Pater Visserslaan 16 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Pater Visserslaan 16 te Mariaheide’ Gemeente Meierijstad
1
Colofon Ruimtelijke onderbouwing: Pater Visserslaan 16 te Mariaheide Rapportnummer: 2020.0759 Status: Concept Datum: 12 oktober 2021 Projectlocatie Pater Visserslaan 16 5464 RB Mariaheide Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Ing. A.F.J.A. van Dooren Senior Adviseur 06 – 181 917 81 arjan@reland.nl
© oktober 2021 Reland
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................................................ 5
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 5
1.3
Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 6
HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving .......................................................................................................... 10 2.1
Huidige situatie ..................................................................................................................... 10
2.2
Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................. 11
HOOFDSTUK 3 Beleidstoets ................................................................................................................ 14 3.1
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 14
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 14
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 15
3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 15
3.2
Provinciaal beleid.................................................................................................................. 15
3.2.1
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant .................................................... 15
3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................ 17
3.3
Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 21
3.3.1
Structuurvisie Veghel 2030 ........................................................................................... 21
3.3.2
Afwegingsschema Meierijstad ...................................................................................... 22
3.3.3
Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) ................................................................. 25
3.3.4
Omgevingsdialoog ............................................................................................................ 25
HOOFDSTUK 4 Milieuhygiënische en planologische
verantwoording ................. 26
4.1
M.e.r.-plicht ........................................................................................................................... 26
4.2
Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 26
4.3
Flora en Fauna ..................................................................................................................... 27
4.3.1
Gebiedsbescherming .................................................................................................... 27
4.3.2
Soortenbescherming..................................................................................................... 28
4.4 4.4.1
Waterparagraaf ..................................................................................................................... 29 Beleidskader ..................................................................................................................... 29
4.5
Bodem .................................................................................................................................. 30
4.6
(Ondergrondse) infrastructuur .............................................................................................. 32
4.7
Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 32
4.8
Geurhinder ............................................................................................................................ 33
4.9
Akoestiek .............................................................................................................................. 36
4.10
Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 36
4.11
Externe veiligheid ................................................................................................................. 37 3
4.12
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ....................................................................... 41
4.13
Hoogspanningslijnen ............................................................................................................ 41
4.14
Spuitzones gewasbescherming ............................................................................................ 42
4.15
Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 42
4.15.1
Mobiliteit ........................................................................................................................ 42
4.15.2
Parkeren ....................................................................................................................... 43
HOOFDSTUK 5 Juridische planopzet ................................................................................................... 44 HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 45 HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 46 HOOFDSTUK 8 Conclusie .................................................................................................................... 47
BIJLAGEN Bijlage I
- Landschappelijke inpassing
Bijlage II
- Omgevingsdialoog
Bijlage III
- Quickscan Flora & Fauna
Bijlage IV
- Watertoets
Bijlage V
- Verkennend bodem- en asbestonderzoek
Bijlage VI
- Geuronderzoek
4
HOOFDSTUK 1.1
1 Inleiding
Aanleiding De initiatiefnemer is woonachtig op de locatie Pater Visserslaan 16 te Mariaheide. Op het perceel zijn een aantal voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig. De bebouwing is verouderd en is niet meer in gebruik ten behoeve van agrarische activiteiten. De initiatiefnemer wil investeren in de locatie door de bebouwing te slopen. Wanneer de initiatiefnemer de bebouwing gaat slopen, kan niet zomaar een vergunning verkregen worden om een nieuw gebouw neer te zetten en de huidige activiteiten uit te blijven voeren. Wanneer een vergunning aangevraagd wordt zou de bebouwing ten behoeve van agrarisch gebruik gebruikt dienen te worden. De initiatiefnemer heeft niet het voornemen om de agrarische activiteiten te blijven uitvoeren, waardoor herbestemming van de locatie noodzakelijk is. Na uitwerking van de casus met VabImpuls en een gesprek met de gemeente is het voornemen ontstaan om een deel van de bebouwing terug te bouwen t.b.v. opslag en het realiseren van een ontwikkelatelier voor het Allround mechanisatiebedrijf Van Dinther BV. In het ontwikkelatelier kan de initiatiefnemer agrarische technische installaties zoals stalinrichtingen, melkstallen, drijfhekken en andere agrarische bedrijfsmiddelen en machines ontwerpen, opstellen en uittesten.
Om deze herontwikkeling mogelijk maken dient de bestemming agrarisch omgezet te worden naar wonen met een kleinschalige bedrijfsvorm. Bovenstaande wens is middels een principeverzoek, landschappelijke/ stedenbouwkundige onderbouwing en omgevingsdialoog aan het college van B & W van de gemeente meierijstad voorgelegd. Hierop heeft het college van B & W besloten dat er onder voorwaarden medewerking wordt verleend aan de herontwikkeling van de Pater Visserslaan 16 te Mariaheide voor de omvorming van de agrarische bestemming in een woonbestemming. Hierbij mag de te herbouwen stal als bijgebouw bij de woning mede worden gebruikt voor een kleinschalig ontwikkelatelier ten behoeve van landbouwmechanisatie. Het planvoornemen voldoet niet aan het vigerende bestemmingsplan. Om de wensen mogelijk te maken dient dan ook een planologische procedure te worden doorlopen in de vorm van een wijziging van het geldende bestemmingsplan. De gemeente Meierijstad werkt met zogenaamde veegplannen. Dit bestemmingsplan is onderdeel van een veegplan. Onderhavig document betreft de toelichting behorende bij dit nieuwe bestemmingsplan. In deze toelichting wordt de ontwikkeling beschreven en onderbouwd.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Pater Visserslaan 16 in Mariaheide, in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Veghel, sectie L, perceelnummers 1832 en 1833 en heeft een totale grootte van circa 4380 m2. Op de locatie is een T-vormige woonboerderij, een
5
verouderde varkensstal en een bijgebouw dat als garage/veldschuur dient gelegen. Op de luchtfoto in figuur 1 is de kadastrale situatie weergegeven.
Figuur 1. Kadastrale situatie.
Het plangebied is gelegen in landelijk gebied tussen de steden Uden en Veghel en de dorpen Mariaheide en Vorstenbosch. Het plangebied is gelegen aan een T-splitsing waarin de Pater Visserslaan opsplitst in het onverharde deel van de weg en in de weg Zandkuilen. In de omgeving zijn voornamelijk agrarische bedrijven en woningen gelegen. Een aantal van deze agrarische bedrijven betreffen intensieve veehouderijen. De functie van de directe buren betreft een woonfunctie (Pater Visserslaan 17a) en een varkenshouderij (Pater Visserslaan 15). De omgeving kenmerkt zich door een open agrarisch landschap met een redelijk grootschalige verkaveling en jonge bebouwing.
1.3
Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, welke op 22 oktober 2015 is vastgesteld, vigerend. Conform het bestemmingsplan rust er op het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ (deels) en ‘Waarde – Archeologie 4’ (deels). Daarnaast is er een bouwvlak aangegeven zoals met het rode kader is weergegeven in figuur 2. Ook zijn er een aantal gebiedsaanduidingen in het bestemmingsplan van toepassing: - Gebiedsaanduiding dagrecreatie - Gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’ - Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar’
6
Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied'. Bouwvlak rood omkaderd.
Het planvoornemen is om de aanwezige varkensstal te slopen en de bedrijfswoning om te zetten in een burgerwoning. Deze ontwikkeling past niet binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Om het planvoornemen mogelijk te maken dient de agrarische bestemming te worden omgezet naar een woonbestemming. In artikel 3.7.8 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de huidige agrarische bestemming te wijzigen naar ‘Wonen’. 3.7.8 Wijziging naar de bestemming 'Wonen' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' te wijzigen naar de bestemming 'Wonen', teneinde de omzetting van bestaande agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond dat voortzetting van het agrarisch bedrijf, dan wel hervestiging of omschakeling, binnen het betreffende bouwvlak niet reëel is; Ter plaatse worden geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer uitgevoerd. Daarnaast is de bestaande bedrijfsbebouwing zeer verouderd, waardoor hervestiging van een agrarisch bedrijf gepaard gaat met investeringen welke niet zijn gewenst. De agrarische bedrijfsgebouwen zullen dan ook worden gesloopt. Het nieuw te bouwen bijgebouw zal dienst doen als ontwikkelatelier t.b.v.
agrarisch-technisch hulpbedrijf en zal ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Daarnaast zal de milieuvergunning voor het houden van vee op de locatie ingetrokken worden.
7
b. het aantal woningen bedraagt na wijziging niet meer dan het (bestaande) aantal agrarische bedrijfswoningen dat in het betreffende bouwvlak voor de wijziging aanwezig was; In de huidige situatie is één bedrijfswoning aanwezig. In de beoogde situatie zal deze gewijzigd worden naar één burgerwoning. c.
de omvang van het bestemmingsvlak wordt afgestemd op de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende tuin en erf, waarbij de overige gronden worden gewijzigd in de (aangrenzende) bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch met waarden; Hieraan zal worden voldaan. d. de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging niet meer dan 100 m², tenzij toepassing wordt gegeven aan de regeling in lid e; De oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij de woning bedraagt na wijziging maximaal 380 m2. Deze oppervlakte is van belang voor de activiteiten met betrekking tot de beoogde nevenactiviteiten. De gemeente heeft, middels een positief principebesluit, aangegeven medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. e. voor zover de oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen c.q. voormalige agrarische bedrijfsbebouwing de onder d. voorgeschreven oppervlakte te boven gaat, wordt maximaal 25% van de te slopen overmaat eenmalig vervangen door een vergroting (uitgedrukt in m² per woonlaag) van de woning inclusief aanen uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen en/of een vergroting (uitgedrukt in m²) van de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met dien verstande dat: 1. de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen na vergroting niet meer bedraagt dan 900 m³; 2.
de gezamenlijke oppervlakte aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen na vergroting niet meer bedraagt dan 200 m², waarbij de oppervlakte per vrijstaand bijgebouw of overkapping niet meer mag bedragen dan 100 m²; Er is geen sprake van een vergroting van de woning (inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen of vergroting van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen. De woning blijft ongewijzigd behouden en er is juist sprake van een verkleining aan bijgebouwen. Deze voorwaarde is dus niet van toepassing op onderhavige ontwikkeling. f.
in afwijking van het bepaalde onder d en e dient cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te allen tijde gehandhaafd te blijven; Niet van toepassing. g. de wijziging is zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijn stof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in het bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar; De wijziging is vanuit bovenstaande oogpunten acceptabel en zal in hoofdstuk 4 worden toegelicht. h. de wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of -ontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven; 8
De wijziging levert geen beperking op voor de bedrijfsvoering of- ontwikkeling van omliggende bedrijven. Dit aspect zal in hoofdstuk 4 verder worden uitgewerkt. i.
er is voorzien in een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een uitvoerbaar beplantingsplan, dat is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken; Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een zorgvuldige landschappelijke inpassing welke is bijgevoegd in bijlage I en nader uitgewerkt in hoofdstuk 2.2. j.
de wijziging gaat gepaard met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiele kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de vergroting haar werking heeft. Door de herbouw van de verouderde bebouwing gaat onderhavig planvoornemen gepaard met een fysieke verbetering van de kwaliteit in de omgeving. Daarnaast wordt het perceel landschappelijk ingepast. In paragraaf 3.3.3 zal deze kwaliteitsimpuls verder worden toegelicht.
9
HOOFDSTUK 2.1
2 Planbeschrijving
Huidige situatie De bedrijfsvoering ten behoeve van de varkenshouderij is reeds gestaakt en momenteel wordt de oude varkensstal (1) gebruikt ten behoeve van privéopslag en bedrijfsmatige opslag van machines en installaties. Doordat de stal in verschillende fases is opgebouwd, zijn er drie steun-/scheidingsmuren in de stal aanwezig. Door de aanwezigheid van deze steunmuren dienen de installaties tevens in fases te worden opgesteld. Ten aanzien van de bedrijfsvoering is dit niet erg efficiënt. De muren kunnen, gezien de constructie, niet wordt verwijderd waardoor het niet mogelijk is om één grote ruimte te creëren. De veldschuur betreft een gebouw (2b) waaraan een garage is gebouwd (2a). De garage is opgetrokken uit hout met één open zijde en heeft geen deuren. De veldschuur is tevens opgetrokken uit hout en is voorzien van deuren. De veldschuur heeft een hoogte van circa 6 meter. In figuur 3 is de overzichtssituatie van het plangebied weergeven waarbij er een onderscheid is gemaakt van de volgende gebouwen: - Bedrijfswoning met een oppervlakte van 338 m2 (geel) - Varkensstal met een oppervlakte van 345 m2 (1) - Garage met oppervlakte van 40 m2 (2a) - Veldschuur met een oppervlakte van 85 m2 (2b)
Figuur 3. Huidige situatie plangebied.
Het deel van het perceel ten noorden van de bijgebouwen is in gebruik als weide. Het deel van het perceel tussen de woning en bijgebouwen bestaat uit erfverharding. Ten slotte is het deel van het perceel tussen de woning en de openbare weg ingericht als tuin. 10
2.2
Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemers wensen graag te blijven wonen op deze plek (Peter Visserslaan 16). De bestaande schuren worden ten behoeve van het woongenot gesloopt. Echter wil de initiatiefnemer nog wel gebruik maken van de mogelijkheden die extra bebouwing kan bieden ten behoeve van zijn bedrijf in Velp. Het gaat dan om een laag dynamische functie, specifiek gericht op opslag en proefondervindelijke assemblage van nieuwe opstellingen van melkstallen. De bedrijfsactiviteiten blijven geconcentreerd op de bedrijfslocatie in Velp, maar op die plek is nauwelijks ruimte om nieuwe opstellingen van melkstallen uit te proberen. Thuis kan de initiatiefnemer te allen tijde terecht in zijn, zoals we dat noemen, innovatieatelier, om inspiratie op te doen en die weer mee te nemen naar zijn bedrijf in Velp. Om dit te kunnen realiseren wordt de huidige bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast zal de stal (345 m2) en de veldschuur (85 m2) worden gesloopt en in ruil daarvoor komt een nieuw gebouw terug dat de initiatiefnemer beter en efficiënter kan gebruik voor de opslag, maar vooral voor de opstelling van zijn machines en de innovatie ervan. De bestaande garage zal behouden blijven om de privéauto te kunnen parkeren. Het nieuwe bedrijfsmatige gebouw krijgt een oppervlakte van 300 m². De bestaande woning blijft gehandhaafd en wordt gebruikt als burgerwoning.
Het bestaande bijgebouw (40 m²) blijft gehandhaafd en wordt iets uitgebreid tot maximaal 80 m². Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijke inpassing opgesteld. In onderstaande figuur 4 is de landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing weergegeven. In de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage I) wordt deze inpassing uitgebreider toegelicht. Op basis van de wensen van de initiatiefnemer en de voorwaarden vanuit het beleid is het volgende landschappelijke inpassingsplan opgesteld:
Figuur 4. Landschappelijke inpassing
Woonboerderij en bijgebouw De woonboerderij met voor- en achtertuin blijft behouden voor eigen gebruik en een ruimte voor het stallen van auto’s. De voortuin heeft een lage beukenhaag, met een 11
traditionele boerentuin met siergroen en gazon. De boerderij met typerend voor- en achterhuis komt hierdoor goed tot zijn recht. Ten zuiden en oosten van de woning ligt de achtertuin met een hoge beukenhaag, die overgaat in de bestaande coniferenhaag van de buurman. In de achtertuin staat een okkernoot welke tevens blijft behouden. Bezoekers kunnen op de privéinrit parkeren welke vóór de woning is gesitueerd. Achter de woning wil men het bestaande bijgebouw behouden en vergroten tot 80 m² voor het stallen van auto’s fietsen, grasmaaier en ander klein materiaal. De verschijningsvorm blijft een gepotdekselde karschop met de ingang aan de tuinzijde, waardoor de auto’s vanaf de straatzijde niet zichtbaar zijn. Gebouwen De oude varkensstal en veldschuur worden gesloopt. In plaats daarvan komt één nieuwe schuur. Deze schuur staat achter de woning parallel aan de perceelsgrens, op min of meer dezelfde plek als de huidige varkensstal. Deze schuur wordt uitgevoerd in potdekseldelen (damwandprofiel) met een gemetselde plint. Voor de schuur is een verharde ruimte om te kunnen draaien met voertuigen, laden en lossen van materialen en machines en de proefopstelling van machines te kunnen maken. De schuur wordt aan de landschapszijde afgeschermd door een rij knotwilgen. Achter de schuur is ruimte voor een laagte ten behoeve van de infiltratie van regenwater.
De weide achter de schuur wordt afgeschermd door paal en draad voor het houden van kleindieren. Inrit Ten noorden van woning ligt een grindpad. Dit pad is eigendom van de initiatiefnemer en de buurman verderop heeft vanuit het verleden recht van overpad. Dit wil men voor de buurman behouden, echter is overig verkeer niet wenselijk. De nieuwe schuur en het bijgebouw worden via deze inrit ontsloten. Om het voor de passant duidelijk te maken dat het geen openbare weg is, is reeds een landschapspoort geplaatst nabij de openbare weg. Deze poort staat weliswaar altijd open, maar geeft tot de indruk van een eigendomssituatie. Langs de inrit worden nieuwe hoogstamfruitbomen geplant. Berekening kwaliteitsverbetering van het landschap In maart 2021 is een (concept) handreiking kwaliteitsverbetering door de gemeente Meierijstad opgesteld.
In deze handreiking wordt voorgenomen ontwikkeling als categorie 2 ontwikkeling gezien: “Wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert.” Voorgenomen bestemmingsplanwijziging voorziet in de verkleining van het bestemmingsvlak tot maximaal 5.000 m2 en er blijft 380 m2 aan bijgebouwen behouden. De gemeente heeft echter aangegeven dat de oppervlakte aan bijgebouwen dat behouden mag blijven bij een wijziging van agrarisch bedrijf naar wonen/wonen-vab in de handreiking kwaliteitsverbetering in principe gemaximeerd wordt op 300 m2. In dit geval is daarvan afgeweken vanwege de specifieke functie als innovatieatelier (opslag). De 80m² extra wordt daarom als categorie 3 aangemerkt. De realisatie van het extra oppervlak aan bijgebouwen dient in het kader van de landschapsinvesteringsregeling gecompenseerd te worden. Per m² boven op de 300 12
m² wordt daarom een vast bedrag van € 60,- / m2 gehanteerd. De kwaliteitsbijdrage bedraagt dus (80 * 60 =) € 4.800,-. In bijlage I is aangegeven hoe die landschapsinvestering is ingevuld op de locatie. Met het plan wordt voldaan aan de landschapsinvesteringsregeling.
13
HOOFDSTUK
3 Beleidstoets
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).
Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het besluitgebied is gelegen binnen een van de aanvullende doelen van deze Nationale Hoofdstructuur. Het besluitgebied is namelijk gelegen binnen het radar verstoringsgebied. Hierdoor gelden er aanvullende regels binnen het besluitgebied ten opzichte van ontwikkelingen. Conclusie Met onderhavige ontwikkeling dienen de regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik in acht te worden genomen. De provincie en de gemeente Meierijstad hebben in die lijn beleidsregels vastgesteld waarbinnen mogelijkheden zijn om het bijgebouw te realiseren en de herbestemming te voltrekken. Wanneer de ontwikkeling conform die regels wordt gerealiseerd is deze in overeenstemming met de SVIR. Voor een deel vindt er hergebruik van de bebouwing plaats en wordt de overtollige bebouwing gesaneerd, daarnaast wordt er een bijgebouw gerealiseerd Dit bijgebouw zal door de landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing in relatie staan tot de omgeving. In dit geval is sprake van een ontwikkeling welke kleinschalig is van aard, waardoor geen nationale belangen in het geding komen.
De ontwikkeling is hiermee in lijn met de SVIR.
14
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, maar daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'jamits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
3.1.3
Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gerealiseerd. In dit geval wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning, waardoor er geen woning toegevoegd, waardoor dit geen stedelijke ontwikkeling betreft.
Daarnaast kwalificeren planologische gebruikswijzigingen zonder een toename van bouwmogelijkheden in deze niet als Ladderplichtige stedelijke ontwikkelingen. De splitsing van de bestaande woning kwalificeert dus niet als een ladderplichtige stedelijke ontwikkeling.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. 15
De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst.
Structurenkaart Onderhavige locatie is op de structurenkaart behorende bij de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 5).
16
Figuur 5. Uitsnede structuurkaart Structuurvisie 2010 - partiële herziening Provincie NoordBrabant.
Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Onderhavige ontwikkeling past daarmee binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de Provincie Noord Brabant.
3.2.2
Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening Noord-
17
Brabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. De geconsolideerde versie is op 1 maart 2020 vastgesteld. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). Voor de uitwerking van de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van deze ruimtelijke onderbouwing. De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: -
Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen.
Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Voor de plangebieden is de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang. De overige kaarten zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.
Figuur 6. Uitsnede structuurkaart Interim Omgevingsverordening Noord Brabant.
18
Uit figuur 6 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het gemengd landelijk gebied. Binnen het (gemengd) landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. Met voorgenomen ontwikkeling wordt omgeschakeld naar een woonfunctie met daarnaast kleinschalig beroep aan huis in de vorm van een ontwikkelatelier. In artikel 3.69 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is opgenomen dat een bedrijfswoning omgezet kan worden naar een burgerwoning. Hierbij is de voorwaarde opgenomen dat overtollige bebouwing gesloopt dient te worden. In dit geval wordt de oude stal en veldschuur gesloopt. Weliswaar komt er een schuur voor terug, maar die is kleiner in oppervlakte en daarnaast draagt deze bij aan de verbetering van het erf en bebouwing ter plaatse. In de schuur wordt de aanvullende functie (ontwikkelatelier) gerealiseerd ten behoeve van een landbouwmechanisatiebedrijf (melkmachines). De hoofdfunctie is en blijft wonen, maar omdat er wel een aanvullende, ondergeschikte, landbouwmechanisatiefunctie wordt gerealiseerd is het goed om deze ontwikkeling te toetsen aan het beleid van de provincie ten aanzien van de vestiging van dit soort functies.
Doormiddel van het toetsen van de, aan de woning ondergeschikte, functie aan de regels voor agrarisch technische hulpbedrijven wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ontwikkeling. In artikel 3.61 is opgenomen dat de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf/agrarisch-verwant bedrijf in het landelijk mogelijk is, mits kan worden voldaan aan de voorwaarden. Hieronder zijn de voorwaarden uit artikel 3.61 opgenomen en per voorwaarde een korte motivatie gegeven. Artikel 3.61 Vestiging agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in Gemengd landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf als: a. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving qua omvang, effect op omliggende functies en ontsluiting past in de omgeving; Een agrarisch-technisch hulpbedrijf / agrarisch-verwant bedrijf in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt.
De gemeente Meierijstad heeft voor haar grondgebied beleid uitgewerkt waarin een globale ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Uit de kaart met gebiedstypologieën blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen het verwevingsgebied van het landelijk gebied. De realisatie van een kleinschalig ontwikkelatelier voor het landbouwmechanisatiebedrijf is naar aard en omvang passend binnen deze gebiedstypologie. Gezien de kleinschaligheid en het extensieve karakter van de functie is het een passende ontwikkeling in de landelijke omgeving waar verschillende functies aanwezig zijn. Binnen de omgeving is een diversiteit aan functies aanwezig. Het tekent de dynamiek van de omgeving. Door de afname van agrarische bedrijven is het ontstaan van vervolgfuncties een logisch vervolg. In dit geval een burgerwoning met een ondergeschikte agrarisch technische functie. De omgeving bestaat uit verschillende agrarische en niet-agrarische functies met voornamelijk wonen en recreatieve functies. De kleinschaligheid, vrijheid, rust en ruimte zijn aspecten die in de huidige omgeving aanwezig zijn. De infrastructuur is daarop ook uitgerust. Grootschalige functies zijn 19
daarom wat minder passend op deze plek. Een woonfunctie met kleinschalige activiteiten (laagdynamisch, m.n. opslag) past uitstekend in dit gebied en geven ook nog de reuring die past bij het afwisselende gebied. b. de ontwikkeling niet leidt tot splitsing van het bouwperceel; Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. is verzekerd dat overtollige bebouwing wordt gesloopt; De varkensstal en de veldschuur worden gesloopt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. mestbewerking is uitgesloten. De bedrijfsactiviteiten bestaan niet uit mestbewerking. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Lid 2 Als een binnen de omgeving passende omvang van een agrarisch-technisch hulpbedrijf of een agrarisch-verwant bedrijf geldt een bouwperceel van ten hoogste 1,5 hectare.
Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. Hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. De gemeente Meierijstad heeft voor haar grondgebied beleid uitgewerkt waarin een globale ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Uit de kaart met gebiedstypologieën blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen het verwevingsgebied van het landelijk gebied.
De realisatie van een kleinschalig ontwikkelatelier voor het landbouwmechanisatiebedrijf is naar aard en omvang passend binnen deze gebiedstypologie. Gezien de kleinschaligheid en het extensieve karakter van de functie is het een passende ontwikkeling in de landelijke omgeving waar verschillende functies aanwezig zijn. Binnen de omgeving is een diversiteit aan functies aanwezig. Het tekent de dynamiek van de omgeving. Door de afname van agrarische bedrijven is het ontstaan van vervolgfuncties een logisch vervolg. In dit geval een burgerwoning met een ondergeschikte agrarisch functie. De omgeving bestaat uit verschillende agrarische en niet-agrarische functies met voornamelijk wonen en recreatieve functies. De kleinschaligheid, vrijheid, rust en ruimte zijn aspecten die in de huidige omgeving aanwezig zijn. De infrastructuur is daarop ook uitgerust. Grootschalige functies zijn daarom wat minder passend op deze plek. Een woonfunctie met kleinschalige activiteiten (laagdynamisch, m.n. opslag) past uitstekend in dit gebied en geven ook nog de reuring die past bij het afwisselende gebied. b. Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; 20
Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt; De varkensstal en de veldschuur worden gesloopt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. De vestiging heeft geen betrekking op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Lawaaisport; 3. Mestbewerking. De bedrijfsactiviteiten hebben geen betrekking op één van bovenstaande activiteiten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. Over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De bedrijfsmatige functie blijft kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie. Een verdere groei is niet noodzakelijk en tevens niet gewenst. In feite worden de maximale mogelijkheden hierdoor voldoende geborgd. Alle bedrijfsactiviteiten vinden inpandig plaats. Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a.
Bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. Een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. Een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De ontwikkeling betreft geen vrije-tijdvoorziening of zorg en is niet gericht op detailhandel. Zoals eerder vermeld is de bedrijfsmatigheid ondergeschikt aan de woonbestemming en dient deze kleinschalig te blijven. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Met de ontwikkeling wordt voldaan aan de voorwaarden waardoor het provinciaal beleid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Veghel 2030 In de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ schetst de gemeente Veghel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. Zo is er in deze structuurvisie veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Daarnaast wordt ook uitgebreid stilgestaan bij de mogelijkheden om de sterke positie van Veghel als werkstad en de bijbehorende stedelijke voorzieningen te behouden.
21
Ten aanzien van functies in het buitengebied is er een visiekaart ‘bedrijvigheid & landbouw’ opgesteld waarin aangegeven wordt welke ontwikkelingen op welke plaatsen wenselijk zijn. Zoals is weergegeven in figuur 7 ligt het plangebied in het gebied waarin ruimte voor landbouw in het buitengebied in combinatie met andere functies wenselijk is.
Figuur 7. Uitsnede structuurkaart 'bedrijvigheid & landbouw' Structuurvisie Veghel 2030
In het buitengebied van Veghel is plaats voor agrarisch gebruik van gronden waarbij er rekening gehouden moet worden met de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. Voor gebieden in het buitengebied die geen onderdeel vormen van landbouwontwikkelingsgebieden (waaronder de planlocatie) geldt dat de landbouw een belangrijke drager is maar de groeiruimte voor deze agrarische functies zijn beperkt. In deze gebieden wordt ruimte geboden voor andere (niet agrarische) functies zoals bedrijven, recreatie en voorzieningen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Veghel wat niet is aangemerkt als een landbouwontwikkelingsgebied. Functies, zoals de realisatie van een ontwikkelatelier t.b.v. een agrarisch-technisch hulpbedrijf, is in beginsel mogelijk op de planlocatie. Onderhavig planvoornemen past binnen de ‘Structuurvisie Veghel 2030’.
3.3.2
Afwegingsschema Meierijstad De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingsschema waarbij wordt bekeken of een nieuwe ontwikkeling realiseerbaar is in haar omgeving. Dit doet de gemeente niet door specifieke regels te stellen, maar door te werken via een stappenplan, zie onderstaand. 1. Bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten/maatschappelijke meerwaarde zoals: extra werkgelegenheid, verbetering van het woon- of leefklimaat door afname van milieucontouren of minder vrachtwagenbewegingen, wateropgave, het creëren van bijzondere architectonische kwaliteiten etc. Ter plaatse wordt twee oude schuren gesloopt en komt daarvoor in de plaats één nieuw gebouw van maximaal 300 m². Het bestaande bijgebouw (garage) wordt voorzien van een carport (40 m²). De agrarische bestemming verdwijnt, waardoor milieutechnisch een verbetering plaatsvindt van het woon- en leefklimaat. De nieuwe schuur draagt bij aan de innovatie van de landbouw door als ontwikkelatelier te fungeren voor een mechanisatiebedrijf.
22
2. Het ruimtebeslag: • Wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing? Een groot deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt. Deze bebouwing is gezien de indeling niet geschikt dan wel efficiënt voor de gewenste activiteiten. De bestaande bebouwing zou in principe gebruikt kunnen worden, wanneer er bouwkundige aanpassingen worden gedaan. De drie steun-/scheidingsmuren die in de stal aanwezig zijn, zorgen ervoor dat machines niet als geheel de schuur in kunnen worden gereden. De machines dienen in verschillende fases te worden opgebouwd, wat niet erg efficiënt is voor de bedrijfsvoering. De muren kunnen, gezien de constructie, niet wordt verwijderd waardoor het niet mogelijk is om één grote ruimte te creëren. Daarnaast is vraag of dat ook bijdraagt aan een goede ruimtelijke uitstraling/gewenste kwaliteit die men in het buitengebied wil hebben. Dit tevens met betrekking tot de verouderde staat van de bebouwing, waardoor verbouwing gepaard gaat met enorme investeringen. Daarom is gekozen voor sloop en het terugbouwen van een nieuwe schuur. • Vindt er ontstening plaats? Er wordt in totaal een oppervlakte van 430 m² aan bebouwing gesloopt. De nieuwe schuur heeft een oppervlakte van 300 m² en de uitbreiding van het bestaande bijgebouw heeft een oppervlakte van 40 m2. Hierdoor is sprake van een afname van 90 m² aan bebouwing. Er is dus sprake van ontstening.
• De aard van de locatie en de omgeving; De nieuwe schuur wordt op eigen erf gerealiseerd, zo dicht mogelijk bij de boerderij én in relatie tot het bestaande erf (boerderij met bijgebouw). Daarbij is uiteraard rekening gehouden met de ontsluiting via het eigen grindpad en het draaien en keren van een bus met aanhangwagen/ een bakwagen met een aanhangwagen. 3. Zijn er negatieve effecten op omgevingskwaliteiten te verwachten? Bijvoorbeeld door geluidhinder, toename stikstof door verkeer, visuele hinder en versnippering voor bijvoorbeeld aangrenzend natuurgebied; De mogelijkheden voor agrarische exploitatie ter plaatse verdwijnen gezien de agrarische bestemming wordt omgezet naar een woonbestemming met een ondergeschikt ontwikkelatelier. De agrarische bedrijfsactiviteiten en mogelijkheden hiertoe verdwijnen. Daardoor is afname van verschillende elementen (geur, stikstof, zoönose, endotoxinen en verkeersbewegingen). Uit hoofdstuk 4 blijkt dat beoogde activiteiten minder milieueffect hebben op de omgeving dan in de huidige situatie. Er is geen sprake van een mogelijk effect op natuurgebieden vanwege het ontbreken van natuurgebieden in de directe omgeving. 4.
De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving; • Is er milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies te verwachten als gevolg van activiteit op het terrein (buiten werken met dieren, machines, laden/lossen van voertuigen). De milieucategorie van de activiteit uit de VNG-brochure vormt hierbij het vertrekpunt; In dit geval is sprake van een kleinschalig ontwikkelatelier, onderhavig bij een woonbestemming, welke gemaximeerd wordt in bebouwing, gebruik en mogelijk zelfs plek (specifiek ter plaatse van de bebouwing). Het gaat om een ontwikkelatelier voor landbouwmachines en opstellingen. De activiteiten hebben met name een assemblerend karakter (in elkaar zetten en uit elkaar halen van machines en opstellingen). Het is een kleinschalig agrarisch technisch hulpbedrijf, wat in veel gevallen acceptabel wordt geacht in het buitengebied (zelfs tot 1,5 hectare). In de VNG 23
lijst valt dit onder dienstverlening t.b.v. landbouw – algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. <= 500 m² (sbi code 014/016)) waardoor sprake is van milieucategorie 2. Uit paragraaf 4.7 blijkt dat dit geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling. • Zijn er problemen te verwachten rondom de verkeersafwikkeling (ook in relatie tot milieueffecten)? Dit is onder andere afhankelijk van de frequentie van verkeersbewegingen, het gebruik van grote voertuigen (laden en lossen goederen of onderdeel van bedrijfsvoering) en de geschiktheid van de aanwezige infrastructuur en de verkeersafwikkeling richting doorgaande wegen. De ontsluiting veranderd niet en er is slechts sprake van beperkte aan- en afvoer van materialen en machines zoals dat nu ook gebeurt. Er zijn geen problemen te verwachten. Zie hiervoor tevens paragraaf 4.12.1. 5. Visuele hinder: • Hoe is de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en uitstraling van het erf? • Past de uitstraling van de nieuwe functie in het (groene) buitengebied? • Past de omvang van de gebouwen binnen de schaal van het landschap (afhankelijk van landschapstype)? • Past de schaal van de activiteiten op het erf in het betreffende landschap? De landschapstypen vormen hierbij het vertrekpunt? Het perceel zal landschappelijk worden ingepast. In de bijlage van deze ruimtelijke onderbouwing (bijlage 1) is deze landschappelijke inpassing bijgevoegd.
Met het opstellen daarvan is rekening gehouden met bovenstaande aandachtspunten. Daardoor kan gesteld worden dat geen sprake is van visuele hinder en zorgvuldig met de ruimte wordt om gegaan. 6. Impact: Sturen op de mate van impact van een initiatief. Dit kan onder andere door: • Ontwerpprincipes te koppelen aan het initiatief • Het stellen van randvoorwaarden zoals opgenomen in onderstaande voorwaarden; • De omvang van de nieuwe functie of het ruimtebeslag in te beperken en daarmee ook de impact. Voorwaarden vanuit de omgeving. a) Milieu: Er dient voldaan worden aan de op dat moment geldende wetgeving omtrent geluid, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc; b) De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven; c) De ontwikkeling mag geen negatieve verkeerskundige effecten hebben; d) De ontwikkeling mag niet leiden tot parkeeroverlast voor de omgeving; e) Er dient een watertoets te worden gedaan. Deze wordt voor advies aan het waterschap voorgelegd; f) Er moet een zorgvuldige omgevingsdialoog worden gevoerd. Genoemde aspecten zullen in hoofdstuk 4 worden behandeld. Hierbij zijn een aantal aspecten nader onderzocht waarbij is geconcludeerd dat er geen negatieve impact op de omgeving ontstaat door deze ontwikkeling.
Deze ontwikkeling is met de buren besproken en er is door de buurt aangegeven dat ze geen problemen hebben met de ontwikkeling. In bijlage II van deze ruimtelijke onderbouwing is de omgevingsdialoog toegevoegd.
24
Conclusie beleid Met onderhavige ontwikkeling kan aan alle voorwaarden uit het beleid worden voldaan. Op basis van deze onderbouwing kan worden gesteld dat het initiatief bijdraagt aan de transitie van het landelijke gebied door uitvoering te geven aan ontstening, opzetten van een kwalitatieve verbetering van het erf, bij te dragen aan het innovatieve karakter van het buitengebied door realisatie van het ontwikkelatelier en rekening te houden met de buurt.
3.3.3
Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Allereerst mag een initiatief geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Uit paragraaf 2.2 is reeds gebleken dat de ontwikkeling stedenbouwkundig verantwoord is en dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast is in hoofdstuk 4 de invloed van voorgenomen ontwikkeling op de omgeving onderzocht en is geconcludeerd dat er geen belemmeringen worden verwacht. Naast deze omgevingsscan is het voor de gemeente Meierijstad van groot belang dat er ook wordt voorzien in een kwaliteitsimpuls. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en aanvullende kwaliteitsprestaties. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Naast de basisinspanning geldt er voor sommige ontwikkelingen ook een aanvullende kwaliteitsprestatie. De invulling van de aanvullende kwaliteitsprestatie is maatwerk. Ter plaatse van het plangebied zal alle overtollige bebouwing gesloopt worden.
De sanering van de verouderde stal en veldschuur en de realisatie van een nieuw bijgebouw zal ter plekke een kwaliteitswinst opleveren. Daarnaast zal een groot deel van de aanwezige verharding weggenomen worden. Naast de verbetering van de kwaliteit hecht de gemeente Meierijstad waarde aan het betrekken van de direct omwonenden in de planvorming. In paragraaf 3.3.4 wordt de omgevingsdialoog nader toegelicht.
3.3.4
Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn dat omwonenden aan de Pater Visserslaan 15, 17 en 17a De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.
25
HOOFDSTUK
4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording
4.1
M.e.r.-plicht Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. De omschakeling van bedrijfswoning naar burgerwoning en het mogelijk maken van een kleinschalig beroep aan huis komen niet voor in bijlage C en D van het besluit m.e.r..
Dit geldt eveneens voor de sloop van de bebouwing en het oprichten van een nieuw bijgebouw. De ontwikkeling is slechts kleinschalig van aard. Er is geen sprake van de verplichting om een m.e.r.(beoordelings-)procedure te doorlopen.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze ruimtelijke onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op het plangebied ligt ter plaatse van de woning en de garage/veldschuur de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Hier geldt een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,3 meter. Op basis van de beperkte oppervlakte (40 m2) van de uitbreiding van het bestaande bijgebouw (<250 m2) is deze ingreep uitgezonderd van archeologisch onderzoek.
Op het deel van het perceel waar de varkensstal gesaneerd en het bijgebouw gerealiseerd wordt ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. In het 26
algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,3 meter. Op basis van de beperkte oppervlakte (300 m2) van het nieuw te bouwen bijgebouw (<10.000 m2) is deze ingreep uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. Ook zijn er geen monumenten binnen het plangebied aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.