CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 29 februari 2024, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening Heerlijkheidsweg 4'14.638 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Inhoudsopgave Toelichting

NL.IMRO.1948.BGO001BP0062023P-ON01

5

Pagina: 3 van 49

Datum:

NL.IMRO.1948.BGO001BP0062023P-ON01

Pagina: 4 van 49

Datum:

Toelichting

NL.IMRO.1948.BGO001BP0062023P-ON01

Pagina: 5 van 49

Datum:

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

Gemeente xx

Gemeente Meierijstad Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

Gemeente xx

Titel - straat+plaats 0

Colofon

Gemeente

Meierijstad

Projectlocatie

Heerlijkheidsweg 4 te Sint-Oedenrode

Datum

10-01-2024 21-07-2021 17-02-2021

Status

Vastgesteld

Opgesteld door

Van Dun & Van Gerwen BV Heijtmorgen 10 5375 AN Reek T. 0486 45 01 60 F. 0486 45 02 38 E. info@vandun-vangerwen.nl I. www.vandun-vangerwen.nl

Projectnummer

919073.007

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.

Aanleiding en doel ............................................................................................. 5

1.2.

Geldend planologisch regime .............................................................................. 6

1.3.

Leeswijzer ........................................................................................................ 7

2. Planbeschrijving ............................................................................................... 8 2.1.

Bestaande situatie ............................................................................................. 8

2.2.

Beoogde situatie ............................................................................................. 10

3. Beleidskader ................................................................................................... 12 3.1.

Rijksbeleid ...................................................................................................... 12

3.1.1. 3.1.2. 3.2.

Provinciaal beleid ............................................................................................ 12

3.2.1. 3.2.2. 3.2.3. 3.3.

Nationale Omgevingsvisie .......................................................................... 12 Ladder duurzame verstedelijking ................................................................ 12 Omgevingsvisie Noord-Brabant .................................................................. 12 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 ............................................ 13 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant ............................................ 14

Gemeentelijk beleid ......................................................................................... 18

3.3.1.

Bestemmingsplan ..................................................................................... 18

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 21 4.1.

Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 21

4.2.

Waterhuishouding ........................................................................................... 21

4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.

Natuur............................................................................................................ 25

4.3.1. 4.3.2. 4.4.

Waterrelevant beleid ................................................................................. 21 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ................................................... 23 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 25 Natuurnetwerk Nederland (NNN)................................................................ 25 Wet natuurbescherming ............................................................................ 26

Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ......................................................... 29

4.4.1. 4.4.2.

Cultuurhistorie en aardkunde ..................................................................... 29 Archeologie .............................................................................................. 31

4.5.

Landschappelijke inpassing .............................................................................. 31

4.6.

Bodemkwaliteit ............................................................................................... 32

4.7.

Spuitzones ...................................................................................................... 33

4.8.

Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 33

4.9.

Geur .............................................................................................................. 34

4.9.1. 4.9.2. 4.10.

Omgekeerde werking ................................................................................ 35 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 35 Luchtkwaliteit .............................................................................................. 36

4.10.1. 4.10.2.

Niet in betekenende mate.......................................................................... 36 Woon- en leefklimaat ................................................................................ 36

4.11.

Geluid ......................................................................................................... 38

4.12.

Verkeer en parkeren..................................................................................... 38

4.13.

Externe veiligheid......................................................................................... 39

4.13.1. 4.13.2.

Regelgeving ............................................................................................. 40 Toetsing aan beleid................................................................................... 40

4.14.

Technische infrastructuur ............................................................................. 42

4.15.

Volksgezondheid .......................................................................................... 42

5. Bijlagen .......................................................................................................... 43 Bijlage 1 Landschappelijke inpassing ........................................................................ 43 Bijlage 2 Invoergegevens Aerius .............................................................................. 43 Bijlage 3 Aerius-berekening ..................................................................................... 43 Bijlage 4 QuickScan Flora en Fauna.......................................................................... 43 Bijlage 5 Advies Veiligheidsregio Brabant Noord ........................................................ 43

1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van de projectlocatie, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel De projectlocatie betreft Heerlijkheidsweg 4, 5491 RD te Sint-Oedenrode. De projectlocatie is kadastraal bekend als gemeente Sint-Oedenrode, sectie K, nummers 535. Op de locatie is een varkenshouderij gevestigd in combinatie met een akkerbouwbedrijf. Hiervoor is op 4 februari 2014 is een omgevingsvergunning milieu verleend voor het houden van 96 kraamzeugen, 315 guste en dragende zeugen, 3.295 vleesvarkens, 2.464 biggen en 1 dekbeer. De initiatiefnemer heeft besloten om met zijn bedrijf deel te nemen aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (SRV-regeling). Één van de voorwaarden van deze regeling is dat de omgevingsvergunning voor het houden van varkens vóór 16 maart 2021 ingetrokken moet zijn. Hiervoor is een verzoek tot intrekking omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, voor het houden van varkens, ingediend bij de gemeente Meijerijstad op 21 januari 2021 (kenmerk: 919073.014/RS). Daarnaast moet ook de aanduiding ‘Intensieve veehouderij’ verwijderd worden in het bestemmingsplan ter plaatse van de projectlocatie. Dit is de aanleiding van het wijzigen van het bestemmingsplan.

De initiatiefnemer is voornemens om het akkerbouwbedrijf op de locatie voor te zetten in combinatie met nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag. De gebouwen die onder de SRV-regeling vallen zullen in de beoogde situatie gesloopt worden. Voor de beoogde ontwikkeling is op 27 augustus 2020 namens de initiatiefnemer een verzoek ingediend om een principebesluit voor het verwijderen van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ voor de projectlocatie. Op 13 oktober 2020 heeft de gemeente Meierijstad aangegeven onder voorwaarden mee te willen werken aan het principeverzoek (kenmerk: PRO-2020-121). Hierdoor kan het initiatief meegenomen worden in het veegplan ‘Ontwikkelplan sanering varkenshouderij’ dat nu in voorbereiding is. In afbeelding 1 is de projectlocatie weergegeven (rood omlijnd).

Afbeelding 1: weergave projectlocatie rood omlijnd (bron: Qgis)

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

5

1.2. Geldend planologisch regime De vigerende bestemmingsplannen ter plaatse zijn de bestemmingsplannen ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld 31-01-2019, gerechtelijke uitspraak vastgesteld 24-03-2021), ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit‘ (vastgesteld 27-01-2021), Buitengebied Sint-Oedenrode, Herziening 4’ (vastgesteld 29-03-2018), ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 3’ (29-09-2016), ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ (vastgesteld 29-01-2015), ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 2’ (vastgesteld 29-09-2016). In het bestemmingsplan ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 2’ is aan de projectlocatie een bouwvlak met een omvang van ongeveer 1,5 ha toegekend zoals weergegeven in onderstaande afbeelding. Op de locatie gelden de volgende bestemmingen en aanduidingen: - Enkelbestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden; - Functieaanduiding intensieve veehouderij; - Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij; - Gebiedsaanduiding overige zone – leefgebied struweelvogels; - Gebiedsaanduiding wetgevingszone – wijzigingsgebied (verbrede wegprofiel); - Bouwvlak. In navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de verbeelding behorende bij het ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen en aanduidingen weergegeven die binnen de projectlocatie gelegen zijn.

Afbeelding 2: uitsnede plankaart bestemmingsplan www.ruimtelijkeplannen.nl)

‘Buitengebied Sint-Oedenrode herziening 2’ (bron:

Binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode herziening 2’ zijn nevenfuncties in de vorm van statische opslag binnen bestaande bedrijfsgebouwen rechtstreeks toegestaan. Voor het verwijderen van de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’, is binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode herziening 2’ een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. De gemeente heeft aangegeven onder voorwaarden mee te willen werken aan een wijziging van het bestemmingsplan. Dit is per brief kenbaar gemaakt (kenmerk: PRO-2020-121). Hierdoor kan het initiatief meegenomen worden in het veegplan ‘Ontwikkelplan sanering varkenshouderij’ dat nu in voorbereiding is.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

6

1.3. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van de projectlocatie, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

7

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de projectlocatie. 2.1. Bestaande situatie De projectlocatie ligt in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. De projectlocatie is gelegen op ruim 2 kilometer afstand van Nijnsel en op ongeveer 3 kilometer van Sint-Oedenrode. In de nabije omgeving bevinden zich verschillende functies (agrarische bedrijven, woonfuncties, bos, maatschappelijke functie en niet-agrarische functies. De omliggende percelen worden veelal gebruikt als grasland of akkerland. In onderstaande afbeelding is de omgeving van de projectlocatie weergegeven. De projectlocatie zelf is rood omkaderd.

Afbeelding 3: weergave directe omgeving projectlocatie

De projectlocatie is volgens ‘Landschapsanalyse Meierijstad’ 1 gelegen in het gebied ‘Jonge Heideontginningen’. Dit gebied wordt gekenmerkt door een rationele verkavelingsstructuur. Rechthoekige percelen evenwijdig of dwars op de ontsluitingswegen met laanbeplantingen en verspreid liggende erven. Het is een open agrarisch productielandschap. Slechts plaatselijk komen verdichtingen voor in de vorm van houtsingels, bosstroken en bebouwing. Op de locatie is een varkenshouderij gevestigd in combinatie met een akkerbouwbedrijf. Hiervoor is op 4 februari 2014 een omgevingsvergunning milieu verleend voor het houden van 96 kraamzeugen, 315 guste en dragende zeugen, 3.295 vleesvarkens, 2.464 biggen en 1 dekbeer. De initiatiefnemer heeft ongeveer 20 hectare in eigendom dat in gebruik is voor de teelt van gewassen. Er is hierbij sprake van een wisselend teeltschema.

1

Landschapsanalyse Meierijstad juli 2019

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

8

Op de projectlocatie staat een woning, tuinhuis, pomphuis zwembad, kippenhok, zwembad, garage, 4 varkensstallen (gebouw 1, 2, 3 en 5) en een werktuigenberging incl. opslag akkerbouwproducten, hooi, stro enz. (gebouw 4). In de bestaande situatie zijn de volgende gebouwen met bijbehorende oppervlaktes aanwezig: - Woonhuis: 144 m2; - Tuinhuis: 20 m2; - Pomphuis zwembad: 3 m2; - Garage: 29 m2; - Kippenhok: 6 m2; - Gebouw 1: 1.780 m2; - Gebouw 2/3: 1.714 m2; - Gebouw 4: 641 m2; - Gebouw 5: 3.957 m2. In afbeelding 3 is de projectlocatie weergegeven met daarop de bestaande gebouwen en bouwwerken geen bebouwzijnde. Tuinhuis Gebouw 1 Gebouw 3 Kippenhok Gebouw 2 Gebouw 5 Zwembad Woonhuis Garage Gebouw 4 Afbeelding 4: weergave bestaande situatie (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

In afbeelding 5 is het huidig bouwvlak weergegeven. Deze is rood omkaderd. Het huidig bouwvlak is ongeveer 1,5 hectare groot.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

9

Afbeelding 5: weergave huidig bouwvlak, ongeveer 1,5 hectare (bron: Qgis)

2.2. Beoogde situatie Initiatiefnemer is voornemens om de varkenshouderij te saneren en het akkerbouwbedrijf voort te zetten als hoofdactiviteit in combinatie met statische opslag als nevenactiviteit. De bestaande varkensstallen worden in het kader van de SRV-regeling gesaneerd. In totaal wordt er 7.245 m2 gesloopt. In de beoogde situatie blijft het voorste gedeelte van gebouw 1 behouden waar zich onder andere een garage en opslagruimte bevindt. De machineberging van gebouw 2 blijft behouden. Gebouw 4, waarin de werktuigenberging incl. opslag akkerbouwproducten, hooi, stro enz. blijft volledig behouden. Hier bevindt zich momenteel ook een mantelzorgwoning. Deze gebouwen blijven behouden ten behoeve van het akkerbouwbedrijf en de nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag. In de beoogde situatie wordt het huidig bouwvlak verkleind van 15.723 m2 naar 6.602 m2 zodat dit passend is binnen de agrarische bedrijfsvoering dat voortgezet wordt op deze locatie. De initiatiefnemer is daarnaast voornemens om een overkapping te realiseren bij de tuin. Hiermee wordt het oppervlakte aan bijgebouwen bij de woning vergroot tot 98 m2. In de beoogde situatie blijft het akkerbouwbedrijf met 20 hectare grond in eigendom behouden. Naast de akkerbouwactiviteiten vinden er nevenactiviteiten plaats in de vorm van statische opslag.

De statische opslag zal plaatsvinden in de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing, dit zal voornamelijk in gebouw 2 en gebouw 4 plaatsvinden. De statische opslag bedraagt maximaal 400 m2. In onderstaande afbeelding is het beoogde bouwvlak weergegeven met daarin de gebouwen die blijven behouden. In de beoogde situatie zijn de volgende bouwerken/gebouwen met bijbehorende oppervlaktes aanwezig: - Woonhuis: 144 m2; - Tuinhuis: 20 m2; - Pomphuis zwembad: 3 m2; - Overkapping: 40 m2; - Kippenhok: 6 m2; - Garage: 29 m2; - Gebouw 1: 103 m2; - Gebouw 2/3: 104 m2; - Gebouw 4: 641 m2.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

10

In navolgende afbeelding is het beoogd bouwvlak van 6.750 m2 weergegeven met de beoogde gebouwen en bouwwerken geen bebouwzijnde.

Afbeelding 6: beoogd bouwvlak en gebouwen in de beoogde situatie (Qgis)

In afbeelding 7 is een uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan weergegeven met de te nemen maatregelen.

Afbeelding 7: uitsnede landschappelijk inpassingsplan beoogde situatie

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

11

3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid

3.1.1. Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en in werking getreden. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI stelt daarbij een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wil men werken aan de volgende prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio’s 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Verder heeft men in de Uitvoeringsagenda Nationale Omgevingsvisie 2021-2024 een aantal voorlopige NOVI-gebieden geselecteerd. De projectlocatie is niet gelegen in één van deze gebieden. Binnen de prioriteit 4 ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ gaat het onder andere over de transitie in het buitengebied. Onderhavige ontwikkelingen passen binnen deze prioriteit en vormen daarom geen belemmering binnen deze Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2. Ladder duurzame verstedelijking

In geval van stedelijke ontwikkeling moet de Ladder voor duurzame verstedelijking worden toegepast. Deze is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen, gebaseerd op een regionale behoefte, mogelijk moeten maken. Het initiatief betreft een agrarisch bedrijf waarbij de intensieve veehouderij wordt beëindigd. De akkerbouwactiviteiten wordt als hoofdactiviteit voortgezet met als nevenactiviteit statische opslag binnen bestaande gebouwen. Gronden waaraan een agrarische bestemming is toegekend zijn niet als stedelijke ontwikkeling bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking (uitspraak van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1438 (Maasdriel)). De agrarische bestemming van de projectlocatie blijft gehandhaafd. Toepassing van de ladder is daarom niet nodig. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijke beleid van de provincie Noord-Brabant is omschreven in de Omgevingsvisie, Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.2.1. Omgevingsvisie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft op 14 december 2018 de omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsvisie vindt zijn legitimatie in de Omgevingswet. Vanzelfsprekend staan de achterliggende doelen van de Omgevingswet dan ook centraal in de positiebepaling van de Brabantse Omgevingsvisie. Onder het motto ‘eenvoudig beter’, doelt de Omgevingswet op meer inzichtelijkheid, en een grotere voorspelbaarheid en gebruiksgemak van het Omgevingsrecht. Ook beoogt de wet meer bestuurlijke afwegingsruimte en een meer samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving. Het doel van de omgevingsvisie is om de kwaliteit van de leefomgeving voor alle Brabanders te verbeteren. In de visie is voor verschillende programma’s de ambitie geformuleerd hoe de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit moet zien. Daarbij zijn mobiliserende tussendoelen gesteld voor 2030 om het einddoel te kunnen bereiken. De uitwerking in programma’s is een opgave die de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

12

Het belangrijkste programma dat hier een rol speelt is ‘omgevingskwaliteit’. Het Brabantse doel voor 2050 in dit programma is:

‘Brabant heeft een goede leefomgevingskwaliteit doordat wij op alle aspecten beter presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Brabant staat met zijn TOP-landschap van oude en nieuwe landschappen in de top 5 van Europa. De biodiversiteit binnen en buiten de natuurgebieden is op orde, de lucht- en waterkwaliteit voldoet en de bodem is vitaal.’ Het tussendoel voor 2030 in dit programma is:

‘Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Natuurgebieden zijn ingericht, de afname van biodiversiteit is naar een positieve trend omgebogen, waardevolle cultuurhistorische landschappen zijn behouden en er is breed draagvlak voor de nieuwe energie- en klimaatadaptieve landschappen door de ontwerpende aanpak.’ Deze basisopgave is veelomvattend en gaat over milieuaspecten zoals een schone bodem, schoon water (ondergrond) en schone lucht. Maar ook om landschappelijke- en cultuurhistorische aantrekkelijkheid, een goede woon- en werkomgeving met een aantrekkelijk aanbod aan voorzieningen, stilte en een natuurrijke omgeving, waarin biodiversiteit en recreatie hand in hand gaan. Het initiatief voldoet aan het tussendoel voor 2030 omdat aan alle milieu wet- en regelgeving wordt voldaan. Door een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de projectlocatie wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan de leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt een eerste stap gezet richting het einddoel van 2050. Het initiatief past dus binnen de Omgevingsvisie voor Noord-Brabant.

3.2.2. Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014

De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 (Sv 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en in werking getreden op 19 maart 2014. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie is vertaald in de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Volgens de structurenkaart, zie afbeelding 7, ligt de projectlocatie in het gemengd landelijk gebied. In het gemengde landelijke gebied vindt een vermenging van functies plaats. Naast het gebruik van de gronden ten behoeve van de land- en tuinbouw, is er ook plaats voor natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Omdat de locatie in het gemengde landelijk gebied ligt, hanteert de provincie het multifunctionele gebruik als uitgangspunt.

Dit akkerbouwbedrijf is dus onderdeel van een multifunctioneel gebied. Er vinden naast de bestaande veehouderij ook toerisme, kleinschalige stedelijke functies, waterfuncties, natuur en recreatie plaats. Het initiatief past daarom binnen de uitgangspunten van de Sv 2014.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

13

Afbeelding 8: uitsnede structurenkaart Sv 2014 (bron:www.ruimtelijkeplannen.nl)

3.2.3. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim omgevingsverordening (Iov) betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Iov is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de op handen zijnde Omgevingswet moet worden vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De laatste versie van de Iov is op 27 november 2020 door Provinciale Staten vastgesteld en is per 5 december 2020 in werking getreden. De Iov is opgesteld vanuit een doelgroepenbenadering. Dit is ook het systeem dat de Omgevingswet, en de daaronder liggende wetgeving, hanteert. Dit betekent dat de regels in de Iov zijn gegroepeerd in hoofdstukken waarbij de doelgroep van de regel, de zogenaamde normadressaat, leidend is. Regels waar gemeenten bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening mee moeten houden zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Deze regels zijn in de vorm van instructieregels opgenomen waarbij de verschillende niveaus zijn opgedeeld in meerdere afdelingen. Voor elke ruimtelijke ontwikkeling geldt dat toepassing moet worden gegeven aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.1.2.

Voor het overige dient getoetst te worden aan de regels die van toepassing zijn op het werkingsgebied waarin de projectlocatie ligt. In dit geval ligt de projectlocatie in de werkingsgebieden ‘Gemengd landelijk gebied’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Stalderingsgebied’ zie afbeelding 8.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

14

Afbeelding 8: uitsnede kaart hoofdstuk 3 van Iov (bron: provincie Noord-Brabant)

Afdeling 3.6 bevat de voorwaarden voor een vitaal platteland, die onder andere van toepassing zijn op het gemengd landelijk gebied. Met het initiatief wordt de huidige intensieve veehouderij gesaneerd. Het bestaande akkerbouwbedrijf wordt voortgezet in combinatie met nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag. Er zal derhalve worden getoetst aan artikel 3.54 voor Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied en artikel 3.71 ten aanzien van Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied. Verder bevat artikel 3.52 aanvullende regels ten aanzien van het stalderingsgebied. Deze regels hebben betrekking op een toename in de oppervlakte dierenverblijven voor hokdieren. Met het initiatief wordt de veehouderij ter plaatse gesaneerd. De regels met betrekking tot het stalderingsgebied zijn derhalve niet van toepassing. Aan de relevante artikelen zal hierna worden getoetst. Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2) Onder een evenwichtige toedeling van functies wordt verstaan dat invulling wordt gegeven aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Hiervoor moet rekening worden gehouden met: - zorgvuldig ruimtegebruik - de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; - meerwaardecreatie. Deze aspecten zijn in de Iov nader uitgewerkt in de artikel 3.6 t/m 3.8.

Daarnaast geldt voor ontwikkelingen in het landelijk gebied ook dat er sprake moet zijn van kwaliteitsverbetering (zie artikel 3.9). Deze artikelen worden hieronder nader toegelicht.

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel. 3.6)

Conform artikel 3.6 houdt zorgvuldig ruimtegebruik in dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van een bestaand ruimtebeslag. Een bestaand ruimtebeslag ligt binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied’ of een bestaand bouwperceel. Wanneer er sprake is van een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

15

duurzame verstedelijking). Alle gebouwen, bijbehorende bouwwerken en ander permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In paragraaf 3.1.2. is beschreven dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing op dit project. Er wordt op onderhavige initiatieflocatie gebruik gemaakt van een bestaand bouwperceel en bestaande bedrijfsgebouwen. Een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt in het kader van de SRV-regeling. De bebouwing dat behouden blijft wordt gebruikt ten behoeve van het akkerbouwbedrijf en nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag. Het bestaande bouwvlak van 15.723 m2 verkleind naar 6.602 m2. Er is derhalve sprake van een zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)

De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op verschillende lagen. Hierbij dient onderzocht te worden wat de effecten zijn op: - de ondergrond - de netwerklaag - de bovenste laag Met het effect op de ondergrond worden o.a. de aspecten bodem, grondwater en archeologische waarden bedoeld. De netwerklaag omvat aspecten zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. In de beschouwing van de bovenste laag dienen aspecten zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu aan bod te komen. Hierbij dient te worden gekeken naar het verleden, heden en toekomst. De beoogde ontwikkeling mag geen negatieve effecten hebben op de waarden in de omgeving en dient ook in de toekomst geen beperkingen op te leveren voor de omgeving. De toetsing van de gevolgen van het initiatief op bovengenoemde aspecten is uitgebreid uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke onderbouwing.

Meerwaardecreatie (artikel 3.8)

Het aspect meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Het biedt de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren, waardoor er meerwaarde ontstaat. Daarnaast ontstaat een bijdrage aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. In dit bestemmingsplan wordt meerwaarde gecreëerd door het saneren van de intensieve veehouderij. hierdoor is er sprake van een afname van de emissies waardoor ook het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Daarnaast wordt de projectlocatie landschappelijk ingepast.

Kwaliteitsverbetering (artikel 3.9)

Een bestemmingsplan in landelijk gebied moet gepaard gaan met een fysieke verbetering van het landschap. Daarnaast moet worden aangetoond hoe deze fysieke verbetering financieel, juridisch en feitelijk wordt verzekerd. Een verbetering kan o.a. bestaan uit een landschappelijke inpassing, behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen, het slopen van bebouwing of aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Deze vormen van kwaliteitsverbetering moeten worden geborgd in het bestemmingsplan. Over de exacte invulling van de kwaliteitsverbetering zijn in het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie afspraken gemaakt. Binnen de gemeente Meierijstad is ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode 2016’ van toepassing. In de categorie indeling is opgenomen dat ontwikkelingen onder toepassing van de directe bouwmogelijkheden/bouwregels en gebruiksregels van een geldend bestemmingsplan. De nevenactiviteiten zijn in het vigerend bestemmingsplan rechtstreeks toegestaan. Hierdoor valt deze activiteit onder categorie 1. Dit betekent dat er geen inpassing of tegenprestatie wordt verlangt. Het verwijderen van aanduidingen en het

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

16

verkleinen van het bouwvlak is niet opgenomen in de categorie indeling. In de notitie ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Sint-Oedenrode 2016’ is opgenomen dat het wegnemen van verharding en het slopen van bebouwing als fysieke prestatie. De beoogde ontwikkeling voorziet in de sanering van de intensieve veehouderij waarbij in het kader van de SRV-regeling bestaande bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Daarnaast vindt er een afname plaats in emissies. Hierdoor wordt er een fysieke tegenprestatie geleverd in het kader van kwaliteitsverbetering. Zoals hiervoor aangegeven wil de gemeente Meierijstad onder voorwaarden meewerken aan de beoogde ontwikkeling. Één van de voorwaarden is dat naast sloop van de varkensstallen het project voorzien wordt van een goede landschappelijke inpassing. Het landschappelijk inpassingsplan is als separate bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing wordt feitelijk en juridisch verzekerd door de opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling is derhalve in overeenstemming met artikel 3.9 van de Iov.

Grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd landelijk gebied (artikel 3.54)

Conform artikel 3.54 kan een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied voorzien in een uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf als: a. dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is; b. de bouw of uitbreiding van een kas is beperkt tot ten hoogste 5.000 m 2. In de regels van het bestemmingsplan wordt voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf indien dit vanuit een goede agrarische bedrijfsvoering nodig is. Hierin wordt vastgelegd dat de bouw of uitbreiding van een kas beperkt is tot ten hoogste 5.000 m2.

Het beoogde project betreft een grondgebonden teeltbedrijf in Gemengd Landelijk gebied. In de huidige situatie is er op de projectlocatie een akkerbouwbedrijf aanwezig. Er is hier geen sprake van een uitbreiding, vestiging of omschakeling naar een grondgebonden teeltbedrijf. Daarnaast is er geen sprake van de bouw of uitbreiding van een kas. Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied (artikel 3.71)

Conform artikel 3.71 kan een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied voorzien in het vastleggen van de bestaande planologische gebruiksactiviteit, het uitsluiten van een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking en een redelijke uitbreiding van de niet-agrarische functie als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: a. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; b. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; c. hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk Gebied.

In de beoogde situatie worden er nevenactiviteiten uitgevoerd in de vorm van statische opslag binnen bestaande bedrijfsgebouwen. Dit betreft een niet-agrarische functie dat binnen het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’ (vastgesteld 27-01-2021) in artikel 8.4 rechtstreeks is toegestaan. Daarmee is er sprake van het vastleggen van een bestaande planologische gebruiksactiviteit. In de regels van dit bestemmingsplan worden regels en voorwaarden opgenomen worden waarin de toename van gebruikstoppervlakte van mestbewerking en de uitbreiding van nietagrarische functies worden geborgd. In paragraaf 3.3.1 worden de regels, zoals opgenomen artikel 8.4 van het vigerend bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’ in het nader toegelicht. Conclusie Gelet op bovenstaande voldoet de ontwikkeling aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

17

3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in het bestemmingsplan.

3.3.1. Bestemmingsplan

Zoals al in de inleiding van deze ruimtelijke onderbouwing beschreven is voor de projectlocatie de bestemmingsplannen ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ (vastgesteld 31-01-2019, gerechtelijke uitspraak vastgesteld 24-03-2021), ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit‘ (vastgesteld 27-01-2021), Buitengebied Sint-Oedenrode, Herziening 4’ (vastgesteld 29-03-2018), ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 3’ (29-09-2016), ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. SintOedenrode 1’ (vastgesteld 29-01-2015), ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ (vastgesteld 2909-2016) geldend. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ zijn de volgende aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming Agrarisch met waarden – Landschapswaarden; - Functieaanduiding intensieve veehouderij; - Functieaanduiding specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij; - Gebiedsaanduiding overige zone – leefgebied struweelvogels; - Gebiedsaanduiding wetgevingszone – wijzigingsgebied (verbrede wegprofiel); - Bouwvlak. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’ weergegeven, de projectlocatie rood omlijnd en weergegeven met een rode marker.

Afbeelding 9: uitsnede plankaart bestemmingsplan www.ruimtelijkeplannen.nl)

‘Buitengebied Sint-Oedenrode herziening 2’ (bron:

In het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’ zijn nevenactiviteiten in de vorm van statische opslag rechtstreeks mogelijk in artikel 8.4. De regels met betrekking tot nevenactiviteiten worden in deze paragraaf waar nodig nader toegelicht. Het verwijderen van de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – veehouderij’ is niet rechtstreeks mogelijk. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’ is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee de voorgenomen ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt (art. 4.7.7). Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn onderstaande voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden worden in deze paragraaf waar nodig nader toegelicht.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

18

Regels en toelichting bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’, artikel 8.4 toegestaan gebruik van bedrijfsgebouwen voor productiegebonden detailhandel en statische opslag. Bij agrarische bedrijven zijn nevenfuncties toegestaan in de vorm van productiegebonden detailhandel en statische opslag, niet zijnde opslag in brandgevaarlijke goederen, binnen bestaande bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat de totale bedrijfsvloeroppervlakte niet meer mag bedragen dan: a. 50 m² voor productiegebonden detailhandel, met dien verstande dat ter plaatse van een bebouwingsconcentratie productiegebonden detailhandel is toegestaan tot een oppervlakte van 100 m²; b. 1000 m² voor statische opslag.

In de beoogde situatie wordt de intensieve veehouderij gesaneerd in het kader van de SRV-regeling. Het deel van de gebouwen dat buiten de SRV-regeling valt blijft behouden. De bestaande akkerbouwactiviteiten worden als hoofdactiviteit voortgezet. De initiatiefnemer heeft ongeveer 20 hectare in eigendom dat in gebruik is voor de teelt van gewassen. Er is hierbij sprake van een wisselend teeltschema. Daarmee is het bedrijf van voldoende omvang om te voorzien van ten minste één halve arbeidskracht. In de beoogde situatie is de initiatiefnemer voornemens om maximaal 400 m2 aan bestaande bedrijfsgebouwen (totale omvang 848 m2) te gebruiken ten behoeve statische opslag. De statische opslag kan bestaan uit de (binnen)opslag van goederen die geen regelmatig verplaatsing behoeven, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders niet gevestigd agrarisch bedrijf. Daarnaast worden er geen brandgevaarlijke goederen opgeslagen. De statische opslag wordt in de regels van dit bestemmingsplan planologisch begrenst tot en met een oppervlakte van 400 m2 binnen bestaande bedrijfsgebouwen. Hiermee blijft de beoogde ontwikkeling ruim onder de 1000 m2 statische opslag zoals opgenomen in artikel 8.4 onder b.

In de regels van het vigerend bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit')’ is reeds geborgd dat nieuwe bedrijfsbebouwing alleen is toegestaan ten behoeve van een reëel agrarisch bedrijf of een nog te ontwikkelen reëel agrarisch bedrijf, onder de voorwaarde dat bestaande bedrijfsbebouwing (die in gebruik is voor statische opslag) eerst wordt aangewend ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. Hiermee is gebord dat de statische opslag alleen in de huidige bebouwing plaatsvindt. Statische opslag in nieuwe bedrijfsgebouwen is hierdoor uitgesloten. In de regels van dit bestemmingsplan wordt tevens geborgd dat nieuwe bedrijfsgebouwen ten behoeve van statische opslag is uitgesloten. Voorwaarden en toelichting bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4’, artikel 4.7.6 Wijzigen ten behoeve van het verwijderen van de aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', ‘glastuinbouw’, ‘intensieve kwekerij’ en het verkleinen van het bouwvlak.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in die zin dat de aangegeven aanduiding 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', ‘glastuinbouw’, ‘intensieve kwekerij’ wordt verwijderd en tevens indien noodzakelijk het bouwvlak wordt verkleind, indien de betreffende bedrijfsvoering ter plaatse is beëindigd en/of is omgeschakeld naar grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, en/of veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij.

In de beoogde situatie wordt de intensieve veehouderij gesaneerd. In het kader van de SRV-regeling moet de aanduiding 'intensieve veehouderij' worden verwijderd. Omdat er in de beoogde situatie geen sprake meer is van een veehouderij wordt ook de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch veehouderij' verwijderd. In de beoogde situatie wordt het bestaande akkerbouwbedrijf voortgezet. Het bestaande bouwvlak van ongeveer 1,5 hectare wordt verkleind naar 6.750 m2. Hierdoor blijft er voldoende bouwvlak over om een reëel agrarisch bedrijf te exploiteren op de projectlocatie. De gemeente wil onder voorwaarden meewerken aan een wijziging van het bestemmingsplan. Dit is per brief kenbaar gemaakt (kenmerk: PRO-2020-121). Hierdoor kan het initiatief meegenomen worden in het veegplan ‘Ontwikkelplan sanering varkenshouderij’ dat nu in voorbereiding is. Aanvullende voorwaarden (zoals opgenomen in het principebesluit met kenmerk PRO-2020-121):

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

19

-

-

Verwijderen aanduiding ‘iv’ en passend bouwvlak: Op grond van de Subsidieregeling sanering varkenshouderij worden, behoudens 323 m2, alle varkensstallen gesloopt en blijft ca. 1.180 m2 aan bedrijfsbebouwing behouden. In het kader van een passende herbestemming is naast verwijdering van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ ook een aanpassing van het vigerende bouwvlak noodzakelijk. Landschappelijke inpassing: Naast sloop van de varkensstallen dient naast sloop van de varkensstallen dient bij de uitwerking van het plan te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

Op 21 januari 2021 1 januari 2021 is het verzoek tot intrekking omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, voor het houden van varkens, ingediend bij de gemeente Meijerijstad (kenmerk: 919073.014/RS). In voorliggende onderbouwing is beschreven dat de voormalige bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij worden gesloopt. Ongeveer 850 m2 aan bedrijfsbebouwing blijft bestaan. Het saneren van de intensieve veehouderij wordt planologisch geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. De projectlocatie wordt daarbij voorzien van een goede landschappelijke inpassing. Dit is beschreven in paragraaf 3.1.3 en paragraaf 4.5. De aanleg, het in standhouden en onderhouden wordt gebord in de regels van het bestemmingsplan. De verdere uitwerking van deze voorwaarden wordt behandeld in voorliggende ruimtelijke onderbouwing.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

20

4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.

Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat het project geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Een akkerbouwbedrijf komt in de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. niet voor. Er geldt voor het initiatief derhalve geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Daarnaast is er sprake van een bestaande functie. Het initiatief betreft het verwijderen van aanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' en het verkleinen van het bouwvlak. Het bestaande akkerbouwbedrijf wordt hierbij voortgezet. Het gaat hierbij om het verwijderen van functie, die verder geen negatieve milieuhygiënische effecten heeft op de omgeving. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er voor het initiatief geen (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. 4.2.

Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.

4.2.1. Waterrelevant beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

21

het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Omgevingsvisie en Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. De belangrijkste aspecten zijn: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. Zoals reeds uiteen is gezet in paragraaf 3.2.3 liggen er binnen de Iov geen werkingsgebieden voor wat betreft het aspect water op de projectlocatie. Er zijn derhalve geen voorwaarden waar in het kader van de Iov aan getoetst dient te worden. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat, is beschreven in het Provinciaal Milieu en Waterplan (PMWP). Provinciale Staten hebben op 18 december 2015 het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 ‘Samen naar een duurzaam gezonde en veilige leefomgeving in Brabant vastgesteld (PMWP).

Hiermee zijn twee aparte provinciale plannen samengevoegd, te weten het voormalige ‘PWP 2010-2015’ en het ‘Provinciale Milieuplan 2012-2015’. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd gaat het PMWP voor: - Voldoende water voor mens, plant en dier; - Schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - Bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - Verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie in hun PMWP stelt. De PMWP is enkel voor de provincie Noord-Brabant zelf bindend. Zoals weergegeven is in afbeelding 10 heeft de projectlocatie in het PMWP de waterhuishoudkundige functie ‘Water voor het gemengd landelijk gebied’ toegekend gekregen. Deze aanduiding komt overeen met de aanduiding ‘gemengd landelijk gebied’ uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw.

Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

22

Afbeelding 10: uitsnede PMW 2016-2021 kaart 1 (bron: www.ruimtelijkeplanen.nl)

Op de kaart 2 en 3 behorende bij de PMWP heeft de projectlocatie geen aanduiding gekregen. Volgens het beleidskader van de PMWP is dus geen specifiek beschermingsregime van toepassing binnen de projectlocatie. Hiermee past het initiatief binnen het beleidskader van de PMWP. Waterschap Waterschap Aa en Maas is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater in de omgeving van de projectlocatie. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. In het waterbeheerplan ‘Werken met water voor nu en later’ beschrijft Waterschap Aa en Maas de hoofdlijnen van haar beleid. Het huidige waterbeheerplan beschrijft de plannen voor de periode 2016 – 2021. De missie van het waterschap is: ‘Het ontwikkelen, beheren en in stand houden van gezonde, robuuste en veerkrachtige watersystemen, die ruimte bieden aan een duurzaam gebruik voor mens, dier en plant in het gebied, waarbij de veiligheid is gewaarborgd en met oog voor economische aspecten’. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van Waterschap Aa en Maas.

4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie

In navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de Vastgestelde legger oppervlaktewaterlichamen van zowel Waterschap de Dommel als Waterschap Aa en Maas. De projectlocatie is namelijk gelegen op de grens van de twee waterschappen. In afbeelding 11 is een uitsnede weergegeven van de Legger oppervlaktewaterlichamen van Waterschap de Dommel. Hierop is onder andere de waterschapgrens weergegeven. Op navolgende afbeelding zijn tevens A- en Bwatergangen weergegeven. Deze liggen aan de overzijde van de weg, vanaf de projectlocatie gezien. Direct grenzend aan de projectlocatie zijn geen A- en/of B-watergangen gesitueerd.

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

23

Projectlocatie

Afbeelding 11: uitsnede ‘Vastgestelde legger oppervlaktewaterlichamen 2018’ (bron: Waterschap De Dommel)

In onderstaande afbeelding is een uitsnede weergegeven van de Legger Oppervlaktewater van Waterschap Aa en Maas. In de nabijheid van de projectlocatie zijn geen A- en B-watergangen zijn gelegen.

Projectlocatie

Afbeelding 12: uitsnede 'Vastgestelde Legger Oppervlaktewater' (bron: Waterschap Aa en Maas)

In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

24

perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van good-house-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het nietverontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.

4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie

In de beoogde situatie wijzigt de waterhuishoudkundige situatie niet. Ook in de beoogde situatie wordt het afvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er vanuit projectlocatie enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Derhalve is er sprake van een afname van het verhard oppervlakte. De eerdergenoemde watergangen blijven tevens ongewijzigd. De beoogde situatie zal een positief effect hebben op de waterhuishouding. Overtollige (agrarische) bedrijfsbebouwing (ongeveer 7.245 m2) en erfverhardingen zullen verdwijnen in het kader van de SRVregeling. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. Hiervoor is er sprake van een afname in oppervlakteverhardingen. Dit brengt een afname in puntlozing met zich mee. Neerslag kan op deze gronden dus direct infiltreren in de bodem. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. 4.3. Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

4.3.1. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.

Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant (NNB) Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn Interim omgevingsverordening (Iov) de gebieden opgenomen als Natuur Netwerk Brabant. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het Natuur Netwerk Brabant wordt gevormd door bestaande

Ruimtelijke onderbouwing Heerlijkheidsweg 4, Sint-Oedenrode

25

natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de Iov. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ van de Iov is binnen de projectlocatie geen NNB aanwezig, zie afbeelding 13. De beoogde ontwikkelingen hebben daarom geen invloed op de concrete ambities uit het Natuurbeheerplan 2016. Door het saneren van de veehouderij is er sprake van een afname van de emissies waardoor het leefmilieu in de omgeving wordt verbeterd. Daarbij wordt opgemerkt dat door de aanleg van de zorgvuldige landschappelijke inpassing de ecologische waarden in de omgeving versterkt zullen worden.

Afbeelding 13: uitsnede kaart ‘Instructieregels gemeenten: natuur en stiltegebieden’ Iov

4.3.2. Wet natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en de provinciale verordening. In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kampina & Oisterwijkse Vennen, Strabrechtse Heide & Beuven, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=f72ddd49-194b-40c4-9345-292d4327a9e3