Toelichting
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
26
vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen, dat op een afstand van ongeveer 15 kilometer ligt. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht spelen hierbij een belangrijke rol, omdat deze ook op grote afstand van een gebied voor effecten kunnen zorgen. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden.
Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Tabel 1: overzicht vigerende vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming, datum 28 oktober 2013
Ammoniak RAV code
Huisvestings-systeem
Aantal dieren
kraamzeugen
D 1.2.100
overige huisvestingssystemen
kraamzeugen
D 1.2.13
guste en drachtige zeugen
Dier categorie
Kg NH3 per dier
totaal kg NH3
72
8,30
597,60
BWL 2006.08
24
2,90
69,60
D 1.3.101
overige huisvestingssystemen, individuele huisvesting
51
4,20
214,20
vleesvarkens
D 3.100
overige huisvestingssystemen
45
3,00 1.350,00
dekberen
D 2.100
overige huisvestingssystemen
1
5,50
5,50
guste en drachtige zeugen
D 1.3.12.4
BWL 2007.02.V1
264
0,63
166,32
vleesvarkens
D 3.2.15.4
BWL 2007.02.V1
1.170
0,45
526,50
vleesvarkens
D 3.2.15.4
BWL 2007.02.V1
2.080
0,45
936,00
biggen
D 1.1.15.4
BWL 2007.02.V1
2.464
0,10
246,40
Totaal
2.897,12
De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft op 17 juni 2020 een Kamerbrief gepubliceerd waarin een aantal aanvullende stappen staan die het kabinet zal nemen naar aanleiding van het advies van de Commissie Remkes. Deze publicatie is opgesteld in aanloop naar het Kamerdebat over het eindadvies voor de structurele aanpak van de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’. In deze publicatie heeft het kabinet als doelstelling gesteld om tijdelijke emissies gedurende de realisatiefase van kleinschalige projecten niet langer te onderwerpen aan gedetailleerde depositieberekeningen. Hiervoor zal onderzoek worden gedaan naar de mogelijkheid om een
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
27
drempelwaarde voor de realisatiefase van projecten in te stellen. In het kader van deze doelstelling is geen AERIUS-berekening gemaakt van de tijdelijke emissies tijdens de sloopfase van het initiatief. Het bedrijf zal na beëindiging van de varkenshouderij worden voortgezet als akkerbouwbedrijf. Om aan te tonen dat er als gevolg van het project geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt zijn middels het rekenprogramma AERIUS berekeningen gemaakt voor de gebruiksfase van het project. De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn uiteengezet in Bijlage 2. In Bijlage 3 zijn de rekenresultaten van deze berekeningen opgenomen. Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de realisatie- als de gebruiksfase van het plan niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van het plan. Overige storingsfactoren Vanwege de ruime afstand van de projectlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Kempenland-West leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk. Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming.
Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de projectlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de Heerlijkheidsweg 4 te Sint-Oedenrode dient met name bepaald te worden of ter plaatse te slopen bedrijfsgebouwen beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
28
mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Gezien het huidige intensieve gebruik van het bouwvlak en de landbouwgronden grenzend aan het bouwvlak is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten echter niet te verwachten. In de opdracht van de gemeente Meierijstad is er door Regelink Ecologie & Landschap een Quick Scan Flora en Fauna uitgevoerd op locatie in het kader van het toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is een rapport opgesteld met daarin alle bedrijven binnen de gemeente Meierijstad die in aanmerking komen voor de SRV-regeling (d.d. 20 oktober 2020, rapportnummer RA20204-16). Deze rapportage geeft een inschatting van het effect van de ingreep op beschermde gebieden en geeft aan welke, aan gebouwen gebonden, beschermde soorten mogelijk voorkomen in het projectlocatie en wat de effecten van de ingreep hierop kunnen zijn. In deze rapportage wordt ook aangegeven of, en zo ja voor welke soorten, aanvullend onderzoek nodig is. Voorts wordt globaal aangegeven welke maatregelen getroffen dienen te worden om bij de sloop van de stallen aan de Wet natuurbescherming te voldoen. De informatie met betrekking tot de projectlocatie is separate bijlage bijgevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing.
De conclusie en advies in deze Quick Scan luidt als volgt: - Het is op basis van het uitgevoerde onderzoek niet uit te sluiten dat de sloop van de varkensstallen leidt tot een verhoging van stikstofdepositie op het N2000 gebied ‘Kampina & Oisterwijkse Vennen’. Voor de ingreep moet daarom een Aerius berekening worden uitgevoerd. - Een negatief effect van de ingreep op het NNB is niet te verwachten. Een nadere toetsing ten aanzien van het NNB is niet nodig. - De ingreep kan leiden tot het vernielen van eieren of nesten van algemene broedvogels, verstoren van deze nesten en het doden van jongen, en daarmee tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Door de sloop van de varkensstal uit te voeren in de periode september – februari wordt een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van broedende vogels voorkomen. Als sloop buiten die periode niet mogelijk dienen in overleg met een ter zake -
deskundige vooraf maatregelen getroffen te worden waarmee voorkomen wordt dat vogels in het gebouw gaan broeden.
Andere beschermde soorten zijn niet aanwezig, zodat een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten ook niet te verwachten is.
Gezien het voorstaande kan geconcludeerd worden dat het aantreffen van beschermde natuurwaarden niet aan de orde is. Een omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van soorten is op grond van de Wet natuurbescherming derhalve niet noodzakelijk. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Met het initiatief is geen sprake van het vellen van houtopstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.4. Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1. Cultuurhistorie en aardkunde
Uit de cultuurhistoriekaart van de provinciale Interim omgevingsverordening Noord-Brabant blijkt dat de projectlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden, zie afbeelding 14. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
29
het project geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied.
Afbeelding 14: uitsnede kaart 'Instructieregels gemeenten: stedelijke ontwikkeling en erfgoed' Iov]
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is de locatie niet gelegen in ‘Cultuurhistorische waardevol gebied’. Op afbeelding 15 is een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant weergegeven.
Projectlocatie
Afbeelding 15: uitsnede kaart CHW-kaart 2015 (bron: provincie Noord-Brabant)
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
30
4.4.2. Archeologie De zorg voor archeologische monumenten wordt geregeld in het proces van de ruimtelijke ordening. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ is voor de projectlocatie geen archeologische waarde opgenomen. Met het beoogde project worden de bestaande varkensstallen in het kader van de SRV-regeling gesloopt. Tijdens de realisatie van deze gebouwen destijds zijn de gronden rondom de stallen verstoord door het bouwrijp maken en afgravingen t.b.v. fundering en mestkelder. Hierdoor wordt de kans op aanwezigheid van archeologische waarden zeer gering geacht. Te allen tijde geldt wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische toeval vondsten op basis van art. 5.10 van de Erfgoedwet. Bodemvondsten kunnen telefonisch worden gemeld bij het Provinciaal Meldpunt Archeologische Bodemvondsten. Ten aanzien van archeologie zijn derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.5. Landschappelijke inpassing Zoals in paragraaf 3.2.2.
is er in het kader van kwaliteitsverbetering een landschappelijk inpassingsplan opgesteld ten behoeve van het project. Binnen de gemeente Meijerijstad is ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode 2016’ van toepassing. Hierin is de ontwikkeling aangemerkt als een categorie 2 ontwikkeling wat betekent dat met enkel een goede landschappelijke inpassing voldoende kwaliteitsverbetering bereikt wordt. In het landschappelijke inpassingsplan is rekening gehouden met de huidige situatie en de gewenste activiteiten. Ten behoeve van het initiatief wordt voorgesteld om de huidige beplanting te behouden. Aan de westzijde is voorgesteld om een bomenrij aan te planten langs de oprit. Hierdoor wordt er laanbeplanting gecreëerd vanaf de inrit. Dit sluit aan bij de groenstructuren in de omgeving. Door de laanbeplanting wordt het erf verder omzoomd en wordt er een fysieke afscheiding gerealiseerd tussen de agrarische percelen en de bebouwing. Tevens wordt de bebouwing minder zichtbaar. Aan de noordzijde wordt de omzoming van het erf versterkt door het aanplanten van een solitaire boom zodat er meer hoogte in omzoming van het erf ontstaat. Op de navolgende afbeelding is het uitsnede van het landschappelijke inpassingsplan weergegeven met de maatregelen die getroffen worden.
Het landschappelijk inpassingsplan waarop het sortiment en aantallen zijn aangegeven is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 1).
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
31
Afbeelding 16: uitsnede landschappelijk inpassingsplan
4.6. Bodemkwaliteit In het kader van ruimtelijke ontwikkelingen dient de aanwezige bodemkwaliteit te passen bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren. Indien de bodemkwaliteit (humane) risico’s met zich mee brengt of er sprake is van een spoedeisend geval van bodemverontreiniging kan de ontwikkeling voor bepaalde nieuwe functies geen doorgang vinden tot de risico’s zijn beheerst of weggenomen door sanering. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd én wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven. Het initiatief betreft het saneren van de veehouderij en het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ waarbij de huidige akkerbouwactiviteiten worden voortgezet. Er is hier geen sprake van wijzigen van de bestemming of gebruik. Daarnaast worden er geen nieuwe gebouwen opgericht. Een deel van de bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt ten behoeve van de SRV-regeling. De benodigde sloopmelding is reeds uitgevoerd en geaccepteerd.
In het kader van de SRV-regeling heeft de Omgevingsdienst Brabant Noord, in opdracht van gemeente Meierijstad, een administratieve controle uitgevoerd. Naar aanleiding van deze controle is er een brief verstuurd (kenmerk Z/111400 en Z/111213). In de brief wordt geconcludeerd dat de bestaande akkerbouwactiviteiten worden voortgezet op de locatie. Hierdoor is er in de beoogde situatie nog steeds sprake van een inrichting in het kader van de Wet milieubeheer. Een eindsituatie bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Ten behoeve van de voortzetting van de akkerbouwactiviteiten wordt een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer ingediend. Inmiddels zijn de sloopwerkzaamheden in een vergevorderd stadium. De voormalige mestkelders zijn reeds verwijderd en aangevuld met schoon zand dat voldoet aan de achtergrondwaarde. Deze grond is milieuhygiënisch geschikt voor het beoogde gebruik.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
32
De bestaande agrarische bedrijfswoning en bijbehorende gebouwen mogen al als zodanig worden gebruikt. Daarnaast is de initiatiefnemer de huidige en toekomstige gebruiker van de projectlocatie. Er is hier sprake van bestaand gebruik dat niet gericht is op het verblijf van mensen voor een periode van 2 uur of langer. Derhalve is er geen sprake van aanvaardbare risico’s ten aanzien van het gebruik van de bodem. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er derhalve geen bezwaren voor de gewenste ontwikkeling. 4.7. Spuitzones In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. In relatie tot omliggende gronden heeft de projectlocatie derhalve mogelijk te maken met spuitzones. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt.
Daarnaast kan het zijn dat gepaste maatregelen genomen moeten worden om drift te voorkomen of overdrachtsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een dichte haag. De projectlocatie ligt direct aansluitend aan landbouwgronden. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Hierbij wordt echter opgemerkt dat die richtafstand met name is bedoeld voor gewassen die verticaal bespoten moeten worden, zoals boomgaarden. Grondgewassen worden altijd neerwaarts bespoten, wat de drift (indien deze al bestaat) aanzienlijk beperkt. In de omgeving van de projectlocatie komen geen boomgaarden voor. Daarnaast wordt in Nederland doorgaans gebruik gemaakt van driftarme doppen om mogelijke drift die ontstaat bij de bespuiting tot een minimum te beperken. De spuitdruk gecombineerd met het type dop bepaalt de druppelgrootte. Zo geven driftarme doppen meer grove druppels, die minder snel verwaaien. Hiermee worden reductiepercentages van 50-95% gehaald, afhankelijk van het type dop en de spuitdruk. Deze worden spuitdoppen getest op windsnelheden waaronder geen sprake meer is van een gevaar voor de volksgezondheid (door de Technische Commissie Techniekbeoordeling, versie 19 feb 2016). Deze maximale windsnelheid is vastgesteld op 5 m/s. Hiervan uitgaande zal in de beoogde situatie niet gespoten worden bij een windsnelheid van 5 m/s op spuithoogte.
Daarbij wordt opgemerkt dat het gebruik bij een hogere windsnelheid ook een negatief effect heeft op de werking van de te gebruiken bestrijdingsmiddelen waardoor de ondernemer gebaat is bij gebruik bij een lage windsnelheid. De beoogde ontwikkeling voorziet omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met een varkenshouderij en akkerbouwbedrijf naar een bedrijfswoning met alleen een akkerbouwbedrijf en nevenactiviteiten. In beide gevallen is er sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect gewasbeschermingsmiddelen. Dit veranderd in de beoogde situatie niet. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woonen leefklimaat negatief beïnvloed. Bovendien wordt de projectlocatie aan de randen voorzien van landschappelijke inpassing. Hierdoor wordt voorkomen dat drift – mocht deze al ontstaan – tot aan de woning reikt. De projectlocatie heeft dus in relatie tot omliggende gronden geen negatief effect van spuitzones. 4.8. Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming.
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
33
-
Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De projectlocatie ligt conform de definitie in de VNG-publicatie in het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. In de directe omgeving vindt geringe functiemenging plaats.
Tevens is er weinig verstoring door verkeer. Qua aanvaardbare milieubelasting is dit omgevingstype dus vergelijkbaar met een rustige woonwijk. Wat betreft veehouderijen word in de volgende paragraaf getoetst aan de wetgeving die specifiek van toepassing is voor veehouderijen met betrekking tot het aspect geur. In de bestaande situatie is er een varkenshouderij aanwezig met een akkerbouwbedrijf. Een varkenshouderij behoord tot de milieucategorie 4.1. In de beoogde situatie wordt het akkerbouwbedrijf voortgezet met als nevenactiviteiten statische opslag. Dit bedrijf behoort tot milieucategorie 2. Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter. In tabel 2 zijn richtafstanden milieuzonering opgenomen van de huidige en de beoogde situatie. De dichtstbij liggende woning van derden Weievenseweg 17 bevindt zich op een afstand van ongeveer 45 meter gemeten vanaf rand bouwvlak van de projectlocatie tot aan rand bestemming ‘Wonen’. Tabel 2: richtafstanden milieuzonering Omschrijving SBI-code Fokken en houden van SBI-2008: 0146 varkens Akkerbouw en fruitteelt SBI-2008: 011, 012, (bedrijfsgebouwen) 013 Opslaggebouwen (verhuur SBI-2008: 52109 opslagruimte)
Milieucat.
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
4.1
200
30
50
0
2
10
10
30
10
2
0
0
30
10
Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNGpublicatie. Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat verbetert vanwege het saneren van de intensieve veehouderij. Omliggende bedrijven worden niet belemmerd in haar bedrijfsvoeringen. 4.9. Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen:
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
34
a. Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? b. Is ter plaatse van de projectlocatie een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd?
4.9.1. Omgekeerde werking
Met de beoogde ontwikkeling worden geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht. De bedrijfswoning is en blijft een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij. De vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen die in gebruik worden genomen ten behoeve van het akkerbouwbedrijf en nevenactiviteiten en zijn niet bestemd voor menselijk verblijf en worden derhalve niet beschouwd als geurgevoelig. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wgv moet de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, ten minste 50 meter bedragen indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Deze afstand moeten veehouderijen in de omgeving in de bestaande situatie dus al in acht nemen en dat blijft in de beoogde situatie het geval. Daar de bedrijfswoning met het initiatief niet dichter bij veehouderijen in de omgeving wordt gesitueerd, verandert de toetsingsafstand voor die veehouderijen niet. De dichtstbijzijnde veehouderij is Heerlijkheidsweg 1. In navolgende afbeelding is de bedrijfswoning weergegeven met daaromheen een buffercirkel van 50 meter. Op de afbeelding is te zien dat binnen 50 meter van de bedrijfswoning geen dierenverblijf behorende bij een veehouderij van derden is gelegen.
Geconcludeerd kan worden dat er aan de vaste afstanden van 50 meter voldaan.
Afbeelding 17: weergave woonhuis met buffercirkel 50 meter (bron: Qgis)
Hieruit kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling met zekerheid niet zorgt voor een onevenredige belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijen in de omgeving.
4.9.2. Woon- en leefklimaat
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er ter plaatse van het projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur. Zoals hierboven genoemd wordt er voldaan aan de gestelde vaste afstanden in de Wgv en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekend in beginsel een aanvaard woon- en leefklimaat.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
35
Ten aanzien van het aspect geur zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.10. Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) worden beleidsmatig relevant geacht. Er dient te worden aangetoond dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van deze stoffen ter plaatse aanvaardbaar is en als gevolg van de beoogde ontwikkeling in de omgeving aanvaardbaar blijft.
4.10.1. Niet in betekenende mate
Indien ontwikkelingen binnen de projectlocatie gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de milieukwaliteitseisen. Onderzoek moet worden verricht naar de gevolgen voor de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer genoemde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Dit onderzoek kan echter achterwege blijven indien de nieuwe bestemming betrekking heeft op één of meer categorieën van gevallen als genoemd in de Regeling niet in betekende mate bijdragen. In die gevallen wordt aangenomen dat de toename van de concentratie in de buitenlucht van zowel zwevende deeltjes (PM 10) als stikstofdioxide de 3% grens van de jaargemiddelde concentratie niet overschrijdt. In de huidige situatie is er sprake van een varkenshouderij in combinatie met een akkerbouwbedrijf. In de beoogde situatie wordt de varkenshouderij gesaneerd, blijven de akkerbouwactiviteiten behouden en wordt daarnaast nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag geëxploiteerd. In de beoogde situatie nemen de verkeersbewegingen ten behoeve van de varkenshouderij af. Dit zijn voornamelijk zware verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van voer, aanvoer dieren, afvoer mest, afvoer dieren.
De verkeersbewegingen ten behoeve van de statische opslag zijn beperkt. In de beoogde situatie is er sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Daarnaast is er sprake van een afname van fijnstof in de buitenlucht door het beëindigen van de intensieve veehouderij. Het beoogde initiatief valt in het Besluit NIBM onder de categorie inrichtingen. De Regeling NIBM noemt hierbij de subcategorie ‘akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt’ als NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf. De beoogde ontwikkeling heeft dus met zekerheid geen significant negatieve effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Er kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.10.2. Woon- en leefklimaat
Op grond van de Wet luchtkwaliteit zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt daarnaast een grenswaarde voor PM 2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie. Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2. Indien aan deze grenswaarden wordt voldaan, mag worden aangenomen dat het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit aanvaardbaar is Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de achtergrondconcentratie van fijnstof PM10, PM2,5 en NO2 ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geraadpleegd kan worden. De jaargemiddelde fijnstofconcentratie binnen de projectocatie is conform de GCN-kaart voor fijnstof PM10 19,3 μg/m3, voor PM2,5 11,6 μg/m3 en voor NO2 13,84 μg/m3, zie Afbeelding 18, 19, 20.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
36
Projectlocatie
Afbeelding 18: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM10
Projectlocatie
Afbeelding 19: uitsnede GCN-kaart fijnstof PM2,5
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
37
Projectlocatie
Afbeelding 20: uitsnede GCN-kaart fijnstof NO2
Ten aanzien van de luchtkwaliteit zijn er dus geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.11. Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. In de Wgh is bepaald dat voor locaties in een bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In de omgeving van de projectlocatie liggen geen spoorwegen of industrieterreinen. De projectlocatie ligt wel binnen het geluidszone van Heerlijkheidsweg, Jekschotseweg en Weievenseweg. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. De bedrijfswoning betreft een reeds bestaand geluidsgevoelig object in het kader van de Wgh. Dit verandert met de beoogde ontwikkeling niet. Er hoeft derhalve geen onderzoek te worden gedaan naar de geluidsinvloed van industrieterreinen in de omgeving of omliggende wegen en spoorlijnen op geluidsgevoelige objecten binnen de projectlocatie.
Er kan worden geconcludeerd dat er voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.12. Verkeer en parkeren Binnen de projectlocatie dient een adequate afwikkeling van personen- en goederenvervoer verzekerd te zijn, waaronder een goede aansluiting op de aanwezige infrastructuur van weg, water of spoor. Met de sanering van de intensieve veehouderij heeft het project een afname van het aantal transportbewegingen tot gevolg. Het wordt namelijk geen voer meer aangeleverd, geen vervoer van dieren en geen afvoer van mest. De projectlocatie ligt aan de Heerlijkheidsweg. Een verharde weg die voornamelijk wordt gebruikt door agrarisch bestemmingsverkeer en omwonende. De weg wordt ontsloten door Jekschotseweg en Weievenseweg. Deze ontsluitingsroutes beschikken over voldoende capaciteit voor de afwikkeling van de beperkte toename in verkeersbewegingen.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
38
CROW, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, schrijft in ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ kencijfers ten aanzien van parkeren en verkeersgeneratie voor uiteenlopende activiteiten voor of gemeente parkeerbeleid, zoals de ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ (vastgesteld op 18 december 2018). Er zijn echter geen representatieve cijfers in opgenomen voor agrarisch bedrijven. Eigen machines en werktuigen kunnen worden gestald in de daarvoor bestemde machine- en werktuigenbergingen. Vrachtwagens en tractoren van derden verblijven altijd maar kortstondig op het bedrijf, bijvoorbeeld voor aflevering goederen of loonwerk. Voor dergelijk materieel is ruim voldoende erfverharding aanwezig. In onderstaande afbeelding is de ontsluiting van de projectlocatie weergegeven in de beoogde situatie.
Afbeelding 21: ontsluiting projectlocatie, met een oranje pijl is de ontsluiting weergeven (bron: Qgis)
Voor het eigen personenvervoer wordt aangesloten bij de vereiste parkeergelegenheid bij een vrijstaande koopwoning, liggend in niet-stedelijk buitengebied. Hiervoor wordt een minimum van 2 parkeerplaatsen voorgeschreven. Op de inrit naar de bedrijfswoning is ruim voldoende ruimte om 2 auto’s te kunnen parkeren. Gemiddeld zullen er dagelijks 2 tot 4 bezoekers met personenvervoer naar het bedrijf toe komen. Te denken valt aan de vertegenwoordigers, adviseurs, privébezoekers etc. Normaliter zullen deze niet gelijktijdig op het bedrijf aanwezig zijn, maar zelfs als dit het geval zou zijn is er ruim voldoende erfverharding aanwezig voor in totaal 6 personenvervoersmiddelen, eigen vervoersmiddelen en van bezoekers, te parkeren. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ruim voldoende parkeergelegenheid aanwezig is op het bedrijf. Daarnaast wijzigingen de parkeerbehoefte en de parkeervoorzieningen niet in de beoogde situatie. Er kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen belemmeringen zullen ontstaan voor de afwikkeling van personen- en goederenvervoer. 4.13. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen).
Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
39
4.13.1. Regelgeving De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Indien de projectlocatie gelegen is binnen het invloedsgebied geldt er een verantwoordingsplicht met betrekking tot het groepsrisico. Dit betekent dat het groepsrisico verantwoord moet worden.
4.13.2. Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken. Toetsing aan het beleid begint met de inventarisatie van de omgeving van de projectlocatie. In navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. Uit de kaart blijkt dat in de nabijheid van de projectlocatie geen risicovolle installaties zijn gelegen. Op de afbeelding is een buisleiding is gelegen deze wordt in deze paragraaf nader toegelicht bij Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
40
Projectlocatie
Afbeelding 22: uitsnede risicokaart (bron: Risicokaart Nederland)
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van zowel het spoortraject als de [Rijks]weg. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevt niet van toepassing. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ is in de nabijheid een dubbelbestemming ‘Leiding – gas’ en ‘Leiding – water’ opgenomen. De projectlocatie ligt binnen de 1% letaliteitsgrens van hogedruk-aardgasbuisleiding A-521. Omdat de projectlocatie buiten de 100% letaliteitsgrens van de hogedruk-aardgasbuisleiding A-521 kan er conform artikel 12 Bevb worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico, artikel 12 Groepsrisico: in het kader van het groepsrisico is sprake van een onveranderde situatie. Het slopen van de varkensstallen, het uitoefenen van nevenactiviteiten in bestaande bebouwing en het verwijderen van de aanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ leidt niet tot een belemmering.; Aanwezige en verwachten personen: Het aantal aanwezige en te verwachten personen blijft in de beoogde situatie onveranderd; Bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een ramp: de projectlocatie is over de weg goed bereikbaar voor de hulpdiensten. Er is geen sprake van een zorgfunctie en/of zeer kwetsbare objecten.
Het plangebied valt binnen het dekkingsgebied van NL-Alert; Zelfredzaamheid personen: Voor de aanwezige personen binnen de projectlocatie zijn er voldoende vluchtwegen om bij een calamiteit het plangebied te verlaten. Er is geen sprake van (structurele) aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen.
In het kader van verantwoording groepsrisico is de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het initiatief Heerlijkheidsweg 4 Sint-Oedenrode. Dit advies (Z/140915 Advies Art 7-9) Bevt. is als separate bijlage bijgevoegd aan deze onderbouwing (bijlage 5). De Veiligheidsregio Brabant Noord geeft aan dat de gewenste wijziging niet leidt tot een wijzing in het risicoprofiel, de mate van zelfredzaamheid of bestrijdbaarheid Om deze reden ziet de Veiligheidsregio Brabant Noord geen reden voor een advies.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
41
Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 125 meter ligt een hoogspanningslijn, zie navolgende afbeelding. In de beoogde situatie worden geen nieuwe kwetsbare objecten opgericht. Deze hoogspanningslijn vormt daarom geen belemmering voor het initiatief.
Projectlocatie
Afbeelding 23: weergave dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bron: www.hoogspanningnet.com)
4.14. Technische infrastructuur In of nabij de projectlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 22). 4.15. Volksgezondheid Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwerkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. De beoogde ontwikkeling betreft de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met varkenshouderij in combinatie met akkerbouw naar een bedrijfswoning met alleen akkerbouw met nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag. In zowel de bestaande als beoogde situatie is er sprake van een gevoelig object. Het plan voorziet niet in de realisatie van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten gericht op verblijf van mensen (langer dan 2 uur). In het kader van volksgezondheid wijzigt de situatie niet en neemt het aantal blootgestelde in de toekomst niet toe.
Met het oog op het woonen leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woonen leefklimaat negatief beïnvloed. Daarom kan worden geconcludeerd dat er vanuit het aspect volksgezondheid geen onevenredige nadelige effecten zullen optreden binnen de projectlocatie.
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
42
5. Bijlagen Bijlage 1 Landschappelijke inpassing Bijlage 2 Invoergegevens Aerius Bijlage 3 Aerius-berekening Bijlage 4 QuickScan Flora en Fauna Bijlage 5 Advies Veiligheidsregio Brabant Noord
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
43
Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode
44