CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Blankenburg 2 Brabant Water

Raadsvergadering 27 juni 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4'13.634 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Langs het noordelijke deel van het plangebied loopt zoals in figuur 4.1 te zien is een buisleiding. De projectlocatie voor de nieuwbouw van het zuiveringsgebouw is in zwart aangegeven. De leiding heeft volgens de risicokaart geen plaatsgebonden risico. Daarnaast leidt dit planvoornemen niet tot een toename van de personendichtheid. Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde.

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 27 van 39

Figuur 4.2 Uitsnede van de Risicokaart.

4.6

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit dient te worden getoetst op plaatsen waar significante blootstelling aan mensen plaatsvindt. Met betrekking tot ruimtelijke plannen dient er voor twee situaties getoetst te worden: • Toetsing van het effect op de luchtkwaliteit langs de wegen in de omgeving, waar de invloed van de ontwikkeling op de verkeersintensiteit nog merkbaar zal zijn; • Toetsing van de te verwachten luchtkwaliteit ter plaatse van het plan. De Algemene Maatregel van Bestuur ‘Niet in betekende mate bijdragen’ (NIBM) bepaalt wanneer de mate van luchtverontreiniging verwaarloosbaar is. In zo’n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is, dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% grenswaarde. De NIBM-regeling van 3% is gekoppeld aan de vaststelling van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) omdat in dit programma hiervoor maatregelen tegenover staan die het tijdig behalen van de grenswaarden waarborgen. Doorwerking plangebied Het plan omvat de ruimtelijke optimalisatie van de productielocatie van Brabant Water. Het plan voorziet niet in nieuwe gevoelige bestemmingen/ontwikkelingen langs drukke wegen en/of woningbouw nabij snelwegen.

Voor het buitengebied van Meierijstad is de achtergrondconcentratie van fijn stof berekend en gebleken is dat overal binnen de plangrenzen wordt voldaan aan de normen de luchtkwaliteit. Dit past binnen de getalsmatige begrenzing voor 'niet in betekende mate' projecten. De huidige en toekomstige productieactiviteiten leiden niet tot een in betekenende mate verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een verkeerstoename in de toekomst, die mogelijk kan leiden tot een in betekenende mate verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.7

Bodem

Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (WBB) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de WBB wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem.

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 28 van 39

Doorwerking plangebied Een waterproductiebedrijf is geen gevoelige functie waaraan bodemkwaliteitsnormen worden gesteld. Ten behoeve van de planologische procedure is het niet noodzakelijk een bodemonderzoek uit te voeren. Bovendien worden de werkzaamheden in het kader van drinkwaterproductie beschermd op basis van Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is te concluderen dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van het plan.

4.8

Archeologie en cultuurhistorie

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: ‘de veroorzaker betaalt’. In het proces van ruimtelijke ordening moet tijdig rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor de overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Tijdens de voorbereiding van deze plannen is (vroeg)tijdig archeologisch (voor)onderzoek belangrijk. De keuze voor een andere bouwlocatie voorkomt de verstoring van belangrijke bodemvondsten. Als dit geen optie is, bestaat de mogelijkheid om binnen de bouwlocatie zelf naar een archeologievriendelijke aanpak te streven. In het uiterste geval wordt een archeologische opgraving uitgevoerd. Doorwerking plangebied Archeologie De gemeente Meierijstad heeft haar archeologiebeleid en de daarbij horende verwachtingswaardes verwerkt in dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Binnen het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ van toepassing. Deze is bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in de gronden te verwachten archeologische waarden.

In artikel 35.2 van het bestemmingsplan staan bouwbeperkingen omschreven met betrekking tot de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Er mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken onder de 10.000m2 waarbij geen grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld worden uitgevoerd. De nieuwbouw van het zuiveringsgebouw en waterwinputten ligt ver onder de benoemde oppervlakte en dit zal dus ook geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Het zuiveringsgebouw en de waterwinputten worden wel dieper dan 30 cm-mv gerealiseerd, derhalve is wel een bureauonderzoek uitgevoerd naar de archeologisch waarden. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen. Het onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of in het onderzoeksgebied archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, in hoeverre de voor archeologie relevante bodemlagen mogelijk intact zijn gebleven en wat de diepteligging van deze lagen is. Het bureauonderzoek heeft duidelijk gemaakt dat plangebied een lage archeologische verwachting heeft. Dit is met betrekking tot alle desbetreffende perioden waarvan de kans op vinden van archeologische waarden uit de Nieuwe Tijd in de vorm van oude perceelsgreppels het waarschijnlijkst is. Er wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven.

Cultuurhistorie Op de Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (CHW) zijn geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied aanwezig. In de omgeving van het plangebied zijn enkele lanen van redelijk hoge en hoge waarden aanwezig. Het plan heeft hier geen negatieve effecten op. Door de landschappelijke inpassing in het zuidelijke gedeelte van het plangebied worden deze lanen zelfs versterkt. Op het terrein van Brabant Water zijn cultuurhistorisch waardvolle bedrijfsgebouwen aanwezig, deze blijven onaangetast.

4.9

Ecologie

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: • het behouden en ontwikkelen van natuur; • het behouden en herstellen van de biodiversiteit;

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 29 van 39

• •

het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.

De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. In de provincie Noord-Brabant wordt voor een aantal soorten vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft onder andere aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. Doorwerking plangebied Dit bestemmingsplan maakt ruimtelijke ingrepen mogelijk waardoor negatieve effecten op beschermede gebieden en soorten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden. Om deze reden is een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen, in deze paragraaf volgen de belangrijkste resultaten van het onderzoek. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Natura 2000-gebieden die het dichtste bij het plangebied liggen zijn ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’ en ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’. Deze gebieden liggen beiden op een afstand van meer dan 19 km van het plangebied.

Door de afstand tussen het plangebied en deze beschermde natuurgebieden zijn negatieve effecten door geluidsverstoring, visuele verstoring of verdroging als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Gedurende de ingreep kan tijdelijk een minimale verhoging van de uitstof van stikstof plaatsvinden door de inzet van machines. Door de afstand tussen het plangebied en de stikstofgevoelige habitattypen in het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied maakt dat redelijkerwijs uitgesloten kan worden dat de ingreep leidt tot een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitattypen. De ingreep leidt dan ook niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Er is wel een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, welke tevens als bijlage bij het bestemmingplan is opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie 0,00 mol/ha/jaar bedraagt Natuur Netwerk Nederland Het plangebied is gelegen in Provincie Noord-Brabant. Het gedeelte van het Natuurnetwerk Nederland dat gelegen is binnen deze provincie wordt aangeduid als het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plangebied voor de nieuwbouw ligt op een afstand van ongeveer 10 meter van de grens van het NNN.

De tijdelijke transportroute grenst aan het NNN en doorkruist het bij de aansluiting op Het Melven. Het leidingtracé loopt ten noorden van de

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 30 van 39

Erpseweg vanaf de grens van het bedrijfsterrein geheel door het NNN. Ten zuiden van de Erpseweg loopt het leidingtracé door het nieuwe winputtenveld wat in zijn geheel buiten het NNN is gelegen. De bouw van het nieuwe gebouw en aanleg van het winputtenveld vindt niet plaats in het NNN maar wel in de directe omgeving daarvan. Door de afstand van slechts 10 m tussen het NNN en het plangebied voor de nieuwbouw en de vermoedelijke noodzaak om grondwaterbemaling toe te passen om de nieuwbouw te realiseren treedt mogelijk externe werking op het NNN op. Ook bij de aanleg van het leidingentracé en het winputtenveld is bemaling mogelijk noodzakelijk. Een verlaging van de grondwaterstand kan leiden tot verdroging van het NNN. Ook in de gebruiksfase kan extra wateronttrekking door het winputtenveld leiden tot een effect op de grondwaterstanden in het NNN. Voor de bouwwerkzaamheden is een tijdelijke transportroute nodig. Deze loopt grotendeels over een bestaand bospad (Bolst Pad) dat net buiten de begrenzing van het NNN valt. De laatste 30 meter bij de aansluiting op Het Melven maakt ook het bospad onderdeel uit van het NNN. Het noordelijke deel van het leidingentracé loopt midden door het NNN. Dit leidingtracé wordt wel gerealiseerd op een bestaand bospad waardoor er direct negatief effect ontstaan. Op ca. 80 meter tot de Erpseweg houdt dit pad op en is het een aaneengesloten bosgebied.

Vanaf dit punt wordt een gestuurde boring geplaatst die de buis op een diepte van 12 m-mv onder de bomen en de Erpseweg stuurt naar het nieuwe wingebied. Op figuur 3.5 is aangegeven tot welk punt de leiding bovengronds loopt en waar deze overgaat in een gestuurde boring. Door de diepte van deze boring worden de bomen ondergronds niet beschadigd. Met die bestemmingsplan worden dus geen activiteiten mogelijk gemaakt die van negatieve invloed zijn op het NNN. Indirect negatieve effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn niet op voorhand uit te sluiten. Hierdoor wordt een nadere toetsing in de vorm van een effecttoets (Nee-tenzij-toets) uitgevoerd, zoals uiteengezet in paragraaf 3.2 van deze toelichting. Houtopstanden Er staan bomen binnen het plangebied die vermoedelijk gekapt moeten worden om de aanleg van het leidingentracé mogelijk te maken. Deze bomen maken onderdeel uit van een houtopstand van groter dan tien are. De bomen in de berm van de Erpseweg maken onderdeel uit van een laanbeplanting van meer dan 19 bomen. Doordat het plangebied gelegen is buiten de bebouwde kom houtopstanden van gemeente Meierijstad vallen deze onder de bescherming van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Hierdoor is artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming van toepassing.

Omdat de hoofdreden voor de kap anders is dan het beschermen van de resterende beplanting kan de ingreep niet uitgevoerd worden als dunning en is het noodzakelijk dat voordat deze bomen gekapt worden hiervan een melding wordt gedaan bij het Bevoegd gezag. Soortbescherming Vogels Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 1 t/m 4 te verwachten. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5, zoals ekster, koolmees en pimpelmees zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van 15 maart tot 15 juli.

Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden eventueel snoeiafval en de te verwijderen vegetatie binnen het werkterrein (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn. Zoogdieren (Das en kleine marterachtigen)

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 31 van 39

Dassen en kleine marterachtigen maken mogelijk van het plangebied gebruik tijdens het foerageren. Het plangebied heeft slechts een beperkte oppervlakte ten opzichte van de totale oppervlakte aan geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied. Daarnaast is het grootste deel van het plangebied slechts tijdelijk minder geschikt als foerageergebied. Hierdoor is het uitgesloten dat de nieuwbouw en het aanleggen van een leidingentracé leidt tot significant negatieve effecten op het foerageergebied van de das en kleine marterachtigen. Wel is het van belang bij de werkzaamheden rekening te houden met mogelijke bezoeken van marters en dassen aan het plangebied. Wanneer bij de leidingwerkzaamheden gaten of sleuven van dieper dan 20 cm gegraven worden dan dienen deze aan het einde van de werkdag tenminste aan een zijde voorzien te worden van een talud van maximaal 45 graden. Hierdoor wordt voorkomen dat dassen en kleine marterachtigen welke onverhoopt in de sleuven terecht komen hier niet meer uit komen en verwond of gedood worden door stress, onderkoeling of voedselgebrek. Als alternatief is het mogelijk om het gat af te dekken met een stevige plaat zodat dieren hier niet in terecht kunnen komen.

In het zuiden van het plangebied waar het winputtenveld voorzien is maken delen mogelijk wel onderdeel uit van het essentieel foerageergebied van dassen en kleine marterachtigen. Wanneer de inrichting van het gebied bekend is moet nader beoordeeld worden of negatieve effecten op foerageergebied op voorhand uitgesloten kunnen worden of dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is. Doordat de werkzaamheden binnen een straal van 200 meter van actieve dassenburchten plaatsvinden en ook deels ’s nachts moeten worden uitgevoerd is significante verstoring van de dassenburchten niet op voorhand uitgesloten. Dit zou kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Door een ecologisch werkprotocol op te stellen met mitigerende maatregelen zijn deze negatieve effecten echter grotendeels te voorkomen. Voor kleine marterachtigen geldt dat het verwijderen van de vegetatie en het werken in dichte vegetaties voorkomen moet worden gedurende de kwetsbare periode (15 maart tot 1 september) om negatieve effecten te voorkomen. Overige zoogdieren Beschermde functies van overige beschermde soorten zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ingreep leidt dan ook niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.

Amfibieën De sloot ten zuiden van de Erpseweg wordt mogelijk gebruikt door Alpenwatersalamanders als voortplantingswater. Wanneer hier werkzaamheden plaatsvinden om het leidingtracé hier doorheen te leggen kunnen negatieve effecten op Alpenwatersalamanders optreden. Negatieve effecten en overtreding van de Wet natuurbescherming kan voorkomen worden door tijdens de werkzaamheden te werken volgens een goedgekeurde gedragscode. Conclusie soortbescherming Op basis van de mogelijke effecten die op kunnen treden ten gevolge van de ingreep blijkt dat deze niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient wel rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van dassen, kleine marterachtigen en de Alpenwatersalamander in het plangebied. Door een aangepaste werkwijze zijn negatieve effecten en overtreding van de Wet natuurbescherming echter te voorkomen. Dit dient vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Daarnaast dient in alle gevallen rekening gehouden te worden met het broedseizoenen en de algemene zorgplicht.

4.10 Water Op grond van artikel 3.1.1 Bro is de watertoets verplicht voor bestemmingsplannen. In een hierover op te nemen paragraaf dient te worden aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten'. Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 32 van 39

Op 22 december 2021 is het Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 (RWP) vastgesteld. Het RWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het RWP is de opvolger van het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021. Samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen is het onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland. Het RWP staat voor: • voldoende water; • schoon water • veilig water • vitale bodem • klimaatadaptatie Waterschapsbeleid Het waterschap Aa en Maas beschrijft een aantal doelstellingen en op welke manier deze gehaald moeten worden voor de periode 2022-2027 in het waterbeheerplan (WBP). Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het WBP wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: • Veilig en bewoonbaar; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde. Vanaf 1 maart 2015 geldt de nieuwe Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen.

Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plan in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m2 geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Doorwerking plangebied Door de bouw van het nieuwe zuiveringsgebouw en winschakelgebouwen zal het verhard oppervlakte toenemen. Er is meer dan voldoende ruimte om het hemelwater af te koppelen en te laten infiltreren in het plangebied. Verhardingen worden in de toekomstige situatie afgekoppeld van het gemengde stelsel. Het hemelwater wordt opgevangen door middel van bijvoorbeeld goten en afgevoerd naar een bergingslocatie elders op het terrein. Lokaal zal een deel van de verhardingen direct afwateren op het naastliggende maaiveld. Het plan wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld.

4.11 Kabels en leidingen Bij ruimtelijke ingrepen dient de initiatiefnemer rekening te houden met planologisch relevante kabels en leidingen. Onder planologisch relevante kabels en leidingen wordt verstaan: • • • • •

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 millimeter en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 millimeter en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 millimeter of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico’s met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Doorwerking plangebied

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 33 van 39

Op 85 meter van de noordelijke locatie ligt een buisleiding met een brandaandachtsgebied van 2,5 meter (figuur 4.4). Deze buisleiding vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Verder zijn er geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig binnen de planlocatie. Het aspect kabels en leidingen vormen geen belemmering voor de ontwikkeling.

figuur 4.3 Uitsnede risicokaart

4.12 Geur Wetten met betrekking tot geurhinder hebben het doel om mens en milieu tegen negatieve effecten van geurbelasting te beschermen. Tevens dient voorkomen te worden dat de vestiging van een nieuwe functie invloed heeft op de mogelijkheden van bestaande functies en bedrijven, dit wordt de omgekeerde werking genoemd. Een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd mag het bevoegd gezag niet toestaan dat nieuwe projecten gerealiseerd worden op plaatsen waar de geurhinder onaanvaardbaar hoog is of door nieuwe ontwikkelingen te hoog zal worden. Doorwerking plangebied Met dit plan worden geen geurgevoelige objecten gerealiseerd. Er worden dan ook geen bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmerd. Daarnaast worden in het plangebied zelf geen geurbronnen gerealiseerd. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.

4.13 Gezondheid Gezondheidsrisico’s voor omwonenden van grootschalige veehouderijen zijn onderwerp van maatschappelijke discussies. Omdat er geen gezondheidsrisico’s mogen ontstaan als gevolg van de exploitatie van een veehouderij, is dit een van de aspecten die in de voorbereiding op een ruimtelijke ontwikkeling in of nabij het buitengebied beschouwd dient te worden. Een verhoogd risico voor de volksgezondheid kan spelen bij de ontwikkeling of uitbreiding van een veehouderij, maar ook bij de realisatie van een nieuwe gevoelige bestemming. In die gevallen is de zogenaamde ‘omgekeerde werking’ aan de orde. Doorwerking plangebied Geitenhouderijen Het RIVM heeft onderzoek gedaan naar de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. De conclusie van dit onderzoek luidt dat rond geitenhouderijen longontstekingen vaker voorkomen vergeleken met andere veehouderijen. In het onderzoek werd een verhoogde kans op een longontsteking van 29% gemeten voor mensen die rondom een geitenhouderij wonen tot een afstand van 1,5 tot 2 kilometer vergeleken met mensen zonder een

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 34 van 39

geitenhouderij binnen deze afstand van de woning. De oorzaak van deze verhoogde kans is onbekend. Uit voorzorg is een bouwstop voor geitenhouderijen ingesteld. Met dit planvoornemen worden geen milieugevoelige objecten ontwikkeld. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 Middels de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’ wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een GGD-advies noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wgv en de gemeentelijke geurverordening, Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant op het gebied van geur en fijnstof. In het stappenplan is een tabel weergegeven die minimale afstanden weergeeft van woon- en verblijfsruimten tot omliggende veehouderijen waarbinnen een GGD-advies nodig is. Met dit planvoornemen worden geen milieugevoelige objecten ontwikkeld. Hierdoor ontbreekt de noodzaak om de GGD om een advies te vragen.

Dit vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen. Endotoxine Uit verkennend onderzoek naar gezondheidseffecten bij omwonenden van veehouderijen is naar voren gekomen dat een te hoge blootstelling aan endotoxine negatieve gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mensen. De Gezondheidsraad, een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan, heeft een advieswaarde voor de algemene bevolking afgeleid van 30 EU/m³ (endotoxinen units per kubieke meter lucht). In de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0’ is een beoordelingskader opgenomen. Hiermee kan aan de hand van fijnstof emissie worden geschat op welke afstand van een bedrijf de advieswaarde van 30 EU/m³ voor de concentratie endotoxine wordt overschreden. In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gelegen die onder de invloedssfeer vallen van de endotoxine. Het planvoornemen is getoetst aan het Endotoxine toetsingskader 1.0; de advieswaarde van de Gezondheidsraad wordt niet overschreden. Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn en om een spuitvrije zone aan te houden.

Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om de drift te voorkomen (bronmaatregelen zoals driftarme spuitdoppen) of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. In de omgeving van de planlocatie bevindt zich geen agrarisch bedrijf waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, daarnaast worden er met dit planvoornemen geen milieugevoelige objecten ontwikkeld. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor dit plan. Conclusie Uit de beschouwing wordt geconcludeerd dat er geen gezondheidsrisico’s bestaan op de planlocatie. Ten behoeve van het planvoornemen is er geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 35 van 39

5

Juridische planbeschrijving

5.1

Verantwoording planvorm

Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Wat betreft systematiek van de integrale herziening is aangesloten bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP). Dit bestemmingsplan ‘Blankenburg 2-4, Veghel’ sluit aan betreft de juridische regelgeving van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’.

5.2

Algemene toelichting verbeelding

Voor het opstellen van de verbeelding heeft een op Rijksdriehoekcoördinaten gebaseerde GBKN-kaart als onderlegger gediend. Daarnaast is de begrenzing van de bestemmings- en bouwvlakken gebaseerd op kadastrale gegevens. Door een combinatie van codering, arcering en kleur is op de geometrische plaatsbepaling de bestemmingsregeling aangegeven.

5.3

Algemene toelichting regels

De regels bevatten bepalingen omtrent het gebruik van de gronden, omtrent de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels worden, conform de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: • Hoofdstuk 1 Inleidende regels • Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels • Hoofdstuk 3 Algemene regels • Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Hieronder worden de hoofdstukken en onderliggende artikelen nader toegelicht. Inleidende regels In het hoofdstuk ‘Inleidende regels’ worden een aantal begrippen verklaard en wordt aangegeven hoe, bij toepassing van de regels, dient te worden gemeten. Dit om zoveel mogelijk uit te sluiten dat regels verkeerd worden geinterpreteerd. Bestemmingsregels Het hoofdstuk ‘Bestemmingsregels’ bevat de regels waarin de materiële inhoud van de gegeven bestemming is opgenomen, waaronder het gebruik van de opstallen en de gronden en de toegestane maatvoering. Binnen het bestemmingsvlak en bouwvlak mag bebouwing ten dienste van de bestemming worden opgericht. Buiten het bouwvlak is de bouw van hoofdgebouwen niet toegestaan. De opzet voor de bestemming regels kennen de volgende opzet: • • • • • • • •

Bestemmingsomschrijving; Brouwregels voor gebouwen; Bouwregels voor aan-, uit- en bijgebouwen; Bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde; Eventuele nadere eisen; Eventuele afwijkingen van de bouwregels; Eventuele specifieke gebruiksregels; Eventuele afwijkingen van de gebruiksregels.

Algemene regels

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 36 van 39

In het hoofdstuk ‘Algemene regels’ wordt in de artikelen 'Antidubbeltelregel' en 'Algemene afwijkingsregels' een aantal algemene bepalingen verwoord die onder meer de flexibiliteit van het plan vergroten. De 'Antidubbeltelregel' bepaalt dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn gekomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de 'Algemene bouwregels' worden enkele afwijkingsbevoegdheden aan burgemeester en wethouders toegekend. De afwijkingsbevoegdheden maken geringe afwijkingen mogelijk van hetgeen in het bestemmingsplan is bepaald. Het gaat bijvoorbeeld om het in geringe mate afwijken van het plan en bepalingen omtrent ondergronds bouwen. Overgangs- en slotregels Tot slot worden de overgangs- en slotregels geformuleerd. In het artikel 'Overgangsrecht' worden regels bepaald omtrent bouwwerken, die in de bestaande situatie aanwezig zijn of mogen worden gebouwd. In de 'Slotregel' tenslotte wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald.

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 37 van 39

6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Onderhavig plan is in privé eigendom. Er hoeft geen grond aan of verkocht te worden en de gemeente hoeft geen voorzieningen te treffen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Er zijn geen financiële consequenties van het plan voor de gemeente Meierijstad. Dit zal worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarin onder meer wordt opgenomen dat eventuele planschade voor rekening komt van de initiatiefnemer. Bovendien worden de eventuele gemeentelijke kosten verhaald via het in rekening brengen van leges. De economische uitvoerbaarheid is hiermee afdoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties, te weten Waterschap Aa en Maas, de Brandweer en de Provincie Noord-Brabant, zijn in kennis gesteld van dit bestemmingsplan. Omgevingsdialoog Tijdens de planontwikkeling is, door middel van keukentafelgesprekken, gesproken met verschillende belanghebbenden. Op basis van deze gesprekken kan in algemeenheid worden gesteld dat in de omgeving van het plangebied vooralsnog weinig tot geen sprake is van bezwaar tegen het beoogde plan. Het belang en de noodzaak van de uitbreiding van het winputtenveld en zuivering wordt door omwonenden ingezien en in veel gevallen waren omwonenden al op de hoogte van de plannen van Brabant Water. De realisatie van de ruimtelijke ingrepen heeft in geen van de gesprekken geleid tot opmerkingen of bezwaren. Een verslag van deze gesprekken is als bijlage opgenomen.

Ten aanzien van de inrichting van het waterwingebied geldt dat de direct omwonenden of mensen die direct zicht hebben op het perceel, graag willen worden betrokken in de nadere uitwerking van het landschapsontwikkelingsplan. In algemene zin wordt de openheid van het gebied als waardevol element ervaren. De doorzichten richting Veghel zijn in de huidige vorm aanwezig en dienen te worden behouden. Ten aanzien van de aanplant van bomen en overige begroeiing dient te worden voorkomen dat deze doorzichten verdwijnen. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met het realiseren van een herkenbare afscheiding tussen het publiekelijk open te stellen gebied en de naastgelegen particuliere (grond)eigendommen. De voorkeur gaat uit om deze begrenzing op een natuurlijke wijze vorm te geven.

6.3

Procedure

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Gezien de aard en omvang van het plan, kiest de gemeente ervoor geen inspraakprocedure te doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan wordt conform artikel 3.8 Wro voor een periode van 6 weken ter visie gelegd.

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 38 van 39

Bijlages Bijlage 1 Landschappelijke inpassing Bijlage 2 Aanmeldnotitie MER Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 4 Quickscan natuurbescherming Bijlage 5 Verslag omgevingsdialoog Bijlage 6 Stikstofdepositieonderzoek

Toelichting ‘Buitengebied Veghel, herziening Blankenburg 2-4’ - Vastgesteld

Pagina 39 van 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=6c3dbfb2-110d-475b-a96b-fffa6b7e1038