Pater Visserslaan 16 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
4.3
Flora en Fauna
4.3.1
Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Conclusie In de conclusie is onderscheid gemaakt in het Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000gebieden.
Natuur Netwerk Brabant Uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied buiten de begrenzing van het NNB is gelegen. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door ver verspreiding van stoffen in lucht of water.
27
Natura 2000-gebied Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ is met circa 17,30 kilometer op relatief grote afstand gelegen (bij Natura 2000gebied moet verspreiding van stoffen in lucht of water wel worden beschouwd). Onderhavige ontwikkeling maakt onderdeel uit van het veegplan van de gemeente Meierijstad. Het veegplan is een bestemmingsplan. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan moet de gemeente beoordelen of het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden. Als er significante gevolgen zijn moet een passende beoordeling plaatsvinden. De gemeente stelt het plan uitsluitend vast als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Er is geen sprake van significante effecten als de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar.
4.3.2
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Het wijzigen van de bestemming brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Daarnaast is het planvoornemen om binnen het plangebied om een deel van de aanwezige bebouwing en verharding te slopen. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. De verouderde varkensstal op het perceel zou als verblijfsplaats voor dieren kunnen fungeren. Aangezien de stal in zijn geheel zal worden gesloopt, dient vóór de sloop te worden vastgesteld of dit een negatief effect heeft op eventueel aanwezige dier- en plantensoorten. Er is daarom op 25 juni 2020 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is als seperate bijlage IV bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.
Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
28
Algemene vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart –15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) uit te voeren. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Spreeuw: compensatie vooraf In de voormalige varkensstal bevindt zich een spreeuwennest. De spreeuw is een ‘categorie 5 soort’; dat wil zeggen dat het nest niet jaarrond is beschermd, maar dat er middels een omgevingscheck dient te worden nagegaan of er in en rond het plangebied voldoende alternatieven aanwezig zijn (Dienst Regelingen, 2009; Ministerie van Economische zaken, 2016). Door tegen de gevel van de woning – die behouden blijft – een spreeuwenpot of spreeuwennestkast op te hangen, hoeft er voor de sloop van de voormalige varkensstal geen ontheffing op de Wn te worden aangevraagd.
Uiteraard dient de sloop wel buiten het broedseizoen van de spreeuw te gebeuren en buiten de periode dat er jonge spreeuwen in het nest aanwezig zijn (buiten de periode 15 april –15 juli). Voor de herbestemming van het perceel zorgt het aspect Natuur dus niet voor een belemmering voor onderhavig plan.
4.4
Waterparagraaf Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werden in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek zoals verdrogingsverschijnselen en hogere afvoeren van rivieren. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.
4.4.1
Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) 2017-2022, het Provinciaal plan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); 29
•
voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2016-2021 De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.
Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Ter plaatse worden de varkensstal en de veldschuur, met een gezamenlijke oppervlakte van 430 m2, gesloopt. Het nieuwe bijgebouw en de uitbreiding van het bestaande bijgebouw hebben een gezamenlijke oppervlakte van 340 m2. Hierdoor zal de totale oppervlakte aan verharding per saldo afnemen. Hemelwater heeft in de beoogde situatie meer ruimte om direct te kunnen infiltreren.
De Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.5
Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de 30
voorgestane ontwikkeling (omschakeling naar burgerwoning) langer dan twee uur kan worden verbleven op deze plek, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Voorgenomen bestemmingswijziging geeft dus aanleiding om een bodemonderzoek op de locatie uit te voeren. Op 24 augustus is er door Milon een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de bodemopbouw en actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het volledige onderzoeksrapport is als seperate bijlage V bijgevoegd. Hieronder zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven. Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond bijmengingen waargenomen aan puin, bakstenen en beton. Asbestverdacht materiaal is niet aangetroffen. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Er is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetoond. Nader bodemonderzoek wordt geadviseerd. Aanvullend bodemonderzoek Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat nabij boring 07 een sterk verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond. Uit aanvullende informatie van de opdrachtgever blijkt dat er in het verleden gebroken puin ter plaatse van boring 07 is gestort. Dit wordt bevestigd door de aangetroffen bijmenging in de bovengrond van boring 07.
In overleg met de opdrachtgever is besloten om de verontreiniging af te perken door middel van het plaatsen van 5 boringen. Hierbij gelden vier boringen (07.1.1 t/m 07.1.4) als horizontale afperking en één boring (07.1) als verticale afperking. De horizontaal afperkende boringen zijn gezet in de zintuiglijk schone grond rondom de laag met gebroken puin. Uit de analyseresultaten blijkt dat in boring 07.1.3 een zeer licht verhoogd gehalte aan PAK is aangetoond. In de overige monsters zijn geen verhoogde gehalten aan PAK aangetoond, derhalve kan geconcludeerd worden dat de verontreiniging voldoende is afgeperkt. Verkennend asbestonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ter plaatse van inspectiegat A13 is asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat dit plaatmateriaal een concentratie van 4.725mg/kg/d.s. asbest bevat. Voor inspectiegat A13 komt hiermee de totale gewogen concentratie asbest op 357,62mg/kg/d.s. Dit is aanleiding voor het uitvoeren een nader asbestonderzoek. Opgemerkt dient te worden dat in de overige inspectiegaten geen noemenswaardige verontreiniging met asbest is aangetoond. Nader asbestonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek is besloten om een nader asbestonderzoek uit te voeren.
Hierbij is in overleg met de ODBN besloten om drie inspectiegaten tot 0,5 m-mv rondom inspectiegat A13 te graven. Op basis van de analyseresultaten blijkt dat geen noemenswaardige verontreiniging met asbest is aangetoond. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Aangenomen wordt dat het aantreffen van het enkele stukje asbesthoudend plaatmateriaal incidenteel is en hier geen oorzaak aan gekoppeld kan worden.
31
Conclusie en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse van het voormalig koeienvanghok (boring 07) is een verontreiniging met PAK aangetoond. Deze verontreiniging is veroorzaakt door het storten van gebroken puin circa 20 jaar geleden. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de analyseresultaten wordt de omvang van de puinlaag én dus de verontreiniging met PAK geschat op circa 16m3(54m²tot 0,30m-mv). Aangezien de verontreiniging ontstaan is na 1987, betreft de verontreiniging een nieuw geval van bodemverontreiniging. Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt saneringsplicht. De verontreiniging dient middels een indiening van een plan van aanpak bij het bevoegd gezag (gemeente Meierijstad) te worden gesaneerd. Algemeen wordt opgemerkt dat dit verkennend bodemonderzoek geen bewijsmiddel is zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.
4.6
(Ondergrondse) infrastructuur Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid.
Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie dus een aantal agrarische bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is aangegeven welke richtafstand per bedrijf dient te worden aangehouden conform de VNG-publicatie. Adres
Soort bedrijf
Milieucategorie
Minimumafstand
Pater Visserslaan 15 Hoogstraat 11 Derptweg 34
Varkenshouderij Varkenshouderij Pluimveehouderij
4.1 4.1 4.1
200 meter 200 meter 200 meter
32
Pater Visserslaan 18 Pater Visserslaan 12
Varkenshouderij Varkenshouderij
4.1 4.1
200 meter 200 meter
In dit geval is de planlocatie gelegen in een omgeving waarin zowel agrarische bedrijven, als woningen en landbouwgronden zijn gelegen. Daardoor kan worden gesproken van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNGpublicatie mogen daarom dus met 1 stap worden verkleind. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de woning aan Pater Visserslaan 16 en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Adres
Soort bedrijf
Pater Visserslaan 15 Hoogstraat 11 Derptweg 34 Pater Visserslaan 18 Pater Visserslaan 12
Varkenshouderij Varkenshouderij Pluimveehouderij Varkenshouderij Varkenshouderij
Minimumafstand 100 meter 100 meter 100 meter 100 meter 100 meter
Werkelijke afstand 8 meter 180 meter 330 meter 260 meter 380 meter
Voldaan Nee Ja Ja Ja Ja
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er formeel niet kan worden voldaan aan de afstand tot de varkenshouderij aan de Pater Visserslaan 15. Deze minimale afstand van 100 meter heeft betrekking op het aspect geur. Ten aanzien van de aspecten stof en geluid dient een afstand van respectievelijk 30 en 50 meter te worden aangehouden. De varkenshouderij aan de Pater Visserslaan 15 neemt echter deel aan de saneringsregeling varkenshouderij waarbij herbestemming van de locatie als voorwaarde voor deelname aan deze regeling wordt gesteld. Bij de herbestemming dient juridisch geborgd te worden dat heroprichting van de varkenshouderij onmogelijk wordt gemaakt. Aangezien het bedrijf in de toekomst zal verdwijnen, hoeft er dus niet aan de minimumafstanden van deze varkenshouderij te worden getoetst. Daarnaast dient de invloed van het nieuwe plan op de directe omgeving te worden getoetst. Voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het omzetten van de agrarische bestemming in een woonbestemming waarop een bedrijf aan huis wordt gerealiseerd. Het bedrijf aan huis bestaat uit een kleinschalig ontwikkelatelier ten behoeve van landbouwmechanisatie. Formeel behoort het bedrijf aan huis tot ‘Dienstverlening t.b.v. de landbouw – algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o<= 500 m2’ waardoor het tot milieucategorie 2 gerekend wordt. Bedrijven in milieucategorie 2 hebben een richtafstand van 30 meter.
De afstand tot de woning aan de Pater Visserslaan 15 bedraagt 15 meter waardoor niet aan de richtafstand kan worden voldaan. Gezien de kleinschaligheid van het ontwikkelatelier, de ondergeschiktheid aan de woonbestemming en het feit dat de werkzaamheden voornamelijk inpandig plaats zullen vinden heeft het ontwikkelatelier ten behoeve van landbouwmechanisatie een lagere milieubelasting dan de beschreven dienstverlenende bedrijven t.b.v. de landbouw uit milieucategorie 2. Er kan dus geconcludeerd worden dat er een voldoende ruimtelijke scheiding bestaat tussen het beoogde ontwikkelatelier en de woning aan de Pater Visserslaan 15. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
4.8
Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast 33
vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Hierdoor kan gesteld worden dat de burgerwoning geurgevoelig is.
Om te kunnen beoordelen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat is er een geuronderzoek uitgevoerd. De bestaande woning is in het nieuwe plan een voormalige agrarische bedrijfswoning waardoor bij deze woning enkel het woon- en leefklimaat getoetst dient te worden. De toetsing vindt plaats op de hoekpunten van het perceel. Afhankelijk van het gebruik van het ontwikkelatelier kan dit als geurgevoelig worden aangemerkt. Door te toetsen op de hoekpunten van het perceel wordt dit gebouw meegenomen in de beoordeling van het woon- en leefklimaat. Voorgrondbelasting De gemeente heeft het gebied aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide ligt, niet aangewezen als gebied waarvoor een andere maximale waarde voor geurbelasting op geurgevoelige objecten van een veehouderij geldt, zijnde 14,0 ouE/m 3 . Om te bepalen wat de voorgrondbelasting op de hoekpunten van het perceel aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide is, is met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning vanuit de vergunde emissiepunten van de veehouderij aan de Pater Visserslaan 12 te Mariaheide berekend wat de voorgrondbelasting van het vergunde veebestand is.
Omdat er reeds een geurgevoelig object is gelegen tussen de veehouderij en de beoogde bebouwing is niet uitgegaan van de rand van het bouwvlak van de veehouderij aan de Pater Visserslaan 12 omdat het reeds aanwezige geurgevoelig object eerder beperkend is voor de betreffende veehouderij. De resultaten hiervan zijn weergegeven in navolgende figuur 8. Voor de daadwerkelijke outputbestanden wordt verwezen naar bijlage VI.
Figuur 8. Voorgrondbelasting.
34
De te toetsen objecten aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide voldoen, met een voorgrondbelasting die, op ten hoogste 5,526 ouE/m3 ligt, op alle toetspunten aan de gemeentelijke norm van 14,0 ouE/m3 . Achtergrondbelasting Naast de geurcontouren die de reikwijdte van de geurbelasting kunnen bepalen van één bedrijf is er ook een geurbelasting van alle bedrijven gezamenlijk, de zogenaamde achtergrondbelasting. Wanneer veel (intensieve) veebedrijven zich in de nabijheid van een projectlocatie bevinden kan de achtergrondbelasting zo hoog worden dat van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet meer gesproken kan worden. Met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied is berekend wat de huidige achtergrondbelasting op de hoekpunten van het perceel aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide is van het actuele vergunde veebestand op 30 oktober 2020. Hiervoor zijn 54 veehouderijbedrijven binnen een straal van 2 kilometer om de locatie Pater Visserslaan 16 te Mariaheide ingevoerd met de (default-) waarden afkomstig uit Web-BVB NoordBrabant. De resultaten hiervan zijn weergegeven in navolgende figuur 9. Voor de daadwerkelijke outputbestanden wordt verwezen naar bijlage VI.
Figuur 9. Achtergrondbelasting.
Op basis van de berekende achtergrondbelasting vanuit 54 veehouderijen binnen een straal van 2 kilometer (maximaal 11,089 ouE/m3 ) op de hoekpunten van het perceel aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide kan, aangezien de geurbelasting ruimschoots onder de toetswaarde van 20,0 ouE/m 3 ligt, een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd. Conclusie Aan de hand van de berekende geurcontouren en geurbelasting op de hoekpunten van het perceel aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide zijn de volgende belangenafwegingen gemaakt: • Is ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object); • Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). Uit de beoordeling kunnen de volgende deelconclusies worden getrokken: 1. Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling aan de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide voldoet de voorgrond geurbelasting die onder de 14,0 ouE/m3 ligt, aan de norm. De maatgevende veehouderij aan de Pater Visserslaan 12 te Mariaheide wordt door de beoogde ontwikkeling niet in zijn belangen geschaad. Tevens wordt een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd;
35
2. Het leefklimaat als gevolg van de achtergrondbelasting voldoet aan de toetswaarde van 20,0 ouE/m3 in het buitengebied, derhalve wordt ter plaatse van de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd; 3. Aan de vaste afstanden vanuit de Pater Visserslaan 16 tot aan de meest dichtbij gelegen veehouderij (bouwblok) en aan de gevel-gevel afstand wordt voldaan. Gelet op bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt.
4.9
Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −
Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In dit geval is ter plaatse reeds sprake van een bestaande bedrijfswoning, waarvoor reeds is bepaald dat de situatie acceptabel is om voor langere tijd te verblijven. De Wet geluidhinder is niet van toepassing omdat het omzetten van de agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning via het bestemmingsplan wordt gerealiseerd. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Het atelier betreft geen geluidgevoelig gebouw waardoor een onderzoek wegverkeerslawaai voor dit gebouw niet noodzakelijk is. De activiteiten m.b.t. het bedrijf aan huis zullen inpandig in het atelier plaatsvinden. Het pand is daarnaast geïsoleerd waardoor industrielawaai op omliggende woningen uit te sluiten valt. Tot slot zal het bedrijf aan huis niet leiden tot een verkeersaantrekkende werking waardoor een akoestisch onderzoek industrielawaai niet noodzakelijk wordt geacht. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 36
d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.
2019 2025 Norm
Totale concentratie (µg/m³) NO2 21.10 16.82 40
Totale concentratie (µg/m³) PM10 19.58 17.79 40
Totale concentratie (µg/m³) PM2,5 12.75 11.28 25
Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Daarnaast kan een ontwikkeling invloed hebben op de luchtkwaliteit. Bij het toevoegen van woningen kan bijvoorbeeld sprake zijn van een verslechtering van de luchtkwaliteit door de toename van het aantal verkeersbewegingen. Uit paragraaf 4.12.1 blijkt dat er geen sprake is van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De ontwikkeling heeft dan ook geen negatief effect op de luchtkwaliteit. Conclusie De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de luchtkwaliteit. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is.
4.11
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
37
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
38
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing
340 m.
360 m. 760 m.
Figuur 10. Uitsnede risicokaart. Plangebied rood omcirkeld.
Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 10) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op 340 meter van het plangebied aan de Derptweg 34 en betreft een bovengrondse propaantank van 18 m3. Deze bovengrondse tank heeft een risicocontour van 45 meter en ligt daarmee ver genoeg van het plangebied af. Deze propaantank betreft een Bevi-inrichting, waardoor tevens aan het groepsrisico dient te worden getoetst. In dit geval blijft het aantal aanwezige personen op het perceel gelijk aan de huidige situatie en is er geen sprake van een toename van de personendichtheid op het perceel. Hierdoor vormt het groepsrisico geen belemmering voor de ontwikkeling. Op 360 meter afstand van de planlocatie aan de Pater Visserslaan 12 bevinden zich twee propaantanks van 8 m3. Deze propaantanks hebben een risicocontour van 25 meter. Deze propaantanks betreffen geen Bevi-inrichtingen waardoor toetsing aan het
39
groepsrisico niet noodzakelijk is. Genoemde nabijgelegen risicovolle inrichtingen vormen dus geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Buisleidingen In de directe omgeving zijn geen buisleidingen gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Risicovol transport Op circa 760 meter afstand van het plangebied ligt het basisnet-wegtraject A50: afrit 13 (Volkel) – afrit 12 (Veghel-Noord). Over dit traject worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorieën LF1, LF2, GF3 en LT2. Het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorie LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Het plangebied ligt geheel binnen het invloedsgebied van het Basisnet-wegtraject. Conform art. 7 Bevt dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden voor het scenario toxische wolk. Beperkte verantwoording Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk.
Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen nietof verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt.
Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan
40
plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.
Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen in risicocontouren (PR 10-6 contour) van inrichtingen, buisleidingen en transportroutes. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.
4.12
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van een reeds bestaande bedrijfswoning met stal naar een burgerwoning met bijgebouw voor opslag en ontwikkelatelier en is er in beide gevallen sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de uiteindelijke afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
4.13
Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 4,3 kilometer van het plangebied gelegen.
41
Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.14
Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt op stam (bijv. appels, peren etc.) dan bij de akkerbouw en lage fruitteelt bijvoorbeeld aardbeien en bessen), waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van boomteelt en. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). De aangrenzende gronden (< 50 meter) zijn in gebruik als agrarische grond, specifiek grasland en akkerbouw.
Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woning, waardoor de kans op drift zeer klein is. Daarnaast is tussen de percelen en de woning een (openbare) weg gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Tot slot is reeds sprake van een bestaande woning, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant de woning niet zorgt voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.
4.15
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
4.15.1
Mobiliteit Ter plaatse van de Pater Visserslaan 16 wordt een bedrijfswoning omgezet tot burgerwoning, een stal gesloopt en een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Gezien de
42
huidige activiteiten worden voortgezet, is er geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ten aanzien van het voormalige agrarische bedrijf zal er juist sprake zijn van minder verkeersbewegingen. In de beoogde situatie zal de verkeersgeneratie dus in ieder geval niet toenemen. De huidige infrastructuur is in de huidige situatie in staat om de verkeersgeneratie van en naar het plangebied zonder problemen te verwerken, waardoor dit in de beoogde situatie met evenveel verkeersbewegingen tevens geen belemmeringen oplevert.
4.15.2
Parkeren Conform de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ dient te geschieden op eigen terrein. In dit geval zijn er voor de beoogde kleinschalige bedrijfsactiviteiten minder parkeerplaatsen benodigd dan voor de voormalige agrarische bedrijfsactiviteiten. De kavel behorende bij de ontwikkeling is voldoende groot om te voorzien in deze parkeerbehoefte In de landschappelijke inpassing is dan ook rekening gehouden met voldoende parkeergelegenheid. . Het aspect ‘parkeren’ levert geen problemen op voor onderhavig plan.
43
HOOFDSTUK
5 Juridische planopzet
De gewenste ontwikkeling van de realisatie van de burgerwoning met een bijgebouw van 300 m2 ter plaatse van de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 22 oktober 2015). Binnen de bestemming ‘Agrarisch’, is het realiseren van een burgerwoning niet direct toegestaan. In het bestemmingsplan is in artikel 3.7.8 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door aan een aantal voorwaarden te voldoen kan het college van B & W de gronden wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ zodat de burgerwoning gerealiseerd kan worden. Aangezien een oppervlakte aan bijgebouwen, groter dan 300 m2 niet is toegestaan binnen de bestemming ‘Wonen’, dient in het nieuwe bestemmingsplan een maatvoering ‘maximaal bebouwd oppervlakte bijgebouwen’ opgenomen te worden.
44
HOOFDSTUK
6 Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
45
HOOFDSTUK
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ruimtelijke onderbouwing ‘Pater Visserslaan 16 te Mariaheide’ is onderdeel van een veegplan welke ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie wordt gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen. Ook heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. De initiatiefnemer heeft de omwonenden aan de Pater Visserslaan 15, 17 en 17a op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.
46
HOOFDSTUK
8 Conclusie
De gewenste ontwikkeling van de realisatie van een burgerwoning ter plaatse van de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’, is het realiseren van een burgerwoning niet direct toegestaan. In het bestemmingsplan is in artikel 3.7.8 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het initiatief kan worden toegestaan. Door aan een aantal voorwaarden te voldoen kan het college van B & W de gronden wijzigen naar de bestemming ‘Wonen’ zodat de burgerwoning gerealiseerd kan worden. Binnen de bestemming ‘Wonen’ is het echter niet mogelijk om een grotere oppervlakte dan 300 m2 aan bijgebouwen te realiseren. Hiervoor dient te worden afgeweken van het bestemmingsplan en dient er in het nieuwe bestemmingsplan een maatvoering ‘maximaal bebouwd oppervlakte bijgebouwen’ opgenomen te worden. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Ter plaatse van het plangebied is de bedrijfswoning reeds aanwezig en de toevoeging van het bijgebouw past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige bebouwing in de omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen.
De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig. Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade wordt toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
47