Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Veghel herziening Leinserondweg 12 met bijlagen (vast te stellen)
Tekst van het document
Gezien binnen de voorgenomen ontwikkeling meer bijgebouwen worden beoogd dan mogelijk is middels artikel 4.8.8 is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Desondanks wordt grotendeels voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.8.8 van het vigerend bestemmingsplan. Omvang bestemmingsvlak ‘Wonen’ Volgens de criteria zoals opgenomen in de wijzigingsbevoegdheid dient de omvang van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ afgestemd te worden op de omvang van het erf/tuin bij de bedrijfswoning. Normaal gesproken ontstaat dan een bestemmingsvlak van ca. 1000 -1500 m2. In deze situatie is al sprake van een ruime opzet van het ‘privé-erf’ waarbij de garage op relatief grote afstand van de woning staat. Verder is sprake van vervangende nieuwbouw van een grote schuur. Het bestemmingsvlak is hierop aangepast en krijgt een omvang van ca 3850 m2. (huidige bouwvlak ca. 1,1 hectare). Gelet op de omgeving met agrarische bestemmingen en grote woonbestemmingsvlakken ca. 3000 m2 is dit geen sterk afwijkende situatie. Dit wordt daarom als passend gezien. Bijgebouwen bij woningen Standaard hanteert de gemeente een maximum oppervlakte van 150 m2 aan bijgebouwen bij woningen in het buitengebied. De goothoogte mag maximaal 3,3 meter bedragen en de nokhoogte maximaal 6 meter. De afstand van een vrijstaand bijgebouw tot de woning mag niet meer dan 15 meter bedragen.
(bron: bestemmingsplan Laaghangend fruit) Het initiatief wijkt hiervan af. Afwijkende oppervlakte bijgebouwen Bij de woning wordt de mogelijkheid gecreëerd om een bijgebouw van 450 m2 te realiseren, naast het behoud van twee andere bijgebouwen (oppervlakte 150m2). De gewenste nieuwbouw vervangt 2 andere bedrijfsgebouwen op het perceel met een oppervlakte van ca. 600 m2. Deze opstallen maken geen deel uit van de saneringsregeling, gelet op de situering aan de uiterste rand van het huidige bouwvlak is sloop van deze opstallen vanuit een landschappelijk oogpunt gewenst. Gelet op de landschappelijke en milieukundige kwaliteitswinst die behaald wordt op deze locatie wordt een afwijking van het beleid van de gemeente op dit punt aanvaardbaar geacht. Als concrete verbeterpunten kunnen worden genoemd: 1. Sloop van stallen (ca. 3.291 m2 door deelname aan RVO en ca. 600 m2 op ongewenste plek) 2. Afname van uitstoot door beëindiging veehouderij 3. Verkleinen van bouwvlak (van 11000m2 naar 3850m2)
17
4. Landschappelijke inpassing /inrichting (hagen, boomgaard, struweelhaag, amfibieënpoel, bloemrijk grasland) Afwijkende situering Het te realiseren bijgebouw komt op een grotere afstand van het woonhuis te staan. Ook de bestaande bijgebouwen staan al op een grotere afstand. Gelet op de beoogde erfinrichting is de gekozen positie echter logisch. De bijgebouwen worden geconcentreerd in één deel van het bestemmingsvlak. Afwijkende goot – en nokhoogte Voor de loods van 450 m2 wordt een afwijkende goot- en nokhoogte toegestaan (respectievelijk 3,5 en 6,5 meter). In verband met de stalling van landbouwwerktuigen is een hogere goothoogte gewenst. In samenhang hiermee is wordt ook een iets hogere nokhoogte toegestaan, zodat architectonisch gezien het gebouw beter in verhouding is. De geringe overschrijding op dit onderdeel doet geen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit, mede gelet op de afstand tot de weg en de landschappelijke inpassing die zal plaatsvinden. Conclusie Het veranderen van de agrarische bestemming naar een woonbestemming levert een grote bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van deze locatie. De afwijkingen ten aanzien van situering, omvang (oppervlakte / hoogte) van de bijgebouwen worden gelet op de te behalen kwaliteitswinst aanvaardbaar geacht.
Kwaliteitsverbetering landschap Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening stelt dat een ruimtelijke ontwikkeling binnen het Landelijk gebied gepaard dient te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing, het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land, het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het wegnemen van verharding, het slopen van bebouwing, de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones en het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. De ‘Handreiking Kwaliteitsverbetering van het landschap, de rood-met-groen-koppeling’ van de provincie Noord-Brabant (november 2011) biedt informatie om invulling te geven aan dit principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt een basisinspanning van 20% van de waardevermeerdering van de grond redelijk geacht.
Berekend dient dan ook te worden of sprake is van een bestemmingsplanwinst, waarna de te leveren tegenprestatie kan worden berekend. De naar burgerwoning om te zetten bedrijfswoning aan Leinserondweg 12 zal een oppervlakte kennen van 3.850 m². De omzetting van voormalige agrarische bedrijfswoning naar reguliere burgerwoning met 600 m² aan bijgebouwen wordt gezien als categorie 3-ontwikkeling. Hieronder is de berekening van de benodigde kwaliteitsverbetering weergegeven.
18
Berekening Kwaliteitsverbetering grondprijs
eenheid
oppervlak
forfataire waarde
huidige grondwaarde agrarische grond (onbebouwd) agrarisch bedrijf (bouwkavel, excl. Agrarische bedrijfswoning) wonen tot 1000 m2 (agrarische bedrijfswoning) totaal
€ € €
7,50 m2 kavel 15,00 m2 bouwvlak 80,00 m2 kavel
0 10000 1000 11000
€ € € €
150.000,0 80.000,0 230.000,0
Toekomstige grondwaarde agrarische grond (onbebouwd) Wonen tot 1000 m2 (bouwkavel) Wonen tot 1000 m2 (met bestaande woning) wonen tot 1000 m2 (agrarische bedrijfswoning) wonen 1000 - 2000 m2 wonen vanaf 2000 m2 totaal
€ € € € € €
7,50 225,00 225,00 80,00 50,00 25,00
7150 € € 1000 € € 1000 € 1850 € 11000 €
53.625,0 225.000,0 50.000,0 46.250,0 374.875,0
Waardestijging
€
144.875,0
investering kwaliteitsverbetering
€
28.975,0
m2 kavel m2 kavel m2 kavel m2 kavel m2 kavel m2 kavel
Hieronder wordt de tegenprestatie berekend welke op de locatie wordt toegepast: Tegenprestatie Aanleg Knip- en scheerhaag
1372 stuks /196 m
landschapsbomen
14 stuks
Sloop 150 m2 (afname bebouwing boven sanering varkenshouderij Sloop SRV
€ 20 x 150 m²
€ 3000,00
€20 x 3192 m²
€63.840,00 € 74.448,68
€1,85 x 1372 = €2.538,20 € 76,77 x 14 = € 1.074,78
Beheer (max 10 jaar) €0,96 x 196 x 10 €1.881,60 (10 jaar) € 15,10 x 14 x10 € 2.114,10 (10 jaar)
€4.419,80 € 3.188,88
Uit bovenstaande blijkt dat de tegenprestatie ruim voldoende groot is.
19
4. Milieuhygiënische en planologische verantwoording 4.1. Mer-beoordeling Op grond van het gewijzigde Besluit m.e.r. (7 juli 2017) is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. De nieuwe procedure geldt voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is; Daarvan is sprake als een activiteit is opgenomen in Onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (de D-lijst). De nieuwe procedure geldt ongeacht of de activiteit onder of boven de D-drempel valt. In dit geval is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Opstellen van een aanmeldnotitie ten behoeve van besluitvorming door het college, is niet nodig.
4.2. Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Doel van het archeologisch onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het archeologisch onderzoek is verankerd in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007. De uitgangspunten van de wet zijn: - archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet meer mogelijk is; - de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling moet in een vroegtijdig stadium aangeven hoe met eventuele archeologische waarden bij bodemverstorende ingrepen zal worden omgegaan. Dit houdt in een verplichting tot vooronderzoek bij werkzaamheden die de grond verstoren; - bodemverstoorders betalen archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. De kosten voor noodzakelijk archeologische werkzaamheden komen ten laste van de initiatiefnemer. Bij de afweging of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, dient nagegaan te worden of er binnen of rondom het plangebied cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.
Het eventueel aanwezig zijn van deze waarden wil niet per definitie zeggen dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling niet realiseerbaar is, maar geeft wel aan dat zorgvuldig omgaan met deze waarden vereist is. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied vindt sloop en bouw plaats. Echter vindt dit plaats binnen het plangebied waar de grond reeds in het verleden bij de bouw van de bedrijfsbebouwing geroerd is waardoor het voorkomen van archeologische waarden kan worden uitgesloten. Derhalve is geen nader archeologisch onderzoek vereist. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het plangebied daarnaast gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Binnen deze bestemming zijn de gronden, behalve voor de daarvoor voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Naar verwachting wordt er geen bouw voorzien waarbij werkzaamheden worden uitgevoerd beneden de 0,3 meter maaiveld of dieper dan de bestaande funderingen. Mocht dit wel zo zijn dan wordt voorafgaand aan de werkzaamheden een archeologisch onderzoek overlegd met de gemeente. Toevalsvondst archeologie Het kan voorkomen dat bij graafwerkzaamheden toch nog een archeologische vondst wordt ontdekt. Zo’n vondst heet een toevalsvondst.
Een toevalsvondst moet formeel gezien altijd bij onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gemeld worden, dit is een wettelijke verplichting volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
20
Cultuurhistorie Het plangebied bevindt zich in ‘De Meierij’, een regio van provinciaal cultuurhistorisch belang. De Meierij bestaat uit verschillende dekzandruggen, beekdalen en dekzandvlaktes. Over grote oppervlakten ligt Brabants leem in de ondergrond. Het water van de beken (Essche Stroom, Beerze, Dommel en Aa) stroomt in de richting van ’s-Hertogenbosch, waar een doorgang in de dekzandrug aanwezig is. In het verleden leidde deze situatie hier en daar tot problemen met de waterafvoer, waardoor natte broekgebieden, vennen en kleine veengebieden ontstonden. De Meierij wordt gekenmerkt door een kleinschalig mozaïek van oude en jonge ontginningslandschappen en woeste gronden. De Meierij wordt gekarakteriseerd door veel kleine dorpen, met ieder hun eigen karakter en relatie met het landschap. Ook zijn een aantal plattelandsdorpen uitgegroeid tot middelgrote steden of industriekernen. Zijtaart is daarnaast aangemerkt als ‘Heidenederzetting gelegen op oude oeverwal van de Aa (genoemd in 1356)’. Na de stichting van de parochie en de bouw van de Sint-Lambertuskerk (1871) heeft een dorpsverplaatsing naar de nieuwe kom rond de kerk plaatsgevonden. Daarbij is een voornamelijk noordwaarts gerichte lintvormige uitbreiding (Pastoor Clercxstraat) ontstaan. Deze is overgegaan in de voormalige heidenederzetting Doornhoek.
Bepalend in de kom van Zijtaart zijn de kerk, pastorie (1875) en het klooster (1901, 1907) en naar het noorden meer eenvoudige eenlaagse woonhuizen (ca. 1890-1920), overgaand in boerderijen (1850-1920) op Doornhoek. De structuur is nog gaaf aanwezig, hoewel het bebouwingsbeeld met name in Zijtaart gewijzigd is door naoorlogse nieuwbouw. Met name vanaf de Zuid-Willemsvaart is er een visuele relatie tussen oude ontginningsgronden en het dorpssilhouet. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de sanering van een varkenshouderij mogelijk gemaakt waarbij de hoeveelheid aan bebouwing afneemt en de woning (ongewijzigd) blijft behouden. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de in de omgeving aanwezige waarden. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast, wat leidt tot het passen van het plangebied in de omgeving. Conclusie Er zijn vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3. Flora en fauna Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wnb is drieledig: 1. Bescherming biodiversiteit in Nederland; 2. Decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. Vereenvoudiging van regels. Vanaf 1 januari 2017 bepalen provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. De provincie is primair verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Brabant en zeer kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). Op circa 17,5 kilometer bevindt zich het Natura 2000-gebied, Kampina. Om te bepalen of er gevolgen zijn voor de NOx-depositie op de te beschermen gebieden zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd. In bijlage 2 is de uitstoot van NOx nader onderbouwd en zijn de berekeningen toegevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat er geen depositie is op omliggende beschermde gebieden ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Daarnaast zijn gezien de aard, de omvang, het effectbereik en de afstand, significant negatieve gevolgen op voorhand uit te sluiten. Hierdoor geldt er geen vergunningsplicht in het kader van de Wnb.
21
Op basis van bovenstaande gegevens is te concluderen dat de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve bijdrage heeft op de te beschermen gebieden. Daarnaast wordt de beoogde situatie landschappelijk ingepast waardoor de aanwezig natuur- en landschapswaarden worden verbeterd. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het projectgebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse, beschermde natuurwaarden bevinden, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden.
Voor de ontwikkeling van de beoogde situatie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het voornemen naar verwachting geen negatief effect zal hebben op staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Voor de uitwerking van de quickscan flora en fauna, zie bijlage 3.
4.4. Waterparagraaf 4.4.1 Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen het plangebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets de oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan kunnen worden gemaakt. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in Meierijstad is in handen van de gemeente Meierijstad en het Waterschap Aa en Maas.
22
4.4.2 Waterbeleid Met betrekking tot de waterhuishouding zijn diverse beleidsstukken relevant. Genoemd kunnen worden: Nationaal Waterplan 2016-2021, Provinciaal Milieu- en Waterplan van de provincie NoordBrabant, Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021, Keur Waterschap Aa en Maas, Vierde Nota Waterhuishouding, Nationaal bestuursakkoord water, Beleidsbrief regenwater en riolering, Verbreed Gemeentelijk Riolerings Plan, 2017-2022. Centraal in het waterbeleid is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De waterhuishouding legt daarmee een ruimteclaim waaraan voldaan moet worden. Daarbij zijn de volgende strategieën leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Waterbeheerplan Waterschap Aa en Maas 2016-2021 In het waterbeheerplan van Waterschap Aa en Maas wordt aangeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe deze doelen bereikt moeten worden. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas 2, het Nationaal Waterplan 2, Overstromingsbeheerplan 1, Beheerplan Rijkswateren, het Provinciaal Waterplan en Waterbeheerplannen van de andere Nederlandse waterschappen. Het doel van het waterbeheerplan is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden.
Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in NoordoostBrabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende thema’s: • Veilig en bewoonbaar; • Voldoende water en robuust watersysteem; • Schoon water; • Gezond en natuurlijk water; • Het leveren van maatschappelijke meerwaarde Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: • Gescheiden houden van vuilwater en schoon hemelwater; • Doorlopen van de afwegingsstappen: hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer; • Hydrologisch neutraal bouwen; • Water als kans; • Meervoudig ruimtegebruik; • Voorkomen van vervuiling; • Wateroverlastvrij bestemmen; • Waterschapsbelangen. Keur Brabantse waterschappen Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap.
Beleidsregel hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse Waterschappen hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer.
23
Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² zijn onder de nieuwe keur vrijgesteld van compensatie. Voor plannen met een verhardingstoename tussen tot 10.000 m² hanteert het waterschap een algemene (reken) regel (benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m)). 4.4.3 Afvoer hemelwater Het hemelwater mag niet worden geloosd op het riool, in verband met aanwezigheid van drukriool. Hydrologisch neutraal bouwen Hydrologisch neutraal bouwen betekent dat het schone hemelwater afkomstig van daken en erfverharding op het perceel moet worden verwerkt door middel van infiltratie of waterberging. Gezorgd moet worden dat voldoende buffercapaciteit aanwezig is. De oorspronkelijke landelijke afvoer mag niet overschreden worden bij een bui die eens in de 10 jaar voorkomt (T=10). Verhard oppervlak In de beoogde situatie vindt een sterke verkleining plaats van het verhard oppervlak. Alle agrarische bebouwing wordt gesloopt en in de nieuwe situatie wordt een loods herbouwd en blijven de woning en bijgebouwen behouden. Dit betekent dat op basis van het waterschapsbeleid, geen compenserende maatregel noodzakelijk is. Conform gemeentelijk beleid moet alle nieuw bebouwing en verharding hydrologisch neutraal gerealiseerd worden.
Het hemelwater van de nieuwe loods zal ter plaatsen van de boomgaard en kruidenrijk grasland op eigen terrein worden geïnfiltreerd.
4.5. Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Voordat de gronden in gebruik mogen worden genomen voor het beoogde gebruik dient vervolgens na sloop en verwijdering van de ter plaatse aanwezige bebouwing en/of ter plaatse van asbestverdachte locaties middels bodemonderzoek aangetoond te worden dat deze gronden milieuhygiënisch geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe wordt in de regels behorende bij dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting bodemkwaliteit opgenomen met locatieaanduiding.
4.6. (Ondergrondse) infrastructuur Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen wellicht een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of een breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen.
24
Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootse kans op beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op vijf meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen ontwikkeling is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen.
Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Overige kabels en (buis-)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatiefnemer van de voorgenomen ontwikkeling draagt zorg voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting van (toekomstig) aanwezige kabels en leidingen. Radarverstoringsgebieden Het plangebied is gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar’. Binnen dit gebied wordt de maximale hoogte van bouwwerken in een radarverstoringsgebied bepaald door elke denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf een punt op de top van de radarantenne, waarvan de hoogteligging ten opzichte van NAP is opgenomen in bijlage 8 van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (voor Volkel 49 meter ten opzichte van N.A.P.), oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf voornoemde radarantenne. In de beoogde situatie worden geen hogere gebouwen gerealiseerd dan reeds aanwezig in de huidige situatie. Hierdoor vinden er geen negatieve effecten plaats op in de omgeving aanwezige radarantennes.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit het aspect (ondergrondse) infrastructuur geen problemen oplevert. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
4.7. Bedrijven en milieuzonering Om te komen tot een ruimtelijke relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieu hygiënische aspecten wordt een milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruikgemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’, van maart 2009. VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering De VNG Handreiking is ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen de aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
25
- het betreft ‘gemiddelde’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen; - de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ of vergelijkbare omgevingstypen; - de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. De milieucategorie is direct afgeleid van de grootste afstand: - categorie 1: grootste afstand 10 meter; - categorie 2: grootste afstand 30 meter; - categorie 3.1: grootste afstand 50 meter; - categorie 3.2: grootste afstand 100 meter; - categorie 4.1: grootste afstand 200 meter; - categorie 4.2: grootste afstand 300 meter; - categorie 5.1: grootste afstand 500 meter; - categorie 5.2: grootste afstand 700 meter; - categorie 5.3: grootste afstand 1000 meter; - categorie 6: grootste afstand 1500 meter. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo’n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandstrap worden verlaagd. Invloed milieuhinder van omliggende (agrarische) bedrijven In de nabije omgeving van het plangebied zijn enkele (agrarische) bedrijven gevestigd. In figuur 10 zijn de gegevens van deze bedrijven weergegeven. Het reeds aanwezige gevoelige object wordt niet gewijzigd.
Daarnaast worden geen nieuwe gevoelige objecten opgericht. Hierdoor vinden geen (extra) belemmeringen plaats, waardoor omliggende (agrarische) bedrijven niet negatief worden beïnvloed. Adres
Soort bedrijf
SBI-2008
Milieucode
Leinserondweg 6
Akkerbouw
011, 012, 013
2
Leinserondweg 7
451, 452, 454
2
Leinserondweg 11
Auto/motorrepartie-, service- en handelsbedrijf Paardenhouderij
0143
3.1
Leinserondweg 16
Akkerbouw
011, 012, 013
2
Leinserondweg 17
Vleeskalverenbedrijf
0141, 0142
3.2
Leinserondweg 19
Akkerbouw
011, 012, 013
2
Figuur 10 (Agrarische) bedrijven in omgeving plangebied
26
4.8. Geurhinder Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. In de directe omgeving is één intensieve veehouderijen gehuisvest, zijnde Leinserondweg 17. Enerzijds dient aangetoond te worden dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is, anderzijds mag de beoogde ontwikkeling geen belemmering vormen voor omliggende veehouderijen. Achtergrondbelasting Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een achtergrondgeurberekening uitgevoerd met het programma V-stacks gebied. Voor de brongegevens is gebruik gemaakt van de input van WebBvB. De receptorgegevens zijn vastgesteld op basis van www.ruimtelijkeplannen.nl Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting ruimschoots voldoet aan de geurnorm. Hierdoor wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. ID 1001 1002 1003 1004 1005 1006
X 166339 166331 166323 166335 166340 166337
Y 400756 400749 400763 400771 400762 400761
NORM_Ou 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00
Geurbelasting (Ou/m³) 6.615 6.145 6.128 6.265 6.513 6.453
Figuur 11 Resultaat achtergrondgeurberekening geur
Omliggende veehouderijen Voor de omliggende agrarische bedrijven vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering aangezien de te realiseren woonbestemming, een voormalige agrarische bedrijfswoning betreft gestopt na 19 maart 2000. Hierdoor wordt de woning niet als geurgevoelig object gezien. De afstand tussen de voormalige agrarische bedrijfswoning en de omliggende veehouderijen wordt niet verkleind. Daarnaast worden er geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. Hierdoor vindt geen (extra) belemmering plaats voor omliggende veehouderijen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.9. Akoestiek Bij de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengebied en de gebruiksfunctie.
27
Wegverkeerslawaai Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige objecten opgericht, blijft het bestaande gevoelige object, de bedrijfswoning, intact en worden de afstanden ten opzichte van geluidproducerende bronnen, zoals wegen, niet verkleind. Hierdoor is een nader akoestisch onderzoek naar de gevolgen van wegverkeerslawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai De afstanden tussen het huidige gevoelige object en de omliggende bedrijven blijft gelijk, daarnaast worden geen extra gevoelige objecten opgericht. Verder is er geen geluidzone industrielawaai aanwezig in of nabij het plangebied. Nader onderzoek naar de gevolgen van industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd.
4.10. Luchtkwaliteit Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijnstof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijnstof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.
De luchtkwaliteit hoef (artikel 5,.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; - een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situatie waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.
Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3%-grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijnstof als NO2. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, door bijvoorbeeld berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven.
28
De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 1% op 500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 1.000 woningen worden gehanteerd. Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken) De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven en bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerzijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking, een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas te worden aangetoond als de bouw van 1500 woningen en de daarmee gepaarde verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende werking dan 1500 nieuwe woningen.
Hierdoor valt het plan ruimschoots onder de 3%-grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook niet ‘in betekenende mate’ (NIBM) bij aan luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit levert derhalve geen beperking en/of belemmeringen op aan de planontwikkeling. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2017) ligt de concentratie PM10 ter plaatse onder de 18 µg/m³ en de PM2,5 onder de 10 µg/m³ , zie figuur 12a en 12b. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse tussen de 10-15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM 2,5 25 µg/m³ . Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de GCN en GDN is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende voor de woonfunctie.
Figuur 12a Uitsnede plangebied uit Fijnstofkaart (PM10) RIVM
29
Figuur 12b Uitsnede plangebied uit Fijnstofkaart (PM2,5) RIVM
Figuur 12c Uitsnede plangebied uit stikstofdioxidekaart (NO2) RIVM
Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Daarnaast is in het project sprake van een goed woon- en leefklimaat doordat de achtergrondconcentraties ruim onder de normen blijven. Verder geldt dat er nu reeds een bedrijfswoning aanwezig is c.q. is toegestaan.
30
4.11. Gezondheid De beoogde ontwikkeling betreft de gevoelige functie ‘wonen’. Hierbij dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Doorwerking plangebied Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. De dichtstbij gelegen veehouderij waarvoor endotoxinenormen gelden is gelegen aan Past. Clercxstraat 20. De minimale vereiste afstand voor een acceptabele endotoxine concentratie vanuit de veehouderij betreft 124 meter op basis van de 975 kg fijnstofemissie van Past. Clercxstraat 20. De feitelijke afstand tussen de bestaande woning en bijgebouw tot een emissiepunt is ca. 550 meter. Cumulatie van endotoxinen door andere veehouderijen in de omgeving is niet aan de orde. Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er zijn geen geitenhouderijen aanwezig binnen een straal van 2 km van het plangebied. Dit aspect vormt geen belemmering.
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen In de omgeving van het plangebied zijn geen (boom)kwekerijen of boomgaarden aanwezig. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing naar een burgerwoning met bebouwing voor privégebruik en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Dit aspect vormt geen belemmering. Hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn ligt op ca. 3,0 kilometer. Gelet op de grote afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering. Handreiking veehouderij en volksgezondheid De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er aandachtspunten worden gevonden.
Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met bedrijfsbebouwing naar een burgerwoning met bebouwing voor privégebruik en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de uiteindelijke afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Gezien hetgeen in het voorgaande is geconcludeerd, is het niet de verwachting dat hier knelpunten op gezondheidsgebied gesignaleerd worden.
31
4.12. Externe veiligheid 4.12.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: • activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; • transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. 4.12.2 Onderzoek De externe veiligheidsrisico's voor het plangebied zijn met behulp van de risicokaart geïnventariseerd.
Figuur 13 Uitsnede risicokaart
Risicovolle inrichtingen: Ten noordwesten van het plangebied ligt een opslagtank met LPG met een risicocontour van 50 meter en een opslag verpakte gevaarlijke stoffen en ammoniakkoelinstallatie met een risicocontour van 250 meter. Deze liggen beide op ten minste 1,65 km van het plangebied en vormen zodoende geen belemmering.
32
Ten zuidwesten van het plangebied ligt een bovengrondse propaantank (Hoge Biezen 1). De tank bevat maximaal 3 m3 , hiervoor geldt een veiligheidsafstand van maximaal 25 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt 1050 meter, hier wordt dus ruim aan voldaan. Buisleidingen: De hogedruk aardgasleiding (transportroutedeel Z-542-10) is gelegen op een afstand van circa 920 meter van het plangebied. De betreffende leiding kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de leiding. Wat betreft het groepsrisico zijn de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. De betreffende leiding heeft een maximale werkdruk van 40 Bar en een uitwendige diameter van 168 millimeter wat betekent dat de 100% letaliteitsgrens van de leiding is gelegen op een afstand van 40 meter uit het hart van de leiding. De 1% letaliteitsgrens is gelegen op een afstand van 70 meter uit het hart van de leiding. Gezien het feit dat het plangebied is gelegen buiten de 1% letaliteitsgrens, wordt geconcludeerd dat een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Transportroutes gevaarlijke stoffen Op een afstand van circa 2,75 km van het plangebied bevindt zich de Rijksweg A50.
Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Uit de Regeling basisnet blijkt dat ter hoogte van dit plangebied (wegvak B87) geen sprake is van een plaatsgebonden risico of plasbrandaandachtsgebied (PAG). Over dit wegvak worden wel stoffen vervoerd met de classificatie LT2. Hierbij wordt een invloedsgebied gehanteerd van 880 meter volgens de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART). Het plangebied valt buiten dit invloedsgebied. Hierdoor hoeft geen verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Op een afstand van circa 200 meter van het plangebied bevindt zich de provinciale weg N279. Over de N279: NCB laan / Rijksweg (Veghel) -N272 / N279 (Beek en Donk) op circa 285 meter afstand van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorieën: LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3. De invloedsgebieden van het vervoeren van gevaarlijke stoffen uit de categorieën LT2 en GF3 bedragen respectievelijk 880 meter en 355 meter. Deze invloedsgebieden reiken geheel over het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk. Verantwoording groepsrisico Scenario('s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk.
Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal
33
gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. De gebouwen voldoen aan het bouwbesluit en bieden daarom een goede bescherming.
Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. 4.12.3 Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen
4.13. Verkeer en parkeren De gemeente Meierijstad streeft naar een goede ontsluiting, maar ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig moet zijn. De ontsluiting (op de Leinserondweg) vindt met name plaats aan de zuidzijde van het plangebied. Aan de noordzijde is tevens een ontsluiting van het plangebied. Daarnaast worden minimaal drie parkeerplaatsen, conform de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstig parkeren’, op eigen terrein, binnen de woonbestemming voorzien. Hiervoor is voldoende ruimte beschikbaar.
34
5. Juridische planopzet Zie algemene toelichting hoofdstuk 3.
35
6. Economische uitvoerbaarheid Zie algemene toelichting hoofdstuk 4.
36
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Zie algemene toelichting hoofsdstuk 5.
37
8. Conclusie In deze toelichting is nadrukkelijk gemotiveerd hoe het onderliggende plan zich verhoudt, zowel in negatieve als in positieve zin, tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk-planologisch beleid zijn alle ruimtelijke en milieuhygiënische aspecten onderzocht. Aan de volgende voorwaarden is voldaan: - Het motiverend herzien van de geldende bestemmingen middels het opstellen van onderliggende ruimtelijke onderbouwing; - Het met een toelichting aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid.
38
Bijlagen Bijlage 1 – Landschappelijke inpassing
39
Bijlage 2 – Onderbouwing NOx en Aerius Aanleiding In het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 moet beoordeeld worden of effect van Stikstofdepositie belemmeringen meebrengt voor vaststelling van het bestemmingsplan. Stikstofdepositie wordt veroorzaakt door o.a. emissies uit veehouderijen, verbranding van (fossiele) brandstoffen (verkeer, stookinstallaties). Stikstof heeft een vermestend en verzurend effect waarvoor diverse vooral beschermde planten en vegetaties gevoelig zijn. Stikstofdepositie Gezien de uitspraak van de Raad van State 29 mei 2019 met betrekking tot het toepassen van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) bij de beoordeling van omgevingsvergunningplichtige activiteiten (artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo) in relatie tot de Wet natuurbescherming (Wnb) hebben er veranderingen plaatsgevonden in het toetsingscriteria van Wabo-vergunningplichtige activiteiten. Hierdoor komen meer bouw- en industriële activiteiten dan voorheen in beeld voor vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de beoogde ontwikkeling wordt nagegaan of de activiteit invloed heeft op natura 2000-gebieden. Om te beoordelen of er een effect is vanuit onderhavige plannen op de omliggende Natura 2000gebieden is er middels het rekenprogramma Aerius een berekening gemaakt.
Uitgangspunten en aannames Aeriusberekening Beoogde situatie Bron Personenvervoer woning Hobbymatig gebruik machines/ voertuigen
Type Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer
# bewegingen/ etmaal 10 6
Ruimteverwarming De uitstoot van een oudere vrijstaande woning is door PAS-bureau vastgesteld op 3,59 kg/jaar. Resultaat Aeriusberekening Middels het rekenmodel AERIUS Calculator is berekend of de emissies resulteren in stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit het rekenmodel volgt dat er geen sprake is van stikstofdepositie, dus kleiner of gelijk aan 0,00 mol/ ha/jaar. Dat betekent dat door het berekende project geen nadelige gevolgen te verwachten zijn op de omliggende Natura 2000-gebieden. Geconcludeerd kan dan ook worden dat er geen vergunningsplicht is voor de betreffende aanvraag. De Aeriusberekening is als bijlage toegevoegd .
40
Bijlage 3 – Quickscan flora en fauna
41
Bijlage 4 – Achtergrondgeurberekening Naam van de berekening: Leinserondweg 12, Veghel Berekende ruwheid: 0,30 m Meteo station: Eindhoven Rekenuren: 10 % Rasterpunt linksonder x: 164334 m Rasterpunt linksonder y: 398760 m Gebied lengte (x): 4000 m , Aantal gridpunten: 24 Gebied breedte (y): 4000 m , Aantal gridpunten: 24 Bronnen ST- Gem STSTE Emax IDNR X_COORD Y_COORD hoogte GebH bindiam uittree vergund Vergun 1001 167471 401270 6 6 0.50 4 5959 5959 1002 167996 400997 6 6 0.50 4 6206 6206 1003 167236 401618 6 6 0.50 4 6654 6654 1004 167784 402175 6 6 0.50 4 38407 38407 1005 164490 400199 6 6 0.50 4 6022 6022 1006 164504 400088 6 6 0.50 4 13800 13800 1007 164546 399776 6 6 0.50 4 34674 34674 1008 164765 399594 6 6 0.50 4 570 570 1009 164679 399477 6 6 0.50 4 25632 25632 1010 165764 399459 6 6 0.50 4 26721 26721 1011 165809 399059 6 6 0.50 4 11730 11730 1012 165591 399113 6 6 0.50 4 58709 58709 1013 166120 399117 6 6 0.50 4 78783 78783 1014 166472 398861 6 6 0.50 4 1780 1780 1015 166462 399005 6 6 0.50 4 9528 9528 1016 166052 399741 6 6 0.50 4 7120 7120 1017 166011 399884 6 6 0.50 4 23826 23826 1018 166727 399293 6 6 0.50 4 146072 146072 1019 164978 399092 6 6 0.50 4 44919 44919 1020 165149 399174 6 6 0.50 4 28694 28694 1021 165321 399104 6 6 0.50 4 23126 23126 1022 166208 398816 6 6 0.50 4 390 390 1023 165314 400032 6 6 0.50 4 6949 6949 1024 165218 400865 6 6 0.50 4 20506 20506
1025 165219 401122 6 6 0.50 4 52274 52274 1026 165465 401214 6 6 0.50 4 25632 25632 1027 165682 400815 6 6 0.50 4 5100 5100 1028 165950 399988 6 6 0.50 4 214 214 1029 166556 400716 6 6 0.50 4 37985 37985 1030 166741 399779 6 6 0.50 4 33253 33253 1031 168084 399391 6 6 0.50 4 4640 4640 1032 167586 399524 6 6 0.50 4 7360 7360 1033 167171 398775 6 6 0.50 4 178 178 1034 164464 398766 6 6 0.50 4 23326 23326
Straat Huisnr Postcode Langsteeg 5 5463PA Ham 18 5463PB Ham 4 5463PB Erpseweg 5 5463PG Biezendijk 19 5465LD Biezendijk 20 5465LD Biezendijk 25 5465LD Biezendijk 29 5465LD Biezendijk 30 5465LD Erpsesteeg 6 5465NX Heisteeg 8 5465NZ Heisteeg 9 5465NZ Zondveldstraat 5 5465PH Zondveldstraat 9 5465PH Zondveldstraat 16A 5465PJ Zondveldstraat 2 5465PJ Zondveldstraat 2A 5465PJ Zondveldstraat 40 5465PJ Krijtenburg 5 5465PL Krijtenburg 6 5465PL Krijtenburg 9 5465PL Krijtenburg 22 5465PM Corsica 15 5465PS De Hemel 10 5465RB De Hemel 8 5465RB Doornhoek 5 5465RC Past. Clercxstraat 20 5465RH Past. Clercxstraat 88 5465RJ Leinserondweg 17 5465RV Hoolstraat 7 5465RW Hool 1 5469KB Hool 12 5469KB Hool 30 5469KB Weievenseweg 39 5491RG
Plaats VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL VEGHEL ERP ERP ERP SINT-OEDENRODE
42
Receptoren ID 1001 1002 1003 1004 1005 1006
X 166339 166331 166323 166335 166340 166337
Y 400756 400749 400763 400771 400762 400761
NORM_Ou 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00
Adres Leinserondweg 12 ZOO Leinserondweg 12 Z Leinserondweg 12 W Leinserondweg 12 N Leinserondweg 12 O Leinserondweg 12 ZO
Resultaat ID 1001 1002 1003 1004 1005 1006
X 166339 166331 166323 166335 166340 166337
Y 400756 400749 400763 400771 400762 400761
NORM_Ou 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00 20.00
Geurbelasting (Ou/m³) 6.615 6.145 6.128 6.265 6.513 6.453
43
Bijlage 5 – Omgevingsdialoog Voor de omgevingsdialoog heeft de initiatiefnemer zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het stappenplan omgevingsdialoog van de gemeente Meierijstad. De initiatiefnemer heeft begin 2021 een omgevingsdialoog uitgevoerd. De inwoners in de directe omgeving zijn telefonisch op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkelingen en zijn in de gelegenheid gesteld eventuele bedenkingen en bezwaren kenbaar te maken. Geen van de benaderde omwonenden, zijnde Leinserondweg 11, Leinserondweg 14 en Leinserondweg 17 hebben bezwaren geuit tegen de ontwikkelingen. Vanwege Covid-19 heeft de initiatiefnemer voor de bovengenoemde methode gekozen. Op een dergelijke wijze wordt alsnog een dialoog gevoerd wat aansluit bij de maatregelen die nu gelden. De benaderde omwonenden verwachten enkel positieve gevolgen door de voorgenomen ontwikkeling. Zo gaven ze aan dat het woongenot positief wordt beïnvloed, en het landschap meer open, ruimtelijker en landelijker wordt met minder (bedrijfs-)bebouwing. De omwonenden wensen de initiatiefnemer succes met de bedrijfsbeëindiging en de beoogde ontwikkelingen. Inhoudelijk waren er op dit moment geen opmerkingen wat heeft geleid tot aanpassingen van de voorliggende toelichting.