CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Kom Schijndel 2013, herziening Hoofdstraat – Looierij – Toon Bolsiusstraat Schijndel24.371 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Naar aanleiding van de uitgevoerde ‘aanvullend onderzoek naar gierzwaluw en vleermuizen’ is door Blom Ecologie een mitigatieplan opgesteld en een ontheffingsaanvraag soortenbescherming Wet natuurbescherming ingediend. De integrale rapportage is als bijlage 3.2 opgenomen. De goede ontvangst door de ODBN is bevestigd (zie bijlage 3.3). Op 8 augustus 2023 is de ontheffing verleend krachtens artikel 3.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming voor de sloop van huidige bebouwing en realisatie van

69

nieuwbouwappartementen aan de Hoofdstraat, Looierij en Toon Bolsiusstraat te Schijndel. Hierop is bezwaar ingediend en dat is in december 2023 ongegrond verklaard. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; 2. Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; 3. Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort. Voor het wegnemen van de vastgestelde vleermuisverblijfplaats is op 28 oktober 2022 reeds een aanvraag tot ontheffing van de Wnb ingediend bij ODBN. Er wordt dus voldaan aan de voormelde criteria. Gezien het feit dat er een ruim maatregelenpakket is opgezet, op een correcte wijze ongeschikt gemaakt gaat worden en wordt voldaan aan alle criteria, hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de beschikking op 8 augustus 2023 afgegeven (zie bijlage 3.4). Er is verder van de zijde van de ODBN de vraag gesteld waarom de mogelijke aanwezigheid van de steenmarter niet is meegenomen in het onderzoek.

In de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming worden de soorten beoordeeld die uit de bureaustudie in de NDFF naar voren komen. In dit geval was de steenmarter niet waargenomen binnen de altijd gehanteerde zoekcirkel van 2 km en derhalve niet beoordeeld. Voortschrijdend inzicht leert ons dat de steenmarter op meer plekken voorkomt dan vastgesteld is door middel van waarnemingen. Derhalve beoordeelt Blom Ecologie de potentie van de soort sinds enige tijd de soort in alle rapporten, ongeacht of deze uit de NDFF naar voren komt of niet. In dit plangebied was geen sprake van openingen die de steenmarter toegang kunnen geven tot het betreden van de bebouwing waardoor er geen verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Daarnaast zijn er geen kenmerkende sporen zoals prooiresten, latrines en dergelijke gevonden tijdens het veldbezoek. Aangezien de bewoonster elke nacht van circa 18.00 tot 8.30 haar waakhond (herdershond) los laat op het binnenterrein van de planlocatie is het voorkomen van de steenmarter ook niet aannemelijk gezien de hoge mate aan verstoring. Er is geen sprake van essentieel leefgebied gezien het grote aanbod aan beter geschikt leefgebied in de omgeving. Cumulatief is het voorkomen van de steenmarter derhalve uitgesloten. Aanvullend onderzoek is niet benodigd.

70

Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. De integrale rapportage is als bijlage 4 opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan.

Conclusie Vanuit het oogpunt van stikstof en flora en fauna zijn er – na het treffen van de eventuele vervolgacties – geen belemmeringen voor het (bouw)plan. In de nieuwe situatie is er zelfs meer groen/onverhard gebied t.o.v. de huidige situatie.

71

7. Water Toetsingskader Bij de watertoets gaat het om het verantwoorden van de waterhuishoudelijke aspecten bij ruimtelijke plannen en besluiten. Met behulp van de watertoets wordt er naar gestreefd om het waterhuishoudkundig aspect in combinatie met het ruimtelijke beleid toe te passen op de beoogd plangebied, waarbij op basis van de voorgenomen ontwikkelingen gezocht is naar een hydrologisch neutrale oplossingsrichting. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6, eerste lid, sub b van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit besluit verplicht tot het opnemen van ‘een beschrijving van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding’ in de toelichting van ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten in het kader van de Wro. Vanuit verschillende overheidsniveaus zijn beleid en uitgangspunten geformuleerd voor wat betreft de omgang met afstromend hemelwater. De belangrijkste uitgangpunten hierbij zijn het hydrologisch neutraal ontwikkelen en het doorlopen van de volgorde ‘her-gebruikvasthouden-berging-afvoer’. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Aa en Maas. Ook voor het Waterschap Aa en Maas is hydrologisch neutraal ontwikkelen speerpunt bij ruimtelijke ingrepen in haar beheersgebied.

Het waterschap heeft een beleidsnota met uitgangspunten ten behoeve van de water-toets. Hierbij staan de volgende principes centraal: • wateroverlastvrij bestemmen; • gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater; • doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering - afvoer’; • hydrologisch neutraal bouwen; • water als kans; • meervoudig ruimtegebruik; • voorkomen van vervuiling • rekening houden met waterschapsbelangen. De voornoemde principes liggen in lijn met het landelijke beleid ten aanzien van de watertoets. Gestreefd dient te worden naar een waterhuishoudkundig minimaal gelijkwaardige situatie.

72

Doorwerking plan(gebied) Op het plangebied vindt een wijziging van de bebouwing en, het daarmee samengaande, verharde oppervlak plaats. Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever een Weging van het waterbelang uitgevoerd. Hieronder zijn de samenvatting en conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 5 opgenomen.

Initiatiefnemer is voornemens 69 wooneenheden te realiseren. De ontwikkeling op de locatie heeft, zoals blijkt uit de tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak afneemt met circa 853 m2. In deze berekening zijn de groene daken meegerekend als onverhard oppervlak. De vereiste compensatie wordt berekend door het toekomstig verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). De benodigde compensatie bedraagt 213 m3 (3.564 m2 x 0,06).De exacte invulling van de waterberging kan op een later moment ingevuld worden, er dient aan de minimale compensatie van 213m3 voldaan te worden, wat goed mogelijk is op eigen terrein. De initiatiefnemer is voornemens een deel van de bergingsopgave in te vullen door een (of meerdere) wadi(’s) aan te leggen in de groenvoorziening in het midden van het plangebied. De indicatieve locatie is weergegeven op het ontwerpplan in bijlage 2. Er zal circa 130 m² worden ingericht voor het opvangen van hemelwater, tot een diepte van circa 0,5 m -mv. Rekening houdend met een bergingsdiepte van 0,4 m -mv en het talud, zal er circa 40 m³ hemelwater in de wadi(’s) kunnen worden opgevangen. Het overige deel van de opgave zal ingevuld worden door infiltratiekratten te plaatsen onder de verharding.

Ook de krattenvelden zijn indicatief ingetekend op het ontwerpplan. Het exacte opperlvak en de locatie worden in het volgende stadium nader uitgewerkt. Infiltratiekratten hebben een inbouwdiepte van minimaal 0,5 m onder het maaiveld. De kaartgegevens op klimaateffectatlas laten een GHG van > 2 m -mv. Het aanleggen van kratten is ter plaatse dus mogelijk. In het rapport worden nog andere aanvullende mogelijkheden tot waterberging- en infiltratie benoemd, Ten tijde van het extreme regenval zal overstort vanuit de wadi en kratten plaatsvinden op het rioolstelsel aan de Toon Bolsiusstraat en Hoofdstraat.

73

Het plan wordt voor wat betreft het nieuwe riool conform advies aangesloten op de Toon Bolsiusstraat en de Hoofdstraat. Waterschap Aa en Maas heeft aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen op het plan te hebben. Het plan leidt namelijk niet tot een toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m2, het verharde oppervlak neemt zelfs af, en er zijn geen bijzondere waterbelangen aan de orde. Conclusie Vanuit het oogpunt van hydrologie zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. In de nieuwe situatie is er zelfs meer groen/onverhard gebied ten opzichte van de huidige situatie hetgeen het waterbergend vermogen doet toenemen.

74

8. Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen Toetsingskader De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaamheden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidingen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Doorwerking plan(gebied) Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de voorgenomen functiewijziging is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen.

Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor onderhavig plan zijn er geen belemmeringen aan de orde, zodat er in dit opzicht geen gevolgen zijn voor dit plan. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen. De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Overige zonering Er zijn in/op en nabij het plangebied verder geen hoogspanningslijnen, ondergrondse leidingen, waterkeringen, straalpaden, invliegfunnels aanwezig waarvan de aanwezigheid van invloed kan zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

75

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen plan, beschouwd vanuit de aspecten ondergrondse infrastructuur, kabels en leidingen, geen problemen oplevert. Nader onderzoek is na deze quickscan niet nodig.

76

9. Milieu-hygiënische verantwoording 9.1 Inleiding Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De beleidsvelden groeien naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Tevens is het van belang milieubelastende functies, zoals bedrijfsactiviteiten, ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies, zoals woningen. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en ruimtelijke aspecten die van belang zijn voor de te ontwikkelen gronden aan de gronden gelegen tussen de Hoofdstraat 54-66, de Toon Bolsiusstraat 12-18 en de Looierij. De resultaten van de onderzoeken naar de milieukundige haalbaarheid worden beschreven en er wordt aan de andere – ruimtelijk relevante – waarden en omgevingsaspecten, zoals verkeer en mobiliteit, getoetst. De thema’s die aan bod komen, hebben direct of indirect betrekking op de voorgenomen planontwikkeling. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is door De Roever Omgevingsadvies uitgebreide quickscan uitgevoerd naar mogelijke milieu-hygiënische gevolgen van het plan op haar omgeving, of andersom.

Daar waar expliciete verdieping in de materie heeft plaatsgevonden is dat als zodanig vermeld. Quickscans door De Roever Omgevingsadvies zijn uitgevoerd op de aspecten akoestiek (9.4), milieuzonering (9.5), luchtkwaliteit (9.6), externe veiligheid (9.7) en volksgezondheid (9.8). De volledige rapportage is als bijlage 6 aan deze plantoelichting toegevoegd. 9.2 M.e.r. Toetsingskader Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig. In de bijlage bij het vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing zijnde Besluit MER was opgenomen welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De wetgeving rond de milieueffectrapportage is thans, onder de vigeur van de Omgevingswet, opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het

77

Omgevingsbesluit. Voor het planvoornemen dient te worden beoordeeld of er sprake is van activiteiten zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep-effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeersaantrekkende werking e.d.? • wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er met betrekking tot de activiteit indicatieve invloedsafstanden bekend? (bijvoorbeeld uit het ‘groene boekje’) • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Doorwerking plan(gebied) Woningbouw valt thans in beginsel onder categorie J11 uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit: “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen”. Hierbij is in kolom 4 het omgevingsplan genoemd als wettelijk besluit. Dit kan ook worden gelezen als het besluit over een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).

Conclusie Het realiseren van woningen viel, vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, in beginsel onder onderdeel D (stedelijk ontwikkelingsproject, categorie D.11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De wetgeving rond de milieueffectrapportage is thans opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor het planvoornemen dient te worden beoordeeld of er sprake is van activiteiten zoals opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het realiseren van woningen wordt in beginsel gezien als ‘J11 Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Volledigheidshalve is een vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie opgesteld. Deze is bijgevoegd als bijlage 10.

78

9.3 Bodem Toetsingskader Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. Een bodemonderzoek geeft uitsluitsel over de financiële haalbaarheid en een eventuele saneringsnoodzaak. De wet bepaalt dat bij een ruimtelijk plan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Doorwerking plan(gebied) Ten behoeve van het planvoornemen is door MILON een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de samenvatting, conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 7 bij de plantoelichting opgenomen.

Het verkennend onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Norm NEN 5740, strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Het nader bodemonderzoek volgens NTA 5755, strategie voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek - onderzoek naar de aard en omvang van bodemverontreiniging). Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herontwikkeling van de locatie waarbij de bestaande bebouwing wordt gesloopt en woningbouw wordt gerealiseerd. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het doel van het nader bodemonderzoek is betreft het vaststellen van de mate en omvang van verontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. In het onderzoek zijn diverse licht verhoogde gehalten in de grond en licht verhoogde concentraties in het grondwater aangetroffen. Daarnaast zijn in de grond ter plaatse van het garagebedrijf een drietal verontreinigingen aanwezig met gehalten die de interventiewaarde overschrijden. Er is sprake van twee grondverontreinigingen met lood en zink met een omvang van respectievelijk 54 m3 en 4 m3. En een grondverontreiniging met

79

minerale olie met een omvang van circa 12 m3. De verontreinigde grond is onderzocht op PFAS en voldoet aan de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur en de gehalten zijn lager dan de achtergrondwaarde. Verwacht wordt dat de verontreinigingen ontstaan zijn voor 1987 en derhalve is sprake van historische verontreinigingen. Conform artikel 28 van de Wet bodembescherming is er sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging omdat meer dan 25 m3 grond sterk verontreinigd is. De omvang van de grondverontreiniging is voldoende onderzocht en afgeperkt. De urgentie van de verontreiniging is vooralsnog niet bepaald omdat het voornemen bestaat op korte termijn de herontwikkeling te realiseren en hiervoor dient de verontreiniging gesaneerd te worden. De urgentie bepaald binnen welke termijn een eventuele sanering uitgevoerd moet worden. Voor de sanering van de grondverontreiniging dient een saneringsplan opgesteld te worden. Bij de uitvoering van de sanering dient rekening gehouden te worden dat de werkzaamheden en de milieukundige begeleiding (processturing en verificatie) door onafhankelijke en erkende bedrijven uitgevoerd moet worden. De aannemer van de sanering dient erkend te zijn overeenkomstig BRL SIKB 7000 en protocol 7001. De milieukundige begeleiding dient onafhankelijk uitgevoerd te worden overeenkomstig BRL SIKB 6000 en protocol 6001.

In aanvulling op het uitgevoerde verkennende en nadere bodemonderzoek, ter beëindiging van bodembedreigende bedrijfsactiviteiten en naar aanleiding van de beoordeling door de Omgevingsdienst Brabant Noord van het verkennende en nadere bodemonderzoek is door MILON een aanvullend en eindsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. De gemaakte opmerkingen in de beoordeling zijn in dit onderzoek toegelicht en uitgewerkt. Hieronder zijn de samenvatting, conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale onderzoeksrapportage is als bijlage 7.1 bij de plantoelichting opgenomen.

Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van het pompeiland, de garage en voormalige ondergrondse opslagtanks en de wasplaats met oliewaterafscheider. In het onderzoek zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten in de grond en een licht verhoogde concentratie in het grondwater aangetoond. De aangetroffen verhoogde waarden zijn zeer gering waardoor nauwelijks van een verontreiniging kan

80

worden gesproken. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De eindsituatie is met de uitgevoerde bodemonderzoeken voldoende vastgesteld. Met het onderzoek ter plaatse van de discotheek en de kringloopwinkel is enig inzicht verkregen in de bodemopbouw en is aangetoond dat er ter plaatse van de verrichte boringen onder de betonverharding alleen zwak tot matig siltig, zeer fijn zand aanwezig is zonder bodemvreemde materialen of bodemvreemde bijmengingen. Uit de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van boring 4002 sprake is van sterk verhoogde gehalten koper en zink. Een nader bodemonderzoek is nodig om de mate en omvang van de grondverontreiniging met zware metalen te bepalen. Een eventuele grondverontreiniging dient te worden gesaneerd om de bodem geschikt te maken voor het toekomstige gebruik van de locatie. Daarnaast is nog een bodemonderzoek na sloop van de panden aan de Hoofdstraat noodzakelijk omdat hier niet voldoende inzicht is verkregen in de bodemkwaliteit.

De kosten voor sanering worden geschat op € 55.000,-. De kosten van de sanering, exclusief sanering van Hoofdstraat 54, bedraagt op basis van offertes circa €12.000,- . De verontreiniging bij boring 4002, ter hoogte van Hoofdstraat 54, dient nog verder ingekaderd te worden. Een exacte schatting kan niet gemaakt worden omdat dit van meerdere factoren afhankelijk is. Het nadere onderzoek ter plaatse van Hoofdstraat 54 kan pas goed gedaan worden nadat dit gesloopt is. Het plan is op basis van deze schatting financieel haalbaar. Er is aangeven dat de gevonden vervuiling mogelijk een relatie heeft met historisch puin. Bekend is dat in het centrum van Schijndel historisch puin voorkomt in de bodem vanuit bombardementen en vernielingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Mogelijk is er een relatie met de aangetroffen verhoogde gehalten. Het aantal boringen en analyses zijn uitgevoerd, zoals beschreven in het eerder ingediende en door de ODBN akkoord bevonden voorstel onderzoeksstrategie. Dit geldt voor alle deellocaties (wasplaats, garage incl. ondergrondse tanks, pompeiland en de inpandige boringen bij de kingloopwinkel en de discotheek Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem – na het treffen van de genoemde maatregelen – geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

81

9.4 Akoestiek Toetsingskader Bij de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen, in de nabijheid van wegen dient in het bestemmingsplan aandacht besteed te worden aan de akoestische omstandigheden. De gevels van de woningen ondervinden namelijk een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer in de omgeving. De verplichting tot uitvoering van een akoestisch onderzoek is vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wet geluidhinder geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. De Wet geluidhinder bepaalt in hoeverre het bouwen op een locatie is toegestaan, het Bouwbesluit bevat onder meer eisen die aan de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie van het gebouw worden gesteld. Deze worden onder meer bepaald door de hoogte van de geluidbelasting, het type buitengeluid en de gebruiksfunctie.

Doorwerking plan(gebied) Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het planvoornemen heeft De Roever Omgevingsadvies een onderzoek naar de gevolgen van het wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn conclusies uit het onderzoek letterlijk overgenomen. De integrale rapportage is als bijlage 8 opgenomen.

Hogere waarden Het plangebied ligt niet binnen een geluidzone van een weg. Het verlenen van een hogere waarde is niet van toepassing. Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 58 dB ter plaatse van de voorgevel van Blok E (begane grond en 1e verdieping). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan 58 – 33 = 25 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek nodig is naar de geluidwering van de gevels. Woon- en leefklimaat

82

De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘Zeer goed’ tot ‘Matig’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de appartementen kan alsnog als acceptabel worden aangemerkt. Op basis van de toelichting in paragraaf 3.2.1 en 3.2.2 kan gesteld worden dat de cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat.

Railverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een spoorlijn. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect railverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Vliegverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen een Ke-contour van een vliegveld. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect vliegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het plan. Stiltegebieden Het plangebied is niet gelegen in of nabij een stiltegebied. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt levert het plan geen belemmeringen op. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is gewaarborgd. 9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) Toetsingskader Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Instrumenten van ruimtelijke ordening en milieu kunnen elkaar daarbij ondersteunen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen, onderscheidt de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in haar brochure Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) twee omgevingstypen: 1. omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied; 2. omgevingstype gemengd gebied. Ad. 1 Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke be-

83

drijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een ‘rustig buitengebied’ (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. Ad. 2 Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Vervolgens worden in de brochure, op basis van een aantal factoren (geur, stof, geluid en gevaar), richtafstanden genoemd tussen verschillende bedrijfstypen en omgevingstype ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’, waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dan kunnen de richtafstanden – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat en het functioneren van bedrijven – met één afstandsstap worden verlaagd. Doorwerking plan(gebied) Op de eerste plaats wordt verwezen naar de hoofdstukken 2 en 3 van de ‘quickscan milieuaspecten’, zoals opgesteld door De Roever Omgevingsadvies (zie bijlage 1). Geurhinder (Wgv) De veehouderijen in de omgeving en de totale geuremissies per veehouderij zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

84

De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie ligt aan Steeg 36 op een afstand van ongeveer 1.200 meter van het plangebied. Aan de afstandseis wordt voldaan. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot het plangebied kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Dit is ook af te lezen uit de kaart met de geurcontouren ten aanzien van achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting), zie afbeelding hierna. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en het plangebied worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

85

Het woon- en leefklimaat is ‘zeer goed’. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het plan. Milieuzonering (categorie-indeling bedrijven) Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan ‘Kom Schijndel 2013’ de bestemmingen ‘Gemengd – 2’, ‘Horeca – 1’, ‘Wonen’ en ‘Bedrijf’. Voor het beoogde plan moet de bestemming moet worden omgezet naar ‘Wonen’. In de beoogde situatie is voor de eerstelijns bebouwing aan de Hoofdstraat en aan de Looierij sprake van het omgevingstype gemengd gebied, gezien de aanwezigheid van diverse kleinschalige bedrijfsmatige functies direct naast woningen en gezien de ligging aan de hoofdinfrastructuur. Voor de achterliggende bebouwing en de bebouwing aan de Toon Bolsiusstraat moet uit worden gegaan van het omgevingstype rustige woonwijk, gezien de afwezigheid van bedrijfsmatige functies en hoofdinfrastructuur. Uitwaartse milieuzonering De beoogde woonbestemming vormt geen milieubelastende functie. Een analyse van uitwaartse milieuzonering is niet nodig.

86

Inwaartse milieuzonering Op basis van de vigerende bestemmingsplannen zijn de milieubelastende functies in de omgeving bepaald, zie onderstaande tabel ‘richtafstanden milieubelastende functies’.

De milieubelastende functies en de bijbehorende richtafstanden zijn weergegeven op navolgende afbeelding.

87

Het plangebied ligt binnen de richtafstand (tot een rustige woonwijk) voor het aspect geluid behorende bij de apotheek aan Looierij 2. Aangezien het gedeelte van het plangebied dat binnen die richtafstand aangemerkt moet worden als het omgevingstype gemengd gebied (zie hierboven) wordt de richtafstand met één afstandsstap verlaagd naar 0 meter. Daarom hoeft dit aspect niet nader te worden onderzocht. In de praktijk zal er ook geen significante bijdrage zijn van het geluid afkomstig van de apotheek op de beoogde woningen, aangezien het geluid afkomstig van de Hoofdstraat zal overheersen. Het plangebied ligt binnen de richtafstand (tot een rustige woonwijk) voor het aspect gevaar behorende bij de apotheek aan Looierij 2. Als het aspect gevaar het maatgevende aspect is, dan wordt de richtafstand niet met één afstandsstap verlaagd bij het omgevingstype gemengd gebied. Echter, de apotheek betreft geen inrichting waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen. In de praktijk zijn er geen relevante risicobronnen en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemengde bestemming aan Hoofdstraat 58 grenst aan het plangebied. Zoals hierboven beschreven betreft de nabije omgeving van Hoofdstraat 58 een gemengd gebied. De

88

richtafstanden worden dan met één afstandsstap verkleind naar 0 meter. Er is geen sprake van overlap met het plangebied. Echter, het bestemmingsplan staat op een gedeelte van de locatie Hoofdstraat 58 ook toe: een werkplaats op de begane grond van maximaal 25 m2 en een opslag op de verdieping van maximaal 25 m2. Zoals hierboven beschreven betreft de nabije omgeving van Hoofdstraat 58 een gemengd gebied. De richtafstanden worden dan met één afstandsstap verkleind naar 10 meter voor het aspect geluid. Nu is een aannemersbedrijf en een verhuur van opslagruimte aan derden (vaak boxen) erg overtrokken voor deze situatie, aangezien de oppervlakte van de functies volgens het bestemmingsplan maar 25 m2 mag zijn en de ruimtes ook niet te benaderen zijn met voertuigen of heftrucks (geen inrit). Het is meer te vergelijken met een particuliere werkplaats en opslag, waarvoor geen richtafstanden gelden. Bovendien vormt de bestaande woning aan Hoofdstraat 60-60A al een bestaande belemmering voor het maximaal planologische gebruik van de werkplaats en opslag, aangezien deze aanpandig ligt. In deze zin vormt het plan geen belemmering voor de maximale planologische mogelijkheden van de werkplaats en opslag. Daarnaast zal er ook feitelijk geen hinder zijn.

Zoals hierboven vermeld is de werkplaats en opslag niet benaderbaar door voertuigen en zal het gebruik daarvan niet afwijken van particulier gebruik.. Er is ook geen milieudossier. Dus ook feitelijk is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en geen belemmering voor het gebruik van de locatie. Achter de apotheek/artsenpraktijk aan Looierij 2 bevindt zich een parkeerterrein. Enkele parkeerplaatsen liggen op korte afstand van appartementen. Hiertoe wordt een beoordeling gemaakt van het woon- en leefklimaat ten aanzien van het maximaal geluidniveau en het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Maximaal geluidniveau Bij een parkeerplaats kunnen zich piekgeluiden voordoen in de vorm van optrekkende personenwagens of dichtslaande portieren. Het bronvermogen voor het piekgeluid vanwege optrekkende personenwagens bedraagt 94 dB(A). Het bronvermogen voor het piekgeluid vanwege dichtslaande portieren bedraagt 97 dB(A) en is daarmee maatgevend. Het dichtslaan van portieren kan tot op ongeveer 5 meter van appartementen plaatsvinden. Dit zijn dan slechts enkele parkeerplaatsen die het meest zullen worden benut door de bewoners zelf. De geometrische afname van het geluid door de afstand tot de bron bedraagt bij een afstand van 5 meter: 20 x log (5) + 11 = 25 dB(A).

Het maximaal geluidniveau ter plaatse van de appartementen op 5 meter van een parkeerplaats bedraagt dan 97 – 25 = 72 dB(A).

89

Uit artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is op te maken dat bij een maximaal geluidniveau in verblijfsruimtes van 55/50/45 dB(A) in de dag/avond/nachtperiode sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit kan worden bewerkstelligd door een geluidwering van de betreffende gevels op zijn minst 72 – 45 = 27 dB(A) te realiseren. Volgens het Bouwbesluit 2012 heeft elke gevel van normale bouwkundige opzet een geluidwering van op zijn minst 20 dB. In de praktijk is bij nieuwbouw sprake van een veel hogere geluidwering, mede door de eisen aan thermische isolatie volgens het Bouwbesluit 2012. De piekgeluiden van deze slechts enkele meest nabij gelegen parkeerplaatsen zorgen niet voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omdat dit gaat over slechts enkele parkeerplaatsen die het meest zullen worden gebruikt door de bewoners zelf (de meeste overige bezoekers zullen hun auto liever bij de ingang van de apotheek/artsenpraktijk parkeren) stellen wij voor geen nadere eis aan de geluidwering van gevels vanwege de parkeerplaats te stellen. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Het is niet de verwachting dat ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau sprake zal zijn van een onaanvaardbaar binnenniveau.

Uit artikel 2.17, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is op te maken dat bij een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in verblijfsruimtes van 35/30/25 dB(A) in de dag/avond/nachtperiode sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens het Bouwbesluit 2012 heeft elke gevel van normale bouwkundige opzet een geluidwering van op zijn minst 20 dB. In de praktijk is bij nieuwbouw sprake van een veel hogere geluidwering, mede door de eisen aan thermische isolatie volgens het Bouwbesluit 2012. Toch uitgaande van een geluidwering van 20 dB(A) houdt dit in dat bij een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 55 dB(A) etmaalwaarde op de gevels nog altijd sprake is van een aanvaardbaard binnenniveau. Gezien het aantal parkeerplaatsen en (bijvoorbeeld) gezien de resultaten van het uitgevoerde onderzoek wegverkeerslawaai vanwege de overige wegen in de omgeving kan met zekerheid worden gesteld dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de parkeerplaats niet de 55 dB(A) etmaalwaarde zal overschrijden.

90

Conclusie Bezien vanuit het oogpunt van ‘inwaartse milieuzonering’ komt er in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid voor welke een mogelijke belemmering vormt voor het onderliggende plan. Daarnaast levert het plan, vanuit het oogpunt van ‘uitwaartse zonering, ook geen belemmering op voor omliggende bedrijven. Dit betekent dat er vanuit de aspecten milieuzonering en hinderlijke bedrijvigheid geen belemmeringen zijn voor het plan. 9.6 Luchtkwaliteit Toetsingskader Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen decennia in Nederland is verbeterd, voldoet ze nog steeds niet overal aan de normen. Met name fijn stof en stikstofdioxiden leveren problemen op. Het doel van het luchtkwaliteitsonderzoek is het geven van inzicht in de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit om een goede luchtkwaliteit te kunnen garanderen. Daarom moet luchtkwaliteit al in een vroeg stadium van de planvorming worden meegewogen. Gegevens over de luchtkwaliteit worden verzameld om vervolgens te kunnen bepalen of er voor het doorgaan van het project al dan niet aanvullende maatregelen nodig zijn. In de praktijk zullen met name fijn stof en stikstofdioxiden moeten worden onderzocht. Daarnaast kan een goede ruimtelijke ordening met zich brengen dat een afweging wordt gemaakt rondom de aanvaardbaarheid van een project op een bepaalde locatie.

De luchtkwaliteit hoeft (artikel 5.16 Wet milieubeheer) geen belemmering te vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een plan of project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt; • een project per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) dat tevens voorziet in maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. De luchtkwaliteit komt voort uit Europese wet- en regelgeving en de hoofdlijnen van de regelgeving zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. In de Nederlandse wetgeving is opgenomen dat in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen beoordeelt moet worden welk effect de gewenste ontwikkeling heeft op de luchtkwaliteit. Er zijn echter situaties waarin een ontwikkeling ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan (de verslechtering) van de luchtkwaliteit. In het besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en in de

91

regeling ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) is aangegeven in welke gevallen hiervan sprake is. Concreet is in het Besluit NIBM vastgelegd in welke gevallen een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een ontwikkeling is NIBM als aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die sowieso niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3%. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd.

Op 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden die toeziet op het beschermen van bepaalde gevoelige groepen mensen (bijvoorbeeld kinderen, ouderen en zieken). De intentie van het Besluit gevoelige bestemmingen is dat bepaalde gebouwen (bijvoorbeeld scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en verzorgingstehuizen) niet meer worden gebouwd in gebieden waar de normen worden overschreden. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. In de context van het besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties niet als ‘gevoelige bestemming’ gezien. Doorwerking plan(gebied) Op de eerste plaats wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van de ‘quickscan milieuaspecten’, zoals opgesteld door De Roever Omgevingsadvies (zie bijlage 6). Plannen hebben pas een negatief effect op de luchtkwaliteit, zodra de verkeersgeneratie in ruime mate toeneemt. Ter vergelijking; een effect op de luchtkwaliteit hoeft pas aangetoond

92

te worden als de bouw van 1.500 woningen of 66.667 m² kantoor en de daarmee gepaard gaande verkeersgeneratie plaatsvindt. Onderhavig plan heeft uiteraard een veel lagere verkeersaantrekkende functie dan 1.500 nieuwe woningen of 66.667 m² nieuw kantooroppervlakte. Hierdoor valt het plan ruim onder de 3% grens voor PM10 of NO2. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Het project valt onder de kwantitatieve grenzen van de Regeling NIBM. Het bestemmen van minder dan 1.500 woningen per ontsluitingsweg is niet in betekenende mate van invloed op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. Conclusie Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 9.7 Externe veiligheid Toetsingskader Het externe veiligheidsbeleid is bedoeld om de risico’s voor de omgeving ten aanzien van handelingen met gevaarlijke stoffen te beperken en te beheersen. De wetgeving is gericht op het gebruiken, opslaan en productie van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, als wel het transport van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn de richtlijnen ten aanzien van inrichtingen opgenomen. Daarnaast zijn er richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

In deze regelgeving is de verplichting opgenomen om in ruimtelijke plannen de ontwikkelingen te toetsen op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Externe veiligheid heeft dus betrekking op situaties waar iets mis zou kunnen gaan met gevaarlijke stoffen, waardoor mensen gevaar lopen. Voorbeelden van risicobronnen en risicovolle activiteiten zijn: productie, gebruik of opslag en transport van gevaarlijke stoffen (LPG-tankstations en fabrieken, routes voor gevaarlijke stoffen, leidingen). Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen. Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ontsnappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (hogedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische producten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, licht ontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen.

93

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een onbeschermd individu overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit plaatsgebonden risico wordt vertaald naar een risicocontour rondom een risicobron (bijvoorbeeld een inrichting of een weg). De maatgevende grens is de 10-6 contour, dit is de kans van 1 op 1 miljoen dat een onbeschermd persoon omkomt per jaar. Groepsrisico Het groepsrisico is de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico is bedoeld om een inschatting te maken ten aanzien van de maatschappelijke ontwrichting in het geval van een calamiteit. Voor het groepsrisico geldt een oriëntatiewaarde in de verantwoording (dit betekent dat er gemotiveerd van mag worden afgeweken). Elke verandering van het groepsrisico in het invloedsgebied van een risicobron moet verantwoord worden. Hierbij moet ingegaan worden op de wijze waarop deze verandering in het groepsrisico is betrokken bij de besluitvorming. Tevens moeten kwalitatieve aspecten beoordeeld worden, zoals zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening‘ (artikel 3.1 Wro) wordt ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit en effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.

Doorwerking plan(gebied) Op de eerste plaats wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van de ‘quickscan milieuaspecten’, zoals opgesteld door De Roever Omgevingsadvies (zie bijlage 6). Externe veiligheid inrichtingen Op basis van gegevens van de Risicokaart zijn de risicobronnen geïnventariseerd. De risicobronnen en invloedsgebieden zijn weergegeven op onderstaande afbeelding.

94

Inrichtingen In de omgeving van het plangebied liggen geen inrichtingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wegen In de omgeving van het plangebied liggen geen wegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Spoorwegen In de omgeving van het plangebied liggen geen spoorwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Waterwegen In de omgeving van het plangebied liggen geen waterwegen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied liggen geen buisleidingen die relevant zijn ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen.

95

Voor het advies van de Veiligheidsregio wordt verwezen naar bijlage 6.1. Conclusie Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het (bouw)plan. 9.8 Volksgezondheid Veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan, waarmee kan worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare situatie ten aanzien van volksgezondheid. De stappen kunnen stuk voor stuk worden doorlopen om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Stap 1. Endotoxine Op basis van het endotoxine toetsingskader 1.0 kunnen voor de diercategorieën vleeskuikens, leghennen en varkens de aan te houden afstanden worden bepaald op basis van de totale jaarlijkse fijnstofemissie. Door deze afstanden aan te houden wordt een te hoge blootstelling aan endotoxine voorkomen. De afstanden worden als volgt berekend:

In de omgeving van het plangebied liggen geen pluimveehouderijen of varkenshouderijen. Stap 1 vormt geen knelpunt. Stap 2. Emissies Onderzocht moet worden of de ontwikkeling leidt tot een toename in de emissie voor geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Een toename van geur, fijnstof en/of ammoniak (via vorming van secundair fijnstof) kan mogelijk leiden tot een negatief effect op de volksgezondheid. Het plan leidt niet tot een relevante toename van geur-, ammoniak- en fijnstofemissies. Plangebieden met woningbouw tot 1.500 woningen per ontsluitingsweg zijn conform de Regeling niet in betekenende mate (NIBM) niet van invloed op de luchtkwaliteit (fijn stof in dit geval). Daarnaast blijkt uit de kaarten bij de NSL-monitoringstool dat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar is. Stap 2 vormt geen knelpunt.

96

Stap 3a. Geur, milieukundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de volgende milieukundige advieswaarden:

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en 50 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Uit hoofdstuk 3 van deze quickscan blijkt dat aan de milieukundige advieswaarden voor de afstanden en de voor- en achtergrondbelasting voldaan. Stap 3a vormt geen knelpunt. Stap 3b. Geur, gezondheidskundige advieswaarden Onderzocht moet worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aan de hand van de volgende gezondheidskundige advieswaarden:

Daarnaast moet onderzocht worden of voldaan wordt aan de afstandseis van 100 meter tussen een veehouderij en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom of buiten de bebouwde kom. Uit hoofdstuk 3 van deze quickscan blijkt dat aan de gezondheidskundige advieswaarden voor de voor- en achtergrondbelasting voldaan (vooral af te lezen uit de afbeelding van de achtergrondbelasting). Stap 4. Meerdere diersoorten

97

Onderzocht moet worden of er veehouderijen van invloed zijn waar meerdere diersoorten worden gehouden, namelijk a. varkens en pluimvee; of b. rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten); of c. kleine herkauwers onderling Ook moet onderzocht worden of er varkenshouderijen en pluimveehouderijen op een afstand van maximaal 100 meter van elkaar liggen en van invloed zijn op het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen veehouderijen met verschillende diersoorten op korte onderlinge afstand van elkaar en op korte afstand van het plangebied. Stap 4 vormt geen knelpunt. Stap 5. Afstanden Onderzocht moet worden of: a. geitenhouderijen binnen 2 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; b. pluimveebedrijven binnen 1 km van geurgevoelige objecten zijn gelegen; c. overige veehouderijen binnen 250 m van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom zijn gelegen. Op een afstand van ongeveer 1,5 km ligt de geitenhouderij aan Oetelaarsestraat 29 en op een afstand van ongeveer 1,7 km ligt de geitenhouderij aan Boxtelseweg 10. Het bevoegd gezag (de gemeente Meierijstad) maakt een afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiertoe kan gebruik worden gemaakt van het Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad.

Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad: Afwegingskader geitenhouderijen Meierijstad Het college van B&W van Meierijstad heeft op 13 maart 2018 een afwegingskader vastgesteld met betrekking tot ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen. Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd gezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt niet binnen de afstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Gelet op de ruime afstanden en de kleinschaligheid van het woningbouwproject welke wordt gerealiseerd binnen een bebouwingsconcentratie is sprake van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico en zijn er wat dit aspect geen belemmering voor het (bestemmings)plan. Hier kan aan worden toegevoegd dat de geurbelasting en fijn stof concentraties voldoen aan de geldende normen. Het plan voorziet niet in bijzondere gevoelige bestemmingen en er worden geen klachten vanwege veehouderijen verwacht. In

98

de omgeving bevinden zich geen bedrijven met pluimvee en varkens waardoor een verhoogde kans op zoonosen aanwezig is. Een GGD advies hoeft niet te worden opgevraagd. Stap 6. Mestbe- of verwerking Onderzocht moet worden of in de directe omgeving sprake is van mestbe- of verwerking als zelfstandige activiteit of als nevenactiviteit. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven waarbij sprake is van mestbe- of verwerking. Stap 6 vormt geen knelpunt. Stap 7. Ongerustheid omwonenden In stap 7 van het stappenplan uit de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 wordt ingegaan op ongerustheid bij omwonenden. Gezien de afstand tot veehouderijen wordt geen ongerustheid verwacht. Stap 7 vormt geen knelpunt. Spuitzones In de omgeving van het plangebied liggen geen gronden waar mogelijk sprake is van een spuitzone. Het aspect spuitzones vormt geen belemmering voor het plan. Hoogspanningsleidingen In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Het aspect hoogspanningsleidingen vormt geen belemmering voor het plan.

99

10. Mobiliteit en parkeren De gemeente Meierijstad streeft naar een goede ontsluiting en ook naar een goede parkeerbalans op nieuw te ontwikkelen percelen. Voor het plangebied betekent dit dat de ontsluiting van het terrein afdoende moet zijn en dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig is. De ontsluiting van het gemotoriseerd verkeer (auto’s) vindt met name plaats op de Looierij, en voor een deel op de Toon Bolsiusstraat en de Hoofdstraat. Bewoners hebben in deels hun berging ruimte voor de fietsen en dergelijke. Tevens kunnen bezoekers de fietsen plaatsen op verschillende fietsparkeerplaatsen Er worden 21 fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Voor de parkeernormen is aansluiting gezocht bij de Nota Parkeernormen Meijerijstad 2025. Verkeersonderzoekbureau Exante heeft onderzoek gedaan naar de parkeervraag en de parkeermogelijkheden na planuitvoering. Het onderzoek is in zijn geheel als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Het plan voldoet aan de Nota Parkeernormen Meierijstad 2025. De normatieve berekening toont een toename van de parkeervraag met maximaal 9 plaatsen op een doordeweekse avond en nacht. Op basis van worstcasescenario is er een toename van maximaal 29 parkeerplaatsen. Er worden ten opzichte van het maatgevend moment 52 extra parkeerplaatsen gerealiseerd waardoor ruimt aan de eis wordt voldaan.

Volgens de Nota parkeernormen 2025 mag deze vraag worden gesaldeerd over het gebruik van de openbare ruimte in de huidige en toekomstige situatie. Momenteel zijn er 8 parkeerplaatsen op eigen terrein, welke overdag beschikbaar zijn, waardoor het merendeel van de voertuigen in de openbare ruimte parkeert. In de toekomstige situatie worden 47 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, wat leidt tot een aanzienlijke afname van het gebruik van openbare parkeerplaatsen. De parkeerdruk neemt af minimaal 15 en maximaal 69 parkeerplaatsen. Om volledig in de parkeervraag te voorzien, zijn in de nieuwe situatie nog 20 openbare parkeerplaatsen nodig, wat minder is dan het huidige gebruik. Dit wijst op een verminderde druk op de openbare ruimte. Daarnaast worden 5 extra openbare parkeerplaatsen aangelegd, wat de druk verder verlaagt.

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fbbc0e3f-cbaa-47e6-8eff-8fc53e5804ba