Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Kom Schijndel 2013, herziening Hoofdstraat – Looierij – Toon Bolsiusstraat Schijndel PLANTOELICHTING
NL.IMRO.1948.SCH001BP0012023P-VG01
1
Titel:
Datum: Projectnummer: Adviesbureau: Auteurs: Contactpersoon: (Post)adres: Telefoon: E-mail: Website:
Bestemmingsplan Kom Schijndel 2013, herziening Hoofdstraat – Looierij – Toon Bolsiusstraat Schijndel 16-09-2025 2021.178 Wintraecken Advies B.V. Teun van de Camp Msc. en mr. David Wintraecken David Wintraecken Harry Bolsiuslaan 13 5481 BN Schijndel (073) 850 51 29 / (06) 146 488 29 info@wintraeckenadvies.nl www.wintraeckenadvies.nl
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of Wintraecken Advies.
2
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1
Achtergrond en doel van het plan .............................................................................................. 6
1.2
Doelstelling ................................................................................................................................. 7
1.3
Ligging en begrenzing van het plangebied ................................................................................ 8
1.4
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................ 8
1.5
Leeswijzer ................................................................................................................................. 13
Beschrijving bestaande situatie ..................................................................................................... 14 2.1
Huidige situatie omgeving ........................................................................................................ 14
2.2
Plangebied ................................................................................................................................ 14
Visie op plan(gebied) ..................................................................................................................... 16 3.1
Uitgangspunten ........................................................................................................................ 16
3.2
De locatie .................................................................................................................................. 18
3.3
Integraal ontwerp en beschrijving van het plan(gebied) ........................................................... 18
3.4
Perspectief ................................................................................................................................ 28
3.5 Klimaat en duurzaam ................................................................................................................... 28 4.
Beleidstoets ................................................................................................................................... 29 4.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 29 4.2 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 29 4.3 Provinciaal beleid ......................................................................................................................... 34 4.4 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................................... 41
5.
Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................... 63
6.
Flora en fauna: toetsing natuurwetgeving en stikstof(depositie) ................................................... 65
7.
Water ............................................................................................................................................. 72
8.
Fysieke belemmeringen: (ondergrondse) infrastructuur / kabels en (buis)leidingen .................... 75
9.
Milieu-hygiënische verantwoording ............................................................................................... 77 9.1 Inleiding ........................................................................................................................................ 77 9.2 M.e.r. ............................................................................................................................................ 77 9.3 Bodem .......................................................................................................................................... 79 9.4 Akoestiek ..................................................................................................................................... 82
3
9.5 Milieuzonering (geur en industrielawaai) ..................................................................................... 83 9.6 Luchtkwaliteit ............................................................................................................................... 91 9.7 Externe veiligheid......................................................................................................................... 93 9.8 Volksgezondheid.......................................................................................................................... 96 10. Mobiliteit en parkeren .................................................................................................................. 100 11. Juridische planopzet .................................................................................................................... 102 11.1 Het bestemmingsplan als juridisch instrument ........................................................................ 102 11.2 Systematiek van de regels ....................................................................................................... 102 12. Uitvoeringsaspecten ....................................................................................................................
104 12.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................. 104 12.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................... 104 13. Conclusie ..................................................................................................................................... 105
Bijlagen 1. Bureau voor Archeologie, Bureau voor Archeologie Rapport 1193. Looierij, Hoofdstraat 54-66 en Toon Bolsiusstraat 14-18, Schijndel, gemeente Meierijstad: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase, ISSN: 2214-6687, 9 juni 2022 Bijlage 1.1 - Selectieadvies archeologische monumentenzorg, gemeente Meierijstad, 6 juli 2023 2. Bureau voor Archeologie, Cultuurhistorische quickscan Hoofdstraat 54-66 en Toon Bolsiusstraat 14-18, Schijndel, project: 2022021701 Meierijstad Schijndel Hoofdstraat 54-66 en Toon Bolsiusstraat 14-18, 17 juni 2022 3. Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Hoofdstraat, Looierij en Toon Bolsiusstraat te Schijndel, Project: 2022-0231, 1 april 2022 Bijlage 3.1 - Aanvullend onderzoek ecologie Hoofdstraat, Looierij en Toon Bolsiusstraat te Schijndel, Aanvullend onderzoek naar gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming, project: 2022-0459, 23 september 2022, revisie 13 oktober 2022 Bijlage 3.2 – Blom Ecologie, Mitigatieplan, Hoofdstraat, Looierij en Toon Bolsiusstraat te Schijndel, Ontheffingsaanvraag soortenbescherming Wet natuurbescherming, project: 2021-1054, 20 oktober 2022 Bijlage 3.3 – Ontvangstbevestiging ontheffing Wnb soorten Bijlage 3.4- Beschikking Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant d.d. 8 augustus 2023 4.
De Roever Omgevingsadvies, Stikstofdepositieonderzoek Looierij te Schijndel, referentie: 20220435.v02, 3 april 2023 Bijlage 4.1 - AERIUS-Aanlegfase Bijlage 4.2 - AERIUS-Gebruiksfase
4
5. De Roever omgevingsadvies, Weging van het waterbelang Looierij, Toon Bolsiusstraat en Hoofdstraat te Schijndel, projectnummer: 20250062, 20 augustus 2025 6. De Roever Omgevingsadvies, Quickscan milieuaspecten Looierij Schijndel, referentie: 20220433.v01, 3 juli 2024 Bijlage 6.1 – Advies Brabant Noord Brandweer, veiligheidsregio, zaaknummer: 2023001642, 18 mei 2023 7. MILON, Verkennend en nader bodemonderzoek Looierij, Toon Bolsiusstraat en Hoofdstraat te Schijndel, projectnummer 20221250-1, 27 juli 2022 Bijlage 7.1 – MILON, Aanvullend en eindsituatie bodemonderzoek, Toon Bolsiusstraat 16a eo. te Schijndel, projectnummer: 20221538, 12 december 2023 8. De Roever Omgevingsadvies, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Looierij Schijndel, referentie: 20220434.v01, 5 mei 2023 9. Exante, Parkeertoets Hoofdstraat-Toon Bolsiusstraat-Looierij Schijndel, referentienummer: 120178.003-M04.5, 12 september 2025 Bijlage 9.1 – Aangepaste parkeernota d.d.12-09-2025 10. Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie, 11-07-2023, herz. 15-07-2024, wijz. 06-05-2025 11. Samenvatting omgevingsdialoog 12. Nota van Zienswijzen 13. Bezonningsonderzoek, rapportnummer: P25-85.R01, 3 juli 2025 14. Weltevreden, Indicatief onderzoek Molenbiotoop Catharina Molen, projectnummer: 25037, 04-08-2025 15. Advies gecombineerde kamer van monumenten en welstand, gemeente Meierijstad. 16. Beoordelingsbesluit mer-aanmeldnotitie.
5
1. Inleiding 1.1 Achtergrond en doel van het plan Initiatiefnemer heeft het planvoornemen om in het gebied, gelegen tussen de Hoofdstraat 5466 (Hoofdstraat 58, 58a vallen buiten dit plan), de Toon Bolsiusstraat 12-14-16-16a-18 en de Looierij, de bestaande woning(en) en voorzieningen in de vorm van horeca (een discotheek), een auto-garagebedrijf en meerdere detailhandelsvestigingen teniet te doen en hiervoor in de plaats 69 wooneenheden in de vorm van appartementen, studio's en penthouses op te richten. Dit aantal van 69 is exclusief de bestaande woningen aan de Hoofdstraat 56 en de Toon Bolsiusstraat 12 die ook deel uitmaken van het plangebied. De ontwikkeling vindt plaats inclusief benodigde infrastructuur, parkeervoorzieningen en groeninrichting. Navolgende plattegrond geeft een weergave van de toekomstige situatie van het plangebied. De Toon Bolsiusstraat is weergegeven aan de bovenzijde van de plattegrond en de Hoofdstraat is weergegeven aan de onderzijde van de plattegrond.
6
Burgemeester en wethouders hebben besloten dat het plan in principe ruimtelijk voorstelbaar is, onder nadere voorwaarden. Om te komen tot een haalbaar plan dient aan bepaalde (rand)voorwaarden te worden voldaan. Voor de uitwerking van het plan naar een haalbaar plan stelt gemeente Meierijstad de volgende, algemene (rand)voorwaarden: I.
II.
Ruimtelijk kader: • Aan ons besluit in principe medewerking te verlenen aan uw plan zijn nadere ruimtelijke voorwaarden gesteld op het gebied van volume, oppervlakte, volume en uitstraling van het nieuwe bouwwerk. Planologische haalbaarheid: • De gemeente is in beginsel bereid haar medewerking te verlenen aan het nemen van een planologische maatregel. Dit kan door middel van een aanvraag tot herziening van het geldende bestemmingsplan ‘Plancontour Centrum 2009’. Hierbij dient uw aanvraag in overeenstemming te zijn met een goede ruimtelijke ordening waarbij geen sprake mag zijn van planologische, milieu hygiënische en financiële belemmeringen.
1.2 Doelstelling Doelstelling van onderhavige rapportage is om de realisatie van het onderliggende bouwplan planologisch en juridisch mogelijk te maken. Uit deze plantoelichting blijkt dat het plan geen negatieve ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische gevolgen heeft voor het plangebied en de directe omgeving ervan. In dit kader zijn de ruimtelijke en milieuhygiënische effecten van de ontwikkeling nader beschouwd. Ook blijkt hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige functies, waarden en kwaliteiten binnen het plangebied en de directe omgeving ervan. Kortom, deze plantoelichting onderbouwt dat het (bouw)plan past binnen het betrokken gebied. Alvorens het plan kan worden gerealiseerd, dient aan een aantal deels juridische randvoorwaarden te worden voldaan. Het betreft daarbij de volgende vier voorwaarden: 1. het motiveren van de afwijking van de geldende bestemming middels het opstellen van de goede ruimtelijke onderbouwing als basis voor het verlenen van de omgevingsvergunning; 2. het met het bestemmingsplan aantonen van de ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieuhygiënische aanvaardbaarheid; 3. het in procedure brengen van het bestemmingsplan 4. het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Dit bestemmingsplan geeft een planologisch-juridische regeling ten behoeve van de realisatie van het onderliggende bouwplan.
7
1.3 Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied ligt aan de Hoofdstraat 54, 56, 60, 62, 64, 66 en Toon Bolsiusstraat 12, 14, 16, 16a, 18 te Schijndel. Op navolgende luchtfoto zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven.
1.4 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan “KomSchijndel 2013” en heeft de bestemmingen ‘Bedrijf’ (met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – garagebedrijf’), ‘Gemengd – 2’, ‘Gemengd – 3’, ‘Horeca’ (met de functieaanduiding ‘horeca tot en met horecacategorie 4’), ‘Tuin’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’ (met de bouwaanduiding
8
‘aaneengebouwd’). Voor het gehele plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 2’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’. Bouwwerken mogen worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Voorts zijn er nog enkele specifieke aanduidingen van toepassing op het gebied van maatvoering (maximum bouw- en goothoogte) en gebruik. Op de hierna opgenomen uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan zijn de ligging en globale begrenzing van het plangebied rood omlijnd aangegeven. Om verwarring te voorkomen zijn enkel de bestemmingen en gebiedsaanduiding opgenomen in de legenda.
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven die vallen onder categorie 1 of 2, als genoemd in bijlage 1 ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’, waarbij geldt dat bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan;
9
b. internetverkoop; c. tot en met j: niet van toepassing; k. een garagebedrijf met autohandel uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – garagebedrijf’; l. tot en met q: niet van toepassing; r. verhardingen, verkeers- en parkeervoorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 36; s. tuinen en groenvoorzieningen; t. nutsvoorzieningen; u. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; v. niet van toepassing. één en ander met bijbehorende voorzieningen. De gronden met de bestemming ‘Gemengd - 2’ zijn bestemd voor: a. detailhandel, met uitzondering van een supermarkt; b. dienstverlening; c. wonen; d. aan-huis-verbonden beroepen; e. internetverkoop; f. bed & breakfast; g. tot en met j: niet van toepassing; k. verhardingen en parkeervoorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 36; l. tuinen en groenvoorzieningen; m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; n. niet van toepassing. één en ander met bijbehorende voorzieningen. De gronden met de bestemming ‘Gemengd - 3’ zijn bestemd voor: a. dienstverlening, al dan niet in combinatie met ondergeschikte detailhandel; b. kantoren; c. niet van toepassing; d. detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding detailhandel (dh); e. verhardingen en parkeervoorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 36; f.
tuinen en groenvoorzieningen; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. niet van toepassing; één en ander met bijbehorende voorzieningen. De gronden met de bestemming ‘Horeca -1’ zijn bestemd voor:
10
a. horeca in de aangegeven categorieën ter plaatse van de aanduidingen ‘horeca tot en met horecacategorie 2’, ‘horeca tot en met horecacategorie 3’ en ‘horeca tot en met horecacategorie 4’; b. niet van toepassing; c. verhardingen en parkeervoorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 36; d. tuinen en groenvoorzieningen; e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. één en ander met bijbehorende voorzieningen De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor: a. tuin en dan wel groenvoorzieningen; b. niet van toepassing; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. niet van toepassing. De voor ‘Verkeer -2’ bestemde gronden zijn bestemd voor: a. verharde en onverharde wegen, fiets- en voetpaden met bijbehorende kunstwerken, trottoirs, bermen en verkeerskundige voorzieningen; b. parkeervoorzieningen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 36; c. groenvoorzieningen; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; e. geluidwerende voorzieningen; f. straatmeubilair, speelvoorzieningen en kunstwerken; g. ambulante handel; h. tot en met k: niet van toepassing; l. nutsvoorzieningen; m. niet van toepassin; één en ander met de bijbehorende voorzieningen. De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor; a. wonen; b. aan-huis-verbonden beroepen; c. internetverkoop; d. bed & breakfast; e. tot en met j: niet van toepassing; k.
tuinen, parkeervoorzieningen en overige verhardingen, waarbij moet worden voldaan aan het bepaalde in artikel 36;
11
l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; m. niet van toepassing. één en ander met de bijbehorende voorzieningen. De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en een diepte van meer dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens die aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld en waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Indien uit het onderzoeksrapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: 1.
De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor ondanks de activiteit (althans uitvoering van een bouw- of aanlegplan), archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden. 2. De verplichting tot het doen van opgravingen. 3. De verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘Vrijwaringszone – molenbiotoop’ geldt het volgende: In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, mag de bouwhoogte van hoofdgebouwen op deze gronden niet hoger zijn dan de hoogte zoals ter plaatse is aangeduid, dan wel niet hoger dan de bestaande hoogte indien deze hoger is. Strijdigheid bouwplan met vigerend bestemmingsplan Het plan ziet op de herontwikkeling en transformatie naar een woonlocatie van een gebied bestemd voor woningen en voorzieningen in de vorm van horeca (een discotheek), een auto-
12
garagebedrijf en meerdere detailhandelsvestigingen. Dit planvoornemen voldoet niet aan de regels van het vigerende bestemmingsplan, omdat er momenteel slechts voor een minimaal deel een woonbestemming rust op het plangebied. De overige bestemmingen bieden niet de gewenste ruimte voor het oprichten van de 69 wooneenheden. 1.5 Leeswijzer In de volgende hoofdstukken wordt aandacht besteed aan de verschillende aspecten van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie. Hoofdstuk 3 geeft de visie op het plan in relatie tot het plangebied en de directe omgeving. Hoofdstuk 4 behandelt het beleidskader. Hoofdstuk 5 behandelt de omgang met mogelijke archeologische en cultuurhistorische waarden in het plangebied. De hoofdstukken 5, 6, 7 en 8 besteden respectievelijk aandacht aan de aspecten archeologie en cultuurhistorie, flora en fauna, water en mogelijk fysieke belemmeringen in de ondergrond. Hoofdstuk 9 geeft een verantwoording ten aanzien van milieu-hygiënische aspecten. Hoofdstuk 10 behandelt de omgang met de mogelijke wijziging in de situatie omtrent mobiliteit en parkeren. De juridische aspecten worden toegelicht in hoofdstuk 11. De onderdelen economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid komen in hoofdstuk 12 aan bod. Hoofdstuk 13 tot slot bevat de conclusie.
13
2. Beschrijving bestaande situatie 2.1 Huidige situatie omgeving Het plangebied ligt aan de Hoofdstraat 54, 56, 60, 62, 64, 66 en Toon Bolsiusstraat 12, 14, 16, 16a, 18 te Schijndel. Het plangebied wordt omsloten door de Hoofdstraat, de Toon Bolsiusstraat en de Looierij. Het plangebied is gelegen in het centrum van de kern Schijndel. De Hoofdstraat betreft een van de ontsluitingswegen van het dorp, in noordwestelijke richting. In de omgeving van het plangebied bevinden zich woningen, en stedelijke voorzieningen in de vorm van lichte bedrijvigheid, detailhandel, kantoren en woningen. Navolgende afbeelding betreft een weergave van het plangebied in relatie tot haar omgeving (bron: maps.google.nl).
2.2 Plangebied Momenteel zijn onder meer horecagelegenheid Visite, enkele detailhandelsvoorzieningen, een garagebedrijf (autobedrijf Pierre Jansen) en een woningen gevestigd binnen op de plek waar onderhavig planvoornemen is voorzien. Navolgende afbeeldingen betreffen het plangebied, respectievelijk gezien vanaf de Looierij-Hoofdstraat, Hoofdstraat en de Toon Bolsiusstraat (bron: maps.google.nl – streetview).
14
15
3. Visie op plan(gebied) 3.1 Uitgangspunten Het woonprogramma dient te passen in de Woonvisie Meierijstad 2018 en tegemoet te komen aan de lokale behoefte in Schijndel door bestaande commerciële/bedrijfsmatige functies in de aanloopstraten van het centrum om te zetten naar wonen. De woningen worden voornamelijk levensloopbestendig en toekomstgericht gerealiseerd. De vraag naar geschikte woonruimte vanuit de doelgroepen starters, senioren en eenpersoonshuishoudens is groot. Er is op dit moment nauwelijks tot geen aanbod van betaalbare koop- en/of huurappartementen in Schijndel. Er is sprake van een gemengd programma met woningen voor in ieder geval starters, senioren en eenpersoonshuishoudens en met differentiatie in prijssegmenten met 25% sociale huurwoningen. Ongeveer de volgende verdeling wordt aangehouden: 22% middeldure koopwoningen, 11% dure koopwoningen, 13% huurwoningen in het middensegment, 29% dure huurwoningen en 25% sociale woningen. Omschrijving Sociale huur Sociale huur Midden huur Dure huur Midden koop Dure koop Totaal
Type woning Studio woning woning woning woning Woning
aantal 12 5 9 20 15 8 69
percentage 18% 7% 13% 29% 22% 11% 100%
De vraag naar geschikte woonruimte vanuit de doelgroepen starters, senioren en eenpersoonshuishoudens is groot. Er is op dit moment nauwelijks tot geen aanbod van betaalbare koop- en/of huurappartementen in Schijndel. Hiermee geeft het bouwplan invulling aan de behoefte binnen de gemeente Meierijstad, Schijndel. Met onderhavig initiatief verdwijnt een auto-garagebedrijf uit een verder overwegend door woningen en centrumvoorzieningen gekenmerkt gebied. Tevens zal een bestaande horecavoorziening, welke onder meer als café en discotheek dienst doet, en circa 1400 m2 aan detailhandel niet meer aanwezig zijn in het woongebied. Met de transformatie van genoemde bedrijfsmatige, horeca- en detailhandelsvoorzieningen naar woningen, verbetert het woon- en leefklimaat ter plaatse. De huidige ondernemers welke nu in de detailhandelszaken en horeca gevestigd zijn zullen zeer waarschijnlijk verhuizen naar het kernwinkelgebied. Dit sluit aan bij de centrumvisie waar het wegbestemmen van de bestaande functies in de aansloopstraten van het centrum gewenst is en wordt
16
omgeschakeld naar wonen. Dit zal bijdrage tot het aantrekkelijker maken van het kernwinkelgebied. De huidige functies genereren reeds een aanzienlijke parkeerbehoefte die niet op eigen terrein wordt opgevangen. Het parkeren in het kader van de ontwikkeling is conform de regels van de Nota Parkeernormen Meierijstad 2025. De normatieve berekening toont een toename van de parkeervraag met maximaal 9 plaatsen op een doordeweekse avond en nacht. Op basis van worstcasescenario is er een toename van maximaal 29 parkeerplaatsen. Er worden ten opzichte van het maatgevend moment 52 extra parkeerplaatsen gerealiseerd waardoor ruimt aan de eis wordt voldaan. Volgens de Nota parkeernormen 2025 mag deze vraag worden gesaldeerd over het gebruik van de openbare ruimte in de huidige en toekomstige situatie. Momenteel zijn er 8 parkeerplaatsen op eigen terrein, welke overdag beschikbaar zijn, waardoor het merendeel van de voertuigen in de openbare ruimte parkeert. In de toekomstige situatie worden 47 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd, wat leidt tot een aanzienlijke afname van het gebruik van openbare parkeerplaatsen. Om volledig in de parkeervraag te voorzien, zijn in de nieuwe situatie nog 20 openbare parkeerplaatsen nodig, wat minder is dan het huidige gebruik. Dit wijst op een verminderde druk op de openbare ruimte van minimaal 15 en maximaal 69 parkeerplaatsen.
Daarnaast worden 5 extra openbare parkeerplaatsen aangelegd, wat de druk verder verlaagt. Tot slot toont het aanvullende parkeeronderzoek aan dat de parkeerdruk in de directe omgeving laag is. Tijdens de metingen waren er minimaal 84 vrije plaatsen binnen 200 meter beschikbaar bij een bezettingsgraad van 90%. Verder wordt voor wat betreft het parkeren verwezen naar hoofdstuk 10 en bijlage 9. Voorliggend initiatief gaat verder uit van inbreiding en herstructurering van een bestaande stedelijke voorziening. Het bouwplan streeft zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Geen uitbreiding, wel inbreiding, transformatie, herontwikkeling, herstructurering en verdichting. Hiermee wordt expliciet aangesloten bij de provinciale en gemeentelijke ruimtelijke beleidsuitgangspunten en -doelstellingen.
17
Onderhavig plan sluit daarmee aan bij c.q. doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten, zoals verwoord in de diverse ruimtelijke beleidsstukken van de provincie en gemeente. 3.2 De locatie De locatie aan de Hoofdstraat, Looierij en Toon Bolsiusstraat heeft een stedelijk karakter in de vorm van horeca, enkele detailhandelsvoorzieningen, een auto-garagebedrijf en woningen. Na tenietdoening van de genoemde functies, heeft het invullen van deze locatie met woningen uit ruimtelijke, stedenbouwkundig en milieu-hygiënisch oogpunt de voorkeur boven de invulling van onderhavig plangebied met een nieuwe bedrijfsfunctie. 3.3 Integraal ontwerp en beschrijving van het plan(gebied) De bestaande bebouwing wordt gesloopt en 69 wooneenheden worden teruggebouwd. Er komt meer groen ten opzichte van de huidige situatie. Het plan voorziet in een verandering van de ruimtelijke structuur ter plaatse van het plangebied. Het plan betreft de transformatie van diverse bestemmingen en vormen van gebruik naar een woonomgeving met plek voor 69 wooneenheden welke worden omgeven door groen en parkeervoorzieningen. De woningen worden gerealiseerd met de daarbij behorende infrastructuur, parkeervoorzieningen en (groen)inrichting.
Teneinde het woningbouwprogramma op deze locatie in het juiste vat te gieten is in een vroeg stadium in overleg met de stedenbouwkundige van de gemeente Meierijstad gekozen om het nieuwbouwproject zo vorm te geven, dat het qua maat, schaal, volume en uitstraling passend is in het bestaande straatbeeld. De hoofdmassa / hoofdvorm van de nieuwe bebouwing worden / zijn afgestemd op de aanwezige en omliggende c.q. naastgelegen bebouwing, maar vormt wel een eigen architectonische eenheid. Er wordt voor wat betreft de beeldkwaliteit van de nieuwbouw en de maatvoering aangesloten bij de gewenste stedenbouwkundige uitgangspunten. Het planvoornemen heeft een ‘facelift’ van de Toon Bolsiusstraat, de Hoofdstraat, de Looierij en het tussenliggende gebied tot gevolg. De ruimtelijke kwaliteit neem toe waardoor het nieuwe plan beter past in de omgeving. In het nieuwe plan is in het Jans Hof een mooie zichtlijn richting de bestaande molen, waardoor die beter tot zijn recht zal komen. De nieuwe invulling van de Looierij en het gecreëerde middengebied van het plan zijn geïnspireerd op de geschiedenis en krijgen een industrieel uiterlijk. Dit om de verbinding te maken met de historie van de Toon Bolsiusstraat, met de Melkfabriek/Boterfabriek die voorheen aan de Toon Bolsiusstraat was gevestigd. Het is tevens een ‘knipoog’ met het
18
industriële verleden van Schijndel, naar Jansen de Wit (de voormalige kousen en sokkenfabriek in Schijndel). Het initiatief is van toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert daarmee tevens een positieve invulling aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Met onderliggend initiatief ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van de locatie en directe omgeving ervan onvoorwaardelijk in stand houdt en door de voorgenomen inpassing en vormgeving van het bouwplan zelfs verbetert. Hierna zijn de plattegrond en impressies en het bouwplan opgenomen. Fase 2 zoals deze na bouw gereed zal zijn
*Of en wanneer de Kiss- en ride parkeerplaats wordt gerealiseerd is niet duidelijk
19
Fase 3 of en wanneer de parkeerplaats als onderstaand wordt aangepast is nog niet duidelijk
20
21
Hoofdstraat
Hoofdstraat
22
23
24
25
26
27
3.4 Perspectief Met de realisatie van het bouwontwerp ontstaat een representatieve locatie die de ruimtelijke beeldkwaliteit van het gebied niet alleen in stand houdt, maar door de voorgenomen inpassing, vormgeving en bouwstijl van de beoogde bebouwing zelfs verbetert. Op deze wijze heeft het initiatief een toegevoegde waarde voor het ruimtelijke omgevingskader en levert het daarmee tevens een positieve bijdrage aan de waarborging van de stedenbouwkundige karakteristiek en identiteit ter plaatse. Geconcludeerd kan worden dat het herbestemmen in de vorm van het toevoegen van wooneenheden bijdraagt aan een ruimtelijke en visuele koppeling met de bestaande omliggende bebouwing en daarmee een positieve functionele invulling vormt. De voorgestane ontwikkeling steunt de waarborging van de stedenbouwkundige en architectonische uitgangspunten en daarmee de ruimtelijke karakteristiek en identiteit ter plaatse. 3.5 Klimaat en duurzaam De gemeente Meierijstad verlangt van iedere bouwer een bijdrage in het milieuverantwoord c.q. energieneutraal bouwen. Het algemene ruimtelijke uitgangspunt van gemeenten is er verder op gericht om te komen tot ‘duurzaam bouwen’. Duurzaam bouwen verhoogt de gebruikswaarde (functioneel), belevingswaarde (vorm) en de toekomst (tijd) voor de bebouwde omgeving. Duurzaam bouwen is in dit geval te onderscheiden in stedenbouwkundig en bouwkundig duurzaam bouwen.
Een goed stedenbouwkundig plan draagt bij aan een duurzame toekomst en voorkomt onder andere verloedering en leegstand. Stedenbouwkundige duurzaamheid komt tot uitdrukking in de ruimtelijke opzet en inpassing van de bebouwing. Ruimtelijke kwaliteit vormt de voorwaarde voor een goed woon- en leefmilieu. Belangrijk hierbij is het om de stedenbouwkundige structuur op een goede manier kenbaar te maken en te behouden. Bouwkundige duurzaamheid laat zich onder andere uitdrukken in: • duurzaam materiaalgebruik; • slimme energetische concepten (welke resulteren in energiebesparende maatregelen); • afvalreductie; • vastgesteld ambitieniveau (GPR).
28
4. Beleidstoets 4.1 Inleiding Wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling en bevoegdheidsverdeling zijn het Rijk, de provincies en de gemeenten verantwoordelijk voor hun eigen belangen. Er kan slechts sprake zijn van bemoeienis van Rijk of provincie met de gemeente, indien dat noodzakelijk is vanwege een nationaal respectievelijk provinciaal belang. Rijk en provincies beschikken in de Wet ruimtelijke ordening over dezelfde bevoegdheden als gemeenten om hun eigen ruimtelijke belangen te kunnen uitvoeren. Daarnaast kunnen het Rijk en de provincies algemeen verbindende regels uitvaardigen en aanwijzingen geven om hun belangen veilig te stellen. Het beleid van de gemeente Meierijstad vormt dus het kader waarbinnen de functionele en ruimtelijke ontwikkeling wordt vastgesteld. De ruimtelijke ontwikkelingsplannen van Rijk, provincie en regio vormen randvoorwaarden voor het gemeentelijke beleid. Voor zover relevant voor de plannen worden in de volgende paragrafen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid toegelicht. 4.2 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Toetsingskader De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In Nederland staan we voor een aantal dringende maatschappelijke opgaven.
Denk aan periodes van droogte, afgewisseld met extreme regenval, de zeespiegelstijging, de overgang naar duurzame energie en de ruimte die nodig is voor windmolens en zonnepanelen. Of de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen om het woningtekort op te lossen, de groei en het bereikbaar houden van steden en plekken voor distributiecentra. Denk ook aan het versterken van onze natuur en biodiversiteit, het behoud van ons landschap en de vitaliteit van onze landbouw. Dit zijn voorbeelden van grote, ingewikkelde opgaven. Deze opgaven kunnen niet meer apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken.
29
Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI • een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; • de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit.
Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; • de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; • de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; • het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
30
•
het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.
Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden. Doorwerking plan(gebied) Het voorliggend plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een (relevante) ruimtereservering geldt. Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ladder voor duurzame verstedelijking, is van toepassing op het onderhavige bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Aspecten als water, veiligheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit vormen onderdeel van de planologische toets. Daarmee is het plan niet in strijd met het rijksbeleid.
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Het procesvereiste van het doorlopen van de Ladder is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen.
31
Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden.
Voor wonen is daarmee de lijn dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Laddertoets geldt alleen voor ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het een functiewijziging betreft, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de nieuwe Ladder is het woord 'regionale' niet meer aanwezig. De Ladder bepaalt niet nader voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling te bepalen tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
32
De toelichting van het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. In beide gevallen dient de plantoelichting een beschrijving van de behoefte te bevatten. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Uit de definitie volgt dat er sprake moet zijn van een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing. In de Nota van Toelichting wordt opgemerkt dat de kwalificatie bestaand stedelijk gebied afhangt van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Doorwerking plan(gebied) Marktsituatie De gemeente Meierijstad streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Dit streven komt onder meer terug in haar beleid ten aanzien van wonen en woningbouw.
Zowel het provinciale als gemeentelijke beleid is gericht op het behouden van de leefbaarheid in kleine kernen. Dat is ook waar dit plan aan bijdraagt. Door te zorgen voor nieuwbouw creëren we enerzijds de mogelijkheid om te blijven wonen in de eigen dorpsgemeenschap. Aan de andere kant bieden we een woonmilieu aan dat door prijszetting, landelijk dorps en groen karakter ook een aantrekkelijke optie kan zijn voor woningzoekenden binnen het stedelijk gebied als geheel. Samengevat kunnen we stellen dat in dit plan de woonconsument centraal staat. Het aanbod is afgestemd op de vraag die er is vanuit de lokale bevolking. En daarbij is er ruimte voor opvang van de regionale behoefte om doorstromers binnen de regio te houden. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? De locatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied conform de definitie in artikel 1.1.1 onder h van het Bro. Is de behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?
33
Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het woningbouwplan in eerste instantie bedoeld voor de groeibehoefte van de kern Schijndel, als onderdeel van de totale regionale behoefte aan woningen. Aangezien de nieuwe woningen gesitueerd worden in de bestaande kern van Schijndel is hier sprake van een (her)ontwikkeling op een inbreidingslocatie. Het bestaand stedelijk gebied wordt niet in oppervlakte uitgebreid. Het betekent ook dat voldoende gemotiveerd is dat dit plan en de ontwikkeling zien op zorgvuldig ruimtegebruik en niet leiden tot overprogrammering. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen en uitgangspunten, zoals verwoord in de beleidsstukken van de gemeente Meierijstad. Het voorliggende woningbouwplan is derhalve in overeenstemming met de gemeentelijke prioriteiten, beleidsdoelstellingen en uitgangspunten. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 (gemeentelijk beleid). Conclusie Onderhavige planontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten en doelstellingen van de ladder voor duurzame ontwikkeling: zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik middels transformatie van bestaand vastgoed. 4.3 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant en Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader Het provinciale ruimtelijke beleid staat de realisering van de plannen niet in de weg.
Hoofddoelstellingen van de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant (ontwerp) zijn ‘zuinig ruimtegebruik’ met daaraan gekoppeld de ‘concentratie van verstedelijking’. De accenten moeten hierbij liggen op ‘inbreiding’ en ‘herstructurering’. Concentratie van verstedelijking De provincie stuurt op concentratie van verstedelijking: het is belangrijk dat er verschil bestaat en blijft bestaan tussen de steden en dorpen. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant en is onderverdeeld in ‘concentratiegebieden’ en ‘overig stedelijk gebied’. In concentratiegebieden wordt de bovenlokale groei van verstedelijking opgevangen. Daarnaast moet hier een hoog voorzieningenniveau geboden worden, waardoor de (suburbane) kernen en dorpen buiten het concentratiegebied het huidige (landelijke) karakter behouden. In overig stedelijk gebied is grootschalige verstedelijking ongewenst. Wel kan hier voor de eigen behoefte gebouwd worden.
34
Naast concentratie van verstedelijking wil de provincie binnen de stedelijke structuur het volgende bereiken: • zorgvuldig ruimtegebruik; • meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit; • betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur; • versterking van de economische kennisclusters. Voor onderhavig initiatief spelen de elementen ‘zorgvuldig ruimtegebruik’ en ‘meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit’ een rol. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie wil dat de kansen voor functiemenging, inbreiding, herstructurering en zo nodig transformatie in het stedelijk gebied goed worden benut, inclusief de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor is minder ruimte nodig voor stedelijke uitbreidingen. Het ‘aansnijden van nieuwe ruimte’ voor verstedelijking wordt in samenhang bezien met deze mogelijkheden. Door meer aandacht te schenken aan beheer en onderhoud van het bestaand stedelijke gebied worden in de toekomst ingrijpende herstructureringen voorkomen. Meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit Karakteristieke verschillen tussen dorpen en steden vervagen. Uitbreidingswijken en werklocaties in steden en dorpen gaan steeds meer op elkaar lijken. De provincie wil dat nieuwe ontwikkelingen meer inspelen op het karakter en de kwaliteit van de plek.
Door bij stedelijke ontwikkelingen uit te gaan van het verschil in omvang en karakter van de verschillende kernen, wordt het contrast tussen stad en dorp behouden. Dit versterkt de identiteit en aantrekkelijkheid van kernen en hun relatie met het omliggende landschap. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Het beleid uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant is verwerkt in de regels die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie. De onderwerpen die in de verordening staan komen dus uit de provinciale omgevingsvisie. Daarin staat welke belangen de provincie wil behartigen en hoe ze dat wil doen. De verordening is daarbij één van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. In de verordening is een aantal aspecten opgenomen die van toepassing zijn op onderhavig plan. Deze zullen hierna worden besproken. De provincie wil de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant bevorderen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen een bijdrage moeten leveren aan de kernkwaliteiten van Noord-
35
Brabant. De provincie biedt ontwikkelingsruimte in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, ontwikkelen van het landschap gaat ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. De provincie onderscheidt een achttal thema’s waarin beleidsuitgangspunten zijn opgenomen. Deze thema’s zijn tevens in kaart gebracht. Onderstaande tabel illustreert welke thematische kaarten in principe van toepassing zijn op het plangebied en welke niet. Thema / kaartnaam Milieubescherming Landbouw Stedelijke ontwikkeling en erfgoed Natuur en stiltegebieden Grondwaterbescherming, waterveiligheid en –berging Basiskaart Landelijk gebied. Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Watersystemen, -veiligheid en -berging
Van toepassing Nee Ja Ja Nee Nee Nee Ja Ja
Rechtstreeks werkende regels: landbouw Binnen het kaartbeeld ‘Rechtstreeks werkende regels: landbouw’ is het plangebied aangeduid als ‘verbod uitbreiding veehouderij’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
36
In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant worden algemene regels gegeven waaraan de toelichting bij een gemeentelijk planologisch wonen mogelijk maakt, moet voldoen. Uiteraard dient gekeken te worden naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met de afspraken die in het regionaal planningsoverleg zijn gemaakt over de nieuwbouw van woningen. Deze afspraken worden jaarlijks gemaakt en zo nodig herzien. Zij worden gebaseerd op de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. De afspraken hebben in ieder geval betrekking op de aantallen te bouwen woningen. Zij kunnen daarnaast betrekking hebben op de aard van de woningen. Daaronder worden onder meer begrepen woningen voor bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, personen met een zorgvraag, jongeren en starters op de woningmarkt, in het bijzonder voor zover deze groepen behoren tot de lagere inkomensgroepen. Doorwerking plan(gebied) De aanduiding ‘verbod uitbreiding veehouderij’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van woningen op de plek waar thans stedelijke functies aanwezig zijn, welke teniet worden gedaan. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van het verbod op uitbreiding van veehouderijen hebben hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels.
Onderhavige ontwikkeling betreft gewijzigd en intensiever ruimtegebruik van de binnenstedelijke ruimte en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De woonwensen en de leefbaarheid in de dorpen en steden, de behoefte aan gebiedseigenheid en identiteit van stad, dorp en landschap en klimaatverandering staan in de volle aandacht. De provincie Noord-Brabant wil blijven ontwikkelen, maar de provincie stelt ook meer eisen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Vanwege een zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik worden woningen op de eerste plaats binnen de bestaande bebouwde kom geconcentreerd. Voorliggend initiatief ziet op inbreiding en verdichting en op herstructurering, herontwikkeling en transformatie van een bestaande horecalocatie, auto-garagebedrijf en meerdere winkels. Hiermee streeft het plan zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik na. Voorts moeten bestaande waarden en kwaliteiten behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt. Het provinciale beleid, opgenomen in de provinciale structuurvisie en de verordening, is
37
gericht op het concentreren van stedelijke ontwikkelingen in het bestaand stedelijk gebied. De voorgestane ontwikkeling beantwoordt aan de provinciale ruimtelijke doelstellingen om te komen tot zuinig ruimtegebruik en concentratie van verstedelijking (inbreiden, transformeren, herstructureren en intensiveren). Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ is het plangebied aangeduid als ‘landelijke kern’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en het opstellen van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken in het regionaal ruimtelijk overleg. Dit artikel bevat regels over de verantwoording bij bestemmingsplannen en andere planologische besluiten. Hierbij is het nodig ook een relatie te leggen naar de bestaande harde plancapaciteit. Tevens moet uitdrukkelijk een relatie gelegd worden met regionale afspraken over de nieuwbouw van woningen De provincie vraagt gemeenten om het principe van zorgvuldig ruimtegebruik toe te passen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel hierbij is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.
38
Voorbeelden van dergelijke ongewenste functies zijn glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden of veehouderijen rondom de natuur en stedelijke gebieden. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is verder bepaald dat ruimtelijke plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling, in principe alleen in bestaand stedelijk gebied mogen vallen. Onder voorwaarden zijn ontwikkelingen in hiermee samenhangende zoekgebieden mogelijk. Uit onderhavige toelichting blijkt dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Doorwerking plan(gebied) Onderhavig planvoornemen betreft een transformatie van een bestaande locatie, waarbij een stedelijke functie in de vorm van onder meer bedrijvigheid, detailhandel en horeca wordt vervangen door woningbouw, binnen een bestaande locatie binnen de stedelijke zone. Hiermee wordt dus aangesloten bij het uitgangspunt van de provincie om zorgvuldig om te gaan met de beschikbare ruimte binnen een landelijke kern. Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen Binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ is het plangebied aangeduid als ‘stalderingsgebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
De aanduiding ‘stalderingsgebied’ heeft enkel invloed op bestaande agrarische bedrijven. Onderhavig plan betreft de oprichting van een woningen in bestaande stedelijk gebied van
39
Schijndel. De uitgangspunten en regeling ten aanzien van staldering heeft hier geen invloed op, en andersom doet onderhavig planvoornemen geen afbreuk aan deze beleidsregels. Doorwerking plan(gebied) De aanduidingen binnen het kaartbeeld ‘Instructieregels gemeenten: specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen’ zijn niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. Watersystemen, -veiligheid en -berging Binnen het kaartbeeld ‘Watersystemen, -veiligheid en -berging’ is het plangebied aangeduid als ‘norm wateroverlast Stedelijk gebied’. Dit is geïllustreerd in navolgend kaartbeeld.
Elke plek heeft een aanduiding welke iets regelt ten aanzien van omgang met water. Onderhavig plangebied is gelegen in het stedelijke gebied van Schijndel. De norm ten aanzien van wateroverlast binnen het stedelijk gebied is hier dan ook op van toepassing. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Stedelijk gebied, als norm een overstromingskans van: a. 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b. 1/10 per jaar voor overige gebieden. De gestelde norm betreft een inspanningsverplichting.
40
Doorwerking plan(gebied) Er is sprake van transformatie binnen het plangebied waarbij sloop en nieuwbouw plaatsvindt. Echter vindt er een toename van groen/onverhard terrein plaats in de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie. Er is een toets gedaan aan het gemeentelijk waterbeleid (zie bijlage 5 en hoofdstuk 7). Er wordt tevens waterinfiltratiecapaciteit toegevoegd. Conclusie De gemeente Meierijstad streeft naar een evenwichtige woningmarkt met voldoende, goede, betaalbare, gevarieerde en passende woningen. Het plan komt tegemoet aan een actuele behoefte en wordt in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Dus herstructurering, herontwikkeling en transformatie vóór uitbreiding. Onderhavige ontwikkeling vindt plaats in stedelijk gebied, betreft intensiever ruimtegebruik met een stedelijke functie en is passend binnen de diverse beleidsuitgangspunten waaronder de doelstellingen wat betreft de kwantitatieve en kwalitatieve doeleinden met betrekking tot de woningbouw. De planontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de ambities die de provincie nastreeft en heeft geformuleerd in de Omgevingsvisie Noord-Brabant en de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Er wordt met onderhavige ontwikkeling derhalve geen afbreuk gedaan aan de beleidsdoelstellingen en ambities, zoals opgenomen in de structuurvisie en de verordening. Onderhavig plan sluit aan bij c.q.
doet geen afbreuk aan de ambities en de (beleids)doelstellingen en -uitgangspunten zoals verwoord in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De ruimtelijk-fysieke, logistieke en milieu-hygiënische aanvaardbaarheid van onderhavige ontwikkeling wordt gemotiveerd in de hoofdstuk 5 tot en met 10. 4.4 Gemeentelijk beleid De provinciale ruimtelijke beleidskaders zijn of moeten worden vertaald in het gemeentelijke ruimtelijke beleid. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de Woonvisie Meierijstad 2018, het Actieplan Woningbouw (2021) en second-opinion op Actieplan Woningbouw: sneller en flexibeler (2022), de Verordening doelgroepen woningbouw gemeente Meierijstad, Wooonzorgvisie 2024, Programma Water en Riolering (PWR) Meierijstad 2022-2026, Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad (VFL), de Nota parkeernormen Meierijstad
41
2025, Erfgoedvisie Meierijstad, Ruimtelijke Bouwsteen Schijndel, Duurzaamheidsvisie Meierijstad 2018, Centrumvisie Schijndel, Structuurvisie Ruimte Schijndel ( 2012), Detailhandelsvisie en het -beleid gemeente Meierijstad en de Welstandsnota Meierijstad 2018. Daarnaast is er al uitgebreid aandacht besteed aan de vigerende bestemming met daartoe behorende regels in paragraaf 1.4 van deze plantoelichting. Per 1 januari 2017 zijn de gemeenten Veghel, Sint Oedenrode en Schijndel gefuseerd tot één gemeente: Meierijstad. Woonvisie Meierijstad (2018 Toetsingskader Meierijstad wil een stad zijn met een aantrekkelijk woonklimaat en een woningaanbod voor iedereen. Gestreefd wordt, naast vitale wijken en kernen, naar een gevarieerd woningaanbod in aantrekkelijke, leefbare buurten om ruimte en kansen te bieden aan alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Waar de vergrijzing, de gezinsverdunning en de inclusieve samenleving, waar iedereen meedoet en tot zijn recht komt, om aandacht vragen. Waar de gemeente duurzaam en zorgvuldig gebruik maakt van de ruimte en bestaand vastgoed. Een woonbeleid wat toekomstbestendig is en haar basis vindt in de woningbehoefte van de woningzoekenden. Om te voorzien in de diversiteit van woningbehoeften en wensen van eigen inwoners en van hen die zich in Meierijstad al dan niet tijdelijk willen vestigen, geeft de gemeente ruimte aan woningbouwplannen.