Rijtvenweg 3a - Ruimtelijke onderbouwing + Bijlagen
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Rijtvenweg 3a Sint-Oedenrode
Ruimtelijke onderbouwing
Datum: Status:
8 augustus 2022 Vastgesteld
1
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ..................................................................................................................... 2 1 Inleiding ............................................................................................................................ 3 1.1 Huidige en gewenste situatie ......................................................................................... 5 1.2 Ruimtelijke en functionele structuur..................................................................................... 5 2 Planologisch kader ............................................................................................................ 6 2.1 Rijksbeleid......................................................................................................................... 6 2.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................... 6 2.2.1 Structuurvisie.............................................................................................................. 6 2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant ..................................................................................... 8 2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ...............................................................
8 2.3 Gemeentelijk beleid ......................................................................................................... 15 2.3.1 Bestemmingsplan ...................................................................................................... 15 3 Ruimtelijke aspecten ....................................................................................................... 18 3.1 Stedenbouw en landschap ................................................................................................ 18 3.2 Verkeer en infrastructuur .................................................................................................. 18 3.3 Cultuurhistorie en archeologie ........................................................................................... 18 4 Milieuaspecten................................................................................................................. 20 4.1 Geluid ............................................................................................................................. 20 4.2 Luchtkwaliteit .................................................................................................................. 20 4.3 Geur ...............................................................................................................................
22 4.4 Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 23 4.5 Gezondheid ..................................................................................................................... 23 4.6 Water ............................................................................................................................. 24 4.7 Natuur ............................................................................................................................ 27 4.8 Bodem ............................................................................................................................ 29 4.9 Externe veiligheid ............................................................................................................ 29 4.10 Overige aspecten ........................................................................................................... 31 4.11 Vormvrije m.e.r.-beoordeling .......................................................................................... 32 5 Uitvoerbaarheid en procedure ......................................................................................... 33 5.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................
33 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................... 33 5.3 Te volgen procedure ........................................................................................................ 33 6 Conclusie ......................................................................................................................... 34 Bijlagen............................................................................................................................... 35
2
1 Inleiding Initiatiefnemers hebben in het verleden op de locatie Rijtvenweg 3a te Sint-Oedenrode een varkenshouderij geëxploiteerd. Dit bedrijf is inmiddels beëindigd waardoor de bedrijfsbebouwing leeg is komen te staan. Initiatiefnemers zijn voornemens om een gedeelte van de leegstaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van statische opslag. De overige bebouwing wordt gesloopt. Het uitvoeren van statische opslag op de planlocatie is niet direct mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Gemeente Meierijstad ziet aanknopingspunten in het ruimtelijk beleid voor het initiatief en heeft aangegeven dat een bestemmingswijziging gerealiseerd kan worden middels een wijzigingsplan (art. 3.6 Wro). Voorliggende toelichting betreft de planologische verantwoording van het initiatief. In het vigerende bestemmingsplan dat ter plaatse geldt, bestemmingsplan ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 4’ van de gemeente Meierijstad, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van de binnenopslag van statische goederen, met uitzondering van brandgevaarlijke goederen. Onderhavig initiatief wordt meegenomen in het door de gemeente op te stellen veegplan.
Ligging
De locatie is gelegen in het buitengebied van gemeente Sint-Oedenrode, tussen de kernen Breugel, Sint-Oedenrode, Mariahout en Lieshout. De dichtstbijzijnde kern, Mariahout, is gelegen op een afstand van circa 2 kilometer. De ligging in de gemeente is weergegeven op onderstaande afbeelding evenals het bovenaanzicht van de locatie.
Afbeelding 1: Ligging in de omgeving, bron: bingmaps.nl
3
Afbeelding 2: Bovenaanzicht locatie, bron: google.nl/maps
4
1.1 Huidige en gewenste situatie Op de locatie Rijtvenweg 3a te Sint-Oedenrode was in het verleden een varkenshouderij gevestigd. Dit bedrijf is reeds beëindigd. In de huidige situatie staat de bedrijfsbebouwing leeg. In de gewenste situatie wordt een gedeelte van de bedrijfsbebouwing in gebruik genomen ten behoeve van de binnenopslag van statische goederen. Hiertoe wordt de vigerende bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd naar de bestemming ‘Bedrijf’. De overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Tevens wordt het bouwvlak verkleind. Het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Bedrijf’ kan middels een wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden. In onderstaande figuren is de huidige situatie en de beoogde situatie weergegeven. Hierop is te zien dat een gedeelte van de voormalige varkensstal wordt gesloopt en dat het bouwvlak wordt verkleind, rekening houdend met de te slopen bedrijfsbebouwing.
Afbeelding 3: Bestaande situatie (links) en gewenste situatie (rechts)
1.2 Ruimtelijke en functionele structuur Het plangebied betreft een perceel gelegen aan de Rijtvenweg 3a te Sint-Oedenrode, kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode, sectie L, nummer 138. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, tussen de kernen Breugel, Sint-Oedenrode, Mariahout en Lieshout. De directe omgeving bestaat uit verspreide woonbebouwing, agrarische bedrijven en natuurgebied.
5
2 Planologisch kader De ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als deze past binnen het gestelde beleid door de diverse overheden. Hieronder wordt de ontwikkeling getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.
2.1 Rijksbeleid In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. De SVIR is vastgesteld en inwerking getreden op 13 maart 2012. Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040. Het doel van deze structuurvisie is een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland creëren. Het Rijk richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Provincies en gemeenten hebben in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden gekregen. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Het Rijk benoemt daarnaast 13 nationale belangen. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In het MIRT wordt de samenhang van deze rijksbelangen met decentrale belangen en regionale opgaven besproken.
De nationale belangen uit de SVIR worden op basis van de Wet ruimtelijke ordening juridisch geborgd middels twee besluiten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Een gedeelte van de bepalingen in het Barro worden in de regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitgewerkt. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en heeft geen betrekking op de nationale projecten zoals genoemd in het Barro. Verdere toetsing aan dit beleid is dan ook niet noodzakelijk. Aspecten waaronder milieu, waterhuishouding en overige zaken welke van belang zijn en geborgd zijn middels het Bro zullen in deze toelichting worden getoetst.
2.2 Provinciaal beleid Het planologische beleid van de provincie is verwoord in de structuurvisie ruimtelijke ordening en juridisch geborgd middels de Verordening ruimte Noord-Brabant.
2.2.1 Structuurvisie Op 1 oktober 2010 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Provinciale Staten hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 vastgesteld. Deze partiële herziening is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 met een doorkijk naar 2040. De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De 6
visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. De structuurvisie is opgebouwd uit twee delen (A en B) en een uitwerking. Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Hierin heeft de provincie haar belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. Deze belangen en keuzes zijn gebaseerd op trends en ontwikkelingen. Ook beschrijft de provincie vanuit welke filosofie ze haar doelen wil bereiken. In deel B beschrijft de provincie vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. De locatie aan de Rijtvenweg 3a te Sint-Oedenrode is gelegen in ‘Gemengd landelijk gebied’. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de landen tuinbouw de dominante functie is.
In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties etc. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de groenblauwe structuur is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden. Onderhavig initiatief, de verwijdering van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ past binnen bovenstaand beleid gericht op een gemengd landelijk gebied.
Afbeelding 4: Uitsnede kaart Structuurvisie Ruimtelijke Ordening
7
2.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’, welke is vastgesteld op 14 december 2018, geeft de provincie Noord-Brabant het volgende aan ten aanzien van de landbouw. Als provincie wil Noord-Brabant ook in de toekomst voorop blijven lopen als provincie van agrarische kennis- en productie. De export van hoogwaardige Brabantse producten, agro-techniek en –kunde, is een belangrijke bron van inkomsten. Om dit te behouden en verbeteren, is een transitie noodzakelijk waarvan de eerste stappen al gezet zijn. Hierdoor ontstaat een diverser palet aan productiemethoden op de as low-tech hightech. Dit vraagt nu en in de toekomst om inspanningen in de gehele keten. Het stimuleren van een innovatieve ketensamenwerking, waarbij een gezonde en duurzame voedselproductie voorop staat en consumenten meer bewust worden gemaakt van de impact van de voedselproductie, is cruciaal voor onze agrofood van de toekomst. Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen, kassen, plastic tunnels en loodsen verdient aandacht. Daarnaast is gezondheid een thema waaraan alle partijen in de keten gezamenlijk moeten werken.
Circulariteit, nieuwe productiewijzen en kortere schone ketens zijn een belangrijke sleutel om bij te dragen aan klimaatoplossingen. Ook kan de agrarische wereld intensief bijdragen aan de energietransitie.
2.2.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Daarna heeft reeds een wijziging plaatsgevonden. In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: Provinciale milieuverordening Verordening natuurbescherming Verordening ontgrondingen Verordening ruimte Verordening water Verordening wegen Onderhavige locatie is gelegen in ‘gemengd landelijk gebied’ en heeft de aanduiding ‘stalderingsgebied’. Zie hieronder de uitsneden van de kaart behorende tot de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
8
Afbeelding 5: Uitsneden kaarten behorende tot Interim omgevingsverordening ruimte Noord-Brabant
Hieronder wordt getoetst aan de van toepassing zijnde regels.
Paragraaf 3.1.2 basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit Lid 1 Een bestemmingsplan geeft bij de evenwichtige toedeling van functies zoals opgenomen in hoofdstuk 3 Instructieregels aan gemeenten invulling aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.
9
Lid 2 Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: 1. zorgvuldig ruimtegebruik; 2. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; 3. meerwaardecreatie. Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: 1. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; 2. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); 3. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan het werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel. Artikel 3.7 toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: 1.
de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; 2. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. 3. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Artikel 3.8 meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: 1. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 2. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
10
Artikel 3.9 kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: 1. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of 2. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: 1. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; 2. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; 3. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; 4. het wegnemen van verharding; 5. het slopen van bebouwing; 6. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; 7. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.
Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. De planlocatie is reeds rondom voorzien van landschappelijke inpassing, zie afbeelding 6 t/m 8. In de gewenst situatie wordt de bebouwing gedeeltelijk gesloopt. De overige bebouwing blijft behouden en wordt gebruikt voor statische opslag. Het gebruik heeft geen invloed op de landschappelijke inpassing. Hieruit blijkt dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. In de gewenste situatie wordt de bestaande bebouwing gedeeltelijk hergebruikt. De overtollige bebouwing wordt gesloopt. Geconcludeerd kan dan ook worden dat de ontwikkeling aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik voldoet. De bebouwing is wat betreft grootte en uitstraling passend in het landschap.
Meerwaardecreatie
Een gedeelte van de bebouwing wordt hergebruikt. Doordat er nog inkomsten gegenereerd kunnen worden kan het verwijderen van het asbest gefinancierd worden. Het bouwvlak wordt verkleind en de agrarische bestemming verdwijnt, dit levert een positieve bijdrage aan de milieusituatie ter plaatse en in de omgeving. Het vastleggen van de maximale oppervlakte aan bebouwing draagt bij aan de ontstening van het buitengebied. De kwaliteitsverbetering zoals hieronder genoemd levert tevens een meerwaarde. Het buitengebied is niet bedoeld voor bedrijven die vanwege hun uitstraling en milieuhinder op een bedrijventerrein horen. Niet-agrarische bedrijven die goed passen in een gemengde omgeving en die geen onevenredige hinder naar de omgeving veroorzaken (geen bedrijven met een baliefunctie, geen bedrijven met grote of verlichte buitenreclame) kunnen wel eventueel in het buitengebied gevestigd worden. De Gemeente Meierijstad heeft beleidsmatig in haar beleidsstuk ‘Kansen voor Kwaliteit’ aangegeven dat statische opslag als gebiedspassend wordt beschouwd. Het betreft hier voormalige agrarische bedrijfsbebouwing die voor statische opslag wordt gebruikt. Leegstand van bestaande bebouwing wordt hiermee voorkomen. Een (aanzienlijk) deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt. 11
Afbeelding 6: Planlocatie vanuit zuidwestelijke richting
Afbeelding 7: Planlocatie vanuit noordoostelijke richting
Afbeelding 8: Voorzijde planlocatie
12
Artikel 3.9 stelt regels aangaande de kwaliteitsverbetering van het landschap. Hierin is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. Hierbij bevat de toelichting een verantwoording dat de verbetering binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijke beleid past en de wijze waarop deze verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Gemeente Meierijstad heeft in de bijlage bij de regels van bestemmingsplan ‘Buitengebied SintOedenrode, herziening 4’ de regeling ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente SintOedenrode’ vastgesteld. In deze regeling wordt een verdeling van ruimtelijke ontwikkelingen over de verschillende categorieën activiteiten met bijbehorende inspanningen vastgesteld.
Hieruit blijkt dat voor niet-planmatige ontwikkelingen (afzonderlijke initiatieven in het buitengebied) de volgende inspanningen van toepassing zijn: Categorie 1: Geen inspanning Categorie 2: Een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan en borging van uitvoering en beheer; Categorie 3: Toepassing van de forfaitaire methode, waarbij uitgegaan wordt van 20% van de grondwaardevermeerdering in primair agrarisch gebied en van 25% in agrarisch gebied met waarden (landschapswaarden of natuur- en landschapswaarden). Het omschakelen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Bedrijf’, zonder vergroting van het bouwvlak, is een ontwikkeling van categorie 3 in de zin van de regeling. De tegenprestatie die wordt gevraagd om te voldoen aan de eis van ruimtelijke kwaliteitsverbetering wordt forfaitair bepaald op 20% van de waardevermeerdering, daar de bestemming van het perceel ‘Agrarisch’ zonder waarden betreft. Om te kunnen beoordelen of de kwaliteitsverbetering van het landschap in verhouding staat tot de geplande ruimtelijke ontwikkeling wordt de omvang van de prestatie berekend. Daarnaast wordt een waarde toegekend aan de investering die in de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt gedaan. In onderstaande tabel is de benodigde bijdrage in kwaliteitsverbetering van het landschap weergegeven. Tabel 1: Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen
Huidige bestemming Agrarisch bouwvlak
Bijdrage € per m2
Aantal m2
Bijdrage €
23
13.224
304.152
5 115
8.224 1.000
41.120 115.000
45
4.000
180.000
Beoogde situatie Agrarisch zonder bouwvlak Niet-agrarisch bedrijf statische opslag (bebouwd) Niet-agrarisch bedrijf statische opslag (onbebouwd) Bestemmingswinst Bijdrage 20%
31.968 6.394
De kwaliteitsverbetering van het landschap vindt plaats door fysieke prestaties op de projectlocatie. Onderstaand is weergegeven welke bijdrage wordt geleverd.
13
Tabel 2: Bijdrage ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap
Investering Slopen veestallen Verwijderen verharding Totaal
Prijs € per m2
Aantal m2 15 3
Totaal € 544 175
8.160 525 8.685
Hieruit blijkt dat een hogere bijdrage in kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geïnvesteerd dan noodzakelijk conform de Regeling. Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan artikel 3.2 van de Verordening ruimte.
Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1. Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Functiemenging past binnen het beleid. Statische opslag heeft voordelen voor het milieu ten opzichte van een intensieve veehouderij. De emissies van geur, fijnstof en ammoniak vervallen en het aantal vervoersbewegingen van met name vrachtverkeer neemt sterk af.
b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel;
De statische opslag betreft het enige zelfstandige bedrijf op de planlocatie.
c. overtollige bebouwing wordt gesloopt;
In de beoogde situatie wordt een gedeelte van de bebouwing in gebruik genomen ten behoeve van statische binnenopslag. De overtollige bebouwing wordt gesloopt, dit betreft 544 m2.
d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Het betreft statische opslag.
Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De beoogde ontwikkeling betreft geen detailhandelsvoorziening of voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg. De gemeente heeft in haar bestemmingsplan een maximale omvang van 5.000 m2 in de
14
wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Hier wordt aan voldaan. De maximale oppervlakte in gebruik voor statische opslag wordt vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan. Het plan voldoet aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
2.3 Gemeentelijk beleid
2.3.1 Bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint Oedenrode, herziening 2’ van de gemeente Meierijstad is gewijzigd vastgesteld op 29 september 2016. De locatie heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak en de functieaanduiding ’intensieve veehouderij uitgesloten’. Daarnaast heeft de locatie gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Leiding – Water’ en de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – leiding’. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.
Afbeelding 9: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2
De regels voor de bestemming 'Agrarisch' van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 2’, worden vervangen door de regels voor de bestemming 'Agrarisch' van bestemmingsplan 'Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4' van de gemeente Meierijstad. In de regels is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het wijzigen van de bestemming naar ‘Bedrijf’ ten behoeve van de binnenopslag van statische goederen. Hieronder wordt getoetst aan de voorwaarden van deze wijziging.
Wijzigingsbevoegdheid 3.6.12 Wijziging naar Bedrijf ten behoeve van opslag Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van de binnenopslag van statische goederen, met uitzondering van brandgevaarlijke goederen, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden.
15
a. De opslag dient zich te beperken tot statische (binnen)opslag in bestaande gebouwen waarbij buitenopslag niet is toegestaan;
In de beoogde situatie worden caravans opgeslagen in een gedeelte van de bestaande bebouwing. Dit betreft statische binnenopslag. Er vindt geen buitenopslag plaats.
b. De oppervlakte aan bedrijvigheid per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 1.000 m², waarbij cultuurhistorische waardevolle gebouwen gehandhaafd dienen te blijven en opslag in kassen niet is toegestaan;
In de beoogde situatie wordt 1.000 m2 bedrijfsbebouwing in gebruik genomen ten behoeve van statische binnenopslag. De overige bebouwing, zijnde 544 m2, wordt gesloopt.
c. In afwijking van het bepaalde onder b geldt ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingsconcentratie' een maximale oppervlakte van 2.000 m²;
De planlocatie is niet gelegen in een bebouwingsconcentratie.
d. Er wordt een bestemmingsvlak en bouwvlak op maat gerealiseerd, rekening houdend met de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing;
Het bestemmings- en bouwvlak wordt verkleind tot een oppervlakte van 5.000 m2, rekening houdend met de te slopen bebouwing.
e. Alleen bedrijven, die voorkomen in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (zie Bijlage 1) zijn toegestaan, alsmede bedrijven in categorie 3.1 voor zover deze naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met bedrijven in categorie 2;
Statische opslag betreft milieucategorie 2 en past daarmee binnen deze voorwaarden.
f.
Opslag ten behoeve van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is niet toegestaan;
De beoogde statische opslag betreft niet de opslag van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf.
g. Detailhandel is niet toegestaan;
De statische opslag leidt niet tot een detailhandelsvoorziening.
h. Het agrarisch bedrijf ter plaatse is beëindigd en agrarisch hergebruik is niet langer mogelijk;
Het agrarisch bedrijf is reeds beëindigd en intensieve veehouderij op de locatie is uitgesloten. De locatie beschikt over te weinig grond om een grondgebonden bedrijf te starten.
i.
Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen;
j.
De vestiging van het bedrijf leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen;
In hoofdstuk 4 worden de milieuhygiënische aspecten beoordeeld. Hieruit blijkt dat deze aspecten geen belemmering vormen voor de gewenste situatie.
Voor woningen welke in het verleden tot een veehouderij behoorde geldt buiten de bebouwde kom een minimaal vereiste afstand van 50 meter in verband met geur. Het meest nabijgelegen bedrijf is gelegen op een afstand van circa 83 meter vanaf de woning. Ook andere aspecten zoals fijnstof en geluid leiden niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen, zie hoofdstuk 4.
k. De vestiging van het bedrijf mag geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg hebben;
De statische opslag heeft een minimaal verkeer aantrekkende werking. De nieuwe bestemming zal minder verkeer aantrekken dan een agrarische bestemming.
l.
De wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in Bijlage 6 van de planregels;
16
In paragraaf 2.2.3 van onderhavige toelichting is de waarde van de benodigde kwaliteitsverbetering berekend. Hieruit blijkt dat de benodigde waarde van kwaliteitsverbetering €10.277,60 bedraagt. Tevens is hier omschreven welke investeringen worden uitgevoerd ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.
m. Er wordt een bestemmingsvlak en bouwvlak op maat gerealiseerd, rekening houdend met de te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing;
Het huidige bestemmings- en bouwvlak heeft een oppervlakte van 1,32 hectare. Het beoogde bestemmings- en bouwvlak wordt verkleind tot een oppervlakte van 5.000 m2, rekening houdend met de te slopen bebouwing.
n. In aanvulling op het bepaalde onder m mag de oppervlakte van het bestemmingsvlak niet meer bedragen dan 5.000 m².
Het beoogde bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van 5.000 m2.
Hieruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. Initiatiefnemer is in dialoog gegaan met de omgeving. Een verslag hiervan is opgenomen als bijlage.
17
3 Ruimtelijke aspecten De ruimtelijke aspecten stedenbouw en landschap, verkeer en infrastructuur, cultuurhistorie en archeologie komen in dit hoofdstuk aan bod. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het beleid omtrent deze aspecten.
3.1 Stedenbouw en landschap De structuur en het beeld van een landschap worden in hoge mate bepaald door de manier waarop het landschap is ontgonnen. De voormalige gemeente Sint-Oedenrode maakt onderdeel uit van de Centrale Slenk. Oudere ijstijdafzettingen zijn hier in het verleden bedekt door een laag dekzand. Wind vanuit de zuidwestnoordoostelijke richting heeft voor opstuwing gezorgd. Het resultaat hiervan zijn ruggen en welvingen, die vooral in zuidwest-noordoostelijke richting lopen. De kern van Sint-Oedenrode is gelegen op een dergelijke dekzandrug. Het gaat hier om de Midden Brabantse dekzandrug. Het buitengebied van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode heeft een landelijk karakter. Het gebied wordt getypeerd door een grote verscheidenheid aan landschappen, variërend van kleinschalige landschappen, zoals het beekdalsysteem van De Dommel, tot meer grootschalige typen, van bijvoorbeeld de open jonge zandontginningen. Het overwegend agrarisch gebruik en de natuuren bosgebieden (beekdal van De Dommel, Vresselse Bos, De Geelders) zijn kenmerkend voor het buitengebied van de voormalige gemeente Sint-Oedenrode. Deze gebieden zijn ook vanuit recreatief oogpunt interessant.
3.2 Verkeer en infrastructuur De verkeersbewegingen nemen met de wijziging, van een agrarisch bedrijf naar een bebouwing met statische opslag, af. In de nieuwe situatie zal niet langer sprake zijn van vrachtverkeer en landbouwvoertuigen. De verkeersbewegingen in de nieuwe situatie betreffen personenauto’s voor privédoeleinden en enkele verkeersbewegingen per week in verband met de statische opslag. De capaciteit van de omliggende infrastructuur is voldoende en behoeft geen aanpassingen. Parkeren/stalling van de voertuigen gebeurt op eigen terrein.
3.3 Cultuurhistorie en archeologie Het ‘verdrag van Malta’, Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, is in 1998 bekrachtigd in Nederland. Dit verdrag krijgt binnen Nederland vorm middels de Wet op de archeologische monumentenzorg. De Nota Belvedère geeft aan dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met eventuele cultuurhistorie ter plaatse. De nota en het verdrag leiden ertoe dat de provincie in haar beleid het cultuurhistorisch en archeologisch erfgoed moet beschermen. Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet op de archeologische monumentenzorg ligt de verantwoordelijkheid voor de bescherming en het behoud van cultuurhistorische en archeologische waarden voornamelijk bij gemeenten. Zij zorgen ervoor dat het beleid op de juiste wijze wordt uitgevoerd.
Cultuurhistorie
Om cultuurhistorisch erfgoed te kunnen beschermen en behouden heeft de Provincie Noord-Brabant de Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld. Deze kaart bevat informatie over archeologische en bouwkundige monumenten, archeologische verwachtingswaarden en met beschermde stads- en dorpsgezichten. De cultuurhistorische waarden worden verwerkt in het provinciaal beleid, de Structuurvisie ruimtelijke ordening en de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 18
Hieronder is een uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart weergegeven. Hieruit blijkt dat de locatie niet is gelegen in cultuurhistorisch landschap of cultuurhistorisch vlak.
Afbeelding 10: Uitsnede kaart Cultuurhistorische waardenkaart, provincie Noord-Brabant (planlocatie rood omcirkeld)
In het kader van cultuurhistorie zijn geen belemmeringen aanwezig voor de gewenste ontwikkeling.
Archeologie
De gemeente verwerkt het provinciale archeologische beleid in haar eigen beleid. Hiertoe zijn in het bestemmingsplan dubbelbestemmingen ten behoeve van archeologie opgenomen. De planlocatie is niet gelegen binnen een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. Bovendien wordt in de beoogde situatie geen bebouwing gerealiseerd. Enkel de bestemming en het gebruik van de bebouwing wordt gewijzigd. Hiertoe hoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.
19
4 Milieuaspecten In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling getoetst aan de verschillende bepalingen omtrent geluid, fijnstof, geur, water, natuur en bodem. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op het milieu wordt hiermee in beeld gebracht.
4.1 Geluid Wegverkeerslawaai
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder richt zich vooral op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) in relatie met belangrijke geluidsbronnen zoals (spoorweg)verkeer en gezoneerde industrieterreinen. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 (opgenomen in de Wet milieubeheer) geldt de Wet geluidhinder niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. In de beoogde situatie wordt de functie van de agrarische bebouwing gewijzigd; de agrarische bestemming wordt gewijzigd in een bestemming ‘Bedrijf’ ten behoeve van statische opslag. De woning op de locatie Rijtvenweg 3a te Sint-Oedenrode betreft een bestaande woning en daarmee een bestaand geluidgevoelig object. Nadere toetsing van de geluidsbelasting ter plaatse hoeft in dit kader niet plaats te vinden.
Industrielawaai
Ook in situaties dat de Wet geluidhinder niet van toepassing is zal in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestische beoordeling moeten plaatsvinden. Voor geluid in de ruimtelijke ordening voor zover niet geregeld in de Wet geluidhinder vindt toetsing plaats in het kader van de Wet ruimtelijke ordening en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt in artikel 3.1 dat bestemmingen worden gelegd en regels worden gesteld in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Als hulpmiddel hierbij kan gebruik gemaakt worden van bijvoorbeeld de ‘Brochure Bedrijven en Milieuzonering’ (VNG), geluidbeleid en toetsingskaders op basis van de Wet milieubeheer. De dichtstbijzijnde woning betreft de bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf aan de Rijtvenweg 3. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 115 meter van de woning. Voor de statische opslag geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Ten aanzien van het aspect industrielawaai is derhalve geen verder onderzoek noodzakelijk.
4.2 Luchtkwaliteit In het kader van onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is het noodzakelijk aan te tonen dat de ontwikkeling niet tot een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. De ontwikkeling vormt geen probleem ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit indien er geen sprake is van een overschrijding van de gestelde normen of de ontwikkeling per saldo niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit danwel het project ‘Niet In Betekenende Mate’ bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het kader van de Wet milieubeheer zijn het Besluit en de Regeling “Niet In Betekenende Mate bijdrage” (NIBM) op 15 november 2007 in werking getreden. Een plan is NIBM, als aannemelijk is dat het plan een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal verkeersbewegingen in de 20
beoogde situatie af. De huidige agrarische bestemming genereert meer verkeersbewegingen dan de statische opslag in de beoogde situatie. Hieronder is een weergave van de NIBM rekentool van Infomil weergegeven. Voor de beoogde situatie wordt uitgegaan van 20 verkeersbewegingen per dag. Dit betreffen personenauto’s voor privédoeleinden en enkele verkeersbewegingen in verband met het brengen en halen van caravans (statische opslag). Dit betreffen de verkeersbewegingen van de gehele beoogde situatie en niet slechts de ‘extra’ voertuigbewegingen gezien de afname in bewegingen. Uit de NIBM-tool blijkt dat de bijdrage van het verkeer NIBM is.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2019
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
20
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m
3
0,02
PM10 in μg/m
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 11: NIBM rekentool, bron: Infomil
Achtergrondconcentratie
Op de afbeeldingen hieronder is de achtergrondconcentratie van fijnstof, zeer fijnstof en stikstofdioxide te zien. De waarden voldoen aan de grenswaarden, 40 μg/m³ voor NO2 en PM10 en 20 μg/m³ voor PM2,5. Voor het aspect luchtkwaliteit kan dan ook geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de ontwikkeling. De bedrijven in de omgeving hebben nog voldoende uitbreidingsmogelijkheden wat luchtkwaliteit betreft.
Afbeelding 12: Achtergrondconcentratie stikstofdioxide gegevens 2020 bron: RIVM
21
Afbeelding 13: Achtergrondconcentratie PM10 gegevens 2020, bron: RIVM
Afbeelding 14: Achtergrondconcentratie PM2,5 gegevens 2020, bron: RIVM
4.3 Geur In de beoogde situatie is sprake van een bedrijf met statische opslag. Op het bedrijf worden niet langer dieren gehouden. Hierdoor hoeft niet langer getoetst te worden aan de Wet geurhinder en veehouderij.
Omgekeerde werking
De woning aan de Rijtvenweg 3a betreft een bestaande woning, welke tot een veehouderij behoorde. Derhalve betreft het een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij. Hiervoor gelden in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij vaste afstanden. De minimaal vereiste afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij bedraagt 50 meter. Binnen 50 meter van het geurgevoelig object is geen andere veehouderij gelegen. Omliggende
22
veehouderijen worden door de beoogde ontwikkeling niet extra beperkt omdat het reeds een bestaand geurgevoelig object is die wat betreft beoordeling niet veranderen. Verder onderzoek naar de geurbelasting van omliggende veehouderijen op deze locatie zijn derhalve niet noodzakelijk.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Het ruimtelijk ordeningsbeleid regelt de situering van milieubelastende en milieugevoelige functies. Het doel is de kwaliteit van de leefomgeving te beschermen. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). De VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In deze brochure is onderscheid gemaakt in verschillende bedrijfsactiviteiten en gebieden. In de brochure is een lijst opgenomen die snel inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een ‘rustige woonwijk’, maar een ‘gemengd gebied’. In onderhavige situatie is sprake van een gemengd gebied door de verschillende functies en aanwezige bedrijvigheid in de omgeving. Hierdoor zouden e richtafstanden met één afstandstrap verminderd mogen worden. In de nabije omgeving van Rijtvenweg 3a zijn enkele (agrarische) bedrijven en enkele burgerwoningen gelegen.
De dichtstbijzijnde inrichting betreft Rijtvenweg 3. De woning aan de Rijtvenweg 3 is gelegen op een afstand van 115 meter van de inrichting aan de Rijtvenweg 3a. De statische opslag, zijnde caravans, betreft SBI code 52109 met milieucategorie 2. Hiervoor geldt een afstand vanwege geluid van minimaal 30 meter (10 meter in gemengd gebied). De overige richtafstanden betreffen 0 meter. Aan deze afstanden wordt voldaan. De inrichting aan de Rijtvenweg 3, een varkenshouderij, is gelegen op circa 63 meter van de woning aan Rijtvenweg 3a. De richtafstand voor geur uit de VNG-publicatie is bepalend en betreft 200 meter (100 meter in gemengd gebied). Echter, voor geur gelden de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Hierin is bepaald dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij 50 meter bedraagt. Hier wordt aan voldaan. In de VNG-publicatie is voor geluid een afstand van 50 meter (30 meter voor gemengd gebied) en voor stof een afstand van 30 meter (10 meter voor gemengd gebied) opgenomen. Aan de richtafstanden wordt voldaan.
4.5 Gezondheid Volgens de Gezondheidsraad is endotoxine een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden van veehouderijen aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op de luchtwegen. Daarom is in de notitie ‘Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ de blootstelling aan endotoxine en de advieswaarde van de Gezondheidsraad als insteek gekozen. Het endotoxine toetsingskader 1.0 biedt de mogelijkheid om bij de vergunningverlening aan veehouderijen uit voorzorg bescherming te bieden aan omwonenden. Recentelijk zijn de resultaten van het gezondheids- (VGO) en het endotoxineonderzoek gepubliceerd. Uit het VGO onderzoek is o.a. gebleken dat er een afname is van de longfunctie bij iedereen die woont in een gebied met meer dan 15 veehouderijen binnen een straal van 1000 meter. Het is volgens de onderzoekers het meest waarschijnlijk dat deze effecten veroorzaakt worden door de blootstelling aan stoffen afkomstig van veehouderijen.
23
De advieswaarde van de Gezondheidsraad bedraagt 30 EU/ m3. Onderhavige ontwikkeling heeft een positieve invloed op de waarde doordat in de beoogde situatie geen dieren meer gehouden worden op de planlocatie. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering bij een ontwikkeling vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met stallen met een agrarische bestemming naar een bedrijfswoning met bebouwing voor statische opslag met een bedrijfsbestemming. In beide gevallen is er sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig.
4.6 Water Het nationale kader ten aanzien van water is vastgelegd in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015 én de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet (vastgesteld op 22 december 2009) is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Met de Waterwet heeft het Rijk invulling gegeven aan de Europese Kaderrichtlijn Water. De taak van de provincies is het nationale Waterplan te vertalen in provinciaal beleid. In de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de provincie Noord-Brabant zijn bepalingen opgenomen ter bevordering van een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem, een betere waterveiligheid door preventie en de koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en hoe hiermee om te gaan zijn beschreven in het Provinciaal Water Plan. De gemeenten en de waterschappen dienen hun beleid te baseren op dit Provinciaal Water Plan. De watertoets is van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze meewegen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. Beleid
Rijk
Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan vastgesteld. In het nieuwe Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door de veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. Het Nationaal Waterplan verankert het nieuwe waterbeleid voor de komende 6 jaar met een vooruitblik naar 2050. Onderdeel zijn de Deltabeslissingen, de Beleidsnota Noordzee met ruimtelijk plan, de verankering van waterafspraken uit het Energieakkoord, de Natuurvisie, de Internationale Waterambitie en de plannen en maatregelenprogramma’s waarmee we voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het mariene milieu.
24
Provincie
Op 18 december 2015 hebben Provinciale Staten het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PMWP) vastgesteld. Met het PMWP draagt de provincie bij aan een Brabant waar mens, plant en dier gezond en prettig kunnen leven, met ruimte voor een elkaar versterkende economische, maatschappelijk en ecologische ontwikkeling. Met andere woorden: voldoende water voor mens, plant en dier; schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met haar partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in dit Provinciaal Milieu- en Waterplan. De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP) 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten.
De locatie heeft de functie ‘water voor het gemengd landelijk gebied’ (zie onderstaande afbeelding). Het waterbeheer richt zich op een goede waterhuishouding voor een duurzame en concurrerende landbouw. Randvoorwaarden zijn de verplichtingen uit de Kaderrichtlijn Water en afstemming met de maatregelen voor de Natura 2000-gebieden en de Natte natuurparels. Voor het overige geldt geen specifiek beschermingsbeleid. De locatie is niet gelegen in een gebied met een rol voor de bescherming van het (grond) water dat is bestemd voor menselijke consumptie.
Afbeelding 12: Kaart Gezondheid 1 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021
Waterschap
Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer is in Sint-Oedenrode in handen van Waterschap de Dommel .
25
Waterbeheerprogramma 2022-2027: Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving
Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. De droge zomers van 2018, 2019 en 2020, én de wateroverlast in 2021 tonen de urgentie aan en laten zien dat de omgang met water fundamenteel moét veranderen. Deze grote veranderopgave heet de watertransitie.” Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen.
De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de verandering zijn gericht op: van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. De Keur bevat de regels en vult daarmee de regels uit de Waterwet aan om daarmee de doelstellingen zoals opgenomen in het Waterbeheerplan te kunnen realiseren. De Keur is zowel van toepassing op de rivieren, beken, sloten, grondwater en waterkeringen die in beheer zijn bij het waterschap als particulieren en bedrijven. De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun keuren geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Bij een toename van het verhard oppervlakte geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.
Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het Waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit de Algemene Regel (Artikel 15 Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak), behorend bij de Keuren van de drie Brabantse waterschappen, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel geldt voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 500 m2 en maximaal 10.000 m2.
Bestaande situatie waterhuishouding
In de bestaande situatie vloeit het hemelwater dat terechtkomt op de bestaande bebouwing en erfverharding af naar de omliggende gronden waar het infiltreert in de bodem. De erfverharding en daken van de bebouwing worden zorgvuldig schoongehouden zodat het hemelwater niet verontreinigd wordt en het zonder problemen kan infiltreren/afvloeien.
Toekomstige situatie waterhuishouding
De beoogde situatie ziet niet op een toename van verhard oppervlak, er wordt zelfs een gedeelte van de bestaande bebouwing gesloopt. Compenserende maatregelen ten behoeve van de afvoer van het
26
hemelwater afkomstig van de bebouwing en erfverharding zijn dan ook niet noodzakelijk op basis van de Keur.
4.7 Natuur Onderstaand worden diverse aspecten met betrekking tot natuur- en groene wetgeving getoetst. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op natuuraspecten worden hiermee in kaart gebracht.
Natuurnetwerk Nederland
Het dichtstbij gelegen gebied behorende tot Natuurnetwerk Nederland is gelegen op circa 380 meter ten noorden van het plangebied (zie volgende afbeelding). De nieuwe ontwikkeling zorgt niet voor verlies van oppervlakte, versnippering of andere negatieve effecten op het gebied.
Afbeelding 13: Ligging Natuurnetwerk Nederland (bron: kaartbank.brabant.nl)
Natura 2000-gebieden
De effecten op Natura 2000 gebieden is voor het gehele veegplan in kaart gebracht.
Flora en Fauna
De toets in het kader van de soortenbescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. De nieuwe wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe wet voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. De wet regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust worden gelaten. Eventuele schade dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Op de planlocatie wordt een gedeelte van de bestaande bebouwing gesloopt. Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. De oude stal die gedeeltelijk gesloopt gaat worden is compleet dicht uitgevoerd waardoor geen beschermde fauna in het gebouw gehuisvest kan zitten. Met het slopen van een gedeelte van de oude bebouwing zullen dan ook geen verblijfplaatsen van beschermde soorten verstoord worden.