Plaggensteeg 1a - Hoogstraat 57 - Nieuwstraat 32 - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen
Tekst van het document
25 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
De vergroting vindt plaats aansluitend aan de bestaande functieaanduiding t.b.v. het aanwezige bedrijfsgebouw. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt tevens een agrarisch bouwvlak en bedrijfsbebouwing gesaneerd aan de Nieuwstraat 32. 2. De wijziging is noodzakelijk voor (de ontwikkeling van) een reëel agrarisch bedrijf. Momenteel is sprake van een volwaardig en reëel agrarisch bedrijf dat verspreid zit over drie locaties. Door het planvoornemen kan de bedrijfsvoering efficiënter worden ingedeeld en worden gereduceerd naar twee locaties. Omdat op de locatie Plaggensteeg en Nieuwstraat de ruimte voor de bedrijfsvoering wordt beperkt is uitbreiding in dezelfde orde van grootte noodzakelijk op de locatie Hoogstraat. Netto zal sprake zijn van een afname van de bebouwingsmogelijkheden. 3. Er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. Dit wordt verder uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. 4. De wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen. Dit wordt verder uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. 5. Ten minste 10% van het bouwvlak wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan, waarbij de landschappelijke inpassing zowel binnen als ook direct grenzend aan het bouwvlak kan worden gerealiseerd.
In het principebesluit genomen door het college in maart 2019 wordt verplicht gesteld dat het planvoornemen voldoet aan bijlage 06 van de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode, herziening 4. Op basis hiervan is op de locaties Plaggensteeg en Hoogstraat is sprake van een categorie 2 ontwikkeling. Hiertoe moet een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan worden geborgd. Waarbij tevens de uitvoering en het beheer is geborgd. De borging van de landschappelijke inpassingsplan zal plaatsvinden middels een voorwaardelijke verplichting, opgenomen in de regels van het plan. 6. Deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied overeenkomstig de regeling kwaliteitsverbetering landschap Sint-Oedenrode zoals opgenomen in Bijlage 6 van de planregels. Op basis van bijlage 6 is op de locaties Plaggensteeg en Hoogstraat is sprake van een categorie 2 ontwikkeling. Hiertoe moet een goede landschappelijke inpassing op basis van een goedgekeurd landschapsplan worden geborgd. Waarbij tevens de uitvoering en het beheer is geborgd.
De borging van de landschappelijke inpassingsplan zal plaatsvinden middels een voorwaardelijke verplichting, opgenomen in de regels van het plan. 7. De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. Dit wordt verder uiteengezet in hoofdstuk 4 van deze toelichting. 8. Wijziging is niet mogelijk binnen de EHS en binnen 10 m van het hart van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone – wijzigingsgebied (zoekgebied evz + natuurontwikkelingsgebied)'. Het dichtstgelegen EHS gebied (Natuur Netwerk Brabant) is gelegen op ca. 900 meter. 9. De wijziging is niet mogelijk ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen. 26 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Niet van toepassing. 3.4.4 Conclusie Het planvoornemen geeft invulling aan meerdere (beleids)doelstellingen binnen de gemeente. Zo wordt invulling gegeven aan een duurzame voortzetting van een jong agrarisch bedrijf binnen de gemeente. Hierbij wordt bedrijfsoptimalisatie gerealiseerd op één locatie waar deze het meest geschikt is. Deze uit te breiden locatie voldoet aan de gemeentelijke voorschriften voor uitbreiding. Daarbij wordt als compensatie één bedrijfslocatie gesaneerd in een bebouwingsconcentratie. Tevens geeft het plan invulling aan een bredere plattelandseconomie, waar innoverende combinaties mogelijk zijn met en naast de traditionele agrarische activiteiten.
27 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
4 PLANOLOGISCH RELEVANTE OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Inleiding Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. De milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente Meierijstad is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. In dit hoofdstuk wordt aangetoond dat in milieutechnisch opzicht geen belemmeringen bestaan voor het planvoornemen. Achtereenvolgens worden behandeld: • • • • • • • • • • • •
bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; natuur; flora en fauna; wegverkeerslawaai; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Een historisch en verkennend bodemonderzoek confom de NEN 5740 dient te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen structureel 2 uur of langer gaan verblijven. Beoordeling Plaggensteeg 1A Voor de planlocatie Plaggensteeg 1A is op 28 september 2017 een bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy voor de bouw van de bedrijfswoning. Hierbij is het volgende geconcludeerd: Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie.
De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Het onderzoek is reeds in het bezit van het bevoegd gezag.
28 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Beoordeling Hoogstraat 57 Op de planlocatie Hoogstraat 57 is momenteel bedrijfsbebouwing aanwezig voor: kantoor/bespreekruimte, kantine, wasruimte en voor het klaarmaken van verzendingen. Het plan ziet toe op het vergroten van het bouwvlak zodat nieuwe bedrijfsbebouwing kan worden opgericht. In onderstaande afbeelding zijn de functies in de nieuwe bedrijfsbebouwing weergeven. Hieruit blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt gebruikt voor de opslag van machines en grondstoffen alsmede voor de teelt van planten (foliekas). Omdat in de nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen niet voortdurend of nagenoeg geen mensen verblijven is een bodemonderzoek op de locatie niet noodzakelijk.
opslag gereeds chap
kantoor, kantine, klaarmaken verzendingen
Nieuwe bedrijfsbebouwing
Bestaande bedrijfsbebouwing
Conclusie De milieuhygiënische kwaliteit zorgt niet voor belemmeringen voor het beoogde gebruik van de locaties. 4.3 Waterhuishouding Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: 29 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
• • •
Beschrijving waterrelevant beleid; Bestaande waterhuishoudkundige situatie; Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.3.1 Waterrelevant beleid Toetsingskader De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven middels de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Het beleid van de provincie Noord-Brabant richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Dit beleid is vertaald in de Structuurvisie 2010 en de Verordening ruimte 2014.
In de structuurvisie komen over het onderwerp water de volgende aspecten aan bod: - Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; - Een betere waterveiligheid door preventie; - Koppeling van waterberging en droogtebestrijding. De watertoets en de wijze waarop de provincie daar mee omgaat is beschreven in het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Het doel van dit plan is het creëren van een gezonde leefomgeving voor mens, dier en plant, waarin we veilig kunnen wonen en waar ruimte is voor economische, maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen. Het aspect water maakt hier onderdeel van uit. Kort gezegd betreft het: - voldoende water voor mens, plan en dier; - schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht); - bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s; - verduurzaming van de grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening. Gemeenten en waterschappen dienen hun waterbeleid te baseren op de uitgangspunten die de provincie stelt. Waterbeheerprogramma 2022-2027 - Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving. Het water- en bodemsysteem is onontbeerlijk voor een gezonde en leefbare ruimtelijke inrichting van Noord-Brabant. Meer dan ooit is het belangrijk om rekening te houden met het concept van de lagenbenadering om een toekomstbestendige leefomgeving te waarborgen.
Door klimaatverandering en ruimtelijke druk, staat immers de veerkracht van het water en bodemsysteem onder druk. De lagenbenadering beschrijft de ruimte in drie lagen. De eerste laag bestaat uit de fysieke ondergrond, het water- en bodemsysteem. De tweede laag bevat netwerken van infrastructuur met onder meer wegen, spoorlijnen en waterwegen. Tot slot de derde laag met de menselijke activiteiten zoals wonen, werken en recreëren en de fysieke neerslag daarvan. Ruimtelijke planning en gebiedsontwikkeling is 30 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
een proces waarin continu keuzes worden gemaakt. De lagenbenadering helpt in dit keuze- en afwegingsproces en dient als kwaliteitskader voor alle (ruimtelijke) plannen. Elke laag draagt bij aan de ontwikkeling. De lagenbenadering betekent wel dat een onderliggende laag voorwaarden stelt aan andere lagen. Zeker vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling zijn veerkracht en omkeerbaarheid van ingrepen belangrijke gegevenheden. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk in 2050 is de waterhuishouding in ons hele beheergebied toekomstbestendig. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water.
We hanteren drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: • Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt • Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan • Wat schoon is moet schoon blijven We moeten ons, nog meer dan voorheen, aanpassen aan de veranderende leefomgeving en op zoek gaan naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Juist de voor Midden-Brabant zo karakteristieke verwevenheid van bebouwing, landbouw en natuur is een kans om de wateropgaven slim in te passen. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak samen met alle partijen. Een gebiedsgerichte aanpak is alleen succesvol als naast de wateropgaven ook de opgaven vanuit natuur, stikstof, economie, landbouwtransitie, energietransitie, biodiversiteit, mobiliteit en woningbouw onderdeel van de aanpak zijn. Niet sectoraal, maar integraal. Alleen dan gaan we oplossingen vinden voor een leefbaar Midden-Brabant met een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem dat goed is voor inwoners, bedrijven, landbouw en natuur. De grote uitdaging zit hem vooral in de vraag hoe we dit gaan bereiken. Meer dan voorheen gaan we daarbij: • van beekdalgericht naar gebiedsgericht; onze aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied.
• van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners maken we keuzes over meerdere opgaven in een gebied. • van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Voor ontwikkeling met een verharding van meer dan 500 m² tot gevolg schrijft de keur van het waterschap voor dat compensatie noodzakelijk is. 4.3.2 Beoordeling De locaties Nieuwstraat 32 en Plaggensteeg 1A nemen af in verhard oppervlak of blijven gelijk aan de bestaande situatie. Momenteel wordt hemelwater opgevangen in een waterbassin op de locatie Plaggensteeg, deze situatie blijft onveranderd in de beoogde situatie. Een mogelijke toename in erfverharding op de locatie Plaggensteeg zorgt niet voor een toename in puntlozing, omdat hemelwater middels afschot kan afvloeien naar omliggende gronden. Voor beide locaties worden daarom geen nadelige gevolgen verwacht voor de waterhuishouding.
31 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
De mogelijkheden voor nieuwbouw op de locatie Hoogstraat 57 zorgen voor een toename in puntlozing. Het bouwvlak heeft een maximale omvang van 10.000 m², momenteel is sprake van ca. 1.000 meter verhard oppervlak. Bij een totale benutting van het bouwvlak (maximaal 10.000) kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3). Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (m) De kaart Algemene regel afvoer regenwater door verhard oppervlak 2015 geeft vervolgens aan of voor een specifieke locatie met minder compensatie volstaan kan worden. Deze kaart is gebaseerd op een combinatie van locatiespecifieke bodemkundige en hydrologische omstandigheden. De kaart kent drie verschillende gevoeligheidsgebieden. Gevoeligheidsfactor 1 (vermenigvuldigt de berekende compensatie met één) geeft aan dat alleen met de volledige compensatie volstaan kan worden. Gevoeligheidsfactor ½ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een half) geeft aan dat met de helft van de berekende capaciteit volstaan kan worden. Tenslotte geeft gevoeligheidsfactor ¼ (vermenigvuldigt de berekende compensatie met een kwart) aan dat met ¼ van de berekende capaciteit kan worden volstaan.
Voor de locatie Hoogstraat 57 is volgens de kaart gevoeligheidsfactor ½ van toepassing. De benodigde compensatie voor de locatie Hoogstraat 57 betreft in dit geval dus: 9.000 x 0,5 x 0,06 = 270 m³. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bedraagt ter plaatse van de Hoogstraat gemiddeld 6080 cm beneden maaiveld. Om de berging van water te waarborgen zal, afhankelijk van de indeling van het perceel, aan de noordzijde retentievijver worden gerealiseerd met een oppervlakte van 540 m² en een maximale diepte van 50 cm (inhoud van minimaal 270 m³). Indien blijkt dat een retentievijver niet past binnen de gewenste indeling van het perceel zal een aparte watersilo voor hemelwater worden opgericht binnen het bouwvlak om zodoende de waterberging te waarborgen.
retentievijver
Planspecifiek geldt daarbij: - Dat voor de beoogde bebouwing en kassen binnen het bouwvlak het water eerst geleid wordt naar een waterbassin. De belasting van de waterberging is hierdoor minimaal, én na verwachting minder als de gehanteerde norm. - De leegloop van de waterberging vindt plaats middels het wegzakken van het water in de ondergrond (zandgrond).
32 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
- het hemelwater afkomstig van de foliekas wordt opgevangen in een tegelijkertijd te realiseren waterbassin. Op onderstaande afbeelding zijn de omliggende leggerwateren weergeven.
Afbeelding Omliggende leggerwateren planlocaties 4.3.3 Conclusie In de beoogde situatie is voor de locaties Plaggensteeg en Nieuwstraat geen sprake van een toename van het verhard oppervlakte, hiervoor zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. Voor de locatie Hoogstraat moet 270 m³ aan compensatie worden gerealiseerd. Hierin wordt voorzien door de aanleg van een retentievijver of watersilo. Het omgevingsaspect 'water' vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo is artikel 3.1.6, lid 5 Bro toegevoegd. Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
33 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Bron: provincie Noord-Brabant
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Beoordeling De planlocaties Plaggensteeg en Hoogstraat zijn gelegen aan een historische geografische lijn met een ‘redelijk hoge’ waarde en in het archeologisch landschap ‘Dommeldal Nuenen-Gestel’ en in het cultuurhistorisch landschap ‘Groene Woud’. De planlocatie Nieuwstraat is gelegen aan een historische geografische lijn (Nieuwstraat) met een hoge waarde, en is tevens gelegen in het cultuurhistorisch vlak ‘De Geelders en Gemonde’. De bestemmingsplanwijzingen van de plangebieden heeft geen nadelige gevolgen voor de aanwezige cultuurhistorische elementen. Het plan draagt zelfs bij aan het versterken van de cultuurhistorische waarde ter plaatse van de Nieuwstraat door het saneren van niet-cultuurhistorische bedrijfsbebouwing. 4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016.
Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze 34 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling Plaggensteeg 1A In het vigerende bestemmingsplan is voor de planlocatie Plaggensteeg een agrarisch bouwvlak opgenomen, alsmede de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegekend. Wegens de toekenning van de archeologische dubbelbestemming geldt ter plaatse een onderzoeksverplichting naar archeologische waarden bij bodemingrepen met een oppervlakte groter 500 m2 en een diepte van 0,5 m. Deze onderzoeksverplichting is niet van toepassing binnen een bestaand bouwvlak. De beoogde ontwikkeling van Plaggensteeg 1A betreft een verkleining van het bouwvlak en inperking van de bebouwingsmogelijkheden. In onderstaande afbeelding is de het plangebied weergeven waar maximaal 600 m² nieuwbouw is toegestaan. De verstoorde grond, door het bouwen van varkensstallen en het uitgraven van de putten en fundering, is aangeven met rode arcering. Hieruit blijkt dat een groot gedeelte van het plangebied reeds is verstoord. Gezien de ontwikkeling plaatsvindt binnen het bestaande bouwvlak van de Plaggensteeg 1A zijn geen verdere archeologische onderzoeksverplichtingen van toepassing.
Maatvoering: max 600 m² bebouwing
Verstoord plangebied Plaggensteeg (rood)
Beoordeling Hoogstraat 57 Voor de planlocatie Hoogstraat is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ toegekend. Wegens de toekenning van de archeologische dubbelbestemming gelden ter plaatse diverse restricties ten aanzien van bodemingrepen met een oppervlakte groter 200 m2 en een diepte van 0,5 m.
35 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Ter bescherming van het archeologisch bodemarchief worden de archeologische dubbelbestemmingen met de hierbij passende planregeling overgenomen van het vigerend planologisch regime. Door het toepassen van deze regels bij toekomstige bodemingrepen blijft verzekerd dat het aspect archeologie passend wordt beschermd. Conclusie Door het beperken van de bouwmogelijkheden op locatie Plaggensteeg 1A en door het overnemen van de archeologische dubbelbestemmingen is verzekerd dat de aanwezige waarden passend worden beschermd. 4.6 Natuur Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen.
De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Voor wat betreft relevante emissies mag worden aangenomen dat deze afnemen gezien interne transportbewegingen binnen het bedrijf afnemen door het saneren van de locatie Nieuwstraat en door het verkleinen van de locatie Plaggensteeg. Bovendien is de afstand tot de het dichtst gelegen beschermde gebied ‘Kampina en Oisterwijkse vennen’ circa 10 kilometer waardoor relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Dit is tevens aangetoond door de Aerius berekening toegevoegd in de bijlage, met in de beoogde situatie (situatie 2) een depositie van 0,00 mol per ha per jaar, zie onderstaand resultaat.
36 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en derhalve zijn er geen belemmeringen voor onderhavige plan. 4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.
37 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van circa 500 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wet Natuurbescherming is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Afhankelijk van de voorgestane activiteiten op de planlocaties en de aangetroffen soorten geldt een vrijstelling of dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hierbij geldt dat de regeling strikter is bij een zeldzame soort en ingrijpende activiteit.
Vogels zijn in Nederland op gelijke wijze beschermd, waarbij geldt dat vooral in het broedseizoen (15 maart – 15 juli) sprake kan zijn van verontrusten, doden of verstoren van nestplaatsen. De soorten beschermende werking is dus rechtstreeks opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard van het planinitiatief, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van de planlocaties beschermde natuurwaarden (rode lijst soorten) bevinden, die verstoord zouden kunnen worden door de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing. Verboden handelingen dienen desondanks zoveel mogelijk te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten dient zo veel mogelijk voorkomen te worden. Voor de planlocaties is een Quickscan Flora- en fauna uitgevoerd door Avos Bosadvies, met een veldbezoek op 20 april 2020 (zie bijlage 4). De ecologische waarden van de plangebieden zijn laag. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten waargenomen. Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden voor de beoogde planontwikkeling worden geen nadelige effecten verwacht voor de aanwezige flora- en fauna.
Conclusie Het voorliggend initiatief heeft geen nadelige gevolgen voor flora en fauna, er is geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. Het aspect flora en fauna staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. 38 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). Tevens is in de Wet geluidhinder geregeld dat als een ontwikkeling is gelegen binnen een als ‘woonerf’ aangeduid gebied, of in een zone nabij wegen waarvoor een maximaal snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Plaggensteeg 1A In de regels van het bestemmingsplan zijn regels voor het bouwen van nieuwe bebouwing opgenomen om onder andere geluidhinder te voorkomen.
Zo dient de afstand tot de as van de weg waaraan gebouwen worden gebouwd niet minder te bedragen dan: • 60 m in geval van de Rijksweg A50; • 30 m voor een interlokale weg, de Sonseweg of de Nijnselseweg; • 25 m voor overige verharde en onverharde wegen dan wel spoorwegen; De dichtst gelegen weg tot de planlocatie is de Plaggensteeg. De as van deze weg is gelegen op 25 meter afstand van de functieaanduiding ‘plattelandsonderneming’ waar maximaal 600 m² aan bebouwing is toegestaan. De ‘plattelandsonderneming’ is daarbij op 77 meter van de as van de weg ‘Schoor’ gelegen. Doordat kan worden voldaan aan de minimale afstanden is geluidhinder afkomstig van wegverkeerslawaai niet te verwachten. Beoordeling Hoogstraat 57 Er is geen sprake van het toevoegen van een geluidgevoelige functie zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder. Toetsing aan de Wet geluidhinder ten aanzien van wegverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.9 Bedrijven en milieuzonering (Geurhinder en veehouderijen) Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden.
Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). 39 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Van industriële geurhinder is geen sprake. In de directe omgeving van de plangebieden zijn geen nietagrarische bedrijven gelegen die hinder tot gevolg hebben. Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Het is derhalve zaak geurhinder zoveel mogelijk te beperken, door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en afstanden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Woningen zijn aan te merken als geurgevoelige objecten. Gezien het vigerende beleid is het belangrijk onderscheid te maken tussen geurhinder uit de agrarische sector en industriële geurhinder (geurhinder van bedrijven die niet behoren tot de agrarische sector). Als het gaat om geurhinder vanwege dierverblijven van veehouderijen vormt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader voor vergunningverlening. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). Voor de geurbelasting op geurgevoelige objecten gelden wettelijke geurnormen. Voor een concentratiegebied geldt een maximale geurbelasting van 3 odour units per kubieke meter lucht (oue/m³) binnen de bebouwde kom en een norm van 14 oue/m³ buiten de bebouwde kom.
Voor veehouderijen waarvoor geen wettelijke geuremissies zijn vastgesteld, geldt een vaste afstand tot geurgevoelige objecten. Gemeentelijke Gebiedsvisie en Verordening geurhinder en veehouderij Het gemeentelijk geurbeleid van Sint-Oedenrode is vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij. Hierin zijn voor enkele gebieden binnen de gemeente Sint-Oedenrode afwijkende geurnormen opgenomen. In het plangebied geldt geen afwijkende norm, zodat de wettelijke norm van 14,0 ouE/m³ voor de voorgrondbelasting van toepassing is. In de geurverordening zijn voorts streefwaarden voor de cumulatieve geurbelasting (achtergrondbelasting) opgenomen. In het buitengebied geldt een streefwaarde van 20,0 ouE/m³ voor de achtergrondbelasting. Voorgrondbelasting (oue/m³) < 1,5 1,5 – 3,5 3,5 – 6,5 6,5 – 10 10 – 14 14 – 19 19 - 25 > 25
Achtergrondbelasting (oue/m³) <3 3–7 7 – 13 13 – 20 20 – 28 28 - 38 38 - 50 > 50
Geurgehinderden (%)
Leefklimaat
<5 5 – 10 10- 15 15 – 20 20 – 25 25 – 30 30 - 35 > 35
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
Tabel: relatie tussen voor- en achtergrondbelasting conform Wgv
4.9.1 Beoordeling Plaggensteeg 1A 4.9.1.1 Woon- en leefklimaat omgeving Het planinitiatief voorziet in het toevoegen van een milieubelastende activiteit, namelijk de ‘plattelandsonderneming’. Zoals in paragraaf 2.2.1 beschreven mogen binnen de plattelandsonderneming enkel bedrijfsactiviteiten plaatsvinden in de milieucategorieën 1 en 2. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als zijnde een ‘gemengd’ gebied. Op basis van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ dient voor een milieucategorie 2 activiteit derhalve rekening gehouden te worden met een afstand van 10 meter.
40 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
De dichtst gelegen woning rondom het plangebied is de woning op het adres Plaggensteeg 1. Deze woning is gelegen op een afstand van 10 meter van het totale plangebied. De afstand tussen de plattelandsonderneming en de woning bedraagt minimaal ca. 25 meter, gezien de beperkingen die zijn opgenomen in het bestemmingsplan (regels en verbeelding). Hierdoor is voldoende afstand gewaarborgd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen ter plaatse de Plaggensteeg 1.
4.9.1.2 Ontwikkelingsmogelijkheden plattelandsonderneming
omliggende
bedrijven
en
woon-
en
leefklimaat
Het planinitiatief voorziet in een milieugevoelige functie, namelijk de ‘plattelandsonderneming’. Binnen de plattelandsonderneming worden overnachtingen aangeboden voor het bieden van zorg (hospice). Binnen 500 meter van het plangebied zijn enkel agrarische bedrijven (veehouderijen gelegen). Overige niet-agrarische bedrijven kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Bedrijven met dieren zonder geuremmissiefactor Binnen 50 meter van de ‘plattelandsonderneming’ zijn geen bouwvlakken gelegen van agrarische bedrijven. Hierdoor kan worden vastgesteld dat bedrijven met uitsluitend dieren zonder geuremmissiefactor (zoals melkveehouderijen) door het planvoornemen niet worden beperkt in hun ontwikkeling. Tevens is t.a.v. deze bedrijven sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandsonderneming. Bedrijven met dieren met geuremmissiefactor De bedrijven met dieren met geuremmissiefactor in de nabijheid van het plangebied zijn weergeven in onderstaande afbeelding.
41 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
4
5
9
8
3 7
6
10
2
13 12
1
11
Op basis van de gegevens in kaartbank.brabant.nl is onderstaande tabel opgesteld. Met hierin de individuele geuremissie van de omliggende bedrijven.
punt 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Adres Geuremissie in Ou/s Airborneweg 51 12331 Airborneweg 43 39914 Sonse-Heideweg 9 32493 Hoogstraat 41 35442 Schoor 11 148 Schoor 8 0 Landingsweg 4 1424 Hoogstraat 55 0 Hoogstraat 58 312 Hoogstraat 62 462 Vernhout 14 854 Vernhout 15 3 Hoogstraat 64 43980
De emissie van de veehouderijen op de adressen Schoor 11, Schoor 8 en Landingsweg 4 zijn vanwege de afstand (> 170 meter) verwaarloosbaar. De locaties Sonse-Heideweg 9 en Airborneweg 43 zijn voor het geurgevoelig object aan de Plaggensteeg het meest dominant. Voorgrondbelasting Voor de geuremissie ten aanzien van de veehouderij Sonse-Heideweg 9 is een berekening gemaakt van de voorgrondbelasting voor geur op de ‘plattelandsonderneming’ met het programma V-Stacks Vergunning. Zie onderstaande gegevens. Hierbij is het emissiepunt bij de berekening geplaatst op het worst-case scenario, zijnde de rand van het bouwvlak. 42 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is op basis van de voorgrondbelasting sprake van een ‘Goed’ woon- en leefklimaat. Tevens wordt de geurnorm uit de Wgv en gemeentelijke geurverordening niet overschreden. Daarbij mag worden aangenomen, gezien de lage geuremissie, dat eveneens de geuremissie van de dominante locatie Airborneweg 43, die verder van het plangebied is gelegen. Eveneens niet de geurnormen overschrijdt.
Naam van het bedrijf: Sonse-Heideweg 9 worst-case bouwvlak Berekende ruwheid: 0,12 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Sonse-Heideweg 9
160 285
394 781
5,0
5,0
0,50
4,00
32 493
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5
GGLID Plattelandsond. 1 Plattelandsond. 2 Plattelandsond. 3 Plattelandsond. 4
Xcoordinaat 159 741 159 774 159 749 159 727
Ycoordinaat 394 615 394 635 394 662 394 636
Geurnorm 10,0 10,0 10,0 10,0
Geurbelasting 1,8 2,1 1,9 1,8
Achtergrondbelasting
Op basis van de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie geldt een streefwaarde van 20,0 ouE/m³ voor de achtergrondbelasting. Uit de uitgevoerde geurhinderberekening middels V-Stacks gebied, zie onderstaand, volgt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de plattelandsonderneming maximaal 15,5 ouE/m³ bedraagt. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarde. Het woon- en leefklimaat wordt als ‘matig’ beoordeeld en daarmee aanvaardbaar geacht in het kader van de gemeentelijke gebiedsvisie.
43 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Geurbelasting [OU/m3]
Geurnorm Geurbe
Y-coor
ID X-coor
RecepID Plattelandsond. 1
159 741
394 615
20.000
14.949
Plattelandsond. 2
159 774
394 635
20.000
15.474
Plattelandsond. 3
159 749
394 662
20.000
15.254
Plattelandsond. 4
159 727
394 636
20.000
14.966
4.9.2 Beoordeling Hoogstraat 57 4.9.2.1 Woon- en leefklimaat omgeving Het planinitiatief voorziet in het uitbreiden van een milieubelastende activiteit, namelijk de uitbreiding van een vollegrondsteeltbedrijf. Een vollegrondsteeltbedrijf valt binnen milieucategorie 2 op basis van den VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als zijnde een ‘gemengd’ gebied. Op basis van de VNG-publicatie ‘bedrijven en milieuzonering’ dient voor een milieucategorie 2 activiteit derhalve rekening gehouden te worden met een afstand van 10 meter. De dichtst gelegen woning rondom het plangebied Hoogstraat 57 is de woning op het adres Hoogstraat 58. Deze woning is gelegen op een afstand van 120 meter van het plangebied. Hierdoor is voldoende afstand gewaarborgd om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen ter plaatse de de woning op Hoogstraat 58. 4.9.2.2 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven en woon- en leefklimaat plattelandsonderneming Het planinitiatief voorziet in een milieugevoelige functie, namelijk het kantoor en verwerkingsruimte. Binnen 500 meter van het plangebied zijn enkel agrarische bedrijven (veehouderijen gelegen). Overige niet-agrarische bedrijven kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten.
Bedrijven met dieren zonder geuremmissiefactor Binnen 50 meter van het de ‘plattelandsonderneming’ zijn geen bouwvlakken gelegen van agrarische bedrijven. Hierdoor kan worden vastgesteld dat bedrijven met uitsluitend dieren zonder geuremmissiefactor (zoals melkveehouderijen) door het planvoornemen niet worden beperkt in hun ontwikkeling. Tevens is t.a.v. deze bedrijven sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de plattelandsonderneming. Bedrijven met dieren met geuremmissiefactor De bedrijven met dieren met geuremmissiefactor in de nabijheid van het plangebied zijn weergeven in de afbeelding in paragraaf 4.9.1.2. De emissie van de veehouderijen op de adressen Landingsweg 4, Hoogstraat 55, Hoogstraat 58, Hoogstraat 62, Vernhout 14 en Vernhout 15 zijn vanwege de minimale geuremissie en de afstand verwaarloosbaar. De locatie Hoogstraat 64 met een geuremissie van 43.980 Ou/s en gelegen op een afstand van 440 meter is het meest dominant. Voorgrondbelasting Voor de geuremissie ten aanzien van de veehouderij Hoogstraat 64 is een berekening gemaakt van de voorgrondbelasting voor geur op de locatie Hoogstraat 57 met het programma V-Stacks Vergunning. 44 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Zie onderstaande gegevens. Hierbij is het emissiepunt bij de berekening geplaatst op het worst-case scenario, zijnde de rand van het bouwvlak. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij is op basis van de voorgrondbelasting sprake van een ‘Redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Tevens wordt de geurnorm uit de Wgv en gemeentelijke geurverordening niet overschreden.
Naam van het bedrijf: Hoogstraat 64 worst-case bouwvlak Berekende ruwheid: 0,11 m Meteo station: Eindhoven Brongegevens: Volgnr.
BronID
X-coord.
Y-coord.
EP Hoogte
Gem.geb. hoogte
EP Diam.
EP Uittr. snelh.
E-Aanvraag
1
Hoogstraat 64
158 644
394 348
5,0
5,0
0,50
4,00
43 980
Geur gevoelige locaties: Volgnummer 2 3 4 5
GGLID Hoogstraat 57. 1 Hoogstraat 57. 2 Hoogstraat 57. 3 Hoogstraat 57. 4
Xcoordinaat 159 015 159 054 159 137 159 098
Ycoordinaat 394 605 394 522 394 579 394 663
Geurnorm 14,0 14,0 14,0 14,0
Geurbelasting 4,4 4,2 3,2 3,3
Achtergrondbelasting
Op basis van de gemeentelijke geurverordening en gebiedsvisie geldt een streefwaarde van 20,0 ouE/m³ voor de achtergrondbelasting. Uit de uitgevoerde geurhinderberekening middels V-Stacks gebied, zie onderstaand, volgt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van de plattelandsonderneming maximaal 9,2 ouE/m³ bedraagt. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarde. Het woonen leefklimaat wordt als ‘redelijk goed’ beoordeeld en daarmee aanvaardbaar geacht in het kader van de gemeentelijke gebiedsvisie.
45 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Geurbelasting [OU/m3]
Geurnorm Geurbe
Y-coor
ID X-coor
RecepID Hoogstraat 57. 1
159 015
394 605
20.000
9.142
Hoogstraat 57. 2
159 054
394 522
20.000
8.636
Hoogstraat 57. 3
159 137
394 579
20.000
8.506
Hoogstraat 57. 4
159 098
394 663
20.000
8.955
4.9.3 Conclusie Uit het bovenstaande is te concluderen dat de bestaande omliggende bedrijven niet onevenredig worden beperkt in hun gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden. Het planinitiatief heeft geen nadelig effect op deze omliggende bedrijven. Tevens worden geen omliggende woningen aangetast in hun woon- en leefklimaat. Daarbij is aangetoond dat ter plaatse van de geurgevoelige objecten binnen de plangebieden sprake is van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ staat de ontwikkeling daarom niet in de weg. 4.10 Gezondheid Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde situatie dient onderzocht te worden of er ter plaatse van de beoogde woning geen sprake is van aantasting van de volksgezondheid, daarom is het onderwerp volksgezondheid meegenomen in deze ruimtelijke ordening. 4.10.1 Endotoxinen (varkens- en pluimveehouderijen) De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen.
De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Inmiddels is ook de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 vastgesteld. Deze handreiking verwijst op zijn beurt weer naar de notitie die inhaakt op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoekresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m³ aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m³ eenvoudig bepaald kan worden. 46 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Gemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een varkens of pluimveehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’. Alsook de laatste Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 verwijst naar deze ‘richt-afstand’. De locatie Plaggensteeg 1A en Hoogstraat 57 zijn niet gelegen binnen een zone van 250 meter rondom varkens of pluimveehouderijen. 4.10.2 Geitenhouderijen Uit het onderzoek veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM onderzoek in 2017 is gebleken dat zich in een straal tot tussen 1,5 en 2 kilometer rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Het is nog onbekend waardoor dit precies komt. Van belang is wat nog toegestaan kan worden binnen de invloedssfeer van een geitenhouderij. Zolang nog niet duidelijk is waardoor het verhoogde risico bij geitenhouderijen ontstaat heeft het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht een advies memo opgesteld. Daarin wordt gesteld dat de goede ruimtelijke ordening vraagt om aanhouding van besluitvorming over het toevoegen van gevoelige functies binnen 2 km van een geitenhouderij totdat meer duidelijk is over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s.
Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van het toevoegen van gevoelige functies. Op basis van de gegevens van Web-BVB is binnen de gemeente Son en Breugel geen geitenhouderijbedrijf aanwezig. Binnen de gemeente Meierijstad zijn de volgende geitenhouderijen aanwezig: • Boxtelseweg 10 • Oetelaarsestraat 29 • Schootsedijk 47 • Pastoor Smitsstraat 55 De afstand tot de dichtstbijzijnde geitenhouderij tot de plangebieden Plaggensteeg 1A en Hoogstraat 57 bedraagt 5.000 meter (5 km). 4.10.3 Conclusie Gezien de plangebieden op basis van de geadviseerde afstanden voor endotoxinen en geitenhouderijen op voldoende afstand liggen, kan worden geconcludeerd dat het aspect ‘gezondheid’ de gewenste ontwikkeling niet in de weg staat. 4.11 Externe veiligheid 4.11.1 Inleiding Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: 47 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
➢ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ➢ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ➢ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= ‘1’).
Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden?
48 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening ‘ (art. 3.1 Wro) onder andere getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit, het Barro, de effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’.
4.11.2 Inventarisatie Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In navolgend figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.
49 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Uitsnede Risicokaart. Bron: Risicokaart.nl Uit de risicokaart blijkt, dat er geen inrichtingen met externe veiligheidsrisico’s in de omgeving van het plangebied zijn gelegen, welke een risicocontour over de plangebieden hebben liggen. Tevens zijn er geen buisleidingen, wegen en vaarwegen aanwezig, waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving met een risicocontour (veiligheidscontour, PR-10-6 contour en/of invloedsgebied) over de plangebieden. RRP buisleidingen ruwe olie In de nabijheid van het plangebied aan de Plaggensteeg la liggen 2 RRP buisleidingen voor het vervoer van ruwe olie met een grootte van 24" en 36". Het plaatsgebonden risico contour (PR) van de RRP leidingen is maximaal 46,1 meter. Het PR reikt deels over het voorgenomen bouwvlak. Echter het deel tot waar het PR rijkt is enkel in gebruik door de bedrijfswoning met bijgebouw en zal niet worden gebruikt voor het aanbieden van zorg. Het invloedsgebied van de buisleiding bedraagt 70 meter. Het invloedsgebied reikt eveneens deels over het plangebied. Binnen het plangebied is echter een beperking opgenomen met betrekking tot het realiseren van maximaal 600 m² aan bebouwd oppervlak in een bepaalde zone, zie onderstaande afbeelding. Deze zone is gelegen op een afstand vanaf ca. 87 meter van de buisleidingen.
Hierdoor is zeker gesteld dat mensen die zich binnen het plangebied verblijven op een afstand van >80 meter bevinden van de buisleidingen. In het bestaande bestemmingsplan Buitengebied is ter plaatse van de buisleidingen een beschermingszone opgenomen waardoor graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 meter enkel mogen plaatsvinden middels een verleende omgevingsvergunning. In voorliggend plan is de veiligheidszone behorende bij de buisleiding opgenomen “Gebiedsaanduiding: veiligheidszone – leiding”, welke is overgenomen van het bestemmingsplan Buitengebied Sint-Oedenrode herziening 2, zie onderstaande afbeelding. Daarbij zal initiatiefnemer potentiele gebruikers actief informeren over het aanwezig risico en handelingsperspectief. Zij kunnen deze informatie meewegen in het besluit om zich hier te vestigen. 50 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
Hiermee wordt in optimale vorm invulling gegeven aan het risicobewustzijn van- en het nemen van een eigen verantwoordelijkheid door de burger.
4.11.3 Beoordeling Enkel de planlocatie Hoogstraat 57 is gelegen in een PR-contour en invloedsgebied. Binnen de PRcontour en invloedsgebied worden echter geen objecten opgericht voor (beperkt) kwetsbare personen. Tevens stelt de initiatiefnemer de cliënten op de hoogte van de gevaarrisico’s en is ter plaatse van de buisleidingen een beperking opgenomen voor graafwerkzaamheden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling voldoende maatregelen zijn genomen om het risico tot een minimum te beperken. 4.12 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 .
Het 24- uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald
51 Bestemmingsplan Plaggensteeg 1a, Hoogstraat 57, Nieuwstraat 32, Sint-Oedenrode
(overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen.