinschalige middeleeuwse ontginningslandschappen worden afgewisseld met uitgestrekte bossen, heidevelden, zandverstuivingen en jonge ontginningen. Specifieke elementen zijn laanstructuren, kastelen en buitenplaatsen en watermolens. Het landschap wordt gevorm door o.a. eikenhakhout; De rabattenbossen; De populierenakkers; De perceelrandbegroeiing; De kleinschalige percelering; Het wegenpatroon met deels verhoogd aangelegde onverharde wegen; De historische (langgevel)boerderijen. Vanuit de provincie worden de volgende randvoorwaarden gesteld aan ontwikkelingen in dit gebied: ▪ ▪

Het behoud van de kleinschalige karakteristieken. Eisen stellen aan de uitbreidingen van dorpskernen.

30

▪ ▪

De economische dragers afstemmen op de cultuurhistorische identiteit van het Groene Woud. Het vergroten van de cultuurhistorische waardering door het vergroten van de beleving

Naast het provinciale beleid op het gebied van archeologie heeft de voormalige gemeente Veghel het plangebied in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 3’ gegeven. Op deze gronden gelden een aantal verboden: 34.2 Bouwregels Op of in de in lid 34.1 genoemde gronden mogen, in afwijking van hetgeen elders in deze planregels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemming(en) van deze gronden, geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a. ver-/nieuwbouw van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouwd; Op de locatie is aan ruim 2.700m2 aan gebouwen en verharding gesloopt. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. Tijdens de bouw van deze (varken)stallen is de ondergrond reeds geroerd waardoor deze mogelijk is aangetast. Voor de sloopwerkzaamheden wordt geen graafwerkzaamheden uitgevoerd. De slooplocaties worden omgevormd tot paardenwei en/of paddock. Hiervoor wordt de bodem niet aangetast. b. de bouw van een bouwwerk tot maximaal 250 m² of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk tot maximaal 250 m²; Op de locatie worden geen nieuwe bouwwerken opgericht. Enkel bestaande en vergunde bouwwerken worden gerenoveerd. De uitbreiding van de bedrijfswoning naar 900m3 blijft onder een oppervlak van 250m2. c.

de bouw van een bouwwerk, waarbij geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Op de locatie wordt een buitenbak aangelegd. Hiervoor wordt de bodem 20 cm afgegraven zodat er een goede rijbodem ingelegd kan worden. Binnen het bestemmingsplan zijn de archeologische verwachtingen vastgelegd middels een dubbelbestemming. De plannen zijn hierboven getoets aan de regels gesteld in artikel 34.2. Op basis hiervan kan gesteld worden dat nader onderzoek naar archelogische verwachtingen niet noodzakelijk is. De overige gronden buiten het bouwvlak worden gebruikt als paardenwei. Deze gronden zullen niet diepgewoeld of omgezet worden, waardoor er geen sprake is van aantasting van de bodem.

4.4 Mobiliteit en parkeren De voormalige varkenshouderij genereerde van en naar het plangebied veel verkeer. Het bedrijf werd meermalen per week bezocht door (groot) vrachtverkeer voor het aanvoeren van veevoer en voor het afvoeren van dieren naar de slachterij. De wijziging naar paardenhouderij geeft een verlaging van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied en er is minder bevoorrading nodig voor het functioneren van de paardenhouderij ten opzichte van een varkenshouderij. Het bedrijf zal nog steeds bevoorraad worden door leveranciers van veevoer, ophalen van de mest, het trainen van de paarden en volwassen dieren zullen voor verkoop het plangebied verlaten.

31

De parkeerbehoefte op het plangebied zal met de bestemmingswijziging (beperkt) toenemen. De paardenhouderij zal bezocht gaan worden door bijvoorbeeld potentiele kopers van dieren. Dit betekent dat er meer personenauto’s het plangebied zullen bezoeken dan in de huidige bestemming, in de parkeerbehoefte zal op het plangebied zelf worden voorzien. De beoogde ontwikkeling op het plangebied heeft een positief effect op het aantal verkeersbewegingen op het plangebied. De paardenhouderij zal aanmerkelijk minder verkeer genereren dan de huidige varkenshouderij. Het bedrijf zal wel meer bezocht worden door personenauto’s, in de behoefte aan parkeerruimte van deze voertuigen zal op het plangebied voorzien worden. Op de locatie worden 5 parkeerplaatsen voor personenauto’s gerealiseerd en 2 parkleerplaatsen voor een auto met trailer of een kleine vrachtwagen (rijbewijs b).

Figuur 4.3 Inrichtingsschets met parkeergelegenheid op terrein

De varkenshouderij had twee inritten op de Boerdonksedijk 1 te Erp. Eén ter hoogte van de varkensstal en één voor de bedrijfswoning. De ligging van deze inritten blijft hetzelfde.

Figuur 4.4 Oude luchtfoto (links) en nieuwe (rechts) waarbij zichtbaar is dat 2 inritten op zelfde plek liggen

32

4.5 Technische infrastructuur De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen infrastructurele aanpassingen plaats te vinden. Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Op een afstand van 3,6 kilometer van de planlocatie ligt een 150kV hoogspanningslijn, deze afstand is zodanig dat dit aspect geen belemmeringen vormt.

4.6 Bodem Het onderwerp bodemkwaliteit betreft een landelijk geregelde verplichting; de Wet Bodembescherming. Deze wet maakt onderzoek naar de bodem bij ruimtelijke ingrepen verplicht. Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten tevens verplicht om in ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Voor het grondgebied heeft de ODBN een bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Er wordt gewerkt met verschillende bodemtypes waaruit de kwaliteit van de bodem opgemaakt kan worden. Uit de kaart blijkt dat de bodem in het buitengebied overwegend tot de klasse ´Natuur en landbouw´ (AW-2000) behoort. Dit is het bodemtype met de hoogste kwaliteit.

Figuur 4.5 Bodemkwaliteitskaart ODBN –toepassingskaart - Natuur en landbouw (AW2000)

Het planvoornemen voorziet in de een functiewijziging van intensieve veehouderij naar paardenhouderij en de mogelijkheid om de bedrijfswoning te vergroten van 750m3 naar 900m3. De Boerdonksedijk is zelf aangeduid als “Industrie”. De planlocatie is aangeduid al een bodemtype “Natuur en Landbouw”. Dit is het schoonste bodemtype. Op basis van de omgevingsrapportage bijlage 2 is op te merken dat er in 2006 een bodemonderzoek heeft plaats gevonden. Bij dit onderzoek zijn lichte verhogingen van koper en zink in de ondergrond aangetroffen en een lichte verhoging van chroom in het grondwater. De mate van deze verhoging was beperkt waardoor dit geen belemmeringen met zich meebracht.

33

Op de locatie was een varkenshouderij gevestigd. Deze is inmiddels beëindigd en reeds gesloopt. Voor de sloop van de gebouwen is een asbestinventarisatie gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 3. De 2 varkensstallen, de veldschuur, de opslag en de koeling zijn geheel geïnventariseerd. Van de garage is het dak met de direct onderliggende ruimte geïnventariseerd. Het bijbehorende werkgebied is onderzocht. De nieuwe stal in gebouwd omstreeks 1994 en de oude stal is gebouwd in 1983. De veldschuur is gebouwd in 1981 en de opslag, garage en de koeling zijn gebouwd omstreeks 1972. Voor de sloop zijn asbesthoudende materialen gevonden. Zowel de binnen als buitensanering van het asbest heeft reeds plaats gevonden. In de varkenstallen waren geen chemische gaswassers aanwezig. Op de locatie was geen dieseltank aanwezig. Voor de bedrijfswoning is reeds een vergunning verleend om de woning te vergroten naar 750m 3. De bouw hiervan is eveneens reeds afgerond. Onderhavig plan maakt het mogelijk om de woning nog eens te vergroten naar 900m3. Hiervoor is het niet noodzakelijk om een bodemonderzoek uit te voeren.

4.7 Verkeers- en industrielawaai Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen. Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Zoals ook te lezen is paragraaf 4.4. neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied af bij de beoogde ontwikkeling, eventueel lawaai van dat verkeer neemt daarmee dus ook af. De op te richten paardenhouderij geneert geen industrielawaai, de situatie aangaande industrielawaai blijft dus ongewijzigd.

4.8 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering;

34

1. 2. 3. 4.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

De Wet luchtkwaliteit, titel 5.2 Wm kent geen eisen voor bedrijfs- of andere woningen, maar bevat de Europese richtlijn inzake luchtkwaliteit enkele uitzonderingen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het met name van belang dat de normen t.a.v. de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (Pm10) in acht worden genomen. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van hieronder afgebeelde GCN-kaarten van RIVM.

Figuur 4.6 Concentratie Fijnstof PM10 ter plaatse 19,13

Figuur 4.7 Concentratie Stikstofdioxide NO2 ter plaatse 15,11

35

Om te beoordelen of er een goed woon- en leefklimaat is wordt de achtergrondconcentratie beoordeeld. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt 19,11µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 15,11 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.

4.8.1 NIMB Het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al ‘NIBM’. Een project is ‘NIMB’ wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM₁₀) of stikstofdioxide (NO₂). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM₁₀ als NO₂. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties.

Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Verkeerstoename/ afname Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. De omschakeling van varkenshouderij naar paardenhouderij heeft ook gevolgen voor het aantal verkeersbewegingen. Deze verkeersbewegingen zijn van invloed op de luchtkwaliteit. Om een inschatting te kunnen maken van een worstcase scenario is in onderstaand overzicht gerekend met: ▪

▪

een aantal van 5 personen die het plangebied per dag bezoeken. Dit zijn 2 verzorgers voor de paarden, 2 bezoekers en per dag 1 leverancier, hoefsmid veearts of dergelijke. Deze bezoekers genereren 10 verkeersbewegingen per dag. Daarnaast zullen de paarden mogelijk in de toekomst ook elders worden getraind of gaan zij naar een kampioenschap/ keuring etc. Dit zal enkele malen per week plaats vinden. Uitgaande

36

▪

van een week gemiddelde voor worst case benadering voeren we hier 1 vrachtbeweging per dag op in. Daarnaast komen er voer leveranciers en mest ophalen, dit zal met een vrachtwagen gebeuren. De mest en het voer wordt 1 maal per maal per maand geleverd/ opgehaald. Uitgaande van een week gemiddelde voor worst case benadering voeren we hier 1 vrachtbeweging per dag op in.

In totaal zijn dit 14 vervoersbewegingen per dag waarvan 25 % met een vrachtwagen zal zijn.

Figuur 4.8 berekening NIMB-Tool

Onderhavig plan betreft een functiewijziging van intensieve veehouderij naar paardenhouderij. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de mogelijkheid genoemd onder punt 2 (project leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit). De ontwikkeling blijft ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.

4.9 Geur 4.9.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningsplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige agrarische niet vergunningsplichtige. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings)vergunningsplichtige bedrijven. In de directe omgeving zijn een 4-tal woonbestemmingen gelegen. Het betreft de woningen aan de Boerdonksedijk nummers 2, 3 en 4 en de woning aan de Laren 18. De woning gelegen aan de Boerdonksedijk nummer 3 is met circa 75 meter het meest nabij gelegen. De woning aan de Boerdonksedijk nummer 2 is op circa 220 meter gelegen, de Boerdonksedijk 4 op 173 meter en de Laren 18 ten slotte op circa 100 meter.

37

Voor bedrijven waar paarden gehouden worden, zijn geen geuremissies vastgesteld waardoor vaste afstanden aangehouden dienen te worden. De minimaal te hanteren afstand bedraagt 25 meter vanaf het dierenverblijf tot aan een bedrijfswoning welke eveneens hoort bij een ander agrarisch bedrijf. Er dient 50 meter aangehouden te worden vanaf het dierenverblijf tot aan een woning of ander geurgevoelig object dat niet bij de paardenhouderij hoort. De wijziging naar een productiegerichte paardenhouderij betekend dat de geur die het plangebied produceert drastisch afneemt. De afstand tussen het dichtstbijzijnde geurgevoelig object neemt met de bestemmingswijziging, ander gebruik van dierverblijven en sloop tevens iets toe. In de beoogde situatie ligt er circa 100 meter tussen de paardenhouderij en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object. De voormalige gemeente Veghel heeft 29 april 2015 haar geurverordening gewijzigd. Met betrekking tot het plangebied is de wijziging van artikel 4 van toepassing. Dit artikel spreekt over een vaste afstand welke aangehouden dient te worden tussen bedrijven met dieren en de meest nabij gelegen geurgevoelige objecten. Ten aanzien van de op te richten paardenhouderij (een bedrijf met minder dan 100 paarden (excl. Bijbehorende dieren in opfok <3 jaar) dient men een afstand aan te houden van minimaal 25 meter.

De beoogde opzet van het bedrijf voldoet aan deze afstand. In de huidige bestemming creëert het bedrijf op het plangebied een aanzienlijke geuroverlast in haar omgeving. Er liggen een 4-tal woonbestemmingen in de directe omgeving, deze liggen op een afstand groter dan 50 meter. Met de wijziging naar een paardenhouderij neemt de geuroverlast aanzienlijk af t.o.v. de huidige situatie. Voor het omzetten van de milieuvergunning zal een revisievergunning aangevraagd worden.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Algemeen Het rijksbeleid voor externe veiligheid heeft tot doel het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving. Het gaat hierbij om situaties waarbij gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen nabij luchthavens betrokken zijn. Bij gevaarlijke stoffen moet men denken aan het vervoeren, transporteren, opslag, produceren etc. Bij externe veiligheid wordt het mogelijke risico in kaart gebracht wat derden lopen bij een eventuele calamiteit. Het gaat hierbij om ‘slachtoffers van buiten de poort’. Mensen die niets met een activiteit van gevaarlijke stoffen en/of vliegtuigen te maken hebben, maar hier wel de dupe van worden bij een ramp. Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in externe veiligheid voor inrichtingen, voor transport van gevaarlijke stoffen en voor luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid stelt twee doelstellingen centraal: ▪

▪

Plaatsgebonden risico (PR): De bescherming van personen die zich bevinden in de nabijheid van een risicobron tegen de kans op overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen of ten gevolge van een ongeval met een vliegtuig op of nabij een luchthaven. Groepsrisico (GR): de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een dergelijke ramp met een groot aantal slachtoffers.

4.10.2 Plaatsgebonden risico Het PR geeft de kans per jaar aan dat een persoon, die permanent en onbeschermd aanwezig is op een bepaalde plaats buiten een bedrijf (inrichting) of in de buurt van een vervoersmodaliteit (vervoer via weg, water, spoor, of buisleiding) of nabij een luchthaven, op die plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting of op die vervoersmodaliteit of als gevolg van een ongeval nabij de luchthaven. De norm die voor het PR geldt, is de kans van 1:1.000.000 (106). Voor kwetsbare objecten is dit een grenswaarde en moet worden opgevolgd. Voor beperkt kwetsbare objecten is het een richtwaarde.

38

4.10.3 Groepsrisico Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval waarbij tien of meer dodelijke slachtoffers vallen in de omgeving van de risicobron. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht. Iedere verandering (of toename) van het groepsrisico moet inzichtelijk worden gemaakt en worden voorzien van een onderbouwing.

4.10.4 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het beleid ligt vast in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) en is verder uitgewerkt in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. In de Bevi zijn grenswaarden en richtwaarden opgenomen per risicovolle activiteit. In het beleid voor de externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt in de mate van bescherming. Kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen, ziekenhuizen, grote winkelcentra en bedrijven) krijgen de hoogste mate van bescherming, doordat hiervoor een grenswaarde geldt. Een grenswaarde is een afdwingbare norm die moet worden opgevolgd. Op onderstaand figuur is een overzicht te zien van de risicokaart van de omgeving van het plangebied.

Figuur 4.9 Risico kaart www.atlasleefomgeving.nl

In de omgeving liggen op grotere afstand 3 risicovolle inrichtingen. Dit betreffen 3 inrichtingen met het opslaan van gevaarlijke stoffen: -Meerbosweg 12, intensieve veehouderij op een afstand van 531 meter -Rauwven 10, intensieve veehouderij op een afstand van 675 meter -Teuwseler 6-15, intensieve veehouderij op een afstand van 766 meter Onderhavig plan ligt buiten het invloedsgebied van deze bedrijven. Het aspect externe veiligheid geen belemmering bij onderhavig plan.

39

4.11 Bedrijven en milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te maken wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en gevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. Voor een paardenhouderij geldt een vaste afstand van 50 meter. In de directe omgeving zijn een 3-tal woonbestemmingen gelegen. Het betreft de woningen aan de Boerdonksedijk 2 op een afstand van circa 210 meter, de Boerdonksedijk 3 op een afstand van circa 31 meter en de woning aan De Laren 20 op een afstand van circa 90 meter. De woning gelegen aan de Boerdonksedijk nummer 3 is met circa 31 meter het meest nabij gelegen en ligt daarmaa binnen de zone van 50 meter. Het aspect geur is hiervoor van toepassing.

Dit aspect vormt echter geen belemmering e.a. opgenomen in paragraaf 4.9 Geur. Eveneens dient aangetoond te worden dat omliggende bedrijven niet in hun ontwikkeling worden beknot. Met de beoogde ontwikkeling worden er geen geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt die belemmerd kunnen zijn voor omliggende bedrijven. Op een afstand van circa 125 meter ligt een melkveebedrijf aan de Hurkske 25 te Erp. De omschakeling van intensieve veehouderij naar paardenhouderij heeft geen belemmerend effect op de bedrijfsontwikkelingen van deze melkveehouder. Derhalve vormt de bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 Gezondheidsrisico’s Een goed woon- en leefklimaat is één van de aspecten die onderzocht moet worden om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheid kan dus deel uitmaken van de belangenafweging binnen het bestemmingsplan. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een ruimtelijk relevant aspect. Onder ruimtelijke relevante aspecten in ruimtelijke plannen kunnen de volgende punten van toepassing zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

gebruik van gewasbeschermingsmiddelen magnetische velden van hoogspanningsmasten aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen (zie paragraaf 4.9 en onderstaand) hoeveelheid groen in een gebied (zie paragraaf 2.2.2 en 4.2) bodemgesteldheid (zie paragraaf 4.6) geluid van verkeer of bedrijvigheid (zie paragraaf 4.7 en 4.11) luchtkwaliteit (zie paragraaf 4.8)

Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Derhalve vormt dit geen belemmering.

40

Magnetische velden hoogspanningsmasten: In de omgeving van de planlocatie staan geen hoogspanningsmasten. Aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen T.a.v. geitenhouderijen is gemeente Meierijstad terughoudend met het toevoegen van woonbestemmingen binnen 2 km van geitenhouderijen. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen. Er is dan ook geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aan zien van varkenshouderijen en pluimveebedrijven. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden (zie ook paragrafen 4.10 en 4.11) die aangehouden moeten worden rondom dit typen bedrijven. Door onderhavig plan wordt een intensieve veehouderij gesaneerd (varkens). Dit heeft een positief effect op de volksgezondheid in de directe omgeving. Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 geeft aan de hand van een stappenplan een leidraad of advies dat ingewonnen dient te worden bij de GGD in het kader van de volksgezondheid. Voor onderhavige ontwikkeling zijn de volgende stappen van belang om nader toe te lichten:

De dichtstbijzijnde woonbestemming ligt binnen de 50 meter zone. Door het saneren van de varkenshouderij vindt echter een verbetering plaats van de luchtkwaliteit en het aspect geur, zie paragrafen 4.8 en 4.9. Er kan advies ingewonnen worden bij de GGD. Aangezien de ontwikkeling een verbetering met zich meebrengt hoeft dit niet.

4.13 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waar-

41

borgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.

4.13.1 Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan is in december 2009 vastgesteld. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeergebied etc. Het Rijksbeleid heeft geen gevolgen c.q. consequenties voor onderhavig plan.

4.13.2 Provinciaal Waterplan 2016-2021 Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 30 augustus 2016 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Met dit waterplan richt de provincie zich de komende 6 jaar op de ontwikkeling van een klimaatbestendig en ecologisch gezond watersysteem en een duurzame watervoorziening. Het plan richt zich globaal op drie punten: ▪ ▪ ▪

Gezonde fysieke omgeving Veilige fysieke omgeving Groene groei

Ten aanzien van een gezonde fysieke leefomgeving vormt de Provincie doelen om de bodem en waterkwaliteit te verbeteren en te borgen. Ook gezond zwemwater en oppervlaktewater komt aan de orde. De veilige fysieke omgeving richt zich met name op de meer traditionele rol van mens tegen het water en ziet toe op het beschermen van inwoners tegen het water. Het hoofdstuk groene groei richt zich ten slotte op de transitie naar een meer biobased economy.

4.13.3 Waterschap Aa en Maas Eind 2015 heeft waterschap Aa en Maas haar waterbeheersplan 2016-2021 vastgesteld. Het plan werkt conform een aantal directe bijdragen en een aantal maatschappelijke thema’s waar het waterschap een rol in neemt: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Via optimaal beheer en onderhoud houden we onze huidige dienstverlening in stand Veilig en bewoonbaar beheergebied Voldoende water en robuust watersysteem Schoon water Gezond en natuurlijk water Water in bebouwd gebied Kennisontwikkeling en innovatie Energiegebruik en grondstofvoorziening Internationale samenwerking Water en ruimte

Het waterschap neemt haar basistaken serieus en benoemt de uitdagingen die haar te wachten staan de komende jaren. Maar het waterschap ziet daarnaast een bredere rol voor zichzelf weggelegd als partner in een meer omgevingsgerichte aanpak van plannen en ontwikkelingen.

4.13.4 Keur 2015 De Keur is in maart 2015 vastgesteld en dient als een aanvulling op regels uit de Waterwet. De Keur stelt regels t.a.v. de inrichting, het gebruik, beheer en onderhoud en overige werkzaamheden aan

42

rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen. Deze regels gelden zowel voor stromen die eigendom zijn van het Waterschap, maar ook die in eigendom zijn van derden (burgers, agrariërs etc.). De waterschappen in Brabant; Aa en Maas, Brabantse Delta en de Dommel hebben de Keur overgenomen om te zorgen voor uniformiteit in de regelgeving. De voorschriften in de Waterwet en de Keur geven aan wat wel en niet mag en welke plichten er zijn. Denk aan activiteiten zoals het lozen in oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater, het dempen van een sloot, of het plaatsen van een duiker of brug.

4.13.5 Legger waterkeringen 2020 (ontwerp) Vanuit de Keur wordt regelmatig verbinding gelegd met de ‘legger’. Een legger is een door het waterschap vastgesteld register en geeft een overzicht van: ▪ ▪

▪

Alle aanwezige waterlopen (sloten) en waterkeringen (dijken) inclusief kunstwerken (bijv. stuwen, bruggen, etc. Wie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van sloten en kunstwerken. Dat betekent dat het gaat om de beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en om de onderhoudsplichten van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent. Waar de beschermingszone ligt, die noodzakelijk zijn voor het waterschap om haar beheerstaken te kunnen uitvoeren. Op deze beschermingszone zijn verbodsbepalingen, volgens de keur, van toepassing. Ook is de legger een naslagwerk ten aanzien van waterstaatswerken.

4.13.6 Afkoppelen afval- en hemelwater Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen is aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hemelwater In totaal wordt meer gesloopt op de locatie dan dat weer wordt teruggebouwd. Het totaal aan verhardingen en bebouwing wat wordt verwijderd bedraagt in totaal circa 3.390m 2. Dit is als volgt verdeelt: ▪

Sloop stallen:

2670m2

▪

Sloop kuilplaat:

120m2

▪

Verwijderen verharding:

600m2

De verharding die teruggeplaatst wordt bedraagt:

560m2

Het totaal aan verhard oppervlak wat verminderd wordt op de locatie bedraagt: 2.830m 2 Deze vermindering heeft een positief effect op de waterhuishouding ter plaatse. Er wordt hier grasland en gele zandgrond voor terug geplaatst. Hierdoor kan het hemelwater direct in de bodem infiltreren en is het niet noodzakelijk om extra voorzieningen te treffen. Bodemdoorlatendheid De doorlatendheid van de bodem is bepalend voor de infiltratiecapaciteit hiervan. Bij een goede bodemdoorlatendheid kan het water sneller infiltreren in de bodem. Bij nieuwe ontwikkelingen is het belangrijk dat infiltratievoorzieningen bij een slechte bodemdoorlatendheid voldoende opvangcapaciteit hebben. De bodem van het plangebied betreft een zandgrond met voldoende bodemdoorlatendheid. Een nader onderzoek naar de infiltratiecapaciteit van de bodem wordt derhalve niet noodzakelijk geacht.

43

5. Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: ▪ ▪ ▪

het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is.

Het voorliggende plan behelst de planologisch juridische borging van reeds aanwezige hippische voorzieningen en de planologische toelaatbaarheid van een gastenverblijf en huisvesting voor stagiaires. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van tegemoetkoming in planschade. Het verhaal van de kosten vindt plaats via de heffing van de leges. Er vinden geen aanpassingen aan de openbare ruimte plaats ten behoeve van het project. Daarom is het niet noodzakelijk daaromtrent eisen te stellen. Daarmee is het verhaal van de kosten van de grondexploitatie voor dit gebied anderszins verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het plan gegarandeerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Omgevingsdialoog Op 11 oktober 2018 heeft de omgevingsdialoog plaatsgevonden. Genodigden die niet aanwezig konden zijn, zijn aangeboden om op naar hun wens op een ander tijdstip in overleg te gaan. Hier is geen gebruik van gemaakt. De omgevingsdialoog is prettig verlopen. Er zijn vanuit de omgeving geen bezwaren of bedenkingen tegenover de plannen. De uitkomsten van de omgevingsdialoog zijn opgenomen in bijlage 4.

5.2.2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van artikel 3.1.1. Bro zal vooroverleg plaats vinden met de overheidsinstanties waarvan de belangen in het geding zijn bij de ontwikkeling.

5.2.2 Zienswijze procedure Het bestemmingsplan heeft van 6 augustus 2021 tot en met 17 september 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van de ter inzagelegging hebben belanghebbenden een zienswijze in kunnen dienen. Tijdens de ter inzage legging is door de provincie Noord Brabant een zienswijze op dit plan ingediend. Deze zienswijze heeft tot aanpassingen van het plan geleid. Voor de aanpassingen wordt verwezen naar de Nota van Zienswijzen in bijlage 5.

44

6. Juridische toelichting Dit plan betreft een bestemmingsplan herziening van het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Meierijstad (vastgesteld door voormalige gemeente Veghel) ter plaatse van de Boerdonksedijk 1 te Erp.

6.1 Regels De planregels beschrijven de bestaande regeling voor een bedrijfsbestemming. De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met deze standaardregels wordt aangesloten op de regels als opgenomen in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel. Aanvullingen op deze regels in het kader van het toepassen van het BiO beleid zijn: ▪ ▪

De inhoudsmaat van de bedrijfswoning mag maximaal 900m3 bedragen. Het maximale oppervlak aan aan-, uit-, en bijgebouwen bij de woning mag maximaal 200m 2 bedragen.

6.2 Verbeelding Het plangebied behoudt haar bestemming Agrarisch met waarden. De functie aanduiding ‘intensieve veehouderij’ wordt verwijderd. De functieaanduiding ‘paardenhouderij’ wordt opgenomen.

45

Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5.

Landschappelijk inpassingsplan Omgevingsrapport Bodem Asbestinventarisatierapport Verslag omgevingsdialoog Nota van Zienswijzen

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b2bd9434-90bd-4624-989a-dbd84d9dce64