CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Landelijk Gebied, herziening Keur 28, Schijndel'15.903 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27

De gemeente Meierijstad heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op grond van de Wet geurhinder en veehouderij af te wijken van de wettelijke de geurnormen en vaste afstanden. Op de website de Kernregistratie dierenverblijven (de opvolger van web BVB Brabant) is een overzicht geraadpleegd van de omliggende agrarische bedrijvigheid ten opzichte van het perceel. Daarop is nog aangegeven de aanwezigheid van een veehouderij op het adres Keur 11. Voor deze locatie is echter een planwijziging in procedure geweest waarbij de agrarische bestemming is getransformeerd naar een woonbestemming. Feitelijk is dat agrarisch bedrijf derhalve beëindigd. De registratie is daarop nog niet aangepast. Voorgrondbelasting Op de locatie Elde 2 en Elde 3 zijn veehouderijen gevestigd. Die zullen hierna apart worden beoordeeld. De nieuw te bouwen woningen zijn geurgevoelig objecten in de zin van de Wgv. De geurbelasting op het perceel moet aanvaardbaar zijn, terwijl de te projecteren woningen geen onaanvaardbare belemmering mogen opleveren voor de ontwikkelmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Elde 2 Voor agrarische bedrijf aan de Elde 2 geldt op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer een melding voor de onderstaande dieraantallen.

Figuur 13 afdruk van KRD Noord Brabant locatie Elde 2

Met uitzondering van de vleesstieren, zijn alle dieren zonder omrekenfactoren op grond van de Wgv. Daarvoor geldt op grond van artikel 5, lid 1 Wgv respectievelijk artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit milieubeheer een vaste afstand van 50 meter indien het geurgevoelig object is gelegen buiten de bebouwde kom. Op grond van artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij wordt die afstand gemeten vanaf de buitenzijde van een geurgevoelig object tot het dichtstbij zijnde emissiepunt. Uit onderstaande figuur blijkt dat, bij een emissiepunt op uiterste hoek van de stal, die afstand ruim 300 meter bedraagt tot de grens van het plangebied. Daaruit volgt dat ruimschoots aan de afstandseis van 50 meter wordt voldaan. Voor de 3 vleesstieren zijn wel omrekenfactoren bepaald in de Regeling geurhinder en veehouderij. Die bedraagt 35,6 ouE per dierplaats. In totaal derhalve 106,8 ouE . Gelet op de afstand van 300 meter vanaf de stal tot de nieuwe woningen levert dat een te verwaarlozen geurbelasting op ter plaatse van de nieuwe woningen. Daarmee staat vast dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bovendien dat de ontwikkeling geen belemmering oplevert voor dit bedrijf.

28

Figuur 14 afstand tussen dichtstbij gelegen stal van Elde 2 en bouwvlak nieuwe woningen

Elde 3 Op het adres Elde 3 is eveneens een veehouderij gevestigd. Daarbij is sprake van onderstaande dieraantallen.

Figuur 15 afdruk van KRD Noord Brabant locatie Elde 3

Behoudens de laatstgenoemde categorie vleesvarkens, die voor de beoordeling van de geurbelasting niet van belang zijn gelet op het feit dat dit slechts 2 dieren betreft, zijn dit alle dieren zonder omrekenfactoren op grond van de Wgv. Daarvoor geldt derhalve eveneens de vaste afstand van 50 meter. Uit onderstaande figuur blijkt dat, bij een emissiepunt op uiterste hoek van de stal, de afstand ongeveer 240 meter bedraagt tot de grens van het plangebied. Daaruit volgt dat ruimschoots aan de afstandseis van 50 meter wordt voldaan. Daarmee staat vast dat ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat en bovendien dat de ontwikkeling geen belemmering oplevert voor dit bedrijf. Daarbij is tevens relevant dat er al bestaande burgerwoningen op kortere afstand van dit bedrijf aanwezig zijn. Voorts is van belang dat er intussen een plan in voorbereiding is om de agrarische activiteit ter plaatse geheel te beëindigen.

29

Figuur 16 afstand tussen dichtstbij gelegen stal van Elde 3 en bouwvlak nieuwe woningen

Achtergrondbelasting Om aan te tonen dat er binnen het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van de gecumuleerde geurbelasting van alle omliggende veehouderijen, wordt getoetst of de achtergrondbelasting voldoet aan de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant of gemeentelijke beleidsregel. Voor de achtergrondbelasting zijn in de Interim omgevingsverordening normen opgenomen. De gemeente Meierijstad heeft geen eigen waarden in haar beleid opgenomen, waardoor de volgende toetswaarden worden aangehouden: • •

10 ouₑ/m³ voor objecten in de bebouwde kom; 20 ouₑ/m³ voor objecten in het buitengebied.

Door de Omgevingsdienst Zuidoost Brabant (ODZOB) is de achtergrondbelasting voor wat betreft geur voor diverse Brabantse gemeenten, waaronder Meierijstad, in kaart gebracht. In de onderstaande figuur is een afdruk opgenomen van die kaart. Daaruit blijkt dat de locatie ruimschoots voldoet aan de geldende toetswaarde. Het woon- en leefklimaat ten gevolge van de gecumuleerde geurbelasting (achtergrond) kan dan ook als goed worden beoordeeld.

30

Figuur 17 afdruk van kaart achtergrondbelasting geur (bron: ODZOB)

4.3.1.

Conclusie

De omliggende agrarische bedrijven worden in hun ontwikkelmogelijkheden niet belemmerd door de toevoeging van de nieuwe woningen, omdat meerdere reeds bestaande woningen op kortere afstanden van de onderscheiden emissiebronnen liggen. Ter plaatse van het plangebied is, voor zover het de agrarische functies op Elde 2 en 3 betreft, sprake van voldoende afstand tussen die bedrijven en het bestemmingsvlak voor de nieuwe woningen. Daarnaast voldoet de achtergrondbelasting ruimschoots aan de gestelde toetswaarde. Daarom kan de conclusie worden getrokken dat ter plaatse van het bestemmingsvlak voor de woning voor wat betreft geur sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.4.

Bodem

Voor de bouw van de woningen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd overeenkomstig NEN 5740. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen bouw van de woningen. Het onderzoeksterrein betreft het deel van het plangebied waar de bestemming wordt gewijzigd naar Wonen. Het onderzoek is uitgevoerd in mei en juni 2022. Een afschrift van dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Op basis daarvan kan het volgende worden geconcludeerd: •

•

Ter plaatse van de boorlocaties 08 en 101 aan de oostzijde nabij de toegang tot het perceel is de bovengrond sterk verontreinigd met koper. Deze verontreiniging met koper wordt verticaal afgeperkt door de onderliggende humeuze puinvrije zandlaag, waarin ten hoogste een matige verontreiniging met koper wordt aangetoond. In de zandlaag daaronder wordt geen verontreiniging met koper aangetoond. De oppervlakte van de sterke verontreiniging met koper is door middel van aanvullend onderzoek ingeperkt en bedraagt circa 80 m2. De dikte van de sterk verontreinigde grondlaag bedraagt maximaal 0,25 meter, waardoor het totaal sterk met koper verontreinigd grondvolume ter plaatse van boorlocaties 08 en 101 wordt

31

• • •

geraamd op 20 m3. Daarmee is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De overige bovengrond is ten hoogste licht verontreinigd met zware metalen, PAK en/of organochloor bestrijdingsmiddelen. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en er is geen asbest aangetoond.

Omdat géén sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, is sanering op grond van de Wet bodembescherming niet noodzakelijk. Aanbevolen wordt om, indien grondwerk op de locatie plaatsvindt, een plan van aanpak op te stellen waarin de sanering wordt beschreven en dit plan ter goedkeuring aan de gemeente Meierijstad voor te leggen voordat met de uitvoering wordt gestart. In het kader van het bouwrijp maken van de locatie zal dit worden opgepakt. De bodemkwaliteit levert derhalve geen beperking op voor het initiatief. Indien bij de verdere uitwerking van het bouwplan grond vrijkomt, dan zullen de maatregelen worden getroffen die daartoe geëigend zijn. 4.5.

Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Op grond van titel 5.2 van de Wet milieubeheer gelden de navolgende normen: Stof

Concentratie

Soort norm

Stikstofdioxide NO2

40 µg/m3

Fijnstof PM10

40 µg/m3

Fijnstof PM 10

50 µg/m3

Ultra Fijnstof PM2,5

25 µg/m3

Jaargemiddelde grenswaarde Jaargemiddelde grenswaarde Daggemiddelde grenswaarde Jaargemiddelde grenswaarde

Maximale overschrijding

35 x per jaar

Om de luchtkwaliteit te verbeteren is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) vastgesteld. Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Met behulp van de NSL Monitoringstool kan de jaargemiddelde achtergrondconcentratie worden achterhaald voor diverse stoffen waaronder stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultrafijnstof (PM2,5). De locatie is het meest dichtbij een aantal rekenpunten nabij de Boxtelseweg. Het onderstaand kaartje geeft die concentraties weer op die rekenpunten voor de verschillende verontreinigende stoffen.

32

Figuur 18 afdruk kaart NSL monitoringstool met jaargemiddelde concentraties

Uit dit overzicht blijkt dat de heersende achtergrondconcentratie fijnstof (PM 10) rond de 16 µg/m³ is en dus aanmerkelijk lager is dan de wettelijke jaargemiddelde concentratie van 40 µg/m³. Ook het aantal overschrijdingsdagen blijft aanzienlijk onder de norm. Voor wat betreft de achtergrondconcentratie van ultrafijnstof (PM 2,5) blijkt uit dit overzicht dat heersende achtergrondconcentratie stikstofdioxide maximaal 9,1 μg/m³ bedraagt en aanmerkelijk lager is dan de wettelijke jaargemiddelde concentratie van 25 μg/m³. Voor wat betreft de achtergrondconcentratie van stikstofdioxide (NO2) blijkt uit dit overzicht dat heersende achtergrondconcentratie stikstofdioxide maximaal 13,5 μg/m³ bedraagt en aanmerkelijk lager is dan de wettelijke jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m³. De conclusie hieruit is dus ter plaatse van het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in het Besluit Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 μg/m³ verslechtering leidt.

Voor een aantal functies (o.a. voor woningen) is dit gekwantificeerd in de Regeling NIBM en hoeft dat dus niet te worden onderzocht. Volgens de Regeling NIBM draagt een plan niet in betekenende mate bij als sprake is van minder dan 1500 woningen en één ontsluitingsweg. Omdat het hier slechts gaat om de toevoeging van twee woningen is toetsing aan de grenswaarden derhalve niet noodzakelijk, aangezien die woningen niet in betekenende mate bijdragen. De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de realisering van de woning. 4.6.

Externe veiligheid

Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico's voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau

33

(plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in allerlei andere regelingen, zoals het Activiteitenbesluit, veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in respectievelijk de "Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen", "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb), "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het Basisnet. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is.

Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN-curve. Met dit bestemmingsplan worden twee woningen toegevoegd. Hierna is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

34

Figuur 19 Uitsnede Risicokaart Atlas Leefomgeving locatie Keur 28, Schijndel

Uit de uitsnede blijkt dat er in de relevante omgeving van het plangebied geen risicobronnen binnen inrichtingen aanwezig zijn. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief. 4.7.

M.e.r. beoordeling

Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningbouw, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieueffectrapportage opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de gewenste ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Uitgegaan wordt daarbij van drempelwaarden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er twee mogelijkheden: •

•

Bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe m.e.r.-plicht. In dat geval dient een m.e.r. opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project dat onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden uit onderdeel D ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt; Indien er geen directe m.e.r.-plicht geldt, kan er wel een vormvrije m.e.r.beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen. Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de

35

toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht. Het Europese hof heeft in 2009 een uitspraak gewezen, waaruit blijkt dat de omvang van een project niet de enige maatstaf is voor het bepalen van het al dan niet bestaan van een m.e.r. plicht. Ook onder de drempelwaarden kan een project nadelige gevolgen hebben voor het milieu. Indien het project onder de drempelwaarden blijft, geldt echter een vormvrije m.e.r. beoordeling. De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het kan wel behoren tot onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit m.e.r. Dat betreft: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempel daarbij is: 1. 2. 3.

Een oppervlakte van 100 hectare of meer, Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Vaststaat dat dit plan onder de drempel blijft. Er worden ten slotte maar twee woningen toegevoegd. De vraag dient echter allereerst te worden beantwoord of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarvan is geen definitie opgenomen, zodat de jurisprudentie daarvoor relevant is. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft daarover intussen enkele uitspraken gedaan. De Afdeling stelt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij is het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom I van categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit-m.e.r., niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In dit geval worden twee vrijstaande woningen ontwikkeld. De beide woningen liggen niet in of direct nabij een beschermd natuurgebied, er is geen risico op verontreiniging en de ontwikkeling leidt niet tot onevenredige hinder voor omliggende functies.

Dat maakt dat het plan niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. De milieu-impact is gering. Derhalve is het niet noodzakelijk om een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren in het kader van dit bestemmingsplan. 4.8. 4.8.1.

Waterparagraaf Algemeen

Het Rijksbeleid ten aanzien van water is neergelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Daarin worden de volgende principes vastgelegd: •

•

Integraal waterbeheer. Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet) water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen; Afwenteling voorkomen. Voorkomen dat waterkwantiteits- en kwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd door toepassing van de trits vasthoudenbergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken;

36

•

Ruimte en water verbinden. Bij de aanpak van wateropgaven en de uitvoering van maatregelen vindt vooraf afstemming plaats met de andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied.

Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets verankerd in art. 3.1.6 lid 1 sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Dat betreft op nationaal niveau het al genoemde Nationaal Waterplan (NW), het Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Vanuit het Waterschap Aa en Maas is het Waterbeheerplan 2022-2027 van belang. In het Waterbeheerplan (WBP) beschrijft het waterschap Aa en Maas haar doelstellingen voor de periode 2022-2027 en de wijze waarop deze doelstellingen bereikt moeten worden. Hiermee geeft het waterschap invulling aan de verplichting vanuit de Waterwet en de Verordening water Noord-Brabant om een waterbeheerplan op te stellen. In het waterbeheerplan wordt een indeling gemaakt in de volgende programma’s: •

Waterveiligheid

•

Klimaatbestendig en gezond watersysteem

•

Schoon water

Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; Keur, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Keur De Keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De Keur is verder uitgewerkt beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen behorende bij de regels van de Keur vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Het gemeentelijk beleid is vastgelegd in het Programma Water en Riolering Meierijstad 20222026. Voor wat betreft afvalwater richt het beleid zich op de volgende doelstellingen: • • •

Verwerken van afvalwater in het stedelijk gebied en het buitengebied op een doelmatige wijze; Verder gaan met het reduceren van de vuilbelasting op oppervlaktewater, waaronder verminderen van belasting door medicijnen in afvalwater. Verdere scheiding van afvalwater en hemelwater en het afkoppelen van verhard oppervlak van de gemengde riolering. Daarnaast onderzoekt de gemeente de komende planperiode de toekomstbestendigheid van de drukriolering in het buitengebied.

37

Vanuit het aspect hemelwater blijft het uitgangpunt dat de zorgplicht in eerste instantie bij de burger ligt. De burger draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver of op een groen dak. Om invulling te geven aan de hemelwaterzorgplicht richt de gemeente zich op het scheiden van waterstromen en het streven naar een klimaatrobuuste leefomgeving, als aspect van een gezonde en veilige leefomgeving. Voor de particuliere terreinen richt de gemeente zich in het bestaand gebied op het stimuleren van het afkoppelen van verhard oppervlak, waar nodig kunnen wij dit afdwingen middels een gebiedsaanwijzing in onze Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad. Voor nieuwbouw geldt een verbod op het lozen van hemelwater op de riolering of openbaar terrein en is een berging van 60 mm verplicht. Dit is ook als eis opgenomen in de genoemde verordening. 4.8.2.

Beschrijving van het huidige watersysteem

In de hierna opgenomen figuur is een afdruk opgenomen van de legger. Achter het plangebied ligt een A-watergang die echter niet direct relevant is voor het plangebied. Aan de voorzijde van het perceel ligt, aan de overzijde van de weg een B-watergang.

Figuur 20 afdruk van de Leggerkaart waterschap Aa en Maas

De bestaande kas watert op dit moment ook af op de naastgelegen sloten. De kas zal worden gesloopt, hetgeen met zich meebrengt dat ook de afvoeren van die kas op die sloten zullen vervallen. De grond zal voor zover die geen onderdeel uitmaakt van de woonpercelen na de sloop in gebruik worden genomen als agrarische cultuurgrond. Daardoor is sprake van een aanzienlijk verminderde toevoer van water op deze watergang. 4.8.3.

Waterkwantiteit

Uitgaande van de beoogde invulling van het plangebied zijn de gevolgen voor het verhard oppervlak en de benodigde waterberging berekend. In het onderstaande schema is een overzicht opgenomen van de oppervlaktes aan

38

verhardingen en daken binnen het plangebied. Daarbij wordt er vooralsnog van uitgegaan dat elke woning een dakoppervlak heeft van Oppervlaktes

Huidig in m²

Toekomstig in m²

Daken

9260

600

Verharding

760

500

Onverhard

18285

27205

Totaal

28305

28305

Figuur 21 overzicht verhard oppervlak plangebied bestaand en nieuw

Met de realisering van het plan neemt het verhard oppervlak in het plangebied fors af. Vanuit het waterschap gelden daarom geen eisen. De eis vanuit de gemeente, via de Verordening fysiek leefomgeving, brengt met zich mee dat bij elke woning moet worden voorzien in een hemelwatervoorziening die minimaal 60 mm per m² verhard oppervlak kan verwerken. Op dit moment is nog niet definitief bekend op welke wijze dat zal worden gerealiseerd. Via een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan zal worden geborgd dat die voorziening wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Voor wat betreft het (huishoudelijk) afvalwater geldt dat in de Keur een drukrioolstelsel is gelegen. De bestaande woningen in de straat zijn daarop aangesloten. Ook de nieuwe woningen zullen worden aangesloten op dit rioleringssysteem. Ten aanzien van de daarmee gepaard gaande kosten zijn in de anterieure overeenkomst nadere afspraken gemaakt. 4.9. 4.9.1.

Gezondheid Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt gezondheid een steeds voornamere rol, zeker bij ontwikkelingen in het buitengebied. Om een gezonde leefomgeving veilig te stellen zijn tal van wettelijke regels geïntroduceerd. Een aantal van die aspecten zijn evenwel nog niet helemaal uitgekristalliseerd. In het kader van het voorzorgsbeginsel dient daaraan evenwel in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel aandacht te worden besteed. Deze aspecten worden hierna puntsgewijs behandeld. 4.9.2.

Spuitzones gewasbescherming

Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet het aspect spuitzones gewasbeschermingsmiddelen worden beoordeeld. Een spuitzone is een gebied waarin het gebruik van deze gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan. Het doel van spuitzones is om de omgeving te beschermen tegen schadelijke effecten van deze stoffen. Voorkomen moet worden dat deze stoffen in de nabijheid van mensen of dieren worden gespoten. Direct aansluitend aan het deel van het plangebied met de bestemming “Wonen” bevindt zich aan de westzijde de grond waarop de te saneren kas is gesitueerd. Ook noordelijk en zuidelijk van het plangebied zijn gronden met een agrarische bestemming. Rondom het plandeel met de bestemming “Wonen” wordt voorzien in een groenstrook met een breedte van 6 meter. Die zorgt voor een afscherming tussen de woonbestemming en de

39

agrarisch in gebruik zijnde percelen. Via een voorwaardelijke verplichting is de instandhouding van die groenstrook ook geborgd. Tegenover het plangebied zijn twee percelen gelegen die in het geldende bestemmingsplan “Landelijk gebied” (inclusief de herijking) een functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch- boomkwekerij” hebben. Omdat in de regels van zowel het oorspronkelijke plan als de herijking een nadere regeling voor die functieaanduiding binnen de bestemming “Agrarisch met waarden – kleinschalig landschap” ontbreekt is die functieaanduiding zinledig. Ook voor deze gronden geldt derhalve dat een regulier agrarisch gebruik is toegestaan, hetgeen overigens ook de feitelijke situatie is. Daarbij is verder relevant dat het zuidelijke perceel thans als grasland in gebruik is. Grasland pleegt niet te worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Voor het aansluitende deel van het achterliggende perceel achter de woonbestemming in het plan wordt over een diepte van 50 meter voorzien in een voorwaardelijke verplichting die ervoor zorgt dat het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen wordt uitgesloten. Vanwege de meestal heersende windrichting (ZW) wordt daarmee de bescherming van de woningen in het plan in voldoende mate geborgd. Alle andere percelen met een agrarische bestemming liggen immers aflandig t.o.v. de woonbestemming in het plangebied. 4.9.3.

Endotoxinen

Het aspect endotoxinen is tot op heden nog onvoldoende wetenschappelijk onderzocht waardoor nog geen wettelijke normen zijn gesteld. Wetenschappelijke onderzoek is momenteel echter in een dusdanig ver stadium dat de relatie tussen endotoxinen en de gezondheid van omwonenden bij ruimtelijke ontwikkelingen in de veehouderij niet meer genegeerd kunnen worden. In het kader van het ‘voorzorgsbeginsel’ hanteren Brabantse gemeenten (en omgevingsdiensten) vooruitlopend op wettelijke normen de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0 van het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid’ van de provincie NoordBrabant. Dit document biedt een kader dat gehanteerd kan worden om te beoordelen of bij vergunningen van intensieve veehouderijen rekening gehouden dient te worden met de blootstelling aan endotoxineconcentraties die boven de grenswaarde uitstijgen. De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Door de Gezondheidsraad is een norm gesteld aan de maximale endotoxine concentraties in de buitenlucht van 30 EU/m³.

De advieswaarde van de Gezondheidsraad voor endotoxine is een instrument ter bescherming van de gezondheid van omwonenden van veehouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 (versie mei 2018) bevat een 7stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Toetsing aan het stappenplan moet plaatsvinden, om te bepalen of een advies van de GGD nodig is voor de beoogde ontwikkeling. Uit toetsing op afstanden blijkt dat wordt voldaan aan de endotoxine richtafstanden voor varkens- en/of pluimveehouderijen (stap 1). Ook aan stap 2 tot en met 4 wordt voldaan. De planlocatie is wel gelegen binnen de straal van 2 kilometer van geitenhouderijen (Beek 16A, Boxtelseweg 10 en Oetelaarsestraat 29) (stap 5a). De locatie is niet gelegen binnen een afstand van 1 kilometer van een pluimveebedrijf (stap 5b). Stap 5c is in deze ook niet van belang aangezien binnen 250 meter geen bebouwde kom ligt. Bovendien is voor de locatie

40

Elde 3 (een overige veehouderij binnen 250 meter) een plan in ontwikkeling om te komen tot beëindiging van de agrarische activiteiten. De conclusie hieruit is dat advisering door de GGD op grond van de ligging van de locatie binnen een afstand van 2 kilometer van een geitenhouderij noodzakelijk is.

41

5. Omgevingsaspecten 5.1. 5.1.1.

Archeologie en cultuurhistorie Archeologie

In de Monumentenwet 1988 is de bescherming van het archeologisch erfgoed geregeld conform het Verdrag van Malta. Deze wet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voor het deel van het plangebied, waar de nieuwe woningen geprojecteerd zijn, is in het geldende bestemmingsplan “Landelijk Gebied” de dubbelbestemming “Archeologie-3”. Voor het resterende deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming “Archeologie-6”. In de onderstaande figuur is een afdruk opgenomen van de verbeelding bij dat plan met de aanduiding van de dubbelbestemmingen voor archeologie.

Figuur 22 afdruk van de verbeelding van het bestemmingsplan Landelijk Gebied

Op de locatie is door Transect een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd. Dat onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd. Op basis van het onderzoek geldt er voor het plangebied een lage verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum – Vroege Middeleeuwen in het gehele plangebied. Ter plaatse van de akker en nabij boring 1 is tevens een lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd vastgesteld. In de rest van het plangebied blijft voor deze periodes een hoge verwachting gelden. Daarnaast geldt in het gehele plangebied een hoge verwachting op resten uit de Tweede Wereldoorlog. Uit het onderzoek is niet duidelijk geworden waar de geschutsopstelling precies gestaan, waardoor resten hiervan mogelijk nog in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Daarom wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Het rapport is ter beoordeling naar het bevoegd gezag gezonden.

42

5.1.2.

Cultuurhistorie

In 2015 heeft de voormalige gemeente Schijndel het erfgoedbeleid laten herijken. Daaruit is voortgekomen het rapport “Tussen Aa-dal en Rooise Heide” van 26 oktober 2015. Belangrijkste doel was het inzichtelijk krijgen van de precieze redenen waarom specifieke gebieden, elementen of objecten hoog, gemiddeld of laag gewaardeerd werden. Aanleiding voor deze herijking was het actualiseren van het bestemmingsplan Landelijk gebied via het bestemmingsplan Landelijk gebied Herijking. Een belangrijk resultaat van het onderzoek met het oog op de toepassing is een waardering van cultuurlandschappen, waaruit blijkt dat de belangrijkste waarden (hoog en zeer hoog) geconcentreerd zijn in de bosgebieden ten noorden van de kern, de heide- en broekontginningen Oude Molenheide, Vlagheide en Rooische Heide alsmede een verspreid aantal gebieden in het kampenlandschap ten westen en zuiden van de bebouwde kom. Hoog en zeer hoog gewaardeerde elementen, met name wegen maar ook groen en kleinere elementen als poelen, vinden we verspreid over de gehele gemeenten. Langs de oude wegen van het kampenlandschap en in mindere mate in de jonge ontginningen vinden we de waardevolle historische bouwkunst, waarvan alles vanaf een middelmatige waarde op de waarderingskaart is aangegeven. In genoemd bestemmingsplan is de planologische borging opgenomen.

Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming “Waarde- Cultuurhistorische waardevolle elementen”. Via de regels van het plan is die bescherming geborgd. Op de hierna opgenomen figuur is een uitsnede van de Cultuurhistorische inventarisatie en Waardering van historisch cultuurlandschap, landschapselementen en historische bouwkunst opgenomen. Het plangebied is daarop met een blauwe ellips weergegeven. Daaruit blijkt dat het ter plaatse aanwezige cultuurlandschap als middelmatig wordt gewaardeerd. Het onverharde zandpad met een deel van de verharde Keur ter plaatse van het plangebied heeft een zeer hoge waardering. Onderdeel van de landschappelijke inpassing is het voortzetten van de boombegeleiding langs de Keur/Elde. Omdat de beide inritten zijn geconcentreerd in het midden van beide bouwpercelen wordt ook het karakter van de onverharde Elde niet aangetast.

Figuur 23 Uitsnede kaart cultuurhistorische inventarisatie en waardering van historisch cultuurlandschap, landschapselementen en historische bouwkunst

Door het slopen van de glasopstanden wordt verder de openheid in het gebied opnieuw teruggebracht en verdwijnt een verstorend en niet in de omgeving passend object. De bouw

43

van de twee nieuwe woningen verdicht de bebouwing rond de aansluiting Elde-Keur enigszins maar dat is passend te achten. De cultuurhistorische waarden in het plangebied worden met het plan daarom niet aangetast maar eerder verbeterd. 5.2. 5.2.1.

Ecologie Inleiding

De nieuwe Wet Natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden. Deze wet vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Beiden zijn geïmplementeerd in de Wet Natuurbescherming en omvat de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied. 5.2.2.

Gebiedsbescherming

Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebieds-specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.

Figuur 24 Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden vanaf het plangebied

Zoals op de bovenstaande figuur te zien is, zijn er geen Natura 2000 gebieden gelegen in de omgeving van het plangebied. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ruim 9 km. 5.2.3.

Soortenbescherming

Ook de soortbescherming is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en

44

plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden. Volgens de Wet Natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting mag niet worden verstoord en vaste rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of anderszins worden vernield. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Er zijn vrijstellingsbepalingen, onder andere in verband met de jacht en de schadebestrijding. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Conform de Wet Natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van het bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.

De quickscan flora en fauna heeft als doel om, op basis van een eerste indruk, in te schatten of er op de betreffende locatie planten en/of diersoorten aanwezig zijn dan wel te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk nadeel kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. De conclusie uit het onderzoek is dat er géén beschermde flora waargenomen en deze ook niet valt te verwachten. Er zijn wel aanwijzingen aangetroffen die duiden op een terreingebruik door beschermde soorten, in het bijzonder in de verlaten kassen. Daarom wordt aanbevolen nader onderzoek te doen welke soorten het terrein benutten teneinde inzichtelijk te maken welke passende mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen kunnen worden. Een en ander valt binnen de wettelijke zorgvuldigheidsplicht uit de Wet natuurbescherming. Naar aanleiding daarvan is een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Deze totale rapportage is als bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat zowel de steenuil als de kerkuil aanwezig zijn in de directe omgeving van het onderzochte gebied, waarbij het perceel met de kassen logischerwijs deel uitmaakt van één of meerdere aangrenzende territoria.

Er is ook waargenomen dat een foeragerende kerkuil zich op korte afstand van de kassen bevond, wat impliceert dat het kassencomplex binnen zijn of haar territorium valt. Hoewel de kassen ongeschikt zijn als broedlocatie, bieden ze wel een specifiek jachtvoordeel. Daarnaast is geconstateerd dat zowel de gewone dwergvleermuis als de rosse vleermuis foerageren in de nabijheid van het kassencomplex. Er zijn geen sporen gevonden van kleine marters. In conclusie kan worden gesteld dat het kassencomplex deel uitmaakt van het functionele leefgebied van verschillende diersoorten. De beschutting die de kassen en de weelderige begroeiing bieden, heeft invloed op de overlevingskansen van de individuele dieren. Echter, deze omstandigheden zijn niet doorslaggevend voor het voorkomen van de betreffende soorten in de omliggende habitat. Het wordt aanbevolen om rekening te houden met de ontstane situatie die voordelen biedt aan de aanwezige fauna, zoals rust- en foerageermogelijkheden onder verzwaarde omstandigheden, met name in de herfst en winter. Om deze reden is het logisch om zowel

45

mitigerende als compenserende maatregelen te nemen in de beoogde nieuwe situatie. Deze maatregelen moeten gericht zijn op het behoud van rust- en foerageermogelijkheden, en kunnen worden bereikt door het aanleggen van houtwallen of vegetatiezones vergelijkbaar met de aangrenzende zone aan de noordzijde van het perceel. Dit behoudt de connectiviteit in het landschap en creëert tevens een vervangende foerageerstrook. Wat betreft het voorkomen van uilen wordt aanbevolen om nestkasten voor steenuilen te plaatsen op twee locaties. Het verspreidingskaartje van de steenuil suggereert namelijk sterk dat er ook steenuilen aanwezig waren op ten minste een van de twee meest nabijgelegen erven, vóór sloop en nieuwbouw. Om de compensatie te bieden voor het wegvallen van foerageermogelijkheden in de kassen tijdens winderige of regenachtige dagen, en het verschil in prooivangst en energiekosten om prooi te bemachtigen, kunnen één of meerdere vleermuispalen worden geplaatst. Als eindconclusie kan worden gesteld dat de soortenbescherming geen belemmering vormt voor het initiatief maar dat er wel compenserende maatregelen kunnen worden getroffen. 5.2.4.

Stikstofdepositie

Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen. In deze gebieden wordt veelal de Kritische Depositie Waarde (KDW) overschreden. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is een plan vast te stellen of een project uit te voeren dat, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied. Door de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is de systematiek van de PAS vernietigd en is ook de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jr niet langer geldend.

Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben. Onder referentiesituatie wordt de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat de raad uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie door het plan, dan kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied Per 1 juli 2021 is het Besluit stikstofreductie en natuurherstel in werking getreden. Op grond

46

van artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming gold sinds die tijd een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor activiteiten van de bouwsector. Op grond van die bepaling gold een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor het bouwen of slopen van een bouwwerk en om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk. Daardoor behoefde voor de bouwfase niet meer met een AERIUS-berekening te worden aangetoond wat de effecten zijn op de omliggende Natura-2000 gebieden. Door een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3159) mag die vrijstelling evenwel niet meer worden gebruikt. Daarom zijn zowel voor de bouwfase als voor de gebruiksfase AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Voor wat betreft de gebruiksfase geldt dat sprake van een aanzienlijk afname in stikstofemissies omdat de emissies als gevolg van het landbouwverkeer vanwege het gevestigde tuinbouwbedrijf zullen vervallen. Omdat dit gebruik echter moeilijk valt te reconstrueren is dit gebruik niet als referentie gebruikt. Voor de woningen geldt dat deze gasloos worden uitgevoerd en daardoor dus geen stikstofemissie veroorzaakt. Die kan zich nog wel voordoen voor de verkeersbewegingen in de gebruiksfase.

Op basis van de gegevens met betrekking tot de maximale verkeersaantrekkende werking in paragraaf 5.3 zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd. Uit die berekeningen die als bijlage 7 zijn bijgevoegd bij deze toelichting blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. zijn. Dit levert derhalve geen belemmering op voor het initiatief. Voor wat betreft de sloop- en bouwfase geldt eveneens dat geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j worden berekend. 5.3.

Verkeersgeneratie en parkeren

Verkeergeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van woningen wordt meestal gebruik gemaakt van de cijfers van CROW opgenomen in de uitgave “Toekomstbestendig parkeren”. Voor een vrijstaande woning wordt, bij het gegeven omgevingstype “weinig stedelijk”, voor het buitengebied uitgegaan van een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 voertuigbewegingen per woning en per etmaal. In totaal is dan sprake van een toename van ongeveer 18 voertuigbewegingen per etmaal veroorzaakt door het plan. De bestaande wegenstructuur is ruim voldoende om dat extra aanbod te kunnen verwerken. In de straat waaraan de woning wordt gebouwd zijn reeds woningen aanwezig, zodat de toe te voegen woning als passend in de omgeving kan worden aangemerkt. Gelet op het straatbeeld, leidt twee vrijstaande woningen niet tot een verkeersdruk die als niet passend in de omgeving zou moeten worden bestempeld. Parkeren Voor de toepassing van de parkeerkencijfers zijn is de Nota Parkeernormen Meierijstad 2018 relevant. Voor een vrijstaande woning in het gebied, aangeduid als “buitengebied”, geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaats.

47

Figuur 25 afdruk uit Nota parkeernormen Meierijstad 2018

Gelet op de oppervlakte van de percelen, is er voldoende ruimte om op eigen terrein in de parkeerbehoefte te voorzien die met het plan wordt gegenereerd. 5.4.

Kabels, leidingen en straalpaden

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen kabels, leidingen en/of straalpaden die invloed hebben op het plangebied. De kabels ten behoeve van de nutsvoorzieningen liggen in de wegen Keur en Elde. Wanneer graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal een KLICmelding worden aangevraagd om ervoor te zorgen dat geen kabels worden beschadigd.

48

6. Juridische planopzet 6.1.

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de hiervoor beschreven beleidsuitgangspunten vertaald in de regels van het bestemmingsplan. De regels in samenhang met de verbeelding hebben te gelden als het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. 6.2.

Algemene opzet

Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: 1. De toelichting: Hierin wordt de planbeschrijving opgenomen, alsmede een verantwoording daarvan gelet op het beleid. Ook wordt getoetst aan de aspecten van ruimtelijke ordening en milieu ter verantwoording van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Bij de toelichting gaan de rapporten van de uitgevoerde onderzoeken als bijlagen. 2. De regels: In de regels worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de planologische ontwikkeling vastgelegd. De regels zijn afgeleid van de diverse bepalingen in de meest recente bestemmingsplannen. 3. De verbeelding: Op de verbeelding staat de geldende bestemming, alsmede de geldende dubbelbestemmingen en eventuele specifieke aanduidingen weergegeven. Deze corresponderen met de regels, waarin wordt aangegeven wat mogelijk is binnen de op de verbeelding geduide (dubbel)bestemmingen en eventuele specifieke aanduidingen. 6.3.

Opbouw regels

De definities, respectievelijk de wijze van meten, zoals die zijn opgenomen in het bestemmingsplan “Landelijk gebied”, inclusief de herijking, zijn ten behoeve van de eenduidigheid integraal overgenomen in dit bestemmingsplan. Daarnaast is rekening gehouden met de regels uit de parapluplannen “Parkeren” en “Harmonisatie diverse regelingen – Laaghangend fruit”. 6.4.

Algemene regels

De algemene regels en overgangs- en slotregels worden uit de (gemeentelijke) standaard overgenomen. 6.5.

Bestemmingsregels

De regels van dit bestemmingsplan zijn gelijk aan de regels uit de bestemmingsplannen “Landelijk gebied” inclusief de herijking het “Paraplubestemmingsplan parkeren” en “Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit”. Alleen de van toepassing zijnde regels zijn in onderhavig bestemmingsplan opgenomen.

49

7. Uitvoerbaarheid 7.1.

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet, die feitelijk een onderdeel van de Wet ruimtelijke ordening is, is bepaald dat een gemeente onder meer bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer woningen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Meierijstad zal in het kader van deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst sluiten waarin de door de gemeente te maken kosten worden verhaald op de initiatiefnemer en waarin tevens het verhaal van planschade zal worden opgenomen.

7.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Initiatiefnemer heeft in een vroeg stadium al een omgevingsdialoog gevoerd met de direct omwonenden. Daaruit zijn geen bezwaren voortgekomen.

50

8. Overleg en inspraak 8.1.

Vooroverleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg voeren met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden van dit bestemmingsplan zijn geïnformeerd. De reacties uit dit vooroverleg zijn in een apart document verwerkt. 8.2.

Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden volgens de artikelen 3.7 t/m 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon eenieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan zal daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad. De eventueel ingediende zienswijzen zullen worden beoordeeld en gemotiveerd in een separaat op te stellen zienswijzennota. 8.3.

Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=a5d1092d-fe69-48ff-8e5a-8d431ca074fc