CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

toelichting boerdonksedijk 1 vaststelling

Raadsvergadering 10 mei 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Boerdonksedijk 1 te Erp'14.059 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Boerdonksedijk 1, Erp Wijziging ‘intensieve veehouderij’ naar ‘paardenhouderij’ & vergroten bedrijfswoning

Colofon Titel:

Bestemmingsplan Boerdonksedijk 1

Locatiegegevens:

Boerdonksedijk 1 5469 PN Erp

Opdrachtgever:

A.J.L. Slippens

Opdrachtnemer:

Mount advies

Adres:

De Loop 22 6027 SB Soerendonk

E-mail:

feije@mountadvies.nl

Auteur:

ing. F.M. Smies - van Eijndhoven

Versie:

9

Datum:

31 januari 2022

Plankenmerk:

NL.IMRO.1948.BGV000BP0022020P-VG01

2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................... 4 1.2 Principeverzoek ................................................................................................................................... 4 1.3 Ligging en begrenzing plangebied ........................................................................................................ 5 1.4 Planologische borging .......................................................................................................................... 6 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 6

2.

Het initiatief............................................................................................................................................. 7 2.1 Huidige situatie.................................................................................................................................... 7 2.2 Nieuwe situatie ................................................................................................................................... 8 2.3 Landschappelijke inpassing................................................................................................................ 14

3.

Beleidskader .......................................................................................................................................... 18 3.1 Rijksbeleid ............................................................................................................................................ 18 3.2 Provinciaal beleid ................................................................................................................................. 20 3.3. Gemeentelijk beleid ............................................................................................................................ 23

4.

Milieutechnische aspecten .................................................................................................................... 27 4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................. 27 4.2 Flora en Fauna ...................................................................................................................................... 27 4.3 Cultuurhistorie & Archeologie .............................................................................................................. 29 4.4 Mobiliteit en parkeren ......................................................................................................................... 31 4.5 Technische infrastructuur ..................................................................................................................... 33 4.6 Bodem.................................................................................................................................................. 33 4.7 Verkeers- en industrielawaai................................................................................................................ 34 4.8 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................................

34 4.9 Geur ..................................................................................................................................................... 37 4.10 Externe veiligheid ............................................................................................................................... 38 4.11 Bedrijven en milieuzonering ............................................................................................................... 40 4.12 Gezondheidsrisico’s ............................................................................................................................ 40 4.13 Waterparagraaf .................................................................................................................................. 41

5.

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 44 5.1 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 44 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 44

6 Juridische toelichting ................................................................................................................................... 45 6.1 Regels................................................................................................................................................... 45 6.2 Verbeelding .......................................................................................................................................... 45 Bijlagen .......................................................................................................................................................... 46

3

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer fokt al jaren op professionele schaal dressuurpaarden. De veulens en jonge paarden worden op dit moment op meerdere locaties in Nederland (Gendt en Lichtenvoorde) en Frankrijk gehouden. De initiatiefnemer heeft de locatie Boerdonksedijk 1 te Erp aangekocht om zijn fokkerij professioneler op te zetten en zodat alle paarden op 1 locatie gehouden kunnen worden. Dit heeft voordelen t.a.v. van het stalmanagement, het verzorgen van de paarden en het toezicht op de paarden. Op de locatie was een grootschalige varkenshouderij gevestigd. Deze intensieve veehouderij is door de initiatiefnemer beëindigd. Een deel van de meest linker gelegen stal blijft staan en is inmiddels gerenoveerd en aangepast voor de paardenhouderij. Initiatiefnemer wil graag de mogelijkheid om de bedrijfswoning te vergroten naar max. 900m3 met maximaal 200m2 aan bijgebouwen. Dit is mogelijk door invulling te geven aan het BiO beleid van de voormalige gemeente Veghel.

1.2 Principeverzoek Voor de beoogde plannen is een principeverzoek ingediend. Dit verzoek is in het college van 30 oktober 2018 behandeld. In haar schrijven geeft de gemeente aan in principe medewerking te verlenen aan het plan van initiatiefnemer en enkele voorwaarden te scheppen waaronder deze medewerking geschied. De gemeente noemt 3 voorwaarden: 1. Ruimtelijke voorwaarden. 2. Planologische haalbaarheid. 3. Geldigheidsduur principemedewerking. De ruimtelijke voorwaarden die de gemeente stelt zijn vervolgens uitgewerkt, deze uitwerking is hieronder opgenomen: 1. Ruimtelijk kader: a. Overtollige bebouwing wordt gesloopt: Voor de bouw van woningen waarbij een tegenprestatie aan de orde is (RvR-woning en BiOwoning), wordt een maximale inhoudsmaat van 750 m3 gehanteerd en een oppervlakte aan bijgebouwen van 100 m2. Via de glijdende schaal in het kader van het BiO Veghel beleid wordt de mogelijkheid geboden voor extra vergroting van de inhoud van de woning tot 900 m 3 en/of de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen tot 200 m2. De glijdende schaal kan alleen toegepast worden indien sprake is van een tegenprestatie volledig in de vorm van sloop van gebouwen. Hierbij geldt dat 1600m2 maximaal ingezet kan worden voor een inhoudsmaat van 900m3 en een gezamenlijke oppervlakte van 200m2 aan bijgebouwen.

De resterende bebouwing dat niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering moet worden gesloopt. b. Landschappelijke inpassing: ▪

Het perceel Boerdonksedijk 1 in Erp ligt in vrij open agrarisch landschap, waarin opgaande beplanting met name gekoppeld is aan wegen en erven. De Boerdonksedijk is voorzien van een laanbeplanting van Eiken, langs de noordzijde is een houtsingel met oude Eiken aanwezig (eigendom Staatsbosbeheer), langs de oost- en zuidzijde enkele oude Eiken en Knotwilgen. Aan de voorzijde zijn de huidige bijgebouwen deels aan het oog onttrokken door een (doorgeschoten) Beukenhaag en enkele laagstam-fruitbomen.

4

▪

▪

De voorgestelde ingreep met een (toekomstige) binnenbak 20 x 40m en een buitenbak 20 x 60m is fors in combinatie met een paardenstal. En zal met name fors ogen omdat de binnenbak erg dicht op de openbare weg met fietspad komt te liggen en de buitenbak erg dicht tegen de achterperceelsgrens nabij bestaande bomen (binnen de kroonprojectie). 3. Voor een goede landschappelijke inpassing is ruimte nodig vooral aan de zijde van de Boerdonksedijk. Het is mogelijk de locaties van de binnen-/buitenbak te verschuiven (of de afmetingen te verkleinen), waardoor een betere inpassing op het perceel en in de omgeving wordt bewerkstelligd. Op die manier ontstaat meer ruimte voor inpassing met groen. De huidige begroeiing (Eiken, Knotwilgen) op de kavelgrenzen, beukenhagen en fruitbomen bieden voldoende aanknopingspunten om bebouwing en erf in te passen in het landschap. Het is wenselijk om daar ook de tuin aan de voorzijde van de woning te betrekken. Bij een goede landschappelijke inpassing wordt rekening gehouden met de typische kenmerken en kwaliteiten van het landschap door middel van het gebouw en/of aanplant van gebiedseigen beplanting. Een inrichtingsplan met beplantingsplan (op schaal) dient te worden aangeleverd. Bij een landschappelijke inpassing hoort ook een motivatie en onderbouwing van de gemaakte keuzes. De inzet van een deskundige (landschapsarchitect) is nodig.

2. Parkeren: Dient volledig op eigen terrein plaats te vinden. 3. Dialoog: In de planuitwerking vragen wij u de belangen van derden mee te nemen door middel van het voeren van de ruimtelijke dialoog. Dit overleg dient u te voeren voorafgaand aan de ruimtelijke procedure. Ten aanzien van de planologische haalbaarheid en de geldigheidsduur van de principemedewerking geeft de gemeente aan via welke route de aanvraag tot herziening kan geschieden en dat de principeuitspraak een geldigheidsduur kent van één jaar.

1.3 Ligging en begrenzing plangebied

Figuur 1.1 Ligging plangebied

Figuur 1.2 Locatie met voormalige varkenshouderij

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad en is gelegen ten zuiden van de dorpskern Erp. De Boerdonksedijk is de doorgaande verbindingsweg tussen Boerdonk en Erp. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Erp, sectie S, nummer 839 en 840.

5

1.4 Planologische borging De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel op 22 oktober 2015. Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ met aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en heeft een bouwblok met een oppervlakte van circa 9600 m2. Binnen de bestemming is een paardenfokkerij direct toegestaan. Het vergroten van het woonhuis naar 900m3 conform het BiO beleid is niet direct binnen het bestemmingsplan mogelijk. Daarvoor is een bestemmingsplan wijziging noodzakelijk. Doordat een bestemmingsplan wijziging nodig is, zal ook direct de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ van de locatie afgehaald worden zodat het in de toekomst niet meer mogelijk is hier een iv-bedrijf te vestigen. Omdat in de toekomst door de dochter ook een gebruiksgerichte paardenhouderij op de locatie opgericht zal worden wordt tevens de aanduiding ‘paardenhouderij’ op de locatie opgenomen. In het kader van de vooroverlegreactie van de provincie zal het bouwblok verkleind worden naar circa 8730m2.

1.5 Leeswijzer In onderhavige ruimtelijke onderbouwing is in hoofdstuk één een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het plangebied en het vigerend planologische regime is beschreven. Hierna is in het tweede hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de huidige en beoogde situatie met de landschappelijke inpassing. In hoofdstuk 3 worden de ruimtelijke ontwikkelingen die deze ruimtelijke onderbouwing mogelijk maakt getoetst aan het ruimtelijk beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieutechnische en planologische aspecten beschreven waarin de haalbaarheid van de plannen wordt aangetoond. De financiële en maatschappelijke uitvoer-baarheid wordt verantwoord in hoofdstuk 5.

6

2. Het initiatief 2.1 Huidige situatie 2.2.1 Varkenshouderij Op de locatie was varkenshouderij gevestigd. Het bedrijf bestond uit een bedrijfswoning (oppervlakte circa 80m2) een (veld)schuur (oppervlakte circa 280m2) een tweede, kleinere schuur (oppervlakte circa 80m2), een derde schuur (oppervlakte circa 265m2), een verouderde tweetal aan elkaar gebouwde varkensstallen (oppervlakte circa 1.450m2) en een tweetal modernere aan elkaar gebouwde varkensstallen (oppervlakte circa 1.420m2). Voor de varkenshouderij is nog een milieuvergunning aanwezig voor in totaal 2061 stuks varkens. Tevens is op 3 september 2014 een natuurbeschermingswetvergunning verleend. De bedrijfsactiviteiten van de varkenshouderij zijn in 2019 beëindigd. De natuurbeschermingswet vergunning voor de varkens zal omgezet worden voor het houden van de paarden op deze locatie en op een andere locatie van de initiatiefnemer. De overige rechten worden overgedragen aan andere projecten.

Figuur 2.1 Actuele vergunde situatie Boerdonksedijk 1 Erp

Figuur 2.2 Foto varkenshouderij – welke grotendeels is gesaneerd

7

2.1.2 Bedrijfswoning Op de locatie is een bedrijfswoning aanwezig. Deze bedrijfswoning is verouderd en toe aan renovatie. Op basis van het bestemmingsplan mag een bedrijfswoning een maximale inhoudsmaat hebben van 750m3. Op onderstaande afbeelding is links de oude woning zichtbaar. Inmiddels heeft initiatiefnemer de gehele woning verbouwd middels de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan, zoals zichtbaar is op de foto rechts.

Figuur 2.3 Bedrijfswoning voor renovatie

Figuur 2.4 Bedrijfswoning na renovatie

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Paardenhouderij In de periode na het principeverzoek heeft gemeente Meierijstad te maken gehad met ondercapaciteit waardoor het bestemmingsplan geruime tijd stil is komen te liggen. Na overleg heeft de gemeente ingestemd met de start van de sloop van de varkensstallen en heeft zij aangegeven dat op basis van het vigerende plan het mogelijk is om de paardenhouderij te starten. Hiertoe heeft initiatiefnemer de overtollige reeds bebouwing gesloopt, waarvan de vierkante meters ingezet worden voor het vergroten van de bedrijfswoning naar 900m3 en een bijgebouw van 200m2. De locatie is geheel opgeknapt en ook de verouderde bedrijfswoning is helemaal verbouwd en reeds vergroot naar 750m3 conform het vigerende bestemmingsplan.

Figuur 2.5 Luchtfoto nieuwe situatie

8

Initiatiefnemer heeft de varkenshouderij op het plangebied inmiddels beëindigd en er een paardenfokkerij van gemaakt. Initiatiefnemer richt zich op de fokkerij voor de dressuursport en richt zich op het fokken van paarden voor de hogere wedstrijdsport. Hij heeft hier al veelvuldig aangetoond in staat te zijn kwaliteitsvolle dressuurpaarden te fokken. Het bedrijf zal tevens (potentiele) klanten gaan verwelkomen en dient daardoor ook voor het oog zeer aantrekkelijk te zijn, op ieder vlak worden hoge standaarden nageleefd. Initiatiefnemer beoogd een zeer beperkt deel van de bestaande gebouwen te behouden, aan te passen en te renoveren. Een deel van de ‘nieuwe’ biggen- en vleesvarkensstal (opgericht in 2008) en een (veld)schuur blijven behouden en worden verbouwd tot paardenstallen. Op het bedrijf worden de jonge paarden vanaf het moment dat ze afgespeend zijn van de moeder gestald. Er is ruimte voor vier groepen van paarden. Ieder jaar komt er een groep nieuwe veulens bij en worden de 4-jarige paarden verkocht of elders op een handel- trainingsstal gestald voor verdere opleiding. Vanaf 2,5 jaar worden de jonge paarden op de locatie getraind voor deelname aan bijvoorbeeld de hengstenkeuring, jonge paardentesten en kampioenschappen. Gedurende de training worden de paarden geselecteerd op kwaliteit. Kwaliteitsvolle paarden worden doorgetraind en minder goede paarden worden verkocht.

De veulens welke in de stallen opgroeien zullen vanaf 2,5 jarige leeftijd getraind en opgeleid worden, vanaf dat moment is het noodzakelijk dat er voorzieningen aanwezig zijn dit te doen. Er dient daarom een buitenpiste van 20 x 60 met professionele bodem gerealiseerd te worden. De bestaande weilanden om het bouwblok heen blijven behouden voor de uitloop van de paarden. Binnen enkele jaren zal de dochter het bedrijf overnemen. Bij deze overname zullen de werkzaamheden met de paarden zich meer gaan focussen op het trainen, opleiden en wedstrijdklaar maken van de eigen gefokte paarden evenals paarden van derden. De fokkerij zal worden afgebouwd naar circa 4 veulens per jaar. Daarom wordt er naast de agrarische bestemming ook de aanduiding ‘paardenhouderij’ opgenomen zodat deze privé- / trainingsstal passend is binnen de regels. Omdat er ook paarden van derden getraind zullen worden wordt er binnen de planregels ondergeschikte pensionstaling mogelijk gemaakt zodat deze boxen verhuurd kunnen worden. De VNG publicatie paardenhouderij in het Omgevingsrecht geeft ook aan dar er op paardenhouderijen vaak een mengvorm is van verschillende bedrijfsactiviteiten:

“In de paardenhouderij hebben de meeste bedrijven geen zuiver agrarisch karakter. Het overgrote deel richt zich mede- al dan niet in overwegende mate – op aanverwante agrarische activiteiten, zoals de trainings- en africhtingstallen, al dan niet als onderdeel van een fok- en opfokstal, de sportstallen, de handelsstallen en de pensionstallen. Vaak komen mengvormen voor. Voor deze bedrijven, inclusief de opfokbedrijven, wordt aanbevolen in bestemmingsplannen de agrarische bestemming te verruimen. Daartoe is een aanpassing van de planregels noodzakelijk. Achterliggende gedachte is dat ook in de paardenhouderij vee wordt gehouden, waardoor vestiging in het buitengebied het meest voor de hand ligt.” Het bedrijf zal in 4 stappen omgevormd worden: 1e stap renovatie bedrijfswoning – reeds gerealiseerd Om bewoning van het plangebied mogelijk te maken is het in een eerste fase noodzakelijk om de aanwezige bedrijfswoning te renoveren en als dit niet mogelijk is te slopen en herbouw te plegen. De initiatiefnemer wil de bedrijfswoning gedeeltelijk nieuw oprichten. De staat van de woning is zodanig

9

dat in eerste instantie de woning gerenoveerd en vergroot wordt tot 750m 3. Dit is inmiddels gerealiseerd. 2e stap verbouw varkensstal naar paardenstal – reeds gerealiseerd

Figuur 2.6 Indeling paardenstal

Vervolgens zal de te behouden varkensstal worden verbouwd naar een paardenstal. Er komen standaard boxen (3,5m x 3,5m), merrie/veulenboxen (4m x 4m), loopstallen, zadelkamer, poets en wasplaats, solarium, opvoelbox, een aparte ruimte voor de hoefsmid, voerkamer, opslag voor hooi- en stro en een indoor paddock/ longeerpiste, in het reeds bestaande gebouw.

Figuur 2.7 foto nieuwe situatie vanaf Boerdonksedijk

10

Figuur 2.8 foto nieuwe situatie vanaf gerenoveerd paardenstal richting Boerdonksedijk

3e stap verbouw bestaande veldschuur – reeds gerealiseerd De bestaande veldschuur wordt gerenoveerd zodat dit een dichte schuur wordt en zal onder andere gebruikt worden voor opslag en als werktuigenloods en er komt er een ontvangstruimte voor gasten/ klanten en een kantoor.

Figuur 2.8 gerenoveerde veldschuur met Kantoor / ontvangst gasten en werktuigenloods

4e stap realiseren binnenbak. De laatste fase in de ontwikkeling van het bedrijf is het oprichten van een binnenbak om de mogelijkheid te bieden de jonge paarden ook overdekt op te kunnen leiden en niet afhankelijk te zijn van het wisselende Nederlandse weer.

11

2.2.2. Bedrijfswoning De wens van de initiatiefnemer is om de bedrijfswoning op termijn te vergroten naar 900m 3. De gemeente heeft in haar principeverzoek aangegeven mee te willen werken onder voorwaarden dat er een tegenprestatie wordt geleverd. Middels geleidende schaal is het vergroten van de woning mogelijk. De sloop van de varkensstallen ter plaatse wordt ingezet als tegenprestatie.

2.2.3 Verkleinen bouwblok Het bouwblok wordt ten aanzien van de beoogde ontwikkeling verkleind. Het huidige oppervlak is circa 9600m2. Het nieuwe bouwblok wordt circa 8730m2. Aan de voorzijde van het perceel wordt het bouwblok met circa 870m2 verkleind. Dit deel van het bouwblok wordt gebruikt als weiland. Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie is op verzoek van de gemeente het bouwblok hier verkleind. De wens is om op termijn nog een binnenbak te realiseren. Met het verkleinen van het bouwvlak aan de straatzijde wordt voorkomen dat er een nieuw bedrijfsgebouw dicht op de weg gebouwd kan worden. De verkleining van het bouwblok heeft daarmee ook direct een effect op de stedenbouwkundige inpasbaarheid en de kwaliteitsverbetering van het landschap. De gemeente heeft bij de behandeling van het principe verzoek aangegeven dat de locatie van de binnenbak nog gewijzigd mag worden om deze minder prominent aanwezig te laten zijn op het bouwblok. Met het verkleinen van het bouwblok wordt hier dan ook al invulling aan gegeven. De binnenbak zal pas over enkele jaren gerealiseerd worden. Initiatiefnemer gaat dan graag in overleg met de gemeente over de meest geschikte ligging op het perceel. Mogelijk dat hiervoor dan een vormverandering van het bouwblok nodig is.

Hoewel het bedrijf in 4 fases opgericht zal worden is het wel noodzakelijk om in de herziening van het bestemmingsplan ter plaatste rekening te houden met het uiteindelijke bedrijf. In het aangepaste bouwblok is derhalve rekening gehouden met voldoende ruimte om ieder onderdeel van het bedrijf correct te kunnen plaatsen. In onderstaande afbeelding 2.9 is de aanpassing van het bouwblok opgenomen. Het bouwblok wordt verkleind naar circa 8730m2. De nieuwe vorm van het bouwblok is met de blauwe lijn aangegeven. Het gearceerde deel zal verwijderd worden. Het huidige bouwblok is met de rode lijn aangegeven.

12

Figuur 2.9 Overzicht huidig bouwblok (rode lijn) en nieuw bouwblok (blauwe lijn) het

2.2.4 Sloop van bedrijfsgebouwen Zoals op bovenstaande afbeelding is te zien wordt het overgrote deel van de intensieve veehouderij gesloopt. De sloop heeft inmiddels na overleg met de gemeente plaatsgevonden. Hiervoor is een sloopmelding ingediend. Initiatiefnemer wenst de bedrijfswoning met gebruik van het BiO beleid van de voormalige gemeente Veghel te vergroten naar 900m 3, dit is mogelijk wanneer vierkante meters bedrijfsgebouwen worden ingeleverd. In totaal wordt er 2700m2 gesloopt. Hiervan wordt 1600m2 ingezet in het kader van het BiO beleid. Voor verdere uitwerking van dit beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2. De overtollige vierkante meters van de gesloopte bijgebouwen zijn niet ingezet voor de Ruimte voor Ruimte regeling. Dit kan ook niet meer aangezien de sloop al heeft plaats gevonden. Om de provincie garantie te geven dat deze oppervlaktes niet gebruikt zijn voor toepassing van de

13

Ruimte voor ruimte regeling wordt in de anterieure overeenkomst een passage opgenomen dat toepassing van de Ruimte voor Ruimte regeling van de resterende 1100m 2 niet is toegestaan.

Figuur 2.10 overzicht van de te behouden gebouwen de te slopen gebouwen

2.3 Landschappelijke inpassing 2.3.1 beleidskader Op basis van artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening dient iedere ruimtelijke ontwikkeling gepaard te gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Daarnaast heeft het college van Burgemeester en wethouder bij het instemmen van het principe verzoek als voorwaarde gesteld dat er een landschappelijke inpassing plaats vindt. Kwaliteitsverbetering wordt niet alleen bereikt met een traditionele groene inpassing van het initiatief. De aanleg van (cultuurhistorische) landschapselementen, het terugbrengen of behouden van ontginningsstructuren, de realisering van nieuwe natuur, ecologische verbindingszones of landschapsversterkende maatregelen van waterstructuren dragen ook bij aan de kwaliteit van het landschap. Dit geldt ook voor sloop van bebouwing, het verbeteren van de recreatieve ontsluiting van een gebied en het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden. Gemeentes en regio’s hebben de vrijheid om zelf nadere beleidsregels te stellen over de wijze van invulling hiervan. Voor onderhavige ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het gehele plan is opgenomen in bijlage 1.

2.3.2 Ligging en geschiedenis landschap De locatie is gelegen ten zuiden van de kern Erp. Het gebied is gelegen in cultuurhistorisch landschap de Meierij. De Meierij bestaat met name uit vlakke tot licht golvende zandgronden. Verder kenmerkt het gebied zich door het zogenaamde populierenlandschap. Vroeger werden er vaak populieren geplant langs de openbare wegen ten behoeve van de klompen- en luciferindustrie. Dit zorgde voor een kleinschalig, besloten landschap. Door de afnemende klompen- en luciferindustrie na de tweede wereldoorlog was de populierenteelt niet meer noodzakelijk. Onder andere door ruilverkaveling en projectontwikkeling is een groot deel van het populierenlandschap verdwenen. Het kavelpatroon is in deze periode ook veranderd. De kavels zijn grootschaliger geworden en de beplanting op de perceelsgrenzen is voor een groot deel

14

verdwenen. Wel zijn de bomenrijen langs de wegen voor een groot deel intact gebleven in de omgeving van het plangebied. Het bebouwingspatroon is door de jaren heen ook veranderd. Met name in de periode na 1950 is de bebouwing flink uitgebreid. Dit komt met name door de uitbreiding van het aantal en de grootte van de agrarische bedrijven in de omgeving.

Figuur 2.11 Historische kaarten omgeving plangebied. Bron: www.topotijdreis.nl

2.3.3. Huidige groensituatie Het perceel is gelegen binnen een groene kamer in een halfopen agrarisch gebied. Aan de noord, oosten zuidzijde liggen houtsingels om het terrein heen. De singel aan de noordzijde is op dit moment nog in eigendom van Brabants landschap. Initiatiefnemer is met deze partij in overleg om deze houtsingel aan te kopen. De andere houtsingels zijn al in eigendom. Door deze bestaande houtsingels heeft het gehele terrein een groen karakter. Doordat er een grote hoeveelheid stallen is gesloopt wordt er een kwaliteitswinst behaald. De Boerdonksedijk is gelegen in een open agrarisch landschap. Slechts enkele bedrijfskavels zijn gesitueerd in een ‘groene kamer’. Deze locaties zijn omzoomd door opgaande houtopstanden, hagen, singels etc. Deze groene kamers zijn een aangename afwisseling in het geopende landschap. De Boerdonksedijk is voorzien van een eikenlaanbeplanting. Aan de noordkant van de locatie is een bestaande houtsingel voorzien van twee waterlopen aanwezig. Deze houtsingel wordt gevormd door bestaande eiken, met oeverbegroeiing in de vorm van inheemse heesters. Deze singel is nog in eigendom van Brabant Landschap, maar initiatiefnemer is in onder-handeling om deze singel aan de te kopen. Aan de oostzijde staan op het noordelijke deel op de grens enkele eiken, meer naar het zuiden staan meerdere knotwilgen.

De perceelsgrens wordt eveneens gemarkeerd door een waterloop.

15

Aan de zuidzijde is een halfopen singel gelegen op gronden van de buren. Deze houtopstand wordt gevormd door eiken, knotwilgen en enkele sierbeplanting. Aan de westzijde is de Boerdonksedijk gelegen. Deze is voorzien van laanbeplanting welke aan weerszijde van de weg staan. Aan de zijde van het plangebied is een groenstrook van circa 3 meter breed gelegen tussen de weg en het fietspad waarin de laanbeplanting staat.

2.3.4. Erf beplantingsplan De kwaliteit van de kavel gaat enorm vooruit door de sloop van circa 2700m 2 aan varkensstallen. De locatie is al gelegen in een ‘groene kamer’ waardoor er al sprake is van een inbedding in het landschap. Echter is hierin nog een verbetering te realiseren, zeker aangezien in de toekomst er nog voorzieningen zoals een binnenbak zal worden gerealiseerd (locatie is nader te bepalen in overleg met gemeente). Voor de landschappelijke inpassing zijn de volgende elementen van belang: ▪

Aansluiting en verbinding met het groen aan de Boerdonksedijk

▪

Versterken groenstructuur voor behoud ‘groene kamer’.

▪

Versterken groen aan randen verschillende paardenweides.

▪

Behouden sterke bestaande groenelementen.

▪

Gebruik maken van inheemse soorten.

▪

Inrichten nieuwe voortuin (wordt in volgende hoofdstuk verder uitgewerkt)

Omdat de locatie al zeer groen is, welke met name gekenmerkt wordt door de houtwallen en laanbeplanting met voornamelijk eikenbomen en de knotwilgen aan de rand van het perceel, dient de aanvullende landschappelijke inpassing hierop aan te sluiten. Door de grote hoeveelheid gesloopte bebouwing is het van belang dat de groene kamer zijn identiteit niet verliest. Hier zal bij de inrichting rekening gehouden moeten worden. Tevens is het bij de inrichting en met name de soortkeuze van de beplanting van belang rekening te houden met de nieuwe functie van de locatie; paardenhouderij. Veel plant en boomsoorten zijn schadelijk en/of giftig voor paarden wanneer zij de bladeren en/of vruchten hiervan eten. Bij het ontwerp is daar rekening mee gehouden. Voor de erfbeplating is gekozen voor een landelijke en ook praktische indeling gekozen: 1) Voor het behoud van de groene kamer wordt de houtwal aan de zuidzijde op eigen grond versterkt. Op grond van de buren is al een wal aanwezig. Over een lengte van 104 meter worden heesters geplant. 2) De houtwal een de oostzijde blijft als zodanig bestaan. Door de afwisseling zijn hier lichte doorkijkmogelijkheden naar het achterliggend landschap wat een fraai en speelse indeling is, die graag behouden blijft. 3) De houtwal aan de noordzijde zal aangekocht worden, hier vinden verder geen aanpassingen in plaats.

4) De paardenwei wordt opgedeeld in 4 delen, zodat er verschillende groepen paarden gehouden kunnen worden. De omheining is van hout. Zowel aan de buitenkant als ook bij de opsplitsing van de weides worden naast de omheining beukenhagen geplaatst. De gehele voorzijde van de

16

Boerdonksedijk is zo voorzien van een beukenhaag. In de loop der jaren zal de houten omheining niet meer zichtbaar zijn. 5) De bestaande fruitbomen (5 stuks) blijven behouden en worden ingepast in het tuinontwerp (zie volgende hoofdstuk) 6) Op het terrein worden 6 volwassen bomen in groene borders geplaatst.

Figuur 2.12 Erfbeplantingsplan

17

3. Beleidskader In dit hoofdstuk worden de beleidskaders die van toepassing zijn op de beschreven beoogde ontwikkelingen uit paragraaf 2.2 benoemd en wordt aangegeven hoe de ontwikkelingen passend zijn binnen deze beleidskaders.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de Mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: ▪

▪

▪

Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport). Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt. Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.

De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De regels welke doorvloeien vanuit het Rijk zijn door vertaald in de provinciale verordening en het bestemmingsplan van de gemeente. Belangrijk aandachtspunt hierbij zijn de effecten op de NNN.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt de juridische doorvertaling van het rijksbeleid en is een verdere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken en toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Provincies dienen deze regels door te vertalen in hun beleid en verordeningen en vervolgens dienen deze regels ook een plek te krijgen in de verschillende bestemmingsplannen, aanpassingsplannen etc. Regels t.a.v. de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

18

Deze ruimtelijke onderbouwing schaadt geen nationaal belang. Vandaar dat de regels zoals gesteld in het Barro, niet van toepassing zijn. Onderhavige ontwikkeling is ook niet in strijd met de regels van het Barro.

3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema dat alle mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De ladder duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De motiveringseis om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking is vervolgens vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Het systeem van de ladder zorgt voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming waar wel en waar niet mag worden gebouwd. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid wat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aan de hand van 3 stappen dient het ruimtelijk vraagstuk gemotiveerd te worden: 1. Bepalen van de regionale vraag naar ruimte 2. Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied 3. Bouwen buiten bestaand stedelijk gebied De ladder duurzame verstedelijk is erop gericht om ontwikkelingen die een ruimtelijke impact hebben zoveel mogelijk binnen het bestaand stedelijk gebied op te vangen. Hierdoor wordt verstening van het buitengebied tegengegaan.

Uitgangspunt is dat steden en dorpen niet onnodig ‘uitdijen’ terwijl er in de kernen nog ruimte is voor ontwikkelingen. Wanneer er in de kernen ontwikkellocaties zijn moeten deze eerst opgevuld worden alvorens men uitbreidt in het buitengebied. Ook wanneer het gaat om herstructureringsprojecten moet hier voorrang aan gegeven worden. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan nieuwe bebouwing die een stedelijk karakter heeft zoals woningbouw, realisatie winkelruimte, kantoorpanden, bedrijventerreinen of overige stedelijke functies (maatschappelijk, religie, cultuur, leisure, recreatie -> dit op basis van uitspraken van de RvS). De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (kantoren, woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. De beoogde ontwikkelingen zijn agrarisch van aard waarbij de paardenhouderij tevens een grondgebonden functie is. Deze functies komen niet voor in het rijtje (wonen, kantine, winkels, bedrijventerrein etc.) wat getoetst moet worden aan de ladder duurzame verstedelijking. Met de beoogde functies neemt de bebouwing op de locatie af. Derhalve hoeft er geen ladder toets doorlopen te worden.

19

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Daardoor dragen ontwikkelingen bij aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De ruimtelijke keuzes geven invulling aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. Dit zijn (voor dit plan van toepassing zijnde); ▪ ▪ ▪ ▪

vitaal en divers platteland (landelijk gebied); een robuust water- en natuursysteem; economische kennisclusters; beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur.

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen; samen vormen zij de provinciale ruimtelijke structuur. Voor het buitengebied gelden twee structuren: ▪ ▪

de groenblauwe structuur; is nodig voor goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering; de agrarische structuur; bestaat uit twee perspectieven: ten eerste het behouden van agrarische productieruimte in de delen van het buitengebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen en ten tweede behoud en ontwikkeling van gebieden met een breed georiënteerde, gemengde plattelandseconomie.

Zoekgebied verstedelijking; Hier is het perspectief van kernen in het landelijk gebied van toepassing. De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, kunnen voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen). In het figuur is een uitsnede weergegeven van de provinciale structurenkaart. Te zien is dat het plangebied in het gemengd landelijk gebied is gelegen, het gemengd landelijk gebied maakt deel uit van de agrarische structuur.

Figuur 3.1 bron: www.ruimtelijkeplannen.nl – uitsnede provinciale structuren kaart

20

Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. De provincie biedt ruimte aan een breed georiënteerde plattelandseconomie met een menging van functies met ontwikkelingsmogelijkheden voor land- en tuinbouw, toerisme en recreatie en verbreding van agrarisch activiteiten met streekproducten, zorgverblijven en recreatief verblijf. De landbouw, toerisme en recreatie zijn belangrijke dragers van de plattelandseconomie. De provincie wil ruimte bieden voor de verdere ontwikkeling van de land- en tuinbouw, mits deze bijdraagt aan een verdere verduurzaming van de sector. Belangrijke aspecten daarbij zijn zorgvuldig ruimtegebruik, volksgezondheid, dierenwelzijn, een afname van de milieubelasting, duurzame energieopwekking en efficiënt energiegebruik. De beoogde ontwikkeling op het plangebied past binnen de structuurvisie van de provincie NoordBrabant. De provincie stimuleert het beëindigen van intensieve veehouderijen en het vinden van een passende herbestemming. Een paardenfokkerij is een passende herbestemming. Het vergroten van de bedrijfswoning binnen de regels van het BiO beleid schaadt geen provinciale regels.

3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant in 2050. De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor- en nadelen die daaraan kleven. Het plangebied ligt in Oost Brabant. De omgevingsvisie ziet hier de verbinding met de steden Den Bosch, Nijmegen en Eindhoven en de verbinding met greenport Venlo. De regio kent een hoge natuurwaarde en tevens veel agrarische activiteit. De Provincie ziet de agrarische sector in deze regio omvormen tot een sector die meer op kwaliteit produceert. De omgevingsvisie geeft tevens de visie weer van de Provincie op haar eigen rol en hoe zij de gewenste ontwikkeling naar 2050 wil stimuleren. De provincie ziet zichzelf als verbinder en als aanjager waar nodig. De landbouw is een belangrijke economische factor die veel exporteert. Ten aanzien van de (intensieve) landbouwsector ziet zij dat de sector een aantal forse uitdagingen heeft en wil de Provincie een rol pakken om van de sector een meer natuurinclusieve sector te maken. De beoogde ontwikkeling op het plangebied past binnen de structuurvisie van de provincie NoordBrabant.

De sanering van het varkensbedrijf en het oprichten van een op hoge kwaliteit toegespitste paardenhouderij is een verbetering van de kwaliteit van het buitengebied. Het vergroten van de bedrijfswoning binnen de regels van het BiO beleid schaadt geen provinciale regels

3.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De nieuwe omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019. Deze interim omgevingsverordening vervangt de Verordening Ruimte en speelt vast in op de Omgevingswet die naar verluid halverwege 2021 in werking zal treden. De omgevingsverordening vervangt tevens de Provinciale milieuverordening, de Verordening natuurbescherming, de Verordening Ontgrondingen, de Verordening ruimte, de Verordening water en de Verordening wegen. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim Omgevingsverordening. Deze Interim Omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal.

21

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de definitieve Omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel aanpassingen vanwege de Omgevingswet meegenomen, als ook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Uitgaande van de huidige planning van de Omgevingswet wordt de definitieve omgevingsverordening in november 2020 vastgesteld. Voor onderhavige ruimtelijke onderbouwing betekent dit dat er op dit moment aan de Interim omgevingsverordening getoetst dient te worden.

Figuur 3.2 Interim Omgevingsverordening - basis kaart landelijk gebied

De locatie is gelegen binnen het gemengd landelijk gebied met de volgende aanduidingen: ▪

landelijk gebied

Voor de planlocatie voor de paardenhouderij is artikel 3.58 overig-agrarisch bedrijf in gemengd landelijk gebied van toepassing: Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Voor de planlocatie voor het vergroten van de bedrijfswoning naar 900m3 is artikel 3.68 wonen in landelijk gebied van toepassing: Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat:

alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Het omschakelen van de intensieve veehouderij naar paardenhouderij past binnen de interim omgevingsverordening. Het bouwblok blijft ongewijzigd. In de interim omgevingsverordening staan geen regels voor de inhoudsmaten van bedrijfswoningen. Met het vergroten van de bestaande bedrijfswoning worden geen provinciale regels geschaad. De beoogde ontwikkeling past binnen de provinciale regels. Er mag een paardenhouderij gevestigd worden onder de voorwaarden dat er geen gebruik wordt gemaakt van een provinciale subsidie regeling zoals de Ruimte voor Ruimte regeling. Er wordt geen gebruik gemaakt van deze regeling.

22

3.3. Gemeentelijk beleid 3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030

De gemeenteraad van voormalige gemeente Veghel heeft op 19 december 2013 de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ vastgesteld. In de structuurvisie is op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied naar toe gaat in de periode tot 2030. Als inspiratiekader voor de structuurvisie heeft de gemeente Veghel de op het moment van schrijven aanwezige structuurvisies genomen, waaronder de structuurvisie Buitengebied in Ontwikkeling. Het plangebied is aangeduid als ‘Ontwikkelen afwisselend ‘buitenlandschap’ voor landbouw, wonen, werken, recreatie & landschap’ en grenst aan een strook die aangeduid is als ‘tracé zuidelijke ontsluitingsweg Erp’.

Figuur 3.3 Visie Kaart 2030

De agrarische sector blijft ook tot 2030 zonder meer de belangrijkste drager voor het Veghels buitengebied. Voor de visie op bedrijvigheid & landbouw heeft de gemeente in paragraaf 3.7 beleid verder uitgewerkt. De planlocatie heeft hierin de aanduiding ‘ruimte voor landbouw in het buitengebied’ en grenst direct aan een gebied wat is aangeduid als ontwikkelingsgebied voor de agrarische sector. In de overige delen, waarin het plangebied gelegen is, van het buitengebied vormt de landbouw weliswaar een belangrijke drager, maar is de groeiruimte veel beperkter. Daarnaast bieden deze gebieden meer ruimte voor andere functies, zoals wonen, recreatie en voorzieningen. De beoogde ontwikkeling van het plangebied past binnen de structuurvisie van de gemeente. Het beëindigen van de varkenshouderij heeft een positief effect op de omgeving en biedt ook kansen voor nieuwe ontwikkelingen in de directe omgeving naast de paardenhouderij. Het bouwblok blijft ongewijzigd zodat de paardenhouderij op deze locatie zich in de toekomst kan ontwikkelen van

23

paardenfokkerij en opfokbedrijf naar een paardenhouderij waarbij tevens ingezet wordt op het trainen, africhten en verhandelen van paarden. Er wordt geen groeiruimte gecreëerd, maar gewerkt met de bestaande ruimte die er is binnen de huidige bouwmogelijkheden. Doordat de intensieve veehouderij verdwijnt is dit een zeer positieve kans voor de gemeente om het gebied meer in te zetten voor wonen en recreatie waardoor de functiemening veel beter tot zijn recht komt. Binnen de bestaande mogelijkheden wil de gemeente ruimte voor groei geven e.e.a. is ook vastgelegd in het coalitie akkoord ‘MIJLPALEN VAN MEIER IJSTAD 2017-2022’; “Meierijstad is een aantrekkelijke groene middelgrote landschapsstad, centraal gelegen tussen de stedelijke kernen Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Oss. Een toonbeeld van het ‘Brabantse mozaïek’ en een proeftuin voor innovatie in combinatie met een aantrekkelijke en veilige leefomgeving. Een omgeving die kansen biedt en waarvoor zowel fysiek maar ook vanuit de bestuurscultuur ruimte wordt geboden.” Aan de ene kant wordt met dit plan het doel bereikt om een aantrekkelijke en veilige leefomgeving te realiseren door de milieuwinst die behaalt wordt. Aan de andere kant krijgt de initiatiefnemer de kans om het paardenbedrijf hier op te zetten, zonder beperkingen.

3.3.2

Tegenprestatie ontwikkelingsmogelijkheden en kwalitatieve verbeteringen in het kader van Buitengebied in Ontwikkeling (onderdeel 3 van de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling)

Voor de vergroting van de aanwezige bedrijfswoning naar 900m3 is het beleid ‘Buitengebied in Ontwikkeling Veghel’ van belang. Dit beleid is vastgesteld door de voormalige gemeente Veghel en nog steeds vigerend. De locatie is gelegen in het gebied 1: Dorpslandschap Erp. Binnen dit deelgebied is het mogelijk om woningen onder voorwaarden te vergroten naar 900m3.

Figuur 3.4 BiO-beleid binnen dorpslandschap Erp

Voor de bouw van woningen waarbij een tegenprestatie aan de orde is wordt een maximale inhoudsmaat van 750 m3 gehanteerd en een oppervlakte aan bijgebouwen van 100m2. Via de glijdende schaal wordt de mogelijkheid geboden voor extra vergroting van de inhoud van de woning tot 900m3 en/of de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen tot 200m2. De glijdende schaal kan alleen toegepast

24

worden indien sprake is van een tegenprestatie volledig in de vorm van sloop van gebouwen. Hierbij geldt dat 1600m2 maximaal ingezet kan worden voor een inhoudsmaat van 900m3 en een gezamenlijke oppervlakte van 200m2 aan bijgebouwen. Onderstaand de geleidende schaal:

Figuur 3.5 Geleidende schaal BiO beleid

In het plangebied wordt in totaal circa 2.700 m2 stallen gesloopt. Met 2.700 m2 voldoet de beoogde ontwikkeling op het plangebied ruimschoots aan deze regeling. De resterende 1.100m2 aan bijgebouwen wordt nu gesloopt. Deze vierkante meters worden niet ingezet voor een andere (subsidie) regelingen zoals Ruimt voor Ruimte. Hiermee blijft de ruimte bestaan om in de toekomst de binnenbak te realiseren. Op de slooplocatie dient conform het beleid een passende herbestemming gerealiseerd te worden. Deze is gevonden in het omzetten van de intensieve veehouderij naar de paardenhouderij. Het initiatief past binnen de beleidsregel buitengebied in ontwikkeling. Op de locatie wordt ruim 2.700m2 aan varkensstallen gesloopt. Op basis hiervan is het mogelijk de woning te vergroten naar 900m3.

3.3.4 Bestemmingsplan De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied”, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van voormalige gemeente Veghel op 22 oktober 2015. Het plangebied is gelegen binnen de enkelbestemming ‘agrarisch met waarden’ en heeft een bouwblok met een oppervlakte van circa 9.500 m2, daarnaast heeft het de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 3’ en de gebiedsaanduidingen ‘Bos’, ‘kleinschalig cultuurlandschap’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’en ‘vrijwaringszone – radar’. Tevens is de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ opgenomen. De gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en binnen het bouwvlak voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. De beoogde paardenfokkerij is passend binnen het vigerende bestemmingsplan. De gemeente ziet paardenhouderijen als een agrarisch bedrijf met grazers.

25

Figuur 3.6 uitsnede vigerend bestemmingsplan

De aanduiding intensieve veehouderij wordt verwijderd van de locatie. De aanduiding ‘paardenhouderij’ wordt op de locatie opgenomen. Het vergroten van de aanwezige bedrijfswoning naar een woning met een maximale inhoud van 900 m2 past niet binnen het vigerende bestemmingsplan, met toepassing van het in paragraaf 3.3.2. genoemde BiO Veghel beleid is het echter mogelijk de woning en de 200m2 vrijstaande bijgebouwen bij deze woning toe te staan. Een bestemmingsplanwijziging is noodzakelijk om dit mogelijk te maken. Omdat er in de toekomst op locatie ook paarden getraind zullen worden zal ook de aanduiding ‘paardenhouderij’ opgenomen. De gemeente Meierijstad is bezig met het samenvoegen van haar 3 bestemmingsplannen buitengebied en om hierop alvast in te spelen is het wenselijk om vast de aanduiding ‘paardenhouderij’ te gebruiken. Omdat het vigerende bestemmingsplan nog niet met deze systematiek werkt is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.

3.3.4 Welstandbeleid Voor de locatie gelden eisen t.a.v. welstand. Deze eisen hebben alleen betrekking op de woning: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Bij renovatie en/of verbouwing moet de oorspronkelijke gevelopbouw worden gerespecteerd. Bij renovatie en/of verbouwing dient het oorspronkelijke materiaal- en kleurgebruik uitgangspunt te zijn. · Bij nieuwbouw heeft het hoofdgebouw een enkelvoudige massa. · De hoofdvorm heeft een duidelijke kap en een dakbedekking, passend bij de landelijke architectuur, zoals gebakken donkere pannen. · Kappen hebben aan de gevels een duidelijke beëindiging met overstekken of gevelpan op de muur. De detaillering is eenvoudig en passend voor een landelijke omgeving. · Vermijd detailleringen die afbreuk doen aan de omgevingskarakteristiek en de landelijke architectuur

Voor het verbouwen van de woning naar 750m3 is reeds een vergunning verleend deze is behandeld in de welstandscommissie. De uitbreiding van de woning naar 900m3 zal eveneens worden voorgelegd aan de welstandscommissie.

26

4. Milieutechnische aspecten In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante planologische en milieuaspecten.

4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli is het gewijzigde Besluit Milieueffectenrapportage in werking getreden. Door dit besluit moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen na 16 mei 2017 voorzien zijn van een beoordeling. De Milieueffectenrapportage is noodzakelijk om te beoordelen welke significante effecten en invloeden een ontwikkeling op de omgeving kunnen hebben. Een Milieueffectenrapportage is alleen nodig wanneer een plan of project kan leiden tot een of meerdere initiatieven die nadelige invloed hebben op het milieu. Om te bepalen of een Milieueffectrapportage noodzakelijk is zijn er twee criteria geformuleerd: ▪

▪

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Of er een passende beoordeling nodig is, is afhankelijk van de uitkomsten die beschreven worden in de paragraaf Flora en Fauna. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.

Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter tevens een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een m.e.r. moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage II en III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onderhavige ontwikkeling betreft de omschakeling van een intensieve veehouderij (varkens) naar een kleinschalige paardenhouderij (fokkerij). Op basis van C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. is een m.e.r.beoordelingsplicht pas noodzakelijk bij het wijzigen of uitbreiden van paardenhouderij vanaf 100 paarden. Vanaf 50 paarden is een OBM-toets noodzakelijk. Op de locatie worden minder dan 50 paarden gehouden. Er is momenteel nog een uitgebreide natuurbeschermingswet vergunning aanwezig voor de varkenshouderij. Voor de locatie zal een revisievergunning in het kader van de Wet natuurbescherming voor maximaal 30 paarden worden aangevraagd. De overige stikstof rechten worden ingezet voor andere projecten. De verdere ontwikkeling heeft geen effecten op de natuur zoals in de volgende paragrafen wordt beschreven.

Derhalve wordt het college van B&W verzocht te besluiten dat het opstellen van een vormvrije M.E.R. niet noodzakelijk is.

4.2 Flora en Fauna 4.2.1 Wet natuurbescherming – landelijk niveau Vanaf 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming van toepassing. In deze wet zijn de Flora en Faunawet, de boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 samengevoegd. Met deze wet geeft Nederland ook uitvoering aan internationale en/of Europese afspraken.

27

Bescherming op gebiedsniveau: Door het Rijk zijn in Nederland Natura2000 gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogelen Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura- 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Bescherming op soortniveau: De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪ ▪

▪

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.

4.2.2 Wet Natuurbescherming: Provincie Noord- Brabant Bescherming op gebiedsniveau: Om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000 gebieden te bereiken stelt de provincie voor dat gebied een beheerplan op. In dit beheerplan wordt in elk geval omschreven welke instandhoudingsmaatregelen genomen moeten worden en wat de beoogde resultaten hiervan zijn.

Figuur 4.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura-2000 gebieden

28

Bescherming op soortniveau: In de provincie Noord-Brabant is een vrijstelling van artikel 3.10, eerste lid, van kracht. Hiermee is het toegestaan bepaalde soorten te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: ▪ ▪ ▪

▪

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten zuidoosten van de initiatieflocatie is het Habitat- en Vogelrichtlijngebied Deurnsche Peel & Mariapeel gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt meer dan 18 kilometer. Het plan leidt niet tot significante effecten op dit gebied. Er is hierdoor geen sprake van directe of indirecte effecten in de zin van areaalverlies, verontreiniging of verstoring. Op de locatie is een natuurbeschermingswetvergunning aanwezig. Deze is verleen op 3 september 2012 (kenmerk C2067736/3662680). De vergunning behelst een emissie van 2.343,14 kg NH3 per jaar op de natura-2000 gebieden ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’, ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Leenderbos, Groote Heide & de plateaux’ De bestaande natuurbeschermingswet vergunning zal gereviseerd worden naar 30 paarden. De overige stikstof rechten zullen voor andere projecten ingezet worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=b2bd9434-90bd-4624-989a-dbd84d9dce64