Toelichting bestemmingsplan Zijtaart-Zuid
Tekst van het document
De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. 3
K+ adviesgroep, Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen, d.d. 16 maart 2020
Hoofdstuk 4
31
Leinserondweg De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 32 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan. Goede ruimtelijke ordening (niet gezoneerde wegen) De Reibroekstraat, Pater Thijssenstraat, Ceciliastraat en Pastoor van de Bultstraat kennen een snelheidsregime van 30 km/uur, zodat de wegen niet hoeven te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de wegen echter wel beschouwd. Om een afweging te kunnen maken is wel aansluiting gezocht bij de Wet geluidhinder en is dat toetsingskader dus ook gehanteerd voor deze wegen. Reibroekstraat, Ceciliastraat en Pastoor van de Bultstraat Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de weg wel meegenomen en zijn de optredende gevelbelastingen beschouwd volgens de systematiek van de Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, zou getoetst worden aan de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is ten hoogste 46 dB (Reibroekstraat), 28 dB (Ceciliastraat) en 21 dB (Pastoor Bultstraat) (excl. art. 110g Wgh).
Zou de aftrek gehanteerd mogen worden is de belasting 41 dB (Reibroekstraat), 23 dB (Ceciliastraat) en 16 dB (Pastoor Bultstraat) (incl. art. 110g) waarmee deze waarde onder de voorkeursgrenswaarde ligt. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Pater Thijssenstraat Er is sprake van een 30 km/zone, zodat niet hoeft te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de weg wel beschouwd en wordt ook het toetsingskader van de Wet geluidhinder gehanteerd. In een aantal waarneempunten zijn gevelbelastingen vastgesteld hoger dan de ‘voorkeursgrenswaarde’. De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 54 dB, zonder aftrek artikel 110g. Zou die aftrek wel worden gehanteerd, dan is de geluidbelasting 49 dB waarmee deze boven de voorkeursgrenswaarde zou liggen, wanneer getoetst zou worden aan de Wet geluidhinder. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Omdat geen sprake is van een gezoneerde weg, hoeft ook geen hogere waarden ten aanzien van deze weg worden aangevraagd. Formeel hoeven ten gevolge van deze weg geen maatregelen te worden getroffen aan de gevel. Uit het oogpunt van wooncomfort en gezondheid wordt echter geadviseerd wel maatregelen te treffen om een binnenniveau van 33 dB te garanderen. Hiervoor wordt verwezen naar tabel 4.4 kolom comforteis in het onderzoek.
4.2.3 Conclusie Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van 33 dB te garanderen is de benodigde karakteristieke geluidwering geborgd in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Vanuit het aspect geluid zijn geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling
Hoofdstuk 4
32
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.
Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een ‘NIBM’ toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: 353 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op paragraaf 4.1 Verkeer en parkeren). Aandeel vrachtverkeer van 2%.
Hoofdstuk 4
33
Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2021 (worstcasescenario):
Figuur 4.1: NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer
Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) mogelijk in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,31 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,05 µg/m3 bijdragen. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn weergegeven in onderstaande tabel en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 17,6 µg/m3 en voor PM10 18,8 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 11,3 µg/m3. Tabel 4.3: NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties Id NO2 PM10 μg/m3 PM10 overschrijdingsdaμg/m3 gen Rekenpunt 15520132 17.6 18.8 6.7 Rekenpunt 15520172 16.6 18.7 6.7 Rekenpunt 15520338 17.6 18.8 6.7 Rekenpunt 15520364 17.1 18.8 6.7 Rekenpunt 15520576 17.0 18.8 6.7 Norm 40 40 35
PM2.5 μg/m3
Jaar
11.3 11.3 11.3 11.3 11.3 25
2020 2020 2020 2020 2020
Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO 2 en PM10 respectievelijk 17,9 µg/m3 en 18,9 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. Ook in het prognosejaar 2030 zal worden blijven voldaan aan de grenswaarden.
Hoofdstuk 4
34
4.3.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijbedrijven en alle andere aspecten. Voor het aspect geur geldt aparte wetgeving (Wet geurhinder en veehouderij en de Wro) en daardoor specifieke afstanden.
Deze afstanden komen niet overeen met de afstanden die in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG zijn opgenomen. Het aspect geur wordt daarom in deze paragraaf buiten beschouwing gelaten en behandeld in paragraaf 4.5.
4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
35
4.4.2 Onderzoek Onderhavig plangebied betreft momenteel een agrarisch perceel, gelegen tegen de dorpskern Zijtaart. Het perceel wordt betrokken bij de dorpskern als woongebied. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende vormen van bedrijvigheid te vinden. Hieronder worden de dichtstbijzijnde en relevante vormen beschreven en geanalyseerd. Zondveldstraat 2A Aan Zondveldstraat 2A is een varkenshouderij gevestigd. Deze inrichting heeft de milieucategorie 4.1 met een grootste richtafstand van 200 meter. Deze afstand geldt voor het aspect geur. Echter voor geur is aparte regelgeving van toepassing die is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij, zie hiervoor paragraaf 4.5. Voor de overige omgevingsaspecten geldt een grootste afstand van 50 meter. De beoogde woningen in het plangebied liggen op een afstand van meer dan 200 meter, daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Zondveldstraat 2 Aan de Zondveldstraat 2 is een melkveehouderij gevestigd. Deze inrichting valt onder ‘fokken en houden van rundvee’ en heeft milieucategorie 3.2 met een grootste richtastand van 100 meter. Deze afstand geldt voor het aspect geur. Echter voor geur is aparte regelgeving van toepassing die is vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij, zie hiervoor paragraaf 4.5. Voor de overige omgevingsaspecten geldt een grootste afstand van 30 meter.
De woningen in het plangebied liggen op een afstand van circa 400 meter, daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Leinserondweg 21A Aan de Leinserondweg 21A is een manege gevestigd. Deze inrichting heeft de milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter. De beoogde woningen in het plangebied liggen op een afstand van meer dan 200 meter, daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Pater Thijssenstraat 5-9A en Ceciliastraat 1 Aan de Pater Thijssenstraat 5-9A en Ceciliastraat 1 zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan. De minimale afstand van de bedrijfsbestemming (perceelsgrens) tot de gevels van de beoogde woningen bedraagt circa 30 meter. Voor bedrijven in milieucategorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk, hier wordt aan voldaan. Tevens staan er al woningen dichter bij de bedrijven, waardoor deze al een beperkende werking hebben voor de mogelijkheden van de bedrijven en daarnaast mag hiermee worden aangenomen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd ter hoogte van het plangebied. Conclusie De inrichtingen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
Hoofdstuk 4
36
4.4.3 Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Bij de ontwikkeling van een woning is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting.
Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. Op 13 september 2016 heeft de voormalige gemeente Veghel de ‘Evaluatie geurbeleid 2015 Gemeente Veghel’ vastgesteld. Middels dit beleid heeft de gemeente geen afwijkende geurhindercontouren vastgesteld. Hierin is voor de bebouwde kom, ontwikkelingslocaties en kernrandzones een maximale achtergrondbelasting van 13ouE/m³ opgenomen. 4.5.2 Onderzoek In de omgeving van het plangebied zijn veehouderijen gelegen. Deze veehouderijen hebben geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van de beoogde woningen. Anderzijds worden er ook geen veehouderijen belemmerd door de realisatie van de woningen. Dit is onder meer terug te zien op onderstaande figuur waarin de geurcontouren en achtergrondbelasting zijn weergegeven. Deze figuur komt uit de evaluatie van het geurbeleid van de gemeente Veghel uit 2015. De veehouderijen liggen op ruime afstand van het plangebied en met een achtergrondbelasting van 6-10 ouE/m³ is de achtergrondbelasting relatief laag.
Voor reeds bestaande woningen wordt een vergelijkbare geursituatie omschreven als ‘goed’. Derhalve is het aannemelijk dat de geursituatie ter plaatse van het plangebied ‘goed’ is.
Hoofdstuk 4
37
Figuur 4.2 Geurcontouren en achtergrondbelasting, plangebied aangegeven met een rode cirkel (Bron: Evaluatie geurbeleid gemeente Veghel, 2015)
4.5.3 Conclusie Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en er zijn geen veehouderijen in de omgeving die gehinderd worden door de beoogde woningbouw. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het aspect ‘geurhinder’ geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
4.6 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen kabels of leidingen gelegen die zorgen voor een belemmering van het initiatief. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLIC-melding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.
Hoofdstuk 4
38
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.
Hoofdstuk 4
39
Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart met plangebied aangeduid
Risicovolle inrichtingen: Ten noordwesten van het plangebied ligt een opslagtank met LPG met een risicocontour van 50 meter en een opslag verpakte gevaarlijke stoffen en ammoniakkoelinstallatie met een risicocontour van 250 meter. Deze liggen beide op ten minste 1,4 km van het plangebied en vormen zodoende geen belemmering. Ten westen van het plangebied ligt een bovengrondse propaantank (Hoge Biezen 1). De tank bevat maximaal 3 m3, hiervoor geldt een veiligheidsafstand van maximaal 25 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt 320 meter, hier wordt dus ruim aan voldaan. Buisleidingen: De hogedruk aardgasleiding (transportroutedeel Z-542-10) is gelegen op een afstand van circa 920 meter van het plangebied. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding. Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. De betreffende leiding heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 168 millimeter wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 40 meter uit het hart van de leiding.
De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter uit het hart van de leiding. Gezien het feit dat het plangebied ruimschoots is gelegen buiten de 1% letaliteitsgrens, wordt geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 4
40
Transportroutes gevaarlijke stoffen Op een afstand van circa 2,3 km van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A50. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Uit de Regeling basisnet blijkt dat ter hoogte van dit plangebied (wegvak B87) geen sprake is van een plaatsgebonden risico of plasbrandaandachtsgebied (PAG). Over dit wegvak worden wel stoffen vervoerd met de classificatie LT2. Hierbij wordt een invloedsgebied gehanteerd van 880 meter volgens de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Het plangebied valt buiten dit invloedsgebied. Hierdoor hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op een afstand van circa 1 km van het plangebied bevindt zich de provinciale weg N279. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Uit het rapport ‘Externe veiligheid provinciale wegen NoordBrabant’ (2010) blijkt dat ter hoogte van het plangebied (wegvak NCB laan / Rijksweg (Veghel) - N272 / N279 (Beek en Donk ) ) geen sprake is van een plaatsgebonden risico (niet aanwezig) of plasbrandaandachtsgebied (PAG). Over dit wegvak worden wel stoffen vervoerd met de classificatie LT2. Hierbij wordt een invloedsgebied gehanteerd van 880 meter volgens de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Het plangebied valt buiten dit invloedsgebied. Hierdoor hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.
4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Hoofdstuk 4
41
Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden.
Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijsteling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Hoofdstuk 4
42
4.8.2 Onderzoek Quickscan flora en fauna Er is door BRO een quickscan flora en fauna5 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 4.4. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Potentieel
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden / opmerkin-
aanwezig
overtreding
gelen
gen
Plangebied buiten broedAlgemeen
Ja
Te voorkomen
of controle vooraf
Broedvogels Jaarrond
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Nee
Nee
-
-
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand tot
Sprake van
gebied
aantasting
Natura 2000
ca. 17 km
Nee
-
Natuurnetwerk Nederland
ca. 680 m
Nee
-
Houtopstanden
-
Nee
-
beschermd Verblijfplaatsen Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Gebiedsbescherming
5
seizoen bouwrijp maken
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de egel
Bijzonderheden / opmerkingen Geen externe verstorende factoren Wezenlijke ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk Niet van toepassing
BRO, Quickscan flora en fauna, d.d. 10 juli 2019
Hoofdstuk 4
43
Op basis van de quickscan wordt vervolgonderzoek naar het voorkomen van verschillende soortgroepen of effecten op beschermde gebieden niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag voor overtreding van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming ten aanzien van soorten dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. Het onderdeel houtopstanden is bij dit plan niet aan de orde. Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen. Ten aanzien van broedvogels dient het bouwrijp maken van het terrein buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Op basis van onderhavige quickscan wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/NNN) niet noodzakelijk geacht.
Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van houtopstanden dan wel een vergunningsaanvraag in het kader van gebiedsbescherming. 4.8.3 Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.9 Stikstofdepositie Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Kampina & Oisterwijkse Vennen”, bevindt zich op circa 17 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van nieuwbouwwoningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Gezien de afstand tot een Natura 2000-gebied is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Tevens kan verwezen worden naar de “Handreiking woningbouw en AERIUS” van de Rijksoverheid, d.d. januari 2020. De algemene conclusie van deze handreiking is dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000-gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar is. Voor projecten met een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar hoeft geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. In de andere gevallen op kortere afstand van een Natura 2000-gebied en/of voor de bouw van meer woningen waarbij de depositie mogelijk hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar is alsnog een Aerius-berekening nodig.
In voorliggend geval is derhalve een Aerius-berekening niet nodig en zijn er vanuit stikstofdepositie geen belemmeringen.
Hoofdstuk 4
44
4.10 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. 4.9.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek6 uitgevoerd voor het plangebied. Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium. In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater is lichtverhoogd met barium, cadmium, nikkel, zink en koper.
De resultaten van het verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling (wonen met tuin). 4.9.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.11 Water 4.11.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beleid Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. Voor waterschap Aa en Maas gaat dit om het 2e SGBP voor het Nederlandse deel van het Maasstroomgebied (2016 – 2021). Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. In Nederland wordt dit uitgeoefend door de diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. 6
Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek, d.d. 9 augustus 2019
Hoofdstuk 4
45
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Bij nieuwe plannen dient onderzocht behoort te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de afwegingsstappen “hergebruik – infiltratie – buffering – afvoer” doorlopen. Voor het beheer van de waterhuishouding hebben de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Bij voldoen aan de Algemene Regel is geen vergunning noodzakelijk (wel meldingsplichtig). Indien niet voldaan wordt, is een watervergunning benodigd voor de voorgenomen werkzaamheden. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak tussen 2.000 en 10.000 m² kan volgens de Rekenregel de benodigde hemelwatercompensatie berekend worden.
Bij grotere planontwikkelingen is een hydrologisch onderzoek noodzakelijk om de impact van het planvoornemen af te stemmen en kan de Rekenregel als uitgangspunt voor het bepalen van de compensatie gebruikt worden. De gemeente Meierijstad (waartoe Zijtaart behoort) en waterschap Aa en Maas hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad. Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken betrekken we zoveel als mogelijk de maatschappij. Op particulier terrein liggen namelijk nog veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag.
Binnen de waterketen en het watersysteem benutten we de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Voor planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De online 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten en vroegtijdige afstemming
Hoofdstuk 4
46
van het planvoornemen mogelijk maakt. Door middel van de waterparagraaf wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. 4.11.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een waterparagraaf7 opgesteld voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. De onderzoekslocatie ligt grotendeels op ca. 10,2 m +NAP en is aflopend naar de bestaande greppels op de perceelsgrenzen (ca. 9,9 m +NAP). De GHG is op ca. 9,5-9,6 m +NAP te verwachten. Om grondwateroverlast te vermijden, wordt een toekomstig wegpeil van ca. 10,3-10,4 m +NAP geadviseerd. Hierdoor worden de woningen op een vloerpeil van ca. 10,5-10,7 m +NAP aangelegd en is geen toekomstige grondwateroverlast te verwachten. Voor de tuinen volstaat de huidige ontwateringsdiepte waardoor alleen ter plaatse van de weg en nieuwbouw licht opgehoogd dient te worden. Ter plaatse van het plangebied zijn enkele droogvallende greppels aanwezig. Wijzigingen hierin op eigen terrein kunnen zonder watervergunning plaatsvinden. Als bestaande greppels gedempt worden, dient de eventuele afvoer van derden op deze greppel behouden te blijven.
Door het hemelwater op eigen terrein op te vangen en te verwerken en de afstand tot het primair oppervlaktewater is geen directe invloed op het bestaande oppervlaktestelsel te verwachten door het planvoornemen. Momenteel vindt vanuit het plangebied geen afvoer van afvalwater plaats. Bij de nieuwbouw zal een nieuw DWA-stelsel aangelegd worden. Onder de westelijk gelegen Pastoor Clercxstraat is een gemeentelijk rioolstelsel aanwezig. De verwachte bijkomende afvalwaterhoeveelheid voor de nieuwbouwwoningen (max. 85 woningen in 2 fases) bedraagt ca. 2,6 m³/uur. Deze hoeveelheid kan zonder aanpassingen door het bestaande stelsel verwerkt worden. Of dit voor het hele plangebied onder vrijverval kan plaatsvinden naar de Pastoor Clercxstraat dient bij de nadere planuitwerking nader onderzocht te worden. Voor de aanleg van het stelsel en de aansluiting van de woningen wordt bij de uitwerking van een concreet stedenbouwkundig plan een nader overleg met de gemeente Meierijstad geadviseerd. Momenteel infiltreert het hemelwater op eigen perceel. In de bestaande greppels worden neerslagpieken en tijdelijk hoge grondwaterstanden opgevangen. Door het planvoornemen is een forse toename aan verharding te verwachten (ca. 15.500 m² voor beide fases). Voor de voorgenomen planontwikkeling dient derhalve een watervergunning aangevraagd te worden bij het waterschap.
In eerste instantie wordt bij de herontwikkeling nieuw, gesloten verharding zoveel mogelijk beperkt. Hergebruik ten behoeve van bijvoorbeeld toiletspoeling wordt vanuit milieu hygiënisch oogpunt (fout aansluitingen) niet geadviseerd. Deze toepassing of opvang/hergebruik in een hemelwaterton ten behoeve de tuin wordt vanuit de gemeente aangemoedigd maar is geen verplichting. Individuele hemelwatervoorzieningen worden gezien de gewenste planinvulling met ‘kleinere’ kavels en verwachte GHG niet geadviseerd. Het verzamelde hemelwater zal en kan binnen de ontwikkeling verwerkt worden. De benodigde waterretentie bedraagt voor fase A ca. 540 m³ en voor fase B indicatief ca. 390 m³. Fase A zal eerst gerealiseerd worden. Hiervoor is centraal voldoende ruimte aanwezig om het hemelwater te verwerken (waterhoogte ca. 45-50 cm over 1.120 m² zonder afstroomverlies en
7
Aeres Milieu, Waterparagraaf Zijtaart-Zuid te Zijtaart, d.d. 12 oktober 2020
Hoofdstuk 4
47
aanvullende maatregelen). Fase B veroorzaakt een hogere peilstijging. Geadviseerd wordt om bij ontwikkeling van deze fase tevens oostelijk in het groen hemelwater te verwerken waardoor een minder diepe voorziening benodigd is. Bij de concrete planuitwerking kunnen aanvullende maatregelen ter beperking van de afvoerhoeveelheid en -snelheid genomen worden. Deze zijn opgesomd bij hoofdstuk Hemelwater in de waterparagraaf en mogen meegerekend worden bij de totale waterbergingshoeveelheid. Het maaiveld dient zo aangelegd te worden dat het hemelwater kan afstromen naar een lager gelegen gedeelte of de hemelwatervoorziening waardoor eventuele overlast beperkt is. Door het aanhouden van een hoger weg- en vloerpeil en de afloop van het maaiveld richting de centrale hemelwatervoorziening van voldoende omvang is door het planvoornemen geen wateroverlast te verwachten en wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld. 4.11.3 Conclusie Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.12 Archeologie 4.12.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De voormalige gemeente Veghel heeft haar archeologiebeleid verwerkt in het vigerende bestemmingsplan. In het bestemmingsplan Buitengebied heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’. Het perceel heeft in het geldende bestemmingsplan Buitengebied grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,3 meter. De noordoostelijke hoek van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ in het geldende bestemmingsplan.
Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 0,3 meter. Het initiatief is daarmee onderzoeksplichtig.
Hoofdstuk 4
48
4.12.2 Onderzoek Er is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek8 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van het uitgevoerde verkennende booronderzoek kan worden gesteld dat de bodem in het plangebied bestaat uit een zeer plaatselijk deels intacte bodem in laat-pleistoceen dekzand die zich bevindt in oorspronkelijk lage en vochtige delen. Ter plaatse van de hogere delen is sprake van een scherpe overgang van de bouwvoor naar de C-horizont, waarbij aftopping tot tenminste 0,5 meter in de oorspronkelijke C-horizont heeft plaatsgevonden. Op basis van de resultaten van het booronderzoek kan de lage archeologische verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het laat-paleolithicum en mesolithicum en voor nederzettingsresten uit de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd gehandhaafd blijven. De middelhoge archeologische verwachting voor nederzettingsresten uit de periode vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen kan worden bijgesteld naar laag. Als gevolg hiervan wordt geadviseerd dat verder archeologisch onderzoek voor het plangebied niet noodzakelijk wordt geacht. Selectieadvies gemeente Meierijstad De gemeente kan instemmen met de inhoud en strekking van het rapport van Aeres Milieu9.
De gemeente neemt dan ook het advies van Aeres over om de lage verwachting voor vuursteen-vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en voor nederzettingsresten uit de periode Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd te handhaven, maar de middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode vanaf het Neolithicum t/m de Vroege Middeleeuwen naar laag bij te stellen. Als gevolg hiervan wordt verder archeologisch onderzoek in dezen niet noodzakelijk geacht. 4.121.3 Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.13 Cultuurhistorie 4.13.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan.
8 9
Aeres Milieu, Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen, d.d. 6 juli 2020 Selectieadvies archeologische monumentenzorg Gemeente Meierijstad, d.d. 27 mei 2020
Hoofdstuk 4
49
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. 4.13.2 Onderzoek In onderstaande figuur is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van NoordBrabant weergegeven ter plaatse van het plangebied. Voor het plangebied zijn de volgende aanduidingen van belang: Historische geografie – lijnen (lijn van redelijk hoge waarde): Pastoor Clercxstraat en Pater Thijssenstraat. Historische geografie – lijnen (lijn van hoge waarde): bomenlaan aan de oostzijde van het plangebied. Historische stedenbouw (redelijk hoog): Zijtaart Doornhoek. Historisch groen: Laanbeplanting Veghelse Dijk, Zijtaart, Zondveld. Rijksmonumenten: Pastoor Clercxstaat 76 en 85. Overige bouwkunst: Pastoor Clercxstraat 68 en Leinserindweg 5 (boerderij).
In de toelichting behorende bij de Cultuurhistorische Waardenkaart wordt aangegeven dat Zijtaart een Heidenederzetting is, welke gelegen is op oude oeverwal van de Aa (genoemd in 1356). Na de stichting van de parochie en de bouw van de Sint-Lambertuskerk (1871) heeft een dorpsverplaatsing naar de nieuwe kom rond de kerk plaatsgevonden. Daarbij is een voornamelijk noordwaarts gerichte lintvormige uitbreiding (Pastoor Clercxstraat) ontstaan. Deze is overgegaan in de voormalige heidenederzetting Doornhoek. Bepalend in de kom van Zijtaart zijn de kerk, pastorie (1875) en het klooster (1901,1907), naar noorden meer eenvoudige eenlaagse woonhuizen (circa 1890-1920), overgaand in boerderijen (circa 1850-1920) op Doornhoek.
Hoofdstuk 4
50
Figuur 4.4: Ligging plangebied in Cultuurhistorische Waardenkaart 2010, herziening 2016
Historische geografie – lijnen Met onderhavig planvoornemen worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het woongebied wordt ingepast in de aanwezige stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische structuren en sluit aan op de bestaande lintbebouwing en het bestaande bebouwingsbeeld van de Pastoor Clercxstraat en de Pater Thijssenstraat en vormt een logische afronding van het dorp Zijtaart. De bomenlaan aan de oostrand van het plangebied blijft gehandhaafd. De ontwikkelingen van het plangebied zullen daarom geen negatieve invloed hebben op deze elementen in de omgeving. Historisch groen: Laanbeplanting Veghelse Dijk, Zijtaart, Zondveld Een beplanting van zomereik van rond 1880 langs de Pastoor Clercxstraat. Waarde redelijk hoog. Deze laanbeplanting wordt niet aangetast met onderhavig plan. De ontwikkelingen van het plangebied zullen daarom geen negatieve invloed hebben op deze laanbeplanting. Rijksmonumenten en overige bouwkunst In de omgeving van het plangebied zijn twee Rijksmonumenten gelegen en twee panden aangeduid als ‘overige bouwkunst’.
Pastoor Clercxstraat 76 is een boerderij van het Kampische langgeveltype onder met pannen belegd wolfdak, uit de 19e eeuw (Rijksmonument). Pastoor Clercxstraat 85 is een boerderij met op een steen de inscriptie: "Jan Abraham de Munck 23 Jjunij 1850". Rieten wolfdak met voet van pannen ramen met kleine roedeverdeling vensterluiken. Deels stenen, deels houten schuur (Rijksmonument). Overige bouwkunst: Pastoor Clercxstraat 68. Pand uit 1930. Overige bouwkunst: Leinserindweg 5. Boerderij uit 1890 (gemeentelijk monument).
Hoofdstuk 4
51
Deze vier panden worden niet aangetast door het planvoornemen en de beoogde ontwikkeling houdt voldoende afstand tot deze panden. De voorgenomen ontwikkeling zal hierdoor geen negatieve invloed hebben op deze cultuurhistorische waarde van deze panden/monumenten. 4.13.3 Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de voorgestane ontwikkeling.
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.13.1 Toetsingskader Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C- en D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 4.13.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling10 opgesteld.
Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
10
BRO, Aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling Bestemmingsplan Zijtaart-Zuid, d.d. 12 oktober 2020
Hoofdstuk 4
52
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het bestemmingsplan bestaat uit de juridisch bindende regels en verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij de harde randvoorwaarden. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Hieronder wordt de systematiek, opbouw en indeling van de regels kort toegelicht. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
Hoofdstuk 5
53
Hoofdstuk 1: Inleidende regels In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. Artikel 2 geeft de meet- en rekenwijze aan: Begrippen: In deze regels zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begrippen zijn alleen nodig wanneer die gebruikt worden in de regels en wanneer deze tot verwarring kunnen leiden of op meerdere manieren te interpreteren zijn. Wijze van meten: Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In het tweede hoofdstuk komt de bestemming aan de orde. De opbouw van de bestemming ziet er als volgt uit: Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functie. Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd.
Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart). Nadere eisen: in dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waaraan burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen. Alleen daar waar het wenselijk is om bij de vergunningverlening sturend te kunnen optreden, heeft de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen toegevoegde waarde. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen dient objectief begrensd te zijn en duidelijke criteria te bevatten. Afwijken van de bouwregels: Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde oppervlaktematen van bijgebouwen en herbouw van een woning buiten het bouwvlak, die conform de bouwregels niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Specifieke gebruiksregels: in dit artikel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de in de bestemmingsomschrijving genoemde doeleinden.
Afwijken van de gebruiksregels: Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning, bepaalde vormen van gebruik, die conform de bestemmingsomschrijving niet zijn toegestaan, toch toestaan. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Wijzigingsbevoegdheid: Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het opstellen van een wijzigingsplan. Hoofdstuk 3: Algemene regels In het derde hoofdstuk zijn de regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels.
Hoofdstuk 5
54
Anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels: deze regels geven algemene regels voor de bouw van ondergeschikte bouwregels en voor ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels: deze regels geven algemene regels over wat onder een strijdig gebruik wordt verstaan. Algemene afwijkingsregels: in deze regels zijn aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels: in deze regels is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.