P02587_BP_Recreatiegebied De Kienehoef_20240522
Tekst van het document
de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden. i. voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is het bepaalde in de tabel 'Specifieke bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde' van toepassing: Tabel specifieke bouwregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde Type Situering Aantal Bouwhoogte Oppervlakt Diameter e Rijbak Aanduiding Max. 1 Max. 2 m Max. 1.500 'specifieke vorm van m² recreatie paardensportcentrum' Lichtmasten bij rijbak Aanduiding Max. 6 Max. 9 m 'specifieke vorm van recreatie paardensportcentrum' Stapmolen (al dan Aanduiding Max. 5 m Max. 15 niet overdekt) 'specifieke vorm van m recreatie paardensportcentrum' Longeercirkel (al dan Aanduiding Max. 5 m Max. 20 niet overdekt) 'specifieke vorm van m recreatie paardensportcentrum' Lichtmasten bij Aanduiding Max. 1 Max. 9 m longeercirkel 'specifieke vorm van recreatie paardensportcentrum'
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 40 van 58
Datum:26 juni 2024
Paddocks
Kampeermiddelen en/of stacaravans/chalets
Speelvoorzieningen
Lichtmasten n.e.g.
Aanduiding Max. 5 m 'specifieke vorm van recreatie paardensportcentrum' Aanduiding Max. 64, Max. 3,1 m 'specifieke vorm van waarvan voor recreatie maximaal stacaravans/ verblijfsrecreatie' 55 chalets* stacaravan s/chalets
Aanduiding 'specifieke vorm van recreatie verblijfsrecreatie' Aanduiding 'specifieke vorm van recreatie verblijfsrecreatie'
Max. 100 m² per stacaravan/ chalet* tot maximaal 40% van de oppervlakte van de standplaats
Max. 5 m
Max. 6 m, mits geplaatst achter de voorgevelrooilij n van de bedrijfswoning . Max. 3,5 m voor het overige
Zwembad (al dan niet Aanduiding overdekt) 'specifieke vorm van recreatie voorzieningen'
Niet-overdekt :max. 150 m². Overdekt: zie 6.2.2 sub a en b.
* voor kampeermiddelen geldt geen maximum maatvoering 6.3
Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Grotere oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoning Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.2, en een grotere oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning toestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. voor iedere m² aan bebouwing die gesloopt wordt, geldt dat per m² sloop er een vergroting van de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken plaats kan vinden van 0,5 m²; b. de maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij een woning na toepassing van deze regeling bedraagt 300 m²; c. alle voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt; d. de overige bepalingen uit artikel 6.2.2 blijven onverminderd van toepassing.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 41 van 58
Datum:26 juni 2024
6.3.2 Ondergronds bouwen buiten de gevelgrenzen van gebouwen Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.1 voor het toestaan van ondergrondse gebouwen van maximaal één bouwlaag (3,5 m onder peil) buiten de gevelgrenzen van de gebouwen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de oppervlakte mag maximaal 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak of van een bestaand bouwperceel bedragen met een absoluut maximum van 150 m²; b. de afstand tot de as van de weg dient minimaal 15 m te bedragen behalve als de bestaande gebouwen dichter op de as van de weg staat; dan is deze afstand bepalend; c. het bouwwerk dient geheel onder het maaiveld te worden gebouwd; d. afhankelijk van de situatie kan een landschappelijke inpassing worden geëist; e. de inhoud van wat ondergronds wordt gebouwd telt niet mee bij het bepalen van de maximale toegestane inhoud. 6.3.3 Ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot 10 m hoogte Het bevoegd gezag kan in afwijking van het bepaalde in artikel 6.2.4 een omgevingsvergunning verlenen voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarden dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; b. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden. 6.4
Specifieke gebruiksregels
6.4.1 Zone 'groen' en 'specifieke vorm van recreatie - groene zone' a. Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn, ongeacht het bepaalde elders in deze regels, geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan of verhardingen, zoals in- en uitritten, verharde wegen en paden en parkeervoorzieningen; b. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groene zone' moet ten minste 1/3 van de oppervlakte van het betreffende aanduidingsvlak bestaan uit groenvoorzieningen. 6.4.2 Permanente bewoning Permanente bewoning is niet toegestaan met uitzondering van permanente bewoning van een bedrijfswoning. 6.4.3 Beroep of bedrijf aan huis Binnen een bedrijfswoning of in bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning is een beroep of bedrijf aan huis toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats in de bedrijfswoning en/of bijbehorende bouwwerken; b. maximaal 40% van de brutovloeroppervlakte van de bedrijfswoning en/of bijbehorende bouwwerken is in gebruik ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis, met een absoluut maximum van 100 m²; c. het beroep of bedrijf aan huis ondersteunt de woonfunctie, dat wil zeggen dat degene die het beroep of bedrijf aan huis in de bedrijfswoning en/of bijbehorende bouwwerken uitoefent, tevens de hoofdbewoner van de bedrijfswoning is; d.
het aantal werkzame personen bij een beroep of bedrijf aan huis bedraagt maximaal 2 personen, waaronder inbegrepen de eigenaar van de woning; e. het parkeren ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis vindt plaats op eigen terrein. f. vanaf de openbare weg zichtbare excessieve reclame-uitingen zijn niet toegestaan, voor reclame-uitingen gelden de regels van de welstandsnota;
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 42 van 58
Datum:26 juni 2024
g. het beroep of bedrijf aan huis leidt niet tot een onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking in relatie tot de functie en aard van de omliggende weg(en); h. het beroep of bedrijf aan huis mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van omliggende (agrarische) bedrijven. i. de belangen van derden (omwonenden) worden niet geschaad; j. het aan huis verbonden beroep of bedrijf komt voor in de milieucategorie 1 of 2 van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' of kan, voor wat betreft de aard en omvang van de milieuhinder die het veroorzaakt, gelijk gesteld worden aan een bedrijf behorende tot één van die milieucategorieën; k. er vindt geen buitenopslag plaats ten behoeve van het beroep of bedrijf aan huis; l. beroepen of bedrijven aan huis in de vorm van detailhandel (uitgezonderd internetwinkels zonder afhaalpunt of showroom) of horeca zijn niet toegestaan. 6.4.4 Landschappelijke inpassing Het in gebruik nemen en gebruikt houden van gronden en/of bebouwing voor de doeleinden als bedoeld in 6.1 sub a tot en met c, met uitzondering van voortzetting van bestaand gebruik, is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: a.
uiterlijk binnen één jaar na eerste ingebruikname, zoals bedoeld in de aanhef, moet de landschappelijke inpassing overeenkomstig de uitgangspunten als opgenomen in Bijlage 3 zijn gerealiseerd; b. na realisatie moet de onder a. bedoelde landschappelijke inpassing duurzaam in stand worden gehouden.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 43 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 7
Verkeer - Onverhard
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer – Onverhard' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. onverharde wegen, paden en nutsvoorzieningen; b. behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. groenvoorzieningen. 7.2
Bouwregels
7.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan. 7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 m. 7.3
Specifieke gebruiksregels
7.3.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het verharden van onverharde wegen en paden.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 44 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 8
Verkeer - Onverhard 1
8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer – Onverhard 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. onverharde wegen, paden en nutsvoorzieningen; b. behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. groenvoorzieningen. 8.2
Bouwregels
8.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan. 8.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer mag bedragen dan 3 m. 8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen, verbreden en verharden van (onverharde)wegen, (zand)paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; b. het dempen van bermsloten. 8.3.1 Uitzondering Het in artikel 8.3 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. waarvoor op het tijdstip van het van kracht van dit plan reeds aanlegvergunning is verleend; b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op basis van een verleende vergunning. 8.3.2 Toelaatbaarheid De onder artikel 8.3 bedoelde werken of werkzaamheden zijn toelaatbaar, indien door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke waarden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 45 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 9
Verkeer - Verhard
9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer - Verhard' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. al dan niet verharde wegen, paden en nutsvoorzieningen; b. behoud, herstel en/of versterking van de waterhuishoudkundige waarden; c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. groenvoorzieningen. 9.2
Bouwregels
9.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden zijn geen gebouwen toegestaan, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van openbaar nut zoals wachthuisjes voor het openbaar vervoer, waarbij geldt dat: a. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 15 m²; b. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m. 9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. De bouwhoogte van palen, (licht)masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer bedragen dan 12 m. b. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 46 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 10
Water
10.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen en voorzieningen voor waterkering; b. behoud, herstel en ontwikkeling van algemene natuurwaarden; c. voorzieningen voor verkeer en verblijf zoals steigers en duikers; d. groenvoorzieningen; e. recreatief medegebruik; f. houseboats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water houseboats'. 10.2
Bouwregels
10.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. 10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. Het aantal houseboats mag niet meer bedragen dan 30 stuks, waarbij: 1. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan dan 75 m² per houseboat; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 4,5 m; b. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het beheer en onderhoud van de waterplas mag niet meer bedragen dan 2 m.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 47 van 58
Datum:26 juni 2024
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 48 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 12
Algemene bouwregels
12.1 Maatvoering a. In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, inhoud en/of horizontale dan wel verticale diepte van bouwwerken, die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezig zijn dan wel gebouwd kunnenworden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, afwijkt van het plan, op het tijdstip van terinzagelegging van dit ontwerp meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze planregels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, inhoud en/of horizontale dan wel verticale diepte in afwijking daarvan als maximaal toegestaan. Deze afwijkende maten zijn niet toegestaan bij vervangende nieuwbouw. b. Uitbreiding van inhoud en/of oppervlakte van bestaande gebouwen die qua maatvoering reeds afwijken van het bestemmingsplan, is niet toegestaan. c. In die gevallen dat de afstand tot enige aanduiding van bouwwerken, die op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezig is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, afwijkt van het plan, op het tijdstip van terinzagelegging van dit ontwerp minder bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze planregels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die afstand in afwijking daarvan als minimaal toegestaan. Deze afwijkende maten zijn niet toegestaan bij vervangende nieuwbouw.
12.2 Uitzondering Het bepaalde onder artikel 12.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.3
Energieopwekking
12.3.1 Algemeen Het is niet toegestaan om buiten de bestemmingen 'Recreatie - 1' of 'Recreatie - 2' bouwwerken voor energieopwekking op te richten. 12.3.2 Afwijken voor grondopstellingen van zonnepanelen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 12.3.1 voor het bouwen van een grondopstelling voor zonnepanelen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 1,5 m; b. er is aangetoond dat het ondoelmatig is om de zonnepanelen op het deel van het erf te realiseren waar zonnepanelen (hetzij op het dakvlak, hetzij via een grondopstelling) rechtstreeks zijn toegestaan; c. de omvang van de grondopstelling c.q. installatie is niet groter dan noodzakelijk om te voorzien in de eigen energiebehoefte; d. de grondopstelling en de situering van de bebouwing is compact en geconcentreerd vormgegeven op het achtererfgebied. Indien is aangetoond dat plaatsing op dit achtererfgebied ook ondoelmatig is, kan de grondopstelling aansluitend aan de achterste grens van het achtererfgebied geplaatst worden; e. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan;
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 49 van 58
Datum:26 juni 2024
f. er worden geen bomen gekapt ten behoeve van het (beter) functioneren van de zonnepanelen; g. de archeologische, aardkundige, landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden worden niet onevenredig aangetast; h. aangetoond moet worden dat er geen onaanvaardbare hinder door schittering ontstaat, zodat afgewogen kan worden of de grondopstelling aanvaardbaar is voor de omgeving; i. de grondopstelling wordt niet gebruikt voor opslagdoeleinden; j. zonnepanelen zijn niet toegestaan binnen de belemmerde strook van een hoogspanningsverbinding. 12.4 Waterberging Het bouwen van bouwwerken is uitsluitend toegestaan, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater ten gevolge van een toename van bebouwing gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en de gemeente en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit; b. de compensatie dient ten minste naar evenredigheid van de realisatie van toename van bebouwing gerealiseerd te worden en in stand te worden gehouden; c. de compensatie bedraagt ten minste de eis, zoals gesteld in de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Meierijstad. Indien de bedoelde verordening ten tijde van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen is gewijzigd, is de eis zoals gesteld in de gewijzigde verordening van toepassing.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 50 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 13
Algemene gebruiksregels
13.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruiken of laten gebruiken van onbebouwde gronden als opslagplaats voor vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte werktuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, puin, grind en brandstoffen, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; b. het gebruiken of laten gebruiken van onbebouwde gronden als uitstallings- of opslagplaats van al dan niet voor gebruik geschikte voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; c. het gebruiken of laten gebruiken van onbebouwde gronden als uitstallings- of opslagplaats, dan wel staan- of ligplaats voor onderkomens, tenzij dit gebruik noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden; d. het gebruiken of laten gebruiken van bedrijfswoningen voor enige vorm van detailhandel en/of horeca; e. het gebruiken of laten gebruiken van een gedeelte van een bedrijfsgebouw of bijbehorend bouwwerk bij een (bedrijfs)woning als woonruimte; f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting en/of prostitutie.
13.2 Waterberging Het toevoegen van verhardingen is uitsluitend toegestaan, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er dient te zijn aangetoond dat de toename van de afvoer van afstromend regenwater ten gevolge van een toename van verhard oppervlak gecompenseerd wordt conform de eisen van het waterschap en de gemeente en voorzien is een waterberging met voldoende capaciteit; b. de compensatie dient ten minste naar evenredigheid van de realisatie van toename van verhardingen gerealiseerd te worden en in stand te worden gehouden; c. de compensatie bedraagt ten minste de eis, zoals gesteld in de Verordening fysieke leefomgeving van de gemeente Meierijstad. Indien de bedoelde verordening ten tijde van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen is gewijzigd, is de eis zoals gesteld in de gewijzigde verordening van toepassing.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 51 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 14
Algemene aanduidingsregels
14.1 Milieuzone - geurzone Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - geurzone' zijn, ongeacht het bepaalde elders in deze regels, geen geurgevoelige objecten toegestaan. 14.2 Milieuzone - hinder Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - hinder' zijn geen milieuhinder veroorzakende activiteiten toegestaan. Hiertoe worden in ieder geval gerekend: mestopslag, stalling van paarden, rijbakken, paddocks, stapmolens en longeercirkels. 14.3 Milieuzone - spuitzone a. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitzone' zijn, ongeacht het bepaalde elders in deze regels, geen nieuwe gevoelige functies toegestaan. Tot gevoelige functies worden alle functies gerekend, waarin sprake is van langdurig verblijf van personen. b. In afwijking van het bepaalde in sub a kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het toestaan van het oprichten van bouwwerken bedoeld voor langdurig verblijf binnen de 'milieuzone - spuitzone' indien: 1. de betreffende spuitzone door gewijzigde exploitatie dan wel wet- en regelgeving vervalt; 2. uit onderzoek is gebleken dat de spuitzone kan worden verkleind al dan niet in combinatie met het treffen van maatregelen die de drift beperken ten behoeve van het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 3.
met eigenaren/exploitanten van omliggende agrarische gronden aantoonbaar permanente privaatrechtelijke afspraken zijn vastgelegd omtrent het (beperken van het) gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen, al dan niet in combinatie met het treffen van maatregelen die de drift beperken ten behoeve van het bereiken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 52 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 15 Algemene afwijkingsregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: a. de in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Deze afwijking is niet van toepassing op de inhoud van woningen, recreatiewoningen en woningen voor mantelzorg/afhankelijke woonruimte; b. de bestemmingsregels ten behoeve van rijbakken, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de rijbak wordt gesitueerd direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak van de functie waarbij de rijbak wordt gerealiseerd. 2. de afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 50 m. 3. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 1.200 m². 4. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 9 m. 5. het aantal lichtmasten per rijbak mag niet meer bedragen dan 4. 6. lichtmasten mogen niet worden gerealiseerd binnen een afstand van 100 m van gronden met de bestemming 'Bos', 'Natuur', 'Groen' en 'Groen - Landschapselement'. 7. de bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van de rijbak, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2 m. 8. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 9. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 10. er is geen sprake van onevenredige milieuhygiënische belemmeringen. 11.
deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. c. de bestemmingsregels voor het verkleinen van de afstand tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen mits: 1. dit voor een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling noodzakelijk is danwel uit oogpunt van een optimalisering van de inrichting van het bouwperceel; 2. de bouw geen onevenredige afbreuk doet aan de ter plaatse aanwezige landschappelijke waarden, die van de aangrenzende gronden daaronder begrepen; 3. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; 4. het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheids- en brandveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad. d. de bestemmingsregels ten behoeve van stapmolens: 1. de stapmolen wordt gesitueerd direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak van de functie waarbij de stapmolen wordt gerealiseerd. 2. de afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 50 m. 3. de doorsnede van de stapmolen mag niet meer bedragen dan 15 m. 4.
de bouwhoogte van de stapmolen mag niet meer bedragen dan 3 m. 5. de stapmolen mag niet worden voorzien van een dak. 6. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. 7. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 8. deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 53 van 58
Datum:26 juni 2024
goedgekeurd erfinrichtingsplan. e. de bestemmingsregels ten behoeve van longeercirkels: 1. de longeercirkel wordt gesitueerd direct grenzend aan het bouwvlak of bestemmingsvlak van de functie waarbij de longeercirkel wordt gerealiseerd. 2. de afstand tot woningen van derden mag niet minder bedragen dan 50 m. 3. de doorsnede van de longeercirkel mag niet meer bedragen dan 15 m. 4. de bouwhoogte van de longeercirkel mag niet meer bedragen dan 3 m. 5. de longeercirkel mag niet worden voorzien van een dak. 6. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad. 7. de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. 8. deze bevoegdheid mag alleen worden toegepast mits dit gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied, hetgeen wordt geborgd in een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan. f. de bestemmingsregels ten behoeve van hooibergen, geen gebouwen zijnde, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de afstand tot bebouwing van derden mag niet minder bedragen dan 50 m. 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 m. 3. de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad. 4.
de in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. g. de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden met een maximum van 5 meter; h. de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits: 1. de oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m² zal bedragen; 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m zal bedragen; i. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot: 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m; 2. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 10 m; j. de onder a tot en met i genoemde afwijkingen kunnen uitsluitend verleend worden mits er op het bestaande bouwvlak aantoonbaar echt geen ruimte is voor deze voorzieningen en er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; 2. de verkeersveiligheid; 3. de sociale veiligheid; 4. de milieusituatie; en 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. k.
de onder b, d en e genoemde afwijkingen van de bestemmingsregels kunnen slechts worden verleend als de totale gezamenlijke oppervlakte van de voorzieningen, als bedoeld in Artikel 15 onder b, d en e, niet meer bedraagt dan 1.000 m². l. de onder b en f genoemde afwijkingen van de bestemmingsregels mogen niet worden toegepast binnen de bestemming 'Groen - Landschapselement'. m. de bestemmingsregels ten behoeve van de realisering van een mansardekap, waarbij de dakhelling van het bovenste dakvlak van een mansardekap niet minder mag bedragen dan 20°
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 54 van 58
Datum:26 juni 2024
en de dakhelling van het onderste dakvlak van een mansardekap niet meer mag bedragen dan 80°.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 55 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 16
Overige regels
16.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan. 16.2
Parkeren
16.2.1 Voorwaardelijke verplichting parkeren a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel, dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. b. Voor de in lid a genoemde voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, in acht genomen te worden. c. Indien deze beleidsregels en/of de bijlagen worden gewijzigd door het bevoegd gezag, dient rekening gehouden te worden met deze wijziging. De parkeernormen uit de beleidsregels en/of bijlagen zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag worden toegepast. 16.2.2 Afwijken van de parkeernorm Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16.2.1 indien: a. er in voldoende parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien op een andere wijze; of; b. het ruimtelijk gezien niet wenselijk is de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte op eigen terrein te voorzien; en; c. er voldoende openbare parkeerplaatsen binnen een acceptabele afstand aanwezig zijn; en; 1.
er een parkeertelling aanwezig is die aantoont dat er voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn die benut kunnen worden, of; 2. aangetoond kan worden dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 56 van 58
Datum:26 juni 2024
Hoofdstuk 4 Artikel 17
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
17.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig afwijken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 17.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 57 van 58
Datum:26 juni 2024
Artikel 18 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Recreatiegebied De Kienehoef'.
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 58 van 58
Datum:26 juni 2024
Inhoudsopgave Bijlagen bij regels
5
Bijlage 1 Tabel omgevingsvergunning werken en werkzaamheden BP Buitengebied
6
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing Camping De Kienehoef
17
Bijlage 3
Landschappelijk inpassingsplan paardensportcentrum en NCC-terrein
30
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 3 van 49
Datum:26 juni 2024
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 4 van 49
Datum:26 juni 2024
Bijlagen bij regels
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 5 van 49
Datum:26 juni 2024
Bijlage 1 Tabel omgevingsvergunning werken en werkzaamheden BP Buitengebied
NL.IMRO.1948.BGO000BP0032023P-VG01
Pagina: 6 van 49
Datum:26 juni 2024
Tabel omgevingsvergunning werken en werkzaamheden BP Buitengebied Buitengebied
Werken/werkzaamhe Werken/werkzaamheden
1
2
3-4
6
7
8
9
10
11
12
13
14-15
Infra
/ TOV *
A
A
A
A
A
A
(zie overzicht werken en werkzaamheden) ►
Bestemmingen / aanduidingen
Beplanting/Grondgebr.
Reliëf/Bodem/Water
(A) n.v.t. n.v.t. (AW (AW-L) Aardkundig waardevol gebied
A
A
Cultuurhistorisch waardevolle akker
A
A
Cultuurhistorisch waardevol gebied
A
A
-A
A
Dassen / Landschappelijk besloten
A
A
A-A
A
A-A
A
A-A
A
Struweelvogels
A-A A
Waardevol Beekdal
A
(AW(AW-NL) (zie waarden bij AW AW-L en verder) Weidevogels
A
A
A-A
Kwetsbare soorten
A
A
A-A
(BO), (G) en (N) Bos
A
A
NT-A
A
Groen (incl. landschapselement) Natuur
A
A
NT-A
Waarde Archeologie 1
A
A
-A
Waarde Archeologie 2
A
A
-A
Waarde Archeologie 3
A
A
-A
Waarde Archeologie 4
A
A
-A
A
A
A
A
A
A
A
A
A
NT
A
A
A
A
A
NT
A
NT
NT
A
A
A
A
NT
A
A
A
A
A
NT
A
A
NT NT
A
A
A
NT
Archeologie (dubbelbestemming)
Waterstaat (dubbelbestemming) Waterstaat Attentiegebied EHS Waterstaat Waterbergingsgebied
A-A A-A
A A
A
Verklaring codes in schema: schema
A = Omgevingsvergunning vereist i.v.m. doeleinden bestemming NT = Niet toegestaan i.v.m. doeleinden bestemming NB: Ingreep 5 zit bij ingreep 3, TOV loopt via afwijking en dus NIET via omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden
Ingrepen: Ingrepen De gebruikte codes voor werken/werkzaamheden zijn als volgt omschreven : Reliëf/bodem/water Reliëf/bodem/water 1. Het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel of met meer dan 0,50 m wordt gewijzigd (zoals het verlagen, ophogen of egaliseren van de bodem) of waarbij de maaiveldniveaus van steilranden worden gewijzigd, met uitzondering van waterpoelen tot een oppervlakte van 125 m² en een diepte tot 1,5 m of indien een ontgrondingsvergunning vereist is. 2. Het omzetten van grond (zoals het diepploegen of diepwoelen van de bodem) of het uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder maaiveld (zoals het leggen van leidingen, uitvoeren van heiwerken of indringen van voorwerpen in de bodem), met uitzondering van de vervanging van aanwezige ondergrondse leidingen; 3. Het verlagen (wijzigen) van de (grond)waterstand door aanleg van drainage (ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage) of door bemaling en/of bronnering; 4. Het verlagen (wijzigen) van de (grond)waterstand door het aanleggen (graven), dempen of wijzigen (verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren) van (oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van oppervlaktewateren (waterlopen, sloten en greppels en andere wateren zoals poelen en vennen); 5.
Het wijzigen van de waterstand anders dan door het graven van sloten of het toepassen van drainage (b.v. (onder)bemaling of wateronttrekking) anders dan via legale grondwateronttrekking (vervallen, zit al in 3.); 6. Het wijzigen van de bergingscapaciteit via het ophogen van gronden en het aanleggen van dammen, dijken of kaden.
Beplanting/grondgebruik 7. Het verwijderen of rooien (vellen) van bos en/of andere grote houtopstanden 8. Het verwijderen of rooien (vellen) van natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie (zoals bosjes en houtsingels e.a. beplantingen) 9. Het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met agrarische productiefunctie (zoals fruitteelt, boomteelt of agrarische houtteelt); 10. Het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie (zoals perceelsrandbeplanting); 11. Het permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten (scheuren) van grasland naar een andere bodemcultuur (zoals bouwland voor akkerbouw of tuinbouw); Infrastructuur/teeltondersteunende Infrastructuur/teeltondersteunende voorzieningen 12. Het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, waterlopen of steilranden, en het verwijderen van paden en onverharde wegen; 13. Het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere (niet omkeerbare) oppervlakteverhardingen, geen containervelden zijnde en indien meer dan 100 m² per perceel (kavel); 14.
Het aanleggen van hoge (> 1,5 m), tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen (zoals tunnels of regenkappen) wordt niet via een omgevingsvergunning geregeld, maar via een afwijking van de bouwregels/gebruiksregels, respectievelijk wijzigingsregels 15. Het aanleggen van lage (< 1,5 m), tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen (zoals folies, acryldoek) wordt niet via een omgevingsvergunning geregeld, maar via een afwijking van de bouwregels/gebruiksregels, respectievelijk wijzigingsregels
Ingrepen - Effecten Effecten BP Buitengebied Werken en werkzaamheden en hun effect op gebiedswaarden en gebiedskwaliteiten. Ad 1. Het afgraven, ophogen, vergraven en egaliseren van grond verandert het bodemprofiel en de waterhuishouding in de bodem. Ook vlakt het reliëf doorgaans af. Afgraven verkleint de afstand tussen maaiveld en grondwater. Ophogen vergroot de afstand tussen maaiveld en grondwater. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn vernatting of verdroging, verschraling, verlies aan waarden in de bodem, verlies aan ecologische gradiënten, verlies aan microreliëf en aardkundige vormen en verlies van vegetatiewaarden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, cultuurhistorie, dassen, beekdal, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur, archeologie en attentiegebied EHS. Ad 1 - 1a Afgraven (verlagen) - Mogelijke werken/werkzaamh werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep:
Ingreep zelf:
Het verwijderen van de bovenste bodemlaag/bodemlagen. Verschraling: verwijderen van bemeste/verzuurde gronden. Tegengaan verdroging in verdroginggevoelige gebieden. Grondstoffenwinning (humus, zand, klei, leem). Aanleggen van poelen. Verandering bodemprofiel Verkleining afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte)
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting / vermindering verdroging • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 1 – 1b Ophogen (verhogen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep:
Ingreep zelf:
Het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag. Mogelijk maken van bouwactiviteiten door aanvoer van zand van elders. Opheffen van maaivelddaling ten gevolge van inklinking. Verschraling door aanvoer van zand van elders. Bezanden van veengronden en gronden voor de bollenteelt. Verandering bodemprofiel. Vergroting afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte)
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 1 – 1c Vergraven (verlagen+opvullen (verlagen+opvullen) +opvullen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep: Ingreep zelf:
Het verwijderen van een of meerdere bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders. Het graven en opvullen van drainagesystemen en andere sleuven en kuilen. Verandering bodemprofiel. Verandering waterhuishouding in de bodem.
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: wijziging bodemprofiel • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige steilranden/terreintreden)
vormen
(stroomgeulen,
• • •
Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren) Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna
Ad 1 – 1d Egaliseren (effenen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep: Ingreep zelf:
Het verwijderen van het microreliëf in de toplaag (feitelijk een combinatie van ophogen en afgraven Wateroverlast en droogtegevoeligheid binnen agrarisch perceel tegengaan Verbetering van de bewerkbaarheid voor agrarisch gebruik Opheffen niveauverschillen die het effect zijn van inklinking Verandering van het microreliëf (afvlakken van dit reliëf) Verandering waterhuishouding in de bodem.
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: wijziging bodemprofiel • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen • Verlies aan ecologische gradiënten (greppels, laagtes, microreliëf) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 2. Het diepploegen, diepwoelen van grond en heien in grond zorgt voor homogenisatie, resp. doorbreking/doorboring van de bodem. Het vernietigt het bodemprofiel en verandert de waterhuishouding in de bodem. Als ondoorlatende bodemlagen worden doorbroken kan verstoring en vervuiling van de (grond)waterhuishouding plaats vinden. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn vernietiging en verstoring van het bodemprofiel, verandering van de hydrologie, verlies aan waarden in de bodem, verlies aan ecologische gradiënten, verlies aan microreliëf en aardkundige vormen en verlies van vegetatiewaarden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, cultuurhistorie, dassen, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur, archeologie en attentiegebied EHS. Ad 2 – 2a Diepploegen en diepwoelen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel, eventueel tot in de diepere ondergrond.
(Eenmalige ingreep met blijvend effect) dieper dan 0,50 m. Doel ingreep: Verbetering bodemprofiel voor agrarisch gebruik Vergroten bewortelingsdiepte Vergroten berijdbaarheid Verschraling Mengen van kleigrond met onderliggend zand Ingreep zelf: Homogenisatie van de bodem Vernietiging bodemprofiel Verandering waterhuishouding bodem Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: wijziging bodemprofiel • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Wijziging ondoorlatende bodemlagen en daarmee verstoring van de (grond)waterhuishouding • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 2 – 2b Heien en indrijven voorwerpen in de bodem - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen, leggen van leidingen Doel ingreep: Dragers voor bouwwerken aanbrengen, damwanden plaatsen, graven van sleuven voor het leggen van leidingen Ingreep zelf: Bouwen op slappe bodem is mogelijk, afschermen van delen van de bodem, Ondergrondse leidingen kunnen beschadigd worden Graven van sleuven al dan niet in combinatie met rooien
van houtgewas Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Wijziging (doorbreken) ondoorlatende bodemlagen en (grond)waterhuishouding
daarmee
verstoring
van
de
• •
Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren)
Ad 3. 3. Het aanleggen van drainage en het aanbrengen van onderbemaling versterkt de ontwatering, verlaagt de grondwaterstand op het perceel en in de directe omgeving en vergroot de verdroging. Deze verdroging kan vervolgens voor inklinking en verzuring zorgen. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn verdroging (en verzuring), verlies aan waarden in de bodem, verlies aan natte levensgemeenschappen en inklinking van venige bodems. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, dassen, beekdal, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur, attentiegebied EHS en waterbergingsgebied. Ad 3 – 3a aanleggen drainage - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het aanbrengen van drainagebuizen in de grond, in het algemeen op een diepte van 70-110 cm - mv. Doel ingreep: Versterken van de ontwatering van een of meerdere percelen Ingreep zelf: Lokale verlaging grondwaterstand -> perceel wordt droger Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt.
aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Verlies aan waarden in de bodem (archeologie, bodem) • Wijziging ondoorlatende bodemlagen en daarmee verstoring van de (grond)waterhuishouding • Verlies aan (natte) levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 3 – 3b aanbrengen onderbemaling - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Bemalen van een of meerdere percelen, waardoor de grondwaterspiegel er lager staat dan in het omringende gebied. Doel ingreep: Vergroten afstand tussen maaiveld en grondwaterspiegel, droger maken perceel. Ingreep zelf: Lokale verlaging grondwaterstand -> perceel wordt droger. Aantrekken van grondwater uit de omgeving -> deze omgeving wordt droger. Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Inklinking van venige bodems (onomkeerbare klink) • Verlies aan (natte) levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 4. Het aanleggen aanleggen van dammen en stuwen zorgt voor een vermindering (afname) van de dynamiek in de waterloop. Bij natuurlijke waterlopen zorgt dit tevens voor een afname in variatie in oever en waterloop en een vermindering van de stroomsnelheid.
Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn verlies aan levensgemeenschappen van stromend water, verlies van de variatie in biotopen/ecotopen in de waterloop en op de oever, het verdwijnen van het natuurlijk karakter van de waterloop, als mede vernatting en vermindering van de verdroging. Het aanleggen, verbreden of verbeteren van sloten en greppels zorgt voor het wegtrekken van kwelstromen en voor verdroging, verandering van het landschap (percelering, waterhuishouding), verlies aan ecologische gradiënten en verlies aan natte levensgemeenschappen. Het dempen van sloten, greppels en kleine geïsoleerde wateren (lees poelen en vennen) zorgt voor een verlies aan natte levensgemeenschappen, nivellering van het landschap, het verdwijnen van slootoevers, het verlies van voortplantingswateren voor amfibieën en vernatting van de (directe) omgeving. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor aardkunde, cultuurhistorie (cwg), dassen, beekdal, weidevogels, kwetsbare soorten, bos, natuur en archeologie, attentiegebied EHS en waterbergingsgebied. Ad 4 – 4a aanleggen van dammen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Aanbrengen van een permanent, stuwend obstakel over de gehele breedte van een watergang. Hoogte zodanig dat waterloop ten dele of volledig geblokkeerd wordt.
Doel ingreep: Vasthouden water in een gebied (door verkleinen debiet) Verminderen stroomsnelheid Afsluiten waterloop, Afwatering gebied in andere richting dwingen Ingreep zelf: Afname dynamiek in de waterloop Alleen bij natuurlijke waterloop: afname variatie in oever en waterloop Afname stroomsnelheid Isolatie waterloop t.o.v. het stelsel van waterlopen
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting / vermindering verdroging • Verlies natuurlijke karakter van waterloop (landschappelijk aspect) • Verlies aan variatie in biotopen in de waterloop/oever en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van stromend water en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 4 – 4b aanleggen van stuwen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Aanbrengen van een stuwend obstakel waarvan de werking tijdelijk geheel of gedeeltelijk opgeheven kan worden. Doel ingreep: Vasthouden water in een gebied (door verkleinen debiet) Verminderen stroomsnelheid Ingreep zelf: Afname dynamiek in de waterloop Alleen bij natuurlijke waterloop: afname variatie in oever en waterloop Afname stroomsnelheid / Sterke wisseling stroomsnelheid Isolatie waterloop t.o.v.
het stelsel van waterlopen Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting / vermindering verdroging • Verlies natuurlijke karakter van waterloop (landschappelijk aspect) • Verlies aan variatie in biotopen in de waterloop/oever en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van stromend water en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna • Wegspoelen levensgemeenschappen bij openen stuw Ad 4 – 4c aanleggen sloten en greppels - Mogelijke werken/werkzaamheden werken/werkzaamheden Definitie: Aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten en greppels. Doel ingreep: Verbeteren ontwatering agrarische gronden. Ingreep zelf: Verkleining afstand maaiveld-grondwaterspiegel (ontwateringsdiepte) Vergroten oppervlakkige afstroming neerslagwater Droger worden omgeving Verlies aan levensgemeenschappen van slootkanten door steiler talud Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: toename extremen in waterafvoer.
• Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Aantrekken en afvangen kwelstromen in nieuwe/diepere sloten en greppels • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) • Verlies aan variatie in (natte) biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 4 – 4c dempen sloten en poelen/vennen - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Dichten van sloten of greppels met van elders aangevoerde grond, dichten van kleine wateren (poelen, vennen, wielen, afgesneden meanders) met van elders aangevoerde grond Doel ingreep: Verkleinen waterafvoer van agrarische gronden Wijzigen perceelsindeling, alsmede Egaliseren agrarisch perceel Vergroting oppervlak agrarisch bruikbare grond Efficiëntere bewerking agrarische grond mogelijk maken Ingreep zelf: Natter worden van omliggende gebied Afname totale slootlengte, alsmede Verlies aan kleine wateren Egalisatie landschap Toename kwel in directe omgeving Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vernatting omgeving • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering,
landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verdwijnen van ecologische verbindingen (zones/stapstenen) in het landschap
• • •
Verlies aan ecologische gradiënten (slootkanten, poelen, laagtes, microreliëf) Verlies aan variatie in (natte) biotopen (o.a. voortplantingsbiotopen amfibieën) en daarmee verlies aan biodiversiteit Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten sloten en poelen/vennen) met bijbehorende fauna
Ad 5. Deze is ondergebracht bij 3. Ad 6. Het wijzigen van de bergingscapaciteit van de bergingscapaciteit via het ophogen van gronden en het aanleggen van dammen, dijken of kaden vermindert de bergingscapaciteit van een gebied. Mogelijke gevolgen voor LNC waarden zijn verlies aan ecologische gradiënten, verlies aan microreliëf en aardkundige vormen (maar deze zijn reeds beschermd via 1) en verlies van de natuurlijke bergingscapaciteit van een gebied. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichtig voor waterstaat – waterbergingsgebied. Ad 6 – 6a Ophogen (verhogen) - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Doel ingreep:
Ingreep zelf:
Het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag. Mogelijk maken van bouwactiviteiten door aanvoer van zand van elders. Opheffen van maaivelddaling ten gevolge van inklinking. Verschraling door aanvoer van zand van elders. Bezanden van veengronden en gronden voor de bollenteelt. Verandering bodemprofiel. Vergroting afstand maaiveld-grondwater (ontwateringsdiepte)
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging (vaak in combinatie met verzuring) • Verschraling • Verlies aan microreliëf (gradiënten) en evt. aardkundige vormen (stroomgeulen, steilranden/terreintreden) • Drastische wijziging van de bodem (groeiplaatscondities, leefomgeving bodemdieren/bodemleven) • Verlies aan levensgemeenschappen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna Ad 6 – 6b aanleggen van dammen en kaden - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Aanbrengen van permanente, kerende obstakels in een gebied. Hoogte zodanig dat waterloop ten dele of volledig gekeerd wordt. Doel ingreep: Buiten houden / Tegen houden van water in een (deel)gebied (door het verkleinen van de bergingscapaciteit) Verminderen van de bergingscapaciteit Afsluiten gebieden voor evt.
wateroverlast Ingreep zelf: Afname waterberging in een gebied Afname wateroverlast in een gebied Mogelijke gevolgen/effecten gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: vermindering berging/wateroverlast • Verlies natuurlijke overstromingskarakter van een gebied (landschappelijk aspect) • Verlies aan variatie in biotopen in een beekdal en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch Ad 7. en en 8. Het rooien van houtgewas via het verwijderen van bos, bosjes, bomen en struiken struiken zorgt voor een verlies aan landschapselementen (landschappelijke en cultuurhistorische waarden) en een verlies van biotopen voor levensgemeenschappen van struwelen, houtwallen en bosranden. Verder kan er een verlies aan oriëntatiepunten en – lijnen, alsmede een verlies aan slaapplekken/schuilplekken en nestgelegenheid optreden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor aardkunde, cultuurhistorie, dassen, beekdal, struweelvogels, kwetsbare soorten, bos, groen en natuur.
Ad 7/8 7/8 rooien van van bos, bosjes en houtsingels - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, bosjes, houtsingels, houtwallen) Doel ingreep: Verwijderen van ziek plantmateriaal Onderhoud – uitdunning van bossen/bosjes Hinder voor agrarische bedrijfsvoering verminderen Ingreep zelf: Grotere openheid landschap Verlies aan beschutting, schaduw Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verlies aan ecologische gradiënten (bosranden, struwelen, microreliëf) • Verlies aan variatie in biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van bos, bosranden en struwelen en vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna • Verlies aan oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten (o.a. vlinders, • vleermuizen, marterachtigen) • Verlies aan slaap/schuilplaatsen, nestgelegenheid, dekking tegen weersomstandigheden • Grotere openheid, betekent soms afname leefgebied dassen en struweelvogels, soms toename leefgebied weidevogels Ad 9.
Het aanleggen of aanplanten van hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met agrarische productiefunctie (zoals fruitteelt, boomteelt of agrarische houtteelt) zorgt voor een verlies aan landschapswaarden in open gebieden zoals weidevogelgebieden en gebieden met cultuurhistorische waarden zoals cultuurhistorisch waardevolle akkers met akkerland en waardevolle beekdalen met graslanden, elzensingels en broekbosjes. Vanwege de intensieve teelt zorgen ze ook voor een verlies aan natuurwaarden in gebieden met kwetsbare soorten (amfibieën, dagvlinders, bijzondere vegetaties). Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor cultuurhistorie (cwa), beekdal, weidevogels en kwetsbare soorten. Ad 9 – aanplanten agrarisch houtgewas via boomboom-/houtteelt /houtteelt - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Verwijderen bestaand gewas/bestaande vegetatie en aanplanten van gewassen of jonge bomen, die permanent een bepaalde hoogte (vaak meer dan 1,50 m) hebben. Doel ingreep: Gebruik grond voor het opkweken van sierteelten of bomen (o.a.sierbomen, bosplantsoen en park- en laanbomen) Ingreep zelf: Grasland/Vegetatie verdwijnt, perceel krijgt functie van sierteelt of boomkwekerij Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering hydrologische situatie: verdroging a.g.v.
extra verdamping (vaak in combinatie met verzuring) • Verlies aan waarden in de bodem door diepe beworteling (archeologie, bodem) • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch • Verandering landschapsbeeld (openheid gaat verloren) • Verkleining areaal weidevogelgebied • Verlies aan variatie in biotopen en daarmee verlies aan biodiversiteit • Verlies aan levensgemeenschappen van open gebieden (waardevolle beekdalen, weidevogels) en vegetatiewaarden ((schraal)graslanden, planten) met bijbehorende fauna • Verloren gaan van biotoop voor soorten / Fourageerplaats, die (deels) afhankelijk zijn van graslanden en/of akkerbouwgronden (o.a. das) Ad 10. Het aanplanten van houtgewas via het planten van bomen en struiken zorgt voor een toename aan biotopen voor levensgemeenschappen van struwelen, houtwallen en bosranden. Verder kan er een kan er een toename aan oriëntatiepunten en – lijnen, alsmede een toename aan slaapplekken/schuilplekken en nestgelegenheid optreden. Landschappelijk kan de openheid verminderen. Hierdoor kan nivellering van (open) landschappen optreden, als mede een teloorgang van weidevogel- en ganzengebieden. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor cultuurhistorie en beekdal.
Ad 10 Aanplanten houtgewas - Mogelijke werken/werkzaamheden Definitie: Het planten van bomen en/of struiken Doel ingreep: Vergroten natuurwaarden, landschappelijke kwaliteit
Ingreep zelf:
Houtproductie, levering geriefhout Bescherming tegen wind, vastlegging stuifzand Verminderen openheid landschap / Vergroten beslotenheid landschap Toename houtgewas/landschapselementen Meer beschutting, meer schaduw
Mogelijke gevolgen/effecten voor landschaps- en/of natuurwaarden: • Verandering landschap (ontsluiting, waterhuishouding, percelering, landschapsinrichting), zowel landschappelijk als cultuurhistorisch, ander landschapsbeeld • Toename aan ecologische gradiënten (struweel, zoom, houtsingels, microreliëf) • Toename aan variatie in biotopen en daarmee winst aan biodiversiteit • Toename aan levensgemeenschappen van bos, struweel en houtsingel en bijbehorende vegetatiewaarden (planten) met bijbehorende fauna • Nieuwe oriëntatiepunten en -lijnen voor veel diersoorten, beschutting voor planten en dieren • Minder openheid, kan verlies betekenen voor leefgebied weidevogels en ganzen Ad 11. Het permanent permanent (voor meer dan 2 jaar aaneengesloten) omzetten (scheuren) van grasland naar een andere bodemcultuur (bouwland, boomkwekerij, tuinland) zorgt voor een wijziging van het (open) landschapsbeeld, een verlies aan graslandvegetaties en bijbehorende flora en fauna. Verder gaan er foerageergebied voor enkele diersoorten als de das verloren. Tenslotte zal het areaal weidevogelgebied verkleind worden. NB: gewone vruchtwisseling blijft mogelijk. Deze ingrepen zijn omgevingsvergunningplichting voor dassen, weidevogels, kwetsbare soorten en natuur.