CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Veghel herziening Leinserondweg 12 met bijlagen (vast te stellen)

Raadsvergadering 26 januari 2023, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Leinserondweg 1216.933 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Inhoudsopgave Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Leinserondweg 12

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Achtergrond en doel van het plan

6

Hoofdstuk 2

Beschrijving ontwikkeling en verantwoording

7

2.1

Beschrijving planontw ikkeling

7

2.2

Beleidskader

9

2.3

Verantw oording en onderzoek

9

Hoofdstuk 3

Toelichting op regels en verbeelding

10

3.1

Inleiding

10

3.2

Algemeen

10

3.3

Regels

11

3.4

Verbeelding

13

Hoofdstuk 4

Economische uitvoerbaarheid

14

4.1

Exploitatie

14

4.2

Planschade

14

4.3

Handhaving

14

Hoofdstuk 5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

15

5.1

omgevingsdialoog

15

5.2

w ettelijk vooroverleg

15

5.3

planprocedure: ziensw ijze en vaststelling

16

bijlagen bij toelichting

17

Bijlage 1

18

Toelichting Leinserondw eg 12

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 3 van 62

Datum:

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 4 van 62

Datum:

Toelichting bestemmingsplan Buitengebied Veghel, herziening Leinserondweg 12

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 5 van 62

Datum:

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Achtergrond en doel van het plan Vanuit het rijksprogramma Sanering en Verduurzaming Veehouderij is voor de concentratiegebieden Zuid en Oost de subsidieregeling sanering varkenshouderijen opengesteld. De hoeveelheid bedrijven in deze gebieden veroorzaakt gezondheidsrisico's en geurhinder. Door de afname van de varkenhouderijlocaties moet de geuroverlast in deze veedichte gebieden minder worden. In de gemeente Meierijstad maken verschillende varkenshouderijen gebruik van deze subsidieregeling. Belangrijke voorwaarde aan deelname aan de regeling is dat alle vormen van intensieve veehouderij worden beëindigd. In de voor de deelnemende locaties geldende bestemmingsplannen dient daarom uitgesloten te worden dat dergelijke bedrijfstakken zich nog kunnen vestigen op deze locaties. Het voorliggende bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op de locatie Leinserondweg 12 in Zijtaart. De bedrijfsbeëindiging wordt in dit geval gecombineerd met een omschakeling naar de bestemming 'Wonen'. De locatie Leinserondweg 12 was aanvankelijk opgenomen in het voorontwerpbestemmingsplan 'ontwikkelplan sanering varkenshouderij' dat voor vijftien aan de saneringsregeling deelnemende bedrijven is opgesteld. Mede gelet op de ontvangen vooroverlegreactie van de provincie is besloten om deze ontwikkeling separaat in procedure te brengen.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 6 van 62

Datum:

Hoofdstuk 2 Beschrijving ontwikkeling en verantwoording 2.1 Beschrijving planontwikkeling Dit bestemmingsplan ziet op de herbestemming van de locatie Leinserondweg 12 in Zijtaart. Op grond van de deelname aan de Saneringsregeling Varkenshouderij, zijn de varkensstallen op deze locatie inmiddels gesloopt. Aangezien op het perceel geen bedrijfsmatige agrarische activiteiten meer zullen plaatsvinden, dient de bestemming van het perceel aangepast te worden. De bestaande bedrijfswoning blijft behouden en zal worden gebruikt als burgerwoning. Bij deze woning mag 600 m2 aan bijgebouwen worden opgericht. Voor een deel, 450 m2, betreft dit vervangende nieuwbouw van bebouwing die buiten de saneringsregeling valt. Deze bebouwing wordt dichter bij het woonhuis opgericht. Bijgebouwen mogen worden gebruikt als opslag-, hobbyen stallingsruimte bij de woning en tevens voor de opslag- en stalling van goederen/machines voor het beheer/bewerken van de landbouwgronden. Dit laatste is beperkt tot een maximum van 450 m2. Het woonhuis met het aangrenzende erf/tuin krijgt de bestemming 'Wonen'. De gronden buiten het bestemmingsvlak 'Wonen', behouden de bestemming 'agrarisch met waarden' het agrarisch bouwvlak komt geheel te vervallen.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 7 van 62

Datum:

Een uitgebreide inhoudelijke beschrijving van het plan is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 8 van 62

Datum:

2.2 Beleidskader Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met het actuele ruimtelijk beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Aandachtspunt op rijksniveau is het radarverstoringsgebied (radarstation Volkel) dat over dit perceel ligt. Op provinciaal niveau zijn naast de algemene basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies, waaronder ook de kwaliteitsverbetering landschap, met name de regels voor burgerwoningen in het buitengebied van belang. Aandachtspunt is verder de ligging binnen het werkingsgebied 'boringsvrije zone'. Op gemeentelijk niveau speelt vooral het beleid ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing. Voor een verdere inhoudelijke behandeling van het relevante beleidskader wordt verwezen naar bijlage 1 bij deze toelichting.

2.3 Verantwoording en onderzoek Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke Ordening (Bro) dient bij het opstellen van een bestemmingsplan te worden verantwoord dat er geen (onevenredig) nadelige gevolgen op het gebied van milieu en andere ruimtelijk relevante aspecten optreden als gevolg van de voorgenomen bestemmingsplanherziening. Hierbij kan worden gedacht aan zaken zoals bodem, geluid, natuur, archeologie en verkeer. De bedrijfsbeëindiging/herbestemming heeft verschillende positieve ruimtelijke effecten zoals de afname van uitstoot en de sloop van bebouwing. In bijlage 1 worden ook deze aspecten nader toegelicht.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 9 van 62

Datum:

Hoofdstuk 3

Toelichting op regels en verbeelding

3.1 Inleiding In een bestemmingsplan wordt vastgelegd welk ruimtegebruik op een locatie is toegstaan en welke randvoorwaarden daarbij gelden. De verbeelding en de regels vormen de juridische basis van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van het gebied waarop het plan betrekking heeft aangegeven en in de regels is bepaald wat er wel en niet is toegestaan binnen deze bestemmingen. De toelichting heeft geen juridische status maar vormt een motivering/uitleg van wat er op de verbeelding en in de regels is vastgelegd. In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende regels en verbeelding van een toelichting voorzien. Eerst wordt ingegaan op de algemeen geldende voorschriften die bij het opstellen van een bestemmingsplan in acht genomen moeten worden. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de regels en de verbeelding.

3.2

Algemeen

3.2.1 Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Hiervoor is de Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Onder vorige wetten werden bijna geen regels gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. De SVBP 2012 is erop gericht om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functie-, bouw- en gebiedsaanduidingen) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen.

Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten.

3.2.2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Het doel van deze wet is om te komen tot een samenhangende beoordeling in één procedure van verschillende activiteiten die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De Wabo heeft tot gevolg dat verschillende vergunningen worden verleend in één besluit, de omgevingsvergunning. Ook de

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 10 van 62

Datum:

eerder in de wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen vergunningen en ontheffingen vallen onder de Wabo. Voor het bestemmingsplan heeft dit gevolgen voor de gebruikte terminologie. De ontheffing heet nu 'omgevingsvergunning voor het afwijken'. De bouwvergunning heet 'omgevingsvergunning voor het bouwen'. De sloop- en aanlegvergunning zijn gewijzigd in 'omgevingsvergunning voor het slopen' respectievelijk 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden´. De terminologie in dit bestemmingsplan is conform de Wabo.

3.2.3 Omgevingswet Per 1 juli 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Voor het onderhavige plan heeft dat verder geen consequenties. Het vastgestelde plan gaat na inwerkingtreding op in het omgevingsplan van rechtswege.

3.3 Regels Voor het opstellen van de planregels zijn de bestaande regels van de geldende bestemmingsplannen in het buitengebied van Veghel en Sint-Oedenrode als uitgangspunt genomen. Recenter vastgestelde partiële herzieningen zoals het parapluplan Parkeren en het bestemmingsplan 'Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit zijn verwerkt in de regels.

3.3.1 Inleidende regels Begrippen (Artikel 1) In dit artikel is omschreven wat in het onderhavig plan onder de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Wijze van meten (Artikel 2) In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de regels van onderhavig plan moet worden gemeten. 3.3.2 Bestemmingsregels Hoofdbestemmingen (Artikel 3) Iedere bestemming is opgebouwd conform de richtlijnen uit de SVBP 2012, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. De in dit plan opgenomen bestemmingen zijn: Agrarisch met waarden (Artikel 3); De bestemming 'Agrarisch met waarden' wordt voor een deel van het plangebied gehandhaafd. Het bouwvlak binnen deze bestemming komt te vervallen gelet op de beëindiging van het agrarisch bedrijf op deze locatie. De bouwregels die normaal gelden voor het oprichten van bebouwing binnen een agrarisch bouwvlak, zijn daarom overbodig en komen te vervallen. Dit geldt ook voor de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die zijn gekoppeld aan een agrarisch bouwvlak of de daarbinnen gesitueerde bebouwing. Wonen (artikel 4) Een deel van het plangebied krijgt de bestemming 'Wonen'. Bij de woning (voormalige bedrijfswoning) mag 600 m2 aan bijgebouwen worden opgericht. De bijgebouwen mogen ook worden gebruikt voor de stalling en opslag voor landbouwactiviteiten (tot een maximum van

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 11 van 62

Datum:

450m2) in verband met het beheer en onderhoud van de aangrenzende agrarische percelen. Voor dit gebruik wordt voor de loods van 450 m2 een afwijkende bouwhoogte toegestaan (max. 3,5 meter goothoogte en 6,5 meter nokhoogte). Buiten het aangegeven gebied geldt de standaardmaatvoering van bijgebouwen van 3,3 meter goothoogte en 6 meter nokhoogte. In de regels wordt ook een grotere afstand van de bijgebouwen tot woning toegestaan: 27,5 meter in plaats van de standaard 15 meter. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 2 (Artikel 5) Voor het bestemmingsplan geldt ook een dubbelbestemming. De regels uit de hoofdbestemmingen en de dubbelbestemmingen zijn beide van toepassing. Bij strijd tussen de regels prevaleren de regels van de dubbelbestemming. De in dit plan opgenomen dubbelbestemming ziet op de bescherming van de mogelijk in het gebied te verwachten archeologische waarden.

3.3.3

Algemene regels

Algemene wijzigingsregel (artikel 6) In deze regel wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen te wijzigen. Anti-dubbeltelregel (Artikel 7) Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze zogenaamde anti-dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (Artikel 8) In de algemene bouwregels zijn regelingen opgenomen met betrekking tot bestaande maatvoering en de mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen. Algemene gebruiksregels (Artikel 9) Hierin is bepaald dat het verboden is de gronden en bouwwerken in strijd met de bestemmingen te gebruiken. Algemene afwijkingsregels (Artikel 10) In deze regel wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan.

Algemene aanduidingsregels (Artikel 11) De algemene aanduidingsregels bevatten regelingen voor de gebiedsaanduidingen die op de verbeelding zijn opgenomen. Dit betreffen gebiedsaanduidingen die doorwerking hebben op de (hoofd)bestemmingen. De in dit plan opgenomen gebiedsaanduidingen zijn: * kleinschalig cultuurlandschap

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 12 van 62

Datum:

* vrijwaringszone-radar * boringsvrije zone De gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1' zoals opgenomen in het vigerende plan is komen te vervallen, aangezien dit inmiddels achterhaald beleid is door het vervallen van de Reconstructiewet concentratiegebieden. De gebiedsaanduiding 'Beekdalontwikkeling' is eveneens komen te vervallen, aangezien deze enkel relevant was voor de toepassing van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden gekoppeld aan een agrarisch bouwvlak of daarbinnen aanwezige bebouwing. Deze wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden zijn niet opgenomen in het onderhavige bestemmingsplan (zie toelichting bij artikel 3)

3.3.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (Artikel 12) In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Slotregel (Artikel 13) Als laatste wordt de slotregel opgenomen. Deze regel bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsdatum. 3.4

Verbeelding

De verbeelding van het plan geeft weer welke (dubbel)bestemmingen en gebiedsaanduidingen in het plan van toepassing zijn.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 13 van 62

Datum:

Hoofdstuk 4

Economische uitvoerbaarheid

4.1 Exploitatie Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 1 juli 2008) is de gemeente verplicht tot kostenverhaal in geval in een nieuw bestemmingsplan bouwmogelijkheden worden voorzien als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. Het onderhavige bestemmingsplan ziet niet op een dergelijke ontwikkeling. 4.2 Planschade Een bestemmingsplan is één van de oorzaken waardoor schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan ontstaan. Door deze planschade kan de economische uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in het geding komen. Om de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te waarborgen is een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. 4.3 Handhaving Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. De handhaving van de regelgeving van het bestemmingsplan is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat hiervoor de wettelijke grondslag. Het gaat daarbij met name om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. De Wabo bevat een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan.

Handhaving is niet alleen van belang om de ruimtelijke kwaliteit in stand te houden, daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op de gebruiksactiviteiten. Een goede handhaving begint al bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Indien bij het maken van het bestemmingsplan met een aantal factoren rekening wordt gehouden, kan de handhaving van het plan na inwerkingtreding worden vereenvoudigd. Voorwaardelijke verplichtingen De sloop van de bebouwing op grond van de saneringsregeling heeft al plaatsgevonden. De overige bebouwing die nog moet verdwijnen is al gedeeltelijk gesloopt, het resterende deel wordt verwijderd nadat de gewenste nieuwbouw is gerealiseerd. Dit kan niet eerder omdat er anders onvoldoende plek is voor de opslag en stalling. Om te bewerkstelligen dat deze bebouwing daadwerkelijk wordt verwijderd is in het plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 14 van 62

Datum:

Hoofdstuk 5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1 omgevingsdialoog De onderhavige ontwikkeling zijn eerder als principeverzoek bij de gemeente ingediend. In dat kader is ook gevraagd om een omgevingsdialoog. Uit deze dialoog zijn geen bezwaren tegen het plan naar voren gekomen. Gezien de aard en de omvang (beperkte planologische verandering) van de voorgenomen ontwikkelingen wordt de aan de zienswijzenprocedure voorafgaande inspraakprocedure overgeslagen.

5.2

wettelijk vooroverleg

Provincie Op 22 december 2021 is de vooroverlegreactie van de provincie ontvangen op het toegezonden voorontwerpbestemmingsplan 'ontwikkelplan sanering varkenhouderij'. De locatie Leinserondweg 12 was aanvankelijk in dat plan opgenomen. Mede op basis van de vooroverlegreactie is deze ontwikkeling uit dit bestemmingsplan gehouden. Op grond van de ontvangen vooroverlegreactie ten aanzien van de locatie is het plan op onderdelen aangepast. De gebiedsanalyse ten behoeve van de landschappelijke inpassing is toegevoegd. Het bestemmingsvlak 'Wonen' is verkleind gelet op de opmerkinig over zorgvuldig ruimtegebruik. Ook is een nadere toelichting opgenomen ten aanzien van de kwaliteitsverbetering (cat. 3 ontwikkeling). Voor een uitgebreidere reactie op deze onderdelen wordt verwezen naar bijlage Waterschap Vanuit het waterschap zijn gelet op de aard van de ontwikkeling geen compenserende maatregelen nodig zoals is gebleken uit de ontvangen vooroverlegreactie op deze locatie. Ten overvloede dient echter vermeld te worden dat op grond van de gemeentelijke Verordening fysieke leefomgeving (VFL) wel een verbod geldt vanaf een nieuw bouwwerk of nieuw verhard oppervlak hemelwater te lozen op riolering of openbaar terrein. Herbouw van gebouwen of het vervangen van verharding wordt ook beschouwd als nieuw bouwwerk of nieuw verhard oppervlak.

Voor het realiseren van nieuwe bebouwing / verharding geldt bovendien een meldingsplicht. Het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning bouwen of omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, wordt gelijkgesteld met een melding. Op grond van de VFL dient derhalve voor de nieuwe bebouwing en het verharde oppervlak op de locatie Leinserondweg 12 wel voorzien te worden in de verwerking van hemelwater op eigen terrein. Gelet op de omvang van het terrein zijn daarvoor in beginsel voldoende mogelijkheden. Via de VFL en/of eventueel benodigde omgevingsvergunningen is de aanleg en instandhouding van voorzieningen voor de opvang van hemelwater voldoende geborgd.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 15 van 62

Datum:

5.3 planprocedure: zienswijze en vaststelling De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan dient plaats te vinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende een periode van zes weken ter inzage worden gelegd. Van 19 augustus 2022 tot en met 29 september 2022 heeft het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegen. Tijdens de zienswijzentermijn zijn twee zienswijzen ingediend. Voor de inhoudelijke behandeling van de zienswijzen wordt verwezen naar de notitie beantwoording zienswijzen en ambtelijke wijzigingen. Op 26 januari 2023 is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 16 van 62

Datum:

bijlagen bij toelichting

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 17 van 62

Datum:

Bijlage 1 Toelichting Leinserondweg 12

NL.IMRO.1948.BGV000BP0042022P-ON01

Pagina: 18 van 62

Datum:

Gemeente Meierijstad Toelichting Leinserondweg 12, Veghel

Gemeente Meierijstad Toelichting Leinserondweg 12, Veghel

Locatie: Leinserondweg 12, Veghel Kadastrale gegevens: Gemeente: Veghel, sectie: P, nummers 365, 434, 435 en 436 Opgesteld door: ROBA Advies BS Postbus 330 5750 AH Deurne Tel. 0493-326030

Ingediend: 17 februari 2021 Aangepast: 8 juli 2021 Aangepast: 11 augustus 2022

2

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

Inleiding ......................................................................................................................................... 4 1.1.

Aanleiding .............................................................................................................................. 4

1.2.

Ligging en begrenzing van het plangebied............................................................................ 4

1.3.

Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................... 5

Planbeschrijving ............................................................................................................................ 6 2.1.

Huidige situatie ...................................................................................................................... 6

2.2.

Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................... 7

Beleidstoets ................................................................................................................................... 9 3.1.

Rijksbeleid ............................................................................................................................. 9

3.2.

Provinciaal beleid ................................................................................................................ 11

3.3.

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................. 15

Milieuhygiënische en planologische verantwoording .................................................................. 20 4.1.

Mer-beoordeling .................................................................................................................. 20

4.2.

Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................. 20

4.3.

Flora en fauna ..................................................................................................................... 21

4.4.

Waterparagraaf .................................................................................................................... 22

4.5.

Bodem ................................................................................................................................. 24

4.6.

(Ondergrondse) infrastructuur ............................................................................................. 24

4.7.

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................ 25

4.8.

Geurhinder ........................................................................................................................... 27

4.9.

Akoestiek ............................................................................................................................. 27

4.10.

Luchtkwaliteit ................................................................................................................... 28

4.11.

Gezondheid ..................................................................................................................... 31

4.12.

Externe veiligheid ............................................................................................................ 32

4.13.

Verkeer en parkeren ........................................................................................................ 34

5.

Juridische planopzet .................................................................................................................... 35

6.

Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 36

7.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................... 37

8.

Conclusie ..................................................................................................................................... 38

Bijlagen ................................................................................................................................................ 39 Bijlage 1 – Landschappelijke inpassing........................................................................................... 39 Bijlage 2 – Onderbouwing NOx en Aerius ....................................................................................... 40 Bijlage 3 – Quickscan flora en fauna ............................................................................................... 41 Bijlage 4 – Achtergrondgeurberekening .......................................................................................... 42 Bijlage 5 – Omgevingsdialoog ......................................................................................................... 44

3

1. Inleiding 1.1. Aanleiding De initiatiefnemer, bedrijfsvoerend en woonachtig aan Leinserondweg 12 (5465RV) te Veghel is voornemens de huidige varkenshouderij te staken en de agrarische bestemming om te vormen naar een woonbestemming. Hierbij is de wens om in totaal 600 m² aan werktuigenberging en (privé)opslag te behouden. De initiatiefnemer neemt deel aan de Saneringsregeling Varkenshouderij waarvoor een passende herbestemming van het plangebied is vereist. Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Meierijstad schriftelijk kenbaar gemaakt dat de beoogde ontwikkeling in principe ruimtelijk voorstelbaar is. De voorgenomen ontwikkeling is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Hierdoor is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggende toelichting maakt onderdeel uit van deze herziening. De toelichting bevat een planologisch-juridisch onderzoek ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling, waarmee de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan wordt aangetoond.

1.2. Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. De locatie is op ca. 310 meter van de kern van Zijtaart gesitueerd. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Veghel, sectie P, nummers 365, 434, 435 en 436.

Figuur 1 Geografische ligging en begrenzing plangebied

4

1.3. Vigerend bestemmingsplan De locatie Leinserondweg 12 te Veghel maakt deel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de voormalige gemeente Veghel, vastgesteld op 19 december 2013. Hierin is de locatie aangeduid met de volgende bestemmingen, zie figuur 2: - Enkelbestemming: Agrarisch met waarden; - Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 2; - Bouwvlak; - Functieaanduiding: Intensieve veehouderij; - Gebiedsaanduiding: Beekdalontwikkeling; - Gebiedsaanduiding: Kleinschalig cultuurlandschap; - Gebiedsaanduiding: Reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1; - Gebiedsaanduiding: Vrijwaringszone – radar.

Figuur 2 Uitsnede plangebied uit vigerend bestemmingsplan

Verder is het bestemmingsplan ‘paraplubestemmingsplan Parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 en “Harmonisatie van diverse regelingen - Laaghangend fruit’ vastgesteld op 27-01-2021 beiden vastgesteld door de gemeente Meierijstad geldend.

5

2. Planbeschrijving 2.1. Huidige situatie Binnen het plangebied bevindt zich in het zuiden de bedrijfswoning. Achter de bedrijfswoning zijn verschillende bedrijfsgebouwen ten behoeve van de varkenshouderij gesitueerd. Daarnaast is er een garage gerealiseerd ten zuiden van het plangebied en is er een gebouw t.b.v. de kachel gerealiseerd centraal gelegen in het plangebied.

Figuur 3 Feitelijke situatie van het plangebied-1

Figuur 4 Feitelijke situatie van het plangebied-2

6

Figuur 5 Feitelijke situatie van het plangebied-3

2.2. Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer, bedrijfsvoerend en woonachtig aan Leinserondweg 12 (5465RV) te Veghel is voornemens de huidige varkenshouderij te staken en de agrarische bestemming om te vormen naar een woonbestemming. Hierbij is de wens om 600 m² aan bijbehorende bouwwerken te behouden. De initiatiefnemer neemt deel aan de Saneringsregeling Varkenshouderij waarvoor een passende herbestemming van het plangebied is vereist. Hierdoor wordt o.a. de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ verwijderd met de beoogde ontwikkeling. Daarnaast wordt in het kader van de saneringsregeling ca. 3.291 m² aan bedrijfsbebouwing gesloopt, zie figuur 6.

Figuur 6 Situering gebouwen en inzicht sloop conform saneringsregeling

Aan Leinserondweg 12 is tevens nog bebouwing aanwezig wat niet wordt gesloopt in het kader van de deelname aan de Saneringsregeling Varkenshouderij. Figuur 6 geeft een beeld van de resterende bebouwing na deelname aan de saneringsregeling.

7

De situering van de verspreidliggende bedrijfsgebouwen, die niet worden gesloopt in het kader van de SRV-regeling, past niet binnen het principe van zuinig ruimtegebruik en de concentratie van bebouwing. Hierdoor is het voornemen van de initiatiefnemer om de twee loodsen aan de noordwestzijde van het plangebied, elk met een omvang van 300 m² te slopen. Deze loodsen dienen niet te worden gesloopt in het kader van de saneringsregeling. In het kader van het principe zuinig ruimtegebruik worden deze loodsen verplaatst en verkleind samengevoegd tot één te behouden gebouw van ca. 450 m². Tevens is er nog een vrijstaand bijgebouw bij de woning aanwezig welke tevens zal worden verwijderd. De twee loodsen die niet gesloopt hoeven te worden bij deelname aan de saneringsregeling worden dan gelijktijdig met het varkensbedrijf (zonder subsidie) gesloopt. Per saldo wordt hiermee een grotere omvang aan loodsen gesloopt dan dat er behouden blijft. De bebouwing is daarbij ruimtelijk geconcentreerd op een wenselijke plek, zie tevens figuur 7.

Figuur 7 Situatietekening voorgenomen ontwikkeling

Binnen het plangebied resteert hiermee naast de bedrijfswoning, een drietal gebouwen. Dit betreft de bestaande kachel in een bebouwing met een omvang van 50 m², een vrijstaande in een goede staat verkerende garage met een omvang van 100 m² en een nieuwbouw loods met een omvang van ca. 450 m². Hiermee is binnen het plangebied in totaal sprake van 600 m² aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken. Deze omvang is noodzakelijk voor de initiatiefnemer. Initiatiefnemer heeft nog ca. 6 ha. akkerbouwland in bezit welke hij zelf nog bewerkt, gezien de kleinschaligheid kan dit als hobbymatig worden beschouwd. De ruimte van 450 m² wordt dan ook ingericht in een gedeelte werktuigberging voor een loader, de tractor en landbouwmachines en een gedeelte als bergplaats voor gereedschap. De standaard goot- en bouwhoogte zijn voor dergelijke machines en voertuigen niet passend. Hierdoor wordt binnen de voorgenomen ontwikkeling tevens een afwijkende goothoogte (3,5 meter) en bouwhoogte (6,5 meter) voorzien, wat passend is bij de beoogde werktuigberging en bergplaats. Het terrein wordt in de beoogde situatie vanuit zowel de noord- als zuidkant ontsloten richting de Leinserondweg. Zie tevens paragraaf 4.12.

8

3. Beleidstoets 3.1. Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR is het kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. Een van de kernbegrippen in de Structuurvisie is decentralisatie. Dit kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten letterlijk de ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van de provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer (waaronder buisleidingen), energie en natuur, alsook ondergrond en ruimte voor militaire activiteiten. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, bodem, geluid, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Waddenzee). Conclusie Verstedelijkings-, landschaps- en buitengebied beleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten. Het onderhavige project heeft geen betrekking op nationale belangen.

Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de SVIR geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6. lid 2 Bro. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling Het project leidt niet tot de realisatie van extra oppervlakte aan bebouwing. De bestaande oppervlakte aan bebouwing in het buitengebied neemt af door sloop van bebouwing. De huidige agrarische functie wordt vervangen door de bestemming ‘wonen’. De nieuwe bestemming heeft gelet op de aard, invloed en omvang een kleinere ruimtelijke impact als de huidige (agrarische bedrijfs-) mogelijkheden. Zo is er geen sprake van nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast blijkt dat de bouw van elf woningen, wat een grote ontwikkeling betreft dan onderhavige ontwikkeling, tevens geen stedelijke ontwikkeling betreft. Dit blijkt uit de uitspraak ECLI:NL:RVS:2015:2921.

9

Conclusie Het project betreft derhalve een kleinschalige ontwikkeling die – gelet op de aard, invloed en omvang van de ruimtelijke ingreep – niet valt onder de definitie ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ zoals bedoeld in artikel 1.1.1 onder i, jo. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Hierdoor is de Ladder voor duurzame verstedelijking in dit project niet aan de orde. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ((Barro) voorheen ook genoemd: AMvB Ruimte) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro bevat alle ruimtelijke Rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB’s) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de Rijksbelangen veel directer door laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Kustfundament, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Wadden en waddengebied, Grote Rivieren, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, elektriciteitsvoorziening, hoofdwegen en spoorwegen, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, IJsselmeer gebied en primaire waterkeringen buiten het kustfundament.

Conclusie Er is slechts sprake van een kleinschalig lokaal initiatief, waarbij geen van de genoemde Rijksbelangen rechtstreeks doorwerken met betrekking tot dit project. In het gebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het Barro is verder niet van toepassing. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en een gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio’s; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruik de NOVI drie afwegingsprincipes: - Combinaties van functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; - Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

10

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past daarmee binnen de prioriteiten van de NOVI.

3.2. Provinciaal beleid Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 De Wet ruimtelijke ordening vraagt van overheden om in een Structuurvisie hun belangen helder te definiëren en aan te geven hoe zij deze willen realiseren. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening geeft de provincie Noord-Brabant aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. Op 19 maar 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. Belangrijke beleidswijzigingen hebben betrekking op de realisatie van natuur en de transitie naar zorgvuldige veehouderij in Brabant. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. Die is ‘samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren. In deel B beschrijft de provincie 4 ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken. De provincie heeft geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkeld, maar geeft haar visie op het landschap vorm in de ‘uitwerking gebiedspaspoorten’. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze kunnen worden versterkt. Er zijn ook deelstructuurvisies opgesteld voor specifieke onderwerpen. Het projectgebied is op de structurenkaart van de structuurvisie aangeduid als ‘gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie zijn.

Figuur 8 Uitsnede projectgebied (in rood) uit structuurvisiekaart

11

Gemengde plattelandseconomie In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor land- en tuinbouw ook ruimte voor ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. Conclusie Het onderhavige project met het herbestemmen van een agrarisch bedrijf naar de bestemming ‘wonen’ past binnen het planologisch beleid voor dit soort gemengde landelijke gebieden. Daarnaast hebben de omliggende percelen reeds een woonbestemming. Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ Vooruitlopend en anticiperend op de inwerkingtreding van de nationale Omgevingswet in 2021 hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse omgevingsvisie vastgesteld. Met deze omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal.

De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende en duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De omgevingsvisie is verplicht, maar uitsluitend zelfbindend voor de provincie. De visie zal de komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma’s. Daarnaast is de Omgevingsvisie reeds vertaald in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De omgevingsvisie heeft geen consequenties voor de beoogde ontwikkelingen. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) vastgesteld. Op termijn treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening.

Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de voormalige Verordening ruimte. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Interim omgevingsverordening zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die eerder waren opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Ook zijn hier regels voor ontwikkelingen gekoppeld aan werkgebieden (structuren) en aanduidingen.

12

Figuur 9 Uitsnede projectgebied (in rood) uit IOV

Het plangebied ligt binnen het 'Landelijk gebied'/ ‘Gemengd landelijk gebied’, zie figuur 9. De ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de mogelijkheden die worden geboden binnen deze aanduidingen. Binnen deze aanduiding is een woonbestemming mogelijk wanneer wordt voldaan aan artikel 3.68 (en 3.69). Hieronder in blauw cursief de toetsing. 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; De beoogde ontwikkeling betreft de omschakeling van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Hierbij wordt de voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning, waarbij geen extra wooneenheden worden toegevoegd. b. zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. De beoogde ontwikkeling omvat de omschakeling naar een woonbestemming waarbij enkel de huidige bedrijfswoning wordt aangemerkt om te wonen. Zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is daarmee uitgesloten. 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a.

de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekert dat: 1. De bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. Overtollige bebouwing wordt gesloopt. Niet van toepassing, er wordt geen nieuwe woning gebouwd. b. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als: 1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en 2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden. Niet van toepassing, er vindt geen splitsing plaats. c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. Niet van toepassing, er is geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig op de planlocatie.

13

d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. Er geen splitsing in meerdere functies plaatsvindt; De beoogde ontwikkeling betreft de omschakeling van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Hierbij wordt enkel de voormalige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning, waarbij geen extra wooneenheden worden toegevoegd. Hierdoor wordt geen splitsing in meerdere functies voorzien. 2. Overtollige bebouwing wordt gesloopt. Zoals in paragraaf 2.2 is aangegeven wordt overtollige bebouwing gesloopt. Daarnaast dient het beoogde voornemen te voldoen aan paragraaf 3.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Hierbij dient rekening gehouden te worden met: - Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit; - Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik; - Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering; - Artikel 3.8: Meerwaardecreatie; - Artikel 3.9: Kwaliteitsverbetering landschap. Hieronder wordt nader ingegaan op deze verschillende aspecten. Daarnaast blijkt het toepassen van de lagenbenadering en de meerwaardecreatie uit voorliggende toelichting. Dit leidt tot het waarborgen van de verschillende aspecten zoals hierboven genoemd.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik Ten behoeve van de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is in de IOV de ‘zorgplicht’ opgenomen. Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling moet bijdragen aan behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Er moet in ieder geval sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en zorgvuldig ruimtegebruik. Zorgvuldig ruimtegebruik is een compacte opzet met een concentratie van bebouwing en gebruik van bestaande bebouwing. Dit betekent dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bestaande bouwpercelen. Uitbreiding is toegestaan mits de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om de beoogde ruimtelijke ontwikkeling binnen het huidige toegestane ruimtebeslag te doen plaatsvinden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de maat en schaal van de ontwikkeling en de impact op de omgeving. Toepassing van de lagenbenadering en meerwaardecreatie De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op drie verschillende lagen: 1. De ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. De netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3.

De bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. De daarbij behorende onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on-)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Daarnaast omvat meerwaardecreatie een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling betrokken zijn. Hierdoor ontstaan mogelijkheden om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat. Tevens kan een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen bijdragen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

14

Kwaliteitsverbetering van het landschap In de IOV is vastgelegd dat voor een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving is vereist. Voor de invulling van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de provincie met de NoordBrabantse gemeenten afspraken gemaakt. In dit afsprakenkader over toepassingsbereik zijn de niet planmatige ruimtelijke ontwikkelingen qua impact op de omgeving ingedeeld in een drietal categorieën, te weten: - Categorie 1: geen impact waardoor geen tegenprestatie is vereist; - Categorie 2: beperkte impact, waardoor een landschappelijke inpassing wordt vereist; - Categorie 3: grote impact, waardoor berekende kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vereist naast een landschappelijke inpassing. Het wijzigen van de agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming is in het afsprakenkader ingedeeld in categorie 3. Dat betekent dat naast een landschappelijke inpassing een berekende kwaliteitsverbetering is vereist. Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd in bijlage 1, de berekening van de benodigde kwaliteitsverbetering is opgenomen in paragraaf 3.3. Hieruit blijkt dat de locatie adequaat landschappelijk wordt ingepast.

Aanvullend op de landschappelijke inpassing worden tevens een forse verkleining van het bouwvlak en de sloop van bedrijfsbebouwing voorzien. Daarnaast worden in hoofdstuk 4 de verschillende milieuhygiënische en planologische aspecten toegelicht welke bij de verschillende lagen van de lagenbenadering horen. Middels de toets aan het relevante beleidskader wordt inzicht gegeven in de meerwaardecreatie van het onderhavige initiatief. Dit sluit aan bij de randvoorwaarden zoals opgenomen in het provinciaal (en gemeentelijk) beleid. Het planvoornemen past binnen de kaders van de Interim Omgevingsverordening.

3.3. Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 Op 19 december 2013 heeft de Gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel de Structuurvisie Veghel 2030 vastgesteld. In deze structuurvisie worden de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd. De structuurvisie omvat het gehele grondgebied van de voormalige gemeente Veghel en heeft betrekking op de periode tot 2030. In de gemeentelijke structuurvisie is veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de verschillende kernen binnen de gemeente, waarbij het accent ligt op het behouden van de nodige voorzieningen. De gemeente heeft de ambitie om de bestaande woonkwaliteiten van de dorpen te versterken, waarbij wordt aangegeven dat toekomstige woningbouwontwikkelingen gepaard moeten gaan met een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering kan bestaan uit het aanhelen van linten en/of versterken van ruimtelijke structuren, het versterken van de kwaliteiten van dorpscentra of verbreding van het aanbod aan dorpse en landelijke woonmilieus. Naast deze algemene uitgangspunten zijn voor iedere kern meer specifieke uitgangspunten geformuleerd. Voor de kern Zijtaart geldt dat de ontwikkeling in de landbouw en het bedrijfsleven moeten samen gaan met de ontwikkelingen in het dorp. De focus ligt op verwevenheid.

Hergebruik van vrijkomende agrarische gebouwen mag niet leiden tot functies die de agrarische ontwikkeling in de weg zitten. Conclusie Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. In hoofdstuk 4 wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling ruimtelijk inpasbaar is in de omgeving en geen belemmering vormt voor omliggende (agrarische) bedrijven. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van de structuurvisie Veghel 2030.

15

Woonvisie Uden-Veghel De gemeente Uden en de voormalige gemeente Veghel hebben gezamenlijk de ‘Woonvisie UdenVeghel, wonen in een groene regio’ opgesteld. Deze woonvisie is vastgesteld op 22 januari 2007. In de woonvisie wordt de gewenste situatie in het jaar 2030 geschetst. Uit de woonvisie blijkt dat de bevolkingsomvang in de regio Uden en Veghel in de laatste jaren nauwelijks is gegroeid of zelfs gedaald. De nieuwbouw is de afgelopen jaren achter gebleven bij de verwachtingen. Uit de bevolkingsprognose van de provincie Noord-Brabant voor Uden en Veghel blijkt dat voor Uden en Veghel een lichte groei van de bevolking wordt verwacht, evenals een toename van de woningbehoefte.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling ziet enkel toe op de omschakeling van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. De woningvoorraad wordt niet verruimd. Bestemmingsplan buitengebied wijzigingsbevoegdheid In het bestemmingsplan is in artikel 4.8.8 wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ een wijzigingsbevoegdheid opgenomen dat onder voorwaarden de agrarische bestemming omgezet kan worden naar de bestemming ‘wonen’. Gezien binnen de voorgenomen ontwikkeling meer bijgebouwen worden toegestaan dan mogelijk is middels artikel 4.8.8 is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Desondanks wordt aansluiting gezocht bij artikel 4.8.8 van het vigerende bestemmingsplan. Hieronder wordt de toets aan artikel 4.8.8 van het vigerende bestemmingsplan weergegeven in blauw cursief. 4.8.8 Wijziging naar de bestemming 'Wonen' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' te wijzigen naar de bestemming 'Wonen', teneinde de omzetting van bestaande agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is; De initiatiefnemer neemt deel aan de SRV-regeling.

Voorzetting van het bedrijf is niet meer reëel. b. het aantal woningen bedraagt na wijziging niet meer dan het bestaande aantal agrarische bedrijfswoningen dat in het betreffende bouwvlak voor de wijziging aanwezig was; Het aantal wooneenheden binnen het plangebied blijft ongewijzigd. Er is sprake van één woning. c. de omvang van het bestemmingsvlak wordt afgestemd op de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf, waarbij de overige gronden worden gewijzigd in de (aangrenzende) bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden; De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op de ontwikkeling van een verkleind bouwvlak waarbij de overige gronden worden gewijzigd naar de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. d. de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging niet meer dan 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid d; Niet van toepassing. e. voor zover de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen c.q.

voormalige agrarische bedrijfsbebouwing de onder c voorgeschreven oppervlakte te boven gaat, wordt maximaal 25% van de te slopen overmaat eenmalig vervangen door een vergroting (uitgedrukt in m² per woonlaag) van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en/of een vergroting (uitgedrukt in m²) van de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met dien verstande dat: 1. de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen na vergroting niet meer bedraagt dan 900 m³; 2. de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen na vergroting niet meer bedraagt dan 200 m², waarbij de oppervlakte per vrijstaand bijgebouw of overkapping niet meer mag bedragen dan 100 m²; De voorgenomen ontwikkeling wijkt af van het bovengenoemde, dit wordt nader toegelicht in paragraaf 2.2.

16

f. in afwijking van het bepaalde onder d en e dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te allen tijde gehandhaafd te blijven; Er is geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing ter plaatse. g. de wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar; Zie hoofdstuk 4. h. de wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; Zie hoofdstuk 4. i. er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; Zie hoofdstuk 4. j. de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van boden, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft. Zie hoofdstuk 4. Conclusie In het bestemmingsplan is in artikel 4.8.8 wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ een wijzigingsbevoegdheid opgenomen dat onder voorwaarden de agrarische bestemming omgezet kan worden naar de bestemming ‘wonen’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=5df65f22-af78-4fd9-a1e3-8b0c8ec19733