Onderliggend document 1 Rapport totstandkoming actualisatie BAAC (Geanonimiseerd)
Tekst van het document
450-500 meter langs de geulen. 500-550 meter langs de geulen. 550-600 meter langs de geulen. 600-650 meter langs de geulen. 650-700 meter langs de geulen. 700-750 meter langs de geulen. > 750 meter langs de geulen. Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over deze verschillende zones. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde zone is Project V-19.0072
70
vergeleken met het percentage van die zone binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde zone een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die zone aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende zones verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag (zie ook paragraaf 5.4.2). De uitkomst hiervan is in tabel 5.4 weergegeven.
verwachting inductief
verschil
% (vindplaatsen)
% opp.
aantal vindplaatsen
Tabel 5.4 Verwachting per zone langs geul. Bufferzone in meters langs geul
0-50
17
10,6
3,0
7,6
ja
50-100
28
17,5
2,5
15,0
ja
100-150
13
8,1
2,2
5,9
ja
150-200
18
11,3
2,1
9,2
ja
200-250
11
6,9
2,0
4,9
ja
250-300
10
6,3
2,0
4,3
ja
300-350
7
4,4
2,0
2,4
ja
350-400
6
3,7
1,9
1,8
ja
400-450
8
5,0
1,9
3,1
ja
450-500
4
2,5
1,9
0,6
ja
500-550
9
5,6
1,9
3,7
ja
550-600
3
1,9
1,9
0,0
ja
600-650
1
0,6
1,9
-1,3
nee
650-700
4
2,5
1,9
0,6
ja
700-750
3
1,9
1,8
0,1
ja
> 750
18
11,2
69,1
-57,9
nee
Uit tabel 5.4 blijkt dat een duidelijke relatie bestaat tussen de afstand tot water en het aantal vindplaatsen. Het model geeft aan dat de zone tot 750 meter vanaf de geul een verwachting toegediend dient te krijgen. Binnen deze zone komen de meeste vindplaatsen in het gebied met een afstand van 200 meter vanaf de geul voor. Op afstanden groter dan 200 meter neemt het aantal vindplaatsen significant af. 5.4.4 De inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars De inventarisatiekaart voor Jagers en Verzamelaars (bijlage 6) is het resultaat van het samenvoegen van de twee in de paragrafen 5.4.2 en 5.4.3 beschreven modellen. Hierbij is het locatiekeuze model als basis genomen waarbij rekening is gehouden met de uitkomst van het ‘afstand tot water’ model (alleen de zone van 750 meter langs de geulen krijgt een verwachting). Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Meierijstad voor de perioden paleolithicum-mesolithicum, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. Op de kaart zijn tevens bekende, nog bestaande vindplaatsen aangegeven. De vindplaatsen in de gebieden zonder verwachting zijn nader bekeken. Er is een selectie gemaakt met betrekking tot de relevantie van de vindplaatsen. Zo zijn verschillende ‘losse vondsten’ weergegeven, zoals bijvoorbeeld een enkel fragment bewerkt vuursteen.
Een dergelijke vondst duidt niet op een nederzetting ter plaatse. 71
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Alleen die vindplaatsen die (kunnen) duiden op een nederzetting/kampement, zijn gebufferd. Hierbij is aan een straal van 25 meter rond de betreffende vindplaats een verwachting toegekend.86 Ten slotte zijn ook gebieden weergegeven waarvan bekend is dat hier geen archeologie meer aanwezig kan zijn als gevolg van verstoringen in het verleden. Het gebruikte model heeft erin geresulteerd dat 25,1 % van het totale oppervlak van de gemeente Meierijstad een verwachting voor kampementen van jagerverzamelaars toegedeeld heeft gekregen. Binnen deze zone ligt maar liefst 86,25 % van de relevante bekende waarnemingen uit deze periode. De gebieden waar een hoge dichtheid aan vindplaatsen van jager en verzamelaars verwacht wordt, zijn op de inventarisatiekaart in bijlage 6 middels een roze kleur weergegeven. De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan natte contextresten, zijn op de inventarisatiekaart middels een donkerroze kleur weergegeven.
In totaal zijn acht zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen: • Zones met een hoge archeologische waarde (AMK-terreinen); • Zones met een archeologische waarde zoals weer gegeven op de huidige kaarten, zonder dat deze de status van AMK-terrein bezitten (overige waardevolle terreinen): • Zones met een archeologische verwachting; • Zones met een archeologische verwachting (natte context); • Zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen); • Zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek); • Zones zonder archeologische verwachting; • Zones zonder archeologische verwachting (verstoord); Bij zones met een hoge archeologische waarde gaat het om terreinen, waar op basis van reeds uitgevoerd onderzoek de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het gaat hierbij specifiek om terreinen waar sporen uit het mesolithicum zijn aangetroffen. Het betreft negen terreinen, waarvan één wordt gerekend tot een terrein van zeer hoge archeologische waarde (monumentnr. 12546). Zeven terreinen zijn aangemerkt als terreinen van hoge archeologische waarde87 en één wordt gerekend tot een terrein van archeologische waarde.88 De RCE houdt de AMK sinds 2014 niet meer bij. Het huidige AMK-bestand betreft derhalve een statisch bestand.
De terreinen met een archeologische waarde (overige waardevolle terreinen) betreffen terreinen waaraan op de bestaande beleidskaarten een (hoge) waarde is toegekend, zonder dat deze terreinen een AMK-status hebben. In dit geval gaat het om een terrein waar sporen uit het mesolithicum zijn aangetroffen/worden verwacht. Het betreft een terrein in de voormalige gemeente Schijndel. Bij zones met een archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van jagers en verzamelaars. Het gaat hierbij voornamelijk 86
Er is gekozen voor een straal van 25 m aangezien het oppervlak van de buffer dan neerkomt op circa 2000 m2. Dit komt volgens de leidraad inventariserend veldonderzoek overeen met de (maximale) grootte van een huisplaats. 87 Het betreft de monumentnrs. 2130, 5211, 5213, 5214, 5218, 5220 en 5235. 88 Het betreft de monumentnr. 2138. Project V-19.0072
72
om resten van kampementen (bewoning) en in mindere mate om resten gerelateerd aan begraving en economie. Ook de bufferzones rondom bekende (relevante) vindplaatsen vallen onder deze verwachting. De bufferzone betreft een cirkel met een straal van 25 meter. Op deze wijze wordt een gebied gecreëerd met een oppervlak van circa 2000 m2. Een dergelijke zone wordt voldoende geacht de complete vindplaats te omvatten. Bij zones met een archeologische verwachting (natte context) betreft het gebieden bestaande uit beekdalen. De beekdalen nemen zoals reeds vermeld een bijzondere positie in. Wanneer de archeologische verwachting alleen betrekking zou hebben op de (verwachte) dichtheid aan nederzettingsterreinen, dan zouden de beekdalen een lage verwachting toegekend krijgen. Echter, in dergelijke milieus kunnen wel andere bijzondere archeologische datasets aanwezig zijn die buiten de natte gebieden juist niet gebruikelijk zijn. Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden die de verschillende hogere gebieden met elkaar verbonden, of restanten van voorden. Ook kunnen rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. In dergelijke gevallen gaat het vaak om begraven bijlen, fuiken, strikken, netten, pijlpunten en/of harpoenen. Ook voor resten van transport via water (boomkano) moet men in de natte gebieden zijn.
Beken werden vaak ook gebruikt om afval te lozen. Afvaldumps kunnen derhalve worden aangetroffen in dergelijke gebieden. In bovenstaande gevallen betreft het veelal organisch materiaal (bot of hout). Dit soort materiaal kan in de natte beekdalen, zeker wanneer deze veenhoudend zijn, goed bewaard gebleven zijn. Dit in tegenstelling tot de droge zandgronden, waar organisch materiaal snel vergaat. Hierbij moet overigens niet alleen gedacht worden aan archeologische resten, maar ook aan pollen en macroresten. Dergelijke resten kunnen in combinatie met archeologische indicatoren bijdragen aan goede landschapsreconstructies. Al deze bijzonderheden leiden ertoe dat de beekdalen binnen de gemeente als belangrijke archeologische archieven moeten worden beschouwd. Bij zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen) gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van jagers en verzamelaars, maar die in de loop van de middeleeuwen bedekt zijn geraakt met een (dik)pakket stuifzand. Aan het oppervlak van deze terreinen zullen geen vindplaatsen uit het paleolithicum of het mesolithicum aanwezig zijn. Op grotere diepte, op de overgang van het stuifzand naar het oorspronkelijke maaiveld, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van jagers en verzamelaars aanwezig zijn.
Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende stuifzand veelal goed geconserveerd zijn. Ook in dit geval zal het hoofdzakelijk om resten van kampementen (bewoning) gaan en in mindere mate om resten gerelateerd aan begraving en economie. Bij zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek) gaat het om dezelfde terreinen als ter plaatse van de terreinen met een archeologische verwachting, maar waar het oorspronkelijke maaiveld in de loop van de middeleeuwen is afgedekt met een (in dikte variërend) plaggendek. Ook in deze gevallen geldt dat direct aan het oppervlak geen vindplaatsen uit het paleolithicum of het mesolithicum aanwezig zullen zijn. Op grotere diepte, aan de basis van het esdek of in de top van de onderliggende bodem, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van jagers en verzamelaars aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende plaggendek veelal goed geconserveerd zijn omdat ze niet als gevolg van agrarische activiteiten zijn verstoord. Ook in dit geval zal het hoofdzakelijk 73
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
om resten van kampementen (bewoning) gaan en in mindere mate om resten gerelateerd aan begraving en economie. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting heerst conform de modellen slechts een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. Dergelijke terreinen waren bijvoorbeeld te nat, of bevinden zich op te grote afstand van water om geschikt te zijn voor menselijke bewoning. De aanwezigheid van vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten, maar de kans dat zich hier archeologische resten in de bodem bevinden wordt zeer gering geacht. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting (verstoord). Dit zijn gebieden waarvan aannemelijk is dat er geen archeologische resten zijn te verwachten. Dit kan zijn omdat bekend is dat de bodem is verstoord als gevolg van bijvoorbeeld ontgrondingen. 5.4.5 De vroege landbouwsamenleving; het locatiekeuze model Het neolithicum wordt gekenmerkt door de overgang van een mobiel nederzettings-patroon uit de voorgaande periodes, de jagers-verzamelaars die tijdelijke kampementen bewoonden, naar een meer sedentaire89 levenswijze. Dit was het gevolg van de intrede van (een primitieve vorm van) landbouw. Door het verbouwen van granen (en mogelijk ook groenten) en het houden van vee, was meer voedsel beschikbaar dat voor een langere periode kon worden opgeslagen.
Het was niet langer noodzakelijk om met het wild mee te migreren. Daarbij kwam dat akkerbouw en veeteelt de mens er als het ware toe dwongen langer op één plaats aanwezig te zijn. Men liet immers de akkers niet onbeheerd achter en het meeverhuizen van vee naar een andere locatie bracht onnodige inspanningen met zich mee. Als gevolg van deze omslag in levenswijze ging men geleidelijk andere eisen stellen aan de landschappelijke omgeving. Aangezien de eerste landbouwers niet over de technische middelen beschikten om de bodemstructuur en – vruchtbaarheid te verbeteren, was men afhankelijk van de fysische eigenschappen van bodem en landschap. De natuurlijke bodemvruchtbaarheid speelde hierbij een grote rol. Vandaar dat de geschiktheid van de aanwezige bodemeenheden voor (prehistorische) akkerbouw een veel gebruikte basis vormt voor het locatiekeuze model voor de periode neolithicum-heden. Ook in dit geval is voor een dergelijke benadering gekozen. Dat wil niet zeggen dat de geomorfogenese van het landschap geheel buiten beschouwing is gelaten. De bodemkaart is namelijk voor het gebruikte model waar nodig aangepast op basis van de archeolandschappelijke eenhedenkaart zoals deze voor onderhavig onderzoek is vervaardigd (zie paragraaf 5.2). Zoals in paragraaf 5.3.3 is beschreven, is het de gemeente Meierijstad bodemkundig onder te verdelen in 65 eenheden (zie ook tabel 5.1).
Er is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over deze verschillende eenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde bodemkundige eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde bodemkundige eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die eenheid
89 sedentair; ‘het hebben van een vaste verblijfplaats’.
Project V-19.0072
74
verwachting inductief
verwachting deductief
verschil
% opp. Bodemtype
% (vindplaatsen)
75
aantal vindplaatsen
Tabel 5.5 Verwachting per bodemkundige eenheid voor de bronstijd Bodemtype
aVc
0
0
0
0
nee
nee
aVz
0
0
0,04
-0,04
nee
nee
bEZ35
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
cHn21
0
0
3,2
-3,2
nee
ja
cHn21t
0
0
2,1
-2,1
nee
ja
cHn23
0
0
0,6
-0,6
nee
ja
cHn33
0
0
1,5
-1,5
nee
ja
cHn33x
0
0
0,6
-0,6
nee
ja
cHn35
0
0
0,5
-0,5
nee
ja
cHn35x
0
0
0,6
-0,6
nee
ja
cZg33
1
1,5
0,1
1,4
ja
ja
cZg33x
0
0
1,5
-1,5
nee
ja
cZg35
0
0
0,8
-0,8
nee
ja
cZg35x
0
0
2,6
-2,6
nee
ja
cZn33
0
0
0,2
-0,2
nee
ja
cZn33x
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
cZn35
0
0
0,2
-0,2
nee
ja
cZn35x
0
0
0,5
-0,5
nee
ja
cZn53
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
dEZ33
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
dEZ35
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
dEZ35x
0
0
0
0,0
nee
ja
EZ33
3
4,6
3,9
0,7
ja
ja
EZ33x
0
0
0,3
-0,3
nee
ja
EZ35
4
6,2
3,2
3,0
ja
ja
EZ35x
0
0
0,9
-0,9
nee
ja
EZ53
27
41,5
8,1
33,4
ja
ja
EZ55
0
0
0,9
-0,9
nee
ja
EZg23
0
0
0,6
-0,6
nee
ja
Hd21
0
0
0,2
-0,2
nee
nee
Hn23
0
0
0,4
-0,4
nee
ja
Hn31
0
0
0,02
-0,02
nee
nee
Hn33
0
0
2,1
-2,1
nee
ja
Hn33x
0
0
2,4
-2,4
nee
ja
Hn35
0
0
2,5
-2,5
nee
ja
Hn35x
0
0
1,0
-1,0
nee
ja
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
aantal vindplaatsen
% (vindplaatsen)
% opp. Bodemtype
verschil
verwachting inductief
verwachting deductief
Tabel 5.5 Verwachting per bodemkundige eenheid voor de bronstijd (vervolg) Bodemtype
Hn53
5
7,7
20,0
-12,3
nee
ja
Hn53t
0
0
0,3
-0,3
nee
ja
hVc
0
0
0,1
-0,1
nee
nee
hWz
0
0
0,01
-0,01
nee
nee
hWzx
0
0
0,04
-0,04
nee
nee
pZg21
0
0
2,7
-2,7
nee
ja
pZg21t
0
0
0,5
-0,5
nee
ja
pZg23
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
Q
0
0
0,1
-0,1
nee
nee
tLn5
2
3,1
1,4
1,7
ja
ja
tZg33
0
0
0,04
-0,04
nee
ja
tZg33x
0
0
5,3
-5,3
nee
nee
tZg35
0
-1,7
nee
ja
1,4
ja
nee
-0,1
nee
ja
-1,9
nee
nee ja
tZg35x
7
tZg37
0
tZg37x
0
0 10,8 0 0
1,7 9,4 0,1 1,9
tZn33
0
0
0,1
-0,1
nee
tZn33x
0
0
0,9
-0,9
nee
ja
tZn35
0
0
0,1
-0,1
nee
ja
tZn35x
0
0
0,8
-0,8
nee
ja
tZn53
0
0
0,6
-0,6
nee
ja
Vc
0
0
0,1
-0,1
nee
nee
-0,1
nee
nee
1,1
ja
nee
8,4
ja
nee
4,9
ja
nee nee
vWz
0
W
1
X
9
Zd51
6
0 1,5 13,9 9,2
0,1 0,4 5,5 4,3
Zn21
0
0
1,0
-1,0
nee
Zn33x
0
0
0
0,0
nee
nee
zVc
0
0
0,3
-0,3
nee
nee
zVz
0
0
0,1
-0,1
nee
nee
zWpx
0
0
0
0,0
nee
nee
aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende eenheden verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag. De richtlijn hierbij is dat wanneer het verschil in percentages (vindplaats-oppervlakte bodemkundige eenheid) kleiner is dan 0, de betreffende eenheid een lage waardering krijgt. Indien de waarde groter dan 0 is, heeft de bodemkundige eenheid een hoge waardering. Naast deze inductieve Project V-19.0072
76
waardering is op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de bodemkundige eenheden toegekend.90 Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een verwachting uitgesproken. In tabel 5.5 is een voorbeeld weergegeven van deze werkwijze voor de bronstijd.
Toegekende verwachting
verwachting deductief
verwachting inductief
bronstijd
neolithicum
Tabel 5.6 Verwachting voor de vroege landbouwsamenleving per bodemtype. Bodemtype
aVc
nee
nee
nee
nee
nee
aVz
nee
nee
nee
nee
nee
bEZ35
nee
nee
nee
ja
ja
cHn21
nee
nee
nee
ja
ja
cHn21t
nee
nee
nee
ja
ja
cHn23
nee
nee
nee
ja
ja
cHn33
nee
nee
nee
ja
ja
cHn33x
nee
nee
nee
ja
ja
cHn35
nee
nee
nee
ja
ja
cHn35x
nee
nee
nee
ja
ja
cZg33
ja
ja
ja
ja
ja
cZg33x
ja
nee
ja
ja
ja
cZg35
nee
nee
nee
ja
ja
cZg35x
nee
nee
nee
ja
ja
cZn33
ja
nee
ja
ja
ja
cZn33x
nee
nee
nee
ja
ja
cZn35
nee
nee
nee
ja
ja
cZn35x
nee
nee
nee
ja
ja
cZn53
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ33
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ35
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ35x
nee
nee
nee
ja
ja
EZ33
nee
ja
ja
ja
ja
EZ33x
ja
nee
ja
ja
ja
EZ35
nee
ja
ja
ja
ja
EZ35x
nee
nee
nee
ja
ja
EZ53
ja
ja
ja
ja
ja
EZ55
nee
nee
nee
ja
ja
EZg23
ja
nee
ja
ja
ja
Hd21
ja
nee
ja
nee
ja
90
Hierbij is ook de kennis meegenomen voortkomend uit syntheses van eerder onderzoek zoals bijvoorbeeld de NAR 061 (E.A.G. Ball & R. Jansen 2018). 77 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Toegekende verwachting
verwachting deductief
verwachting inductief
bronstijd
neolithicum
Tabel 5.6 Verwachting vroege landbouwsamenleving per bodemtype (vervolg) Bodemtype
nee
Hn31
nee nee
nee
nee nee
ja nee
nee nee
Hn33
nee
nee
nee
ja
nee
Hn33x
nee
nee
nee
ja
nee
Hn35
nee
nee
nee
ja
nee
Hn35x
nee
nee
nee
ja
nee
Hn53
nee
nee
nee
ja
nee
Hn53t
ja
nee
ja
ja
ja
hVc
nee
nee
nee
nee
nee
hWz
nee
nee
nee
nee
nee
hWzx
nee
nee
nee
nee
nee
pZg21
nee
nee
nee
ja
nee
pZg21t
nee
nee
nee
ja
nee
pZg23
nee
nee
nee
ja
ja
Q
nee
nee
nee
nee
nee
tLn5
ja
ja
ja
ja
ja
tZg33
nee
nee
nee
ja
ja
tZg33x
nee
nee
nee
nee
nee
tZg35
nee
nee
nee
ja
ja
tZg35x
ja
ja
ja
nee
nee
tZg37
nee
nee
nee
ja
nee
tZg37x
nee
nee
nee
nee
nee
tZn33
nee
nee
nee
ja
ja
tZn33x
nee
nee
nee
ja
ja
tZn35
nee
nee
nee
ja
ja
tZn35x
nee
nee
nee
ja
ja
tZn53
nee
nee
nee
ja
ja
Vc
nee
nee
nee
nee
nee
vWz
nee
nee
nee
nee
nee
W
nee
ja
nee
X
ja
ja
nee
Zd51
nee
ja
ja
nee
nee
Zn21
nee
nee
nee
nee
nee
Zn33x
nee
nee
nee
nee
nee
zVc
nee
nee
nee
nee
nee
zVz
nee
nee
nee
nee
nee
zWpx
nee
nee
nee
nee
nee
Hn23
Project V-19.0072
78
In tabel 5.6 zijn de uitkomsten van de analyses met betrekking tot de relatie vindplaats-bodemtype uiteengezet voor de periode neolithicum-bronstijd. Door de verschillende toegekende waarden per bodemkundige eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke inductieve waardering per bodemkundige eenheid. Uit tabel 5.6 is echter ook duidelijk dat de uiteindelijke verwachting niet alleen op het inductieve model gebaseerd kan worden. Enkele eenheden die op basis van de kennis opgedaan uit onderzoek in vergelijkbare gebieden ook een hoge waardering zouden moeten hebben, krijgen dat op basis van het inductieve model niet. De opvallendste eenheden betreffen enkele van de enkeerdgronden (bEZ35, dEZ33, dEZ35, dEZ35x, EZ35x en EZ55). Aan deze bodemeenheden dient op basis van het inductieve model geen verwachting toegekend te worden. De ervaring leert echter dat enkeerdgronden bij uitstek de bodemtypes zijn waar veel archeologische resten aanwezig kunnen zijn, ook uit het neolithicum en de bronstijd. Dit vanwege het feit dat het vaak zeer oude akkergronden betreft. De enkeerdgronden bevinden zich doorgaans namelijk in gebieden waar de bodem oorspronkelijk (dus voor het opbrengen van het esdek) al het meest geschikt was voor akkerbouw. In de loop van de middeleeuwen zijn deze gronden ook nog eens middels potstal bemesting opgehoogd.
Als gevolg hiervan is de onderliggende archeologie beschermd tegen de moderne agrarische verstoringen als (diep)ploegen. Deze bodemtypen dienen derhalve wel degelijk een verwachting toegekend te krijgen. De reden voor de te lage waardering in het inductieve model is het feit dat het oppervlak binnen de gemeente bestaande uit enkeerdgronden erg groot is (circa 1/5 van het grondgebied bestaat uit enkeerdgronden),91 terwijl de kans op het aantreffen van archeologische resten door amateur-archeologen vrij klein is. Amateurarcheologen zijn meestal afhankelijk van een oppervlaktekartering en dat is vanwege het dikke beschermende esdek niet de beste opsporingsmethode op dit soort gronden. Indien er verschillen zijn tussen de inductieve verwachting en de deductieve verwachting is per bodemtype afgewogen welke het zwaarst moet wegen. In het geval van de enkeerdgronden is het decuctieve model het zwaarst gewogen om de hierboven beschreven redenen. In het geval van bijvoorbeeld enkele beekeerdgronden (gevormd in lemig fijn zand) is het inductieve model het zwaarst gewogen. Dergelijke bodems hebben ondanks de veelal natte condities een redelijke tot goede bodemvruchtbaarheid. Binnen het plangebied is echter geen statische onderbouwing voor een (middel)hoge waardering. Dit geldt eveneens voor de veldpodzolbodems.
5.4.6 De inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenleving De inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenleving (bijlage 7) is het resultaat van het in de paragraaf 5.4.5 beschreven model. Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Meierijstad voor de perioden neolithicum en bronstijd, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. Op de kaart zijn tevens bekende, nog bestaande vindplaatsen aangegeven en terreinen met een bekende waarde (AMK-terreinen). Ten slotte zijn ook gebieden weergegeven waarvan bekend is dat hier geen archeologie meer aanwezig kan zijn als gevolg van verstoringen in het verleden.
91
Hierbij zijn de gebieden die niet zijn gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom, groeves of afgravingen niet meegenomen. 79 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Het gebruikte model heeft erin geresulteerd dat 49,2 % van het totale oppervlak van de gemeente Meierijstad een verwachting voor nederzettingen van de vroege landbouwers toegedeeld heeft gekregen. Dit is, zeker vergeleken met de 25,1 % voor de inventarisatiekaart voor jagers en verzamelaars een fors percentage. De oorzaak hiervoor ligt in het feit dat binnen het plangebied een groot areaal aan enkeerdgronden aanwezig is. Dit bodemtype, dat binnen het plangebied circa 1/5 deel van het bodemareaal omvat, is archeologisch gezien zeer relevant. Slechts 62,9 % van de relevante bekende waarnemingen uit deze periode ligt binnen de zone waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend. Dat is relatief weinig. De reden hiervoor is dat bij dit model geen rekening is gehouden met de bijzondere plaats die de beekdalen ook in deze periode innamen. De beekdalen zullen niet gebruikt zijn voor bewoning of voor akkerbouw (te nat), maar wel zoals in voorgaande periode voor transport, visserij, jacht, rituele deposities en voor het dumpen van afval. In bovenstaande gevallen betreft het veelal organisch materiaal (bot of hout). Dit soort materiaal kan in de natte beekdalen goed bewaard gebleven zijn. Al deze bijzonderheden leiden ertoe dat de beekdalen binnen de gemeente ook voor de vroege landbouwsamenleving als belangrijke archeologische archieven moeten worden beschouwd.
Vandaar dat deze archeolandschappelijke eenheid ook op de inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenleving is geplot. Wanneer dan nogmaals wordt bekeken hoeveel procent van de relevante vindplaatsen binnen de zones met verwachting valt, is dat gestegen tot 82,7 %. De gebieden waar een hoge dichtheid aan vindplaatsen van boerennederzettingen uit de periode van de vroege landbouwsamenlevingen wordt verwacht, zijn op de inventarisatiekaart in bijlage 7 middels een roze kleur weergegeven. De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan natte contextresten, zijn op de inventarisatiekaart middels een blauwe arcering weergegeven.
In totaal zijn op de inventarisatiekaart voor de vroege landbouwsamenlevingen tien zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen: • Zones met een zeer hoge archeologische waarde (Archeologisch Rijksmonument); • Zones met een hoge archeologische waarde (AMK-terreinen); • Zones met een archeologische waarde zoals weer gegeven op de huidige kaarten, zonder dat deze de status van AMK-terrein bezitten (overige waardevolle terreinen): • Zones met een archeologische verwachting; • Zones met een archeologische verwachting (natte context); • Zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen); • Zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek); • Zones met een onbekende archeologische verwachting (bodemtype onbekend); • Zones zonder archeologische verwachting; • Zones zonder archeologische verwachting (verstoord); Bij zones met een zeer hoge archeologische verwachting gaat het om terreinen, waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het betreft de drie archeologische rijksmonumenten die de gemeente Meierijstad rijk is (rijksmonumentnr. 45332, 45333 en 45334). Hier is sprake van terreinen waarvan vast staat dat er sporen van begraving uit de bronstijd of ijzertijd aanwezig zijn (grafheuvel en urnenvelden).
De waarde van deze terreinen is dermate, dat de Project V-19.0072
80
RCE heeft besloten de hier aanwezige vindplaatsen tot rijksmonument te benoemen. De terreinen met een hoge archeologische waarde betreffen terreinen waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het gaat hierbij specifiek om terreinen waar sporen uit het neolithicum en de bronstijd zijn aangetroffen. Het betreft vijf terreinen. Twee van de vijf monumenten worden gerekend tot terrein van hoge archeologische waarde.92 Tot slot zijn er nog drie terreinen die behoren tot een terrein van archeologische waarde.93 De terreinen met een archeologische waarde (overige waardevolle terreinen) betreffen terreinen waaraan op de bestaande beleidskaarten een (hoge) waarde is toegekend, zonder dat deze terreinen een AMK-status hebben. In dit geval gaat het om een viertal terreinen waar sporen uit het neolithicum en de bronstijd zijn aangetroffen/worden verwacht. Het betreft allen terreinen in de voormalige gemeente Schijndel. Bij zones met een archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van de gebruikte modellen een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten behorend tot de vroege landbouwsamenlevingen. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Ook de bufferzones rondom bekende (relevante) vindplaatsen vallen onder deze verwachting.
De bufferzone betreft een cirkel met een straal van 25 meter. Op deze wijze wordt een gebied gecreëerd met een oppervlak van circa 2000 m2. Een dergelijke zone wordt voldoende geacht de complete vindplaats te omvatten. Bij zones met een archeologische verwachting (natte context) betreft het gebieden bestaande uit beekdalen. Hier wordt de kans op het aantreffen van bijzondere, water gerelateerde datasets groot geacht. Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden, restanten van voorden, rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. Beken werden vaak ook gebruikt om afval te lozen. Afvaldumps kunnen derhalve worden aangetroffen in dergelijke gebieden. Bij zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen) gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van vroege landbouwsamenlevingen, maar die in de loop van de middeleeuwen bedekt zijn geraakt met een (dik)pakket stuifzand. Aan het oppervlak van deze terreinen zullen geen vindplaatsen aanwezig zijn. Op grotere diepte, op de overgang van het stuifzand naar het oorspronkelijke maaiveld, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van vroege landbouwers aanwezig zijn.
Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende stuifzand veelal goed geconserveerd zijn. Bij zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek) gaat het om dezelfde terreinen als ter plaatse van de terreinen met een archeologische verwachting, maar waar het oorspronkelijke maaiveld in de loop van de middeleeuwen is afgedekt met een (in dikte variërend) plaggendek. Ook in deze gevallen geldt dat direct aan het oppervlak geen vindplaatsen aanwezig zullen zijn. Op grotere diepte, aan de 92 93
81
Het betreft de monumentnrs. 2087 en 5218. Het betreft de monumentnrs. 2136, 2151 en 5234. Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
basis van het esdek of in de top van de onderliggende bodem, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende plaggendek veelal goed geconserveerd zijn omdat ze niet als gevolg van agrarische activiteiten zijn verstoord. Ter plaatse van zones met een onbekende archeologische verwachting kan geen uitspraak worden gedaan over de verwachting op archeologische resten. De reden hiervoor is dat op deze locaties het bodemtype niet bekend is. Het betreft voornamelijk gebieden binnen de bebouwde kom die niet op de bodemkaarten zijn gekarteerd. Deze gebieden zijn met behulp van oud kaartmateriaal zo klein mogelijk gemaakt (zie paragraaf 5.3.2), maar desalniettemin is een aantal gebieden overgebleven waarvan het bodemtype onbekend is. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting heerst conform de modellen slechts een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. Dergelijke terreinen waren bijvoorbeeld te nat, te droog of te arm om geschikt te zijn voor menselijk gebruik. De aanwezigheid van vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten, maar de kans dat zich hier archeologische resten in de bodem bevinden wordt zeer gering geacht. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting (verstoord). Dit zijn gebieden waarvan aannemelijk is dat er geen archeologische resten zijn te verwachten.
Dit kan zijn omdat bekend is dat de bodem is verstoord als gevolg van bijvoorbeeld ontgrondingen. 5.4.7 De late landbouwsamenleving; het locatiekeuze model Gedurende de periode ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen trad er schaalvergroting op in de landbouw. Met name gedurende de Romeinse tijd werden grote stukken bos gekapt ten behoeve van de landbouw. De jacht vormde een steeds minder groot aandeel in de dagelijkse voedselvoorziening. Ondanks dat er nieuwe technieken werden ontwikkeld die voornamelijk gericht waren op het verbeteren van de bodemstructuur, was het ook in deze periode nog niet mogelijk om de bodemvruchtbaarheid te verbeteren. Men was derhalve nog steeds afhankelijk van de fysische eigenschappen van bodem en landschap, waarbij de natuurlijke bodemvruchtbaarheid een grote rol speelde. Men stelde derhalve min of meer dezelfde eisen aan de landschappelijke omgeving als gedurende de vroege landbouwsamenlevingen. Vandaar dat de geschiktheid van de aanwezige bodemeenheden voor (prehistorische) akkerbouw ook voor de late landbouwsamenleving de basis vormt voor het locatiekeuze model. Dat wil niet zeggen dat de geomorfogenese van het landschap geheel buiten beschouwing is gelaten. Zoals reeds vermeld is de bodemkaart waar nodig aangepast op basis van de archeolandschappelijke eenhedenkaart.
Bovendien vormde ook gedurende deze periode het beekdal een bijzondere rol. Hierbij moet gedacht worden aan rituele deposities, jacht en visserij (zij het in mindere mate), dumplocaties en transport. Ook voor het model voor de late landbouwsamenleving is bij de analyse gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over de 65 verschillende bodemeenheden. Om vervolgens tot een verwachting te kunnen komen, is wederom een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde bodemkundige eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Het uitgangspunt hierbij is dat een bepaalde bodemkundige eenheid een hoge waardering krijgt wanneer er meer vindplaatsen in die eenheid aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende eenheden verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag (zie ook paragraaf 5.4.5). Ook nu is gebruik gemaakt van Project V-19.0072
82
een hybride model waarbij naast de inductieve waardering op basis van regionale kennis tevens een deductieve waardering aan de bodemkundige eenheden is toegekend.94 Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een verwachting uitgesproken.
Toegekende verwachting
verwachting deductief
verwachting inductief
Romeinse tijd
aVc
nee
nee
nee
nee
nee
nee
aVz
nee
nee
nee
nee
nee
nee
bEZ35
nee
nee
ja
ja
ja
ja
cHn21
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cHn21t
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cHn23
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cHn33
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cHn33x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cHn35
nee
nee
ja
ja
ja
ja
cHn35x
nee
nee
ja
ja
ja
ja
cZg33
ja
ja
ja
ja
ja
ja
cZg33x
nee
ja
nee
ja
ja
ja
cZg35
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cZg35x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cZn33
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cZn33x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cZn35
ja
ja
nee
ja
ja
ja
cZn35x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
cZn53
nee
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ33
nee
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ35
nee
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ35x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
EZ33
ja
ja
ja
ja
ja
ja
EZ33x
nee
nee
ja
ja
ja
ja
EZ35
ja
nee
ja
ja
ja
ja
EZ35x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
EZ53
ja
ja
ja
ja
ja
ja
EZ55
nee
nee
ja
ja
ja
ja
EZg23
ja
nee
ja
ja
ja
ja
Hd21
nee
nee
nee
nee
nee
nee
94
vroege middeleeuwen
ijzertijd
Tabel 5.7 Verwachting voor de late landbouwsamenleving per bodemtype. Bodemtype
Hierbij is ook de kennis meegenomen voortkomend uit syntheses van eerder onderzoek zoals bijvoorbeeld de NAR 061 (E.A.G. Ball & R. Jansen 2018). 83 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
verwachting inductief
verwachting deductief
Toegekende verwachting
Romeinse tijd
Hn23
nee
nee
nee
nee
ja
nee
Hn31
ja
nee
nee
ja
nee
ja
Hn33
nee
nee
nee
nee
ja
nee
Hn33x
nee
nee
nee
nee
ja
nee
Hn35
nee
nee
nee
nee
ja
nee
Hn35x
nee
nee
nee
nee
ja
nee
Hn53
nee
nee
nee
nee
ja
nee
Hn53t
nee
nee
ja
ja
ja
ja
hVc
nee
nee
nee
nee
nee
nee
hWz
nee
nee
nee
nee
nee
nee
hWzx
nee
nee
nee
nee
nee
nee
pZg21
nee
nee
nee
nee
ja
nee
pZg21t
nee
nee
nee
nee
ja
nee
pZg23
nee
nee
nee
nee
ja
ja
Q
nee
nee
nee
nee
nee
nee
tLn5
nee
nee
nee
nee
ja
ja
tZg33
nee
nee
nee
nee
ja
ja
tZg33x
nee
nee
nee
nee
nee
nee
tZg35
nee
nee
nee
nee
ja
ja
tZg35x
nee
nee
nee
nee
nee
nee
tZg37
nee
nee
nee
nee
ja
nee
tZg37x
nee
nee
nee
nee
nee
nee
tZn33
ja
ja
nee
ja
ja
ja
tZn33x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
tZn35
nee
nee
ja
ja
ja
ja
tZn35x
nee
nee
nee
nee
ja
ja
tZn53
nee
nee
ja
ja
ja
ja
Vc
ja
nee
ja
ja
nee
nee
vWz
nee
nee
nee
nee
nee
nee
W
ja
ja
ja
nee
X
ja
ja
ja
nee
Zd51
ja
nee
nee
ja
nee
nee
Zn21
nee
nee
nee
nee
nee
nee
Zn33x
nee
nee
nee
nee
nee
nee
zVc
nee
ja
nee
ja
nee
nee
zVz
nee
nee
nee
nee
nee
nee
zWpx
nee
nee
nee
nee
nee
nee
Project V-19.0072
vroege middeleeuwen
ijzertijd
Tabel 5.7 Verwachting late landbouwsamenleving per bodemtype (vervolg) Bodemtype
84
In tabel 5.7 zijn de uitkomsten van de analyses met betrekking tot de relatie vindplaats-bodemtype uiteengezet voor de periode ijzertijd-vroege middeleeuwen. Door de verschillende toegekende waarden per bodemkundige eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke inductieve waardering per bodemkundige eenheid. Uit tabel 5.7 blijkt echter wederom dat de uiteindelijke verwachting niet alleen op het inductieve model gebaseerd kan worden. Enkele eenheden die op basis van de kennis opgedaan uit onderzoek in vergelijkbare gebieden ook een hoge waardering zouden moeten hebben, krijgen dat op basis van het inductieve model niet. De opvallendste eenheden betreffen enkele van de enkeerdgronden (dEZ33, dEZ35, dEZ35x en EZ35x). Aan deze bodemeenheden dient op basis van het inductieve model geen verwachting toegekend te worden. De ervaring leert echter dat enkeerdgronden bij uitstek de bodemtypes zijn waar veel archeologische resten aanwezig kunnen zijn, ook uit de ijzertijd tot en met de vroege middeleeuwen. Dit vanwege het feit dat het vaak zeer oude akkergronden betreft. De enkeerdgronden bevinden zich doorgaans namelijk in gebieden waar de bodem oorspronkelijk (dus voor het opbrengen van het esdek) al het meest geschikt was voor akkerbouw. In de loop van de late middeleeuwen zijn deze gronden ook nog eens middels potstal bemesting opgehoogd.
Als gevolg hiervan is de onderliggende archeologie beschermd tegen de moderne agrarische verstoringen als (diep)ploegen. Deze bodemtypen dienen derhalve wel degelijk een verwachting toegekend te krijgen. De reden voor de te lage waardering in het inductieve model is in paragraaf 5.4.5 uiteen gezet. Indien er verschillen zijn tussen de inductieve verwachting en de deductieve verwachting is per bodemtype afgewogen welke het zwaarst moet wegen. In het geval van de enkeerdgronden is het decuctieve model het zwaarst gewogen. In het geval van bijvoorbeeld enkele beekeerdgronden (gevormd in lemig fijn zand) is het inductieve model het zwaarst gewogen. Dergelijke bodems hebben ondanks de veelal natte condities een redelijke tot goede bodemvruchtbaarheid. Binnen het plangebied is echter geen statische onderbouwing voor een (middel)hoge waardering. Dit geldt eveneens voor de veldpodzolbodems. Vergeleken met het model voor de vroege landbouwsamenleving zijn slechts twee veranderingen opgetreden. In het model voor de vroege landbouwsamenleving is aan de bodemeenheid Hd21 een verwachting toegekend, terwijl dat in het model voor de late landbouwsamenleving niet het geval is. Aan de bodemeenheid Hn31 is in het model voor de vroege landbouwsamenleving geen verwachting toegekend, terwijl dat in het model voor de late landbouwsamenleving wel het geval is.
5.4.8 De inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving De inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving (bijlage 8) is het resultaat van het in de paragraaf 5.4.7 beschreven model. Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Meierijstad voor de perioden ijzertijd, Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. Op de kaart zijn tevens bekende, nog bestaande vindplaatsen aangegeven en terreinen met een bekende waarde (AMK-terreinen). Ten slotte zijn ook gebieden weergegeven waarvan bekend is dat hier geen archeologie meer aanwezig kan zijn als gevolg van verstoringen in het verleden. Het gebruikte model heeft erin geresulteerd dat 49,0 % van het totale oppervlak van de gemeente Meierijstad een verwachting voor nederzettingen van de late 85
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
landbouwers toegedeeld heeft gekregen.95 Dit komt nagenoeg overeen met het percentage zoals dat uit het model voor de vroege landbouwsamenleving naar voren is gekomen. Ook in dit geval wordt dit relatief hoge percentage veroorzaakt het grote areaal aan enkeerdgronden binnen de gemeente Meierijstad. Dit bodemtype is archeologisch gezien zeer relevant. Van de relevante bekende waarnemingen uit deze periode ligt 72,2% binnen de zone waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend. Dat is relatief weinig, al is het meer dan voor de vroege landbouwsamenleving (62,6 %). Wanneer ook rekening gehouden wordt met de bijzondere plaats die de beekdalen ook in deze periode innamen, dan blijkt dat 85,1 % van de relevante vindplaatsen binnen de zones met verwachting valt. Dat is een significante stijging, wat het meenemen van de archeolandschappelijke eenheid op de inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving rechtvaardigt. De beekdalen binnen de gemeente Meierijstad moeten ook voor de late landbouwsamenleving als belangrijke archeologische archieven worden beschouwd. De gebieden waar een hoge dichtheid aan vindplaatsen van boerennederzettingen uit de late landbouwsamenleving wordt verwacht, zijn op de inventarisatiekaart in bijlage 8 middels een roze kleur weergegeven.
De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan natte contextresten, zijn op de inventarisatiekaart middels een blauwe arcering weergegeven. In totaal zijn op de inventarisatiekaart voor de late landbouwsamenleving tien zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen: • Zones met een zeer hoge archeologische waarde (Archeologisch Rijksmonument); • Zones met een hoge archeologische waarde (AMK-terreinen); • Zones met een archeologische waarde zoals weer gegeven op de huidige kaarten, zonder dat deze de status van AMK-terrein bezitten (overige waardevolle terreinen); • Zones met een archeologische verwachting; • Zones met een archeologische verwachting (natte context); • Zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen); • Zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek); • Zones met een onbekende archeologische verwachting (bodemtype onbekend); • Zones zonder archeologische verwachting; • Zones zonder archeologische verwachting (verstoord); Bij zones met een zeer hoge archeologische waarde gaat het om terreinen, waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het betreft de drie archeologische rijksmonumenten die de gemeente Meierijstad rijk is (rijksmonumentnr. 45332, 45333 en 45334).
Hier is sprake van terreinen waarvan vast staat dat er sporen van begraving uit de bronstijd of ijzertijd aanwezig zijn (grafheuvel en urnenvelden). De waarde van deze terreinen is dermate, dat de RCE heeft besloten de hier aanwezige vindplaatsen tot rijksmonument te benoemen.
95
Dit percentage is nagenoeg gelijk aan het percentage voor de vroege landbouwsamenleving. Project V-19.0072
86
De terreinen met een hoge archeologische waarde betreffen terreinen waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het gaat hierbij specifiek om terreinen waar sporen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en/of vroege middeleeuwen zijn aangetroffen. Het betreft 30 terreinen. Eén terrein betreft een monument van zeer hoge waarde (monumentnr. 2150). Negentien van de 30 monumenten worden gerekend tot terrein van hoge archeologische waarde.96 Tot slot zijn er nog tien terreinen die behoren tot een terrein van archeologische waarde.97 De terreinen met een archeologische waarde (overige waardevolle terreinen) betreffen terreinen waaraan op de bestaande beleidskaarten een (hoge) waarde is toegekend, zonder dat deze terreinen een AMK-status hebben. In dit geval gaat het om een drietal terreinen waar sporen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en/of vroege middeleeuwen zijn aangetroffen/worden verwacht. De drie terreinen bevinden zich allen in de voormalige gemeente Schijndel. Bij zones met een archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van de gebruikte modellen een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten behorend tot de late landbouwsamenlevingen. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Ook de bufferzones rondom bekende (relevante) vindplaatsen vallen onder deze verwachting.
De bufferzone betreft een cirkel met een straal van 25 meter. Op deze wijze wordt een gebied gecreëerd met een oppervlak van circa 2000 m2. Een dergelijke zone wordt voldoende geacht om de complete vindplaats te omvatten. Bij zones met een archeologische verwachting (natte context) betreft het gebieden bestaande uit beekdalen. Hier wordt de kans op het aantreffen van bijzondere, water gerelateerde datasets groot geacht. Hierbij moet gedacht worden aan knuppelpaden, restanten van voorden en bruggen, rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht, visvangst en houtkap aanwezig zijn. Beken werden vaak ook gebruikt om afval te lozen. Afvaldumps kunnen derhalve worden aangetroffen in dergelijke gebieden. Bij zones zonder verwachting aan het oppervlak, maar met verwachting op grotere diepte (stuifduinen) gaat het om terreinen, waar op basis van het gebruikte model een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten van late landbouwsamenlevingen, maar die in de loop van de middeleeuwen bedekt zijn geraakt met een (dik)pakket stuifzand. Aan het oppervlak van deze terreinen zullen geen vindplaatsen aanwezig zijn. Op grotere diepte, op de overgang van het stuifzand naar het oorspronkelijke maaiveld, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen van late landbouwers aanwezig zijn.
Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende stuifzand veelal goed geconserveerd zijn. Bij zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek) gaat het om dezelfde terreinen als ter plaatse van de terreinen met een archeologische verwachting, maar waar het oorspronkelijke maaiveld in de loop van de late middeleeuwen is afgedekt met een (in dikte variërend) plaggendek. Ook in deze gevallen geldt dat direct aan het oppervlak geen vindplaatsen aanwezig zullen zijn. Op grotere diepte, aan de 96
Het betreft de monumentnrs. 2087, 2088, 2089, 2090, 2091, 2092, 2130, 2149, 4711, 5166, 5211, 5212, 5213, 5214, 5221, 5222, 5232, 5235 en 12489. 97 Het betreft de monumentnrs. 2136, 2137, 2138, 2151, 5233, 5234, 5336, 5242, 5243 en 15718. 87 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
basis van het esdek of in de top van de onderliggende bodem, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen aanwezig zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende plaggendek veelal goed geconserveerd zijn omdat ze niet als gevolg van agrarische activiteiten zijn verstoord. Ter plaatse van zones met een onbekende archeologische verwachting kan geen uitspraak worden gedaan over de verwachting op archeologische resten. De reden hiervoor is dat op deze locaties het bodemtype niet bekend is. Het betreft voornamelijk gebieden binnen de bebouwde kom die niet op de bodemkaarten zijn gekarteerd. Deze gebieden zijn met behulp van oud kaartmateriaal zo klein mogelijk gemaakt (zie paragraaf 5.3.2), maar desalniettemin is een aantal gebieden overgebleven waarvan het bodemtype onbekend is. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting heerst conform de modellen slechts een kleine kans op het aantreffen van archeologische resten. Dergelijke terreinen waren bijvoorbeeld te nat, te droog of te arm om geschikt te zijn voor menselijk gebruik. De aanwezigheid van vindplaatsen kan niet geheel worden uitgesloten, maar de kans dat zich hier archeologische resten in de bodem bevinden wordt zeer gering geacht. Ter plaatse van zones zonder archeologische verwachting (verstoord). Dit zijn gebieden waarvan aannemelijk is dat er geen archeologische resten zijn te verwachten.
Dit kan zijn omdat bekend is dat de bodem is verstoord als gevolg van bijvoorbeeld ontgrondingen. 5.4.9 De Staatssamenleving; het locatiekeuze model In de loop van de late middeleeuwen en zeker gedurende de nieuwe tijd gingen de ontwikkelingen in de landbouw snel, waardoor men veel minder afhankelijk werd van de fysische eigenschappen van bodem en landschap. De meest in het oog springende ‘nieuwe’ techniek waar vanaf de 15de eeuw gebruik van werd gemaakt, is het opbrengen van gemengde plaggen en potstalmest op de akkers. De plaggen werden gestoken op nabij liggende gras-, bos- of heidepercelen en in de potstal geworpen om de uitwerpselen van het vee op te vangen. Vaak werd ook het nederzettingsafval vermengd met de plaggen. De plaggen werden met de uitwerpselen en het nederzettingsafval vervolgens als mest op de akkers gebracht. Op een akkercomplex op arme zandgrond konden zo gedurende langere tijd gewassen verbouwd worden, zonder dat de bodemvruchtbaarheid daarbij uitgeput raakte. De oogsten konden daardoor op peil blijven. Deze techniek werd enkele eeuwen gebruikt, als gevolg waarvan een dikke humushoudende bovengrond is ontstaan. Deze dikke humushoudende bovengrond wordt ook wel een plaggendek of esdek genoemd. Ook werden nieuwe technieken bedacht waarmee de waterhuishouding in natte gebieden als beekdalen sterk kon worden verbeterd.
Zo werden de gronden in de beekdalen vanaf de 14de en 15de eeuw verdeeld in smalle kavels die loodrecht op de beek lagen, van elkaar gescheiden door afwateringssloten. Toch zou het tot de uitvinding van de kunstmest in de 19de eeuw duren voordat men echt niet meer afhankelijk was van de fysische eigenschappen van bodem en landschap. Vandaar dat de geschiktheid van de aanwezige bodemeenheden voor akkerbouw ook voor de Staatssamenleving de basis vormt voor het locatiekeuze model. Er is voor het model voor de Staatssamenleving bij de analyse wederom gekeken naar de verdeling van de vindplaatsen over de 65 verschillende bodemeenheden. Om tot een verwachting te kunnen komen, is ook in dit geval een model gebruikt waarin het percentage vindplaatsen in een bepaalde bodemkundige eenheid is vergeleken met het percentage van die eenheid binnen het onderzoeksgebied. Project V-19.0072
88
Toegekende verwachting
verwachting deductief
verwachting inductief
Nieuwe tijd
89
late middeleeuwen
Tabel 5.8 Verwachting voor de Staatssamenleving per bodemtype. Bodemtype
aVc
nee
nee
nee
nee
nee
aVz
nee
nee
nee
nee
nee
bEZ35
ja
ja
ja
ja
ja
cHn21
nee
ja
ja
ja
ja
cHn21t
nee
nee
nee
ja
ja
cHn23
nee
nee
nee
ja
ja
cHn33
nee
nee
nee
ja
ja
cHn33x
nee
nee
nee
ja
ja
cHn35
ja
ja
ja
ja
ja
cHn35x
ja
ja
ja
ja
ja
cZg33
ja
ja
ja
ja
ja
cZg33x
nee
ja
ja
ja
ja
cZg35
nee
nee
nee
ja
ja
cZg35x
nee
ja
ja
ja
ja
cZn33
ja
ja
ja
ja
ja
cZn33x
nee
nee
nee
ja
ja
cZn35
ja
ja
ja
ja
ja
cZn35x
nee
nee
nee
ja
ja
cZn53
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ33
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ35
nee
nee
nee
ja
ja
dEZ35x
nee
nee
nee
ja
ja
EZ33
ja
ja
ja
ja
ja
EZ33x
ja
ja
ja
ja
ja
EZ35
ja
ja
ja
ja
ja
EZ35x
ja
ja
ja
ja
ja
EZ53
ja
ja
ja
ja
ja
EZ55
nee
nee
ja
ja
ja
EZg23
nee
nee
nee
ja
ja
Hd21
nee
nee
nee
nee
nee
Hn23
nee
nee
nee
ja
nee
Hn31
nee
nee
nee
nee
nee
Hn33
nee
nee
nee
ja
nee
Hn33x
nee
nee
nee
ja
nee
Hn35
nee
nee
nee
ja
nee
Hn35x
nee
nee
nee
ja
nee
Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
Nieuwe tijd
verwachting inductief
verwachting deductief
Toegekende verwachting
late middeleeuwen
Tabel 5.8 Verwachting Staatssamenleving per bodemtype (vervolg) Bodemtype
Hn53
nee
nee
nee
ja
nee
Hn53t
ja
ja
ja
ja
ja
hVc
nee
nee
nee
nee
nee
hWz
nee
nee
nee
nee
nee
hWzx
nee
nee
nee
nee
nee
pZg21
nee
nee
nee
ja
nee
pZg21t
nee
nee
nee
ja
nee
pZg23
nee
nee
nee
ja
ja
Q
nee
nee
nee
nee
nee
tLn5
nee
nee
nee
ja
ja
tZg33
nee
nee
nee
ja
ja
tZg33x
nee
nee
nee
nee
nee
tZg35
nee
nee
nee
ja
ja
tZg35x
nee
nee
nee
nee
nee
tZg37
nee
nee
nee
ja
nee
tZg37x
nee
nee
nee
nee
nee
tZn33
ja
nee
ja
ja
ja
tZn33x
nee
nee
nee
ja
ja
tZn35
ja
ja
ja
ja
ja
tZn35x
nee
nee
nee
ja
ja
tZn53
nee
nee
nee
ja
ja
Vc
ja
nee
ja
nee
nee
vWz
nee
nee
nee
nee
nee
W
ja
ja
nee
X
ja
ja
nee
Zd51
nee
nee
nee
nee
nee
Zn21
nee
nee
nee
nee
nee
Zn33x
nee
nee
nee
nee
nee
zVc
nee
ja
ja
nee
nee
zVz
nee
nee
nee
nee
nee
zWpx
nee
nee
nee
nee
nee
Een bepaalde bodemkundige eenheid krijgt een hoge waardering wanneer er meer vindplaatsen in die eenheid aanwezig zijn dan op basis van een evenredige verdeling over de verschillende eenheden verwacht mag worden. Indien er minder vindplaatsen aanwezig zijn, scoort de eenheid laag (zie ook paragraaf 5.4.5). Ook nu is gebruik gemaakt van een hybride model waarbij naast de inductieve waardering op basis van regionale kennis tevens een deductieve Project V-19.0072
90
waardering aan de bodemkundige eenheden is toegekend.98 Uiteindelijk is op basis van de inductieve en deductieve gegevens een verwachting uitgesproken. In tabel 5.8 zijn de uitkomsten van de analyses met betrekking tot de relatie vindplaats-bodemtype uiteengezet voor de periode late middeleeuwen/nieuwe tijd. Door de verschillende toegekende waarden per bodemkundige eenheid door de tijd heen naast elkaar te zetten is gekomen tot een uiteindelijke inductieve waardering per bodemkundige eenheid. Uit tabel 5.8 blijkt echter wederom dat de uiteindelijke verwachting niet alleen op het inductieve model gebaseerd kan worden. Enkele eenheden die op basis van de kennis opgedaan uit onderzoek in vergelijkbare gebieden ook een hoge waardering zouden moeten hebben, krijgen dat op basis van het inductieve model niet. De opvallendste eenheden betreffen enkele van de enkeerdgronden (dEZ33, dEZ35 en dEZ35x). Aan deze bodemeenheden dient op basis van het inductieve model geen verwachting toegekend te worden. De ervaring leert echter dat enkeerdgronden bij uitstek de bodemtypes zijn waar veel archeologische resten aanwezig kunnen zijn, ook uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd, al betreft het in deze gevallen geen sporen van bewoning maar sporen van landbouwactiviteiten (greppels, ploegsporen, etc.). Deze bodemtypen dienen derhalve wel degelijk een verwachting toegekend te krijgen.
De reden voor de te lage waardering in het inductieve model is in paragraaf 5.4.5 uiteen gezet. Indien er verschillen zijn tussen de inductieve verwachting en de deductieve verwachting is per bodemtype afgewogen welke het zwaarst moet wegen. In het geval van de enkeerdgronden is het decuctieve model het zwaarst gewogen. In het geval van bijvoorbeeld enkele beekeerdgronden (gevormd in lemig fijn zand) is het inductieve model het zwaarst gewogen. Dergelijke bodems hebben ondanks de veelal natte condities een redelijke tot goede bodemvruchtbaarheid. Binnen het plangebied is echter geen statische onderbouwing voor een (middel)hoge waardering. Dit geldt eveneens voor de veldpodzolbodems. 5.4.10 De inventarisatiekaart voor de Staatssamenleving De basis inventarisatiekaart voor de Staatssamenleving (bijlage 9) is het resultaat van het in de paragraaf 5.4.8 beschreven model. Voor de Staatssamenleving geldt echter dat hier op basis van de analyse van historisch kaartmateriaal, met name de kadastrale kaart van circa 1832, een groot aantal historische elementen is geïdentificeerd. Het betreft locaties van bijvoorbeeld kerken, kloosters, (ros)molens, erven, etc. Een groot deel van deze elementen dateert uit de nieuwe tijd. Een flink aantal van deze historische elementen is van dien aard dat ter plaatse ook oudere archeologische resten in de bodem kunnen worden verwacht.
Het gaat hierbij om alle binnen de historische kernen aanwezige elementen, maar ook om kasteelterreinen, begraafplaatsen, kerken, kloosters, molens, en (eventuele middeleeuwse) boerenerven buiten de historische kernen. De te verwachten archeologische sporen rond deze historische elementen betreffen met name funderingen van de bebouwing maar ook graven (ter plaatse van de kerken, kloosters en bekende historische kerkhoven). Vandaar dat rond deze historische elementen een buffer is geplaats waaraan een archeologische verwachting is toegekend. Rond de historische elementen als kerken, synagogen, kloosters, kastelen, steenbakkerijen, versterkingen en kappelen is een cirkel getrokken met een straal van 50 meter, aangezien binnen een dergelijk gebied (middeleeuwse) bewoning dan wel een kerkhof aanwezig kan zijn geweest. Rond de historische elementen als molens, rosmolens, watermolens en sluizen is een 98
Hierbij is ook de kennis meegenomen voortkomend uit syntheses van eerder onderzoek zoals bijvoorbeeld de NAR 061 (E.A.G. Ball & R. Jansen 2018). 91 Archeologische inventarisatie- en beleidskaart gemeente Meierijstad
cirkel getrokken met een straal van 25 meter, aangezien binnen een dergelijk gebied sporen van (middeleeuwse) voorgangers aanwezig kunnen zijn. Het resultaat is een vlakdekkend beeld van de verwachte archeologische waarden binnen de gemeente Meierijstad voor de perioden late middeleeuwen en de nieuwe tijd, onderverdeeld in verscheidene verwachtingszones. Op de kaart zijn tevens bekende, nog bestaande vindplaatsen aangegeven en terreinen met een bekende waarde (AMK-terreinen). Ten slotte zijn ook gebieden weergegeven waarvan bekend is dat hier geen archeologie meer aanwezig kan zijn als gevolg van verstoringen in het verleden. Het gebruikte model heeft erin geresulteerd dat circa 42,5 % van het totale oppervlak van de gemeente Meierijstad een verwachting voor vindplaatsen uit de staatssamenleving toegedeeld heeft gekregen. Dit wijkt significant af van het percentage ten opzichte van de modellen voor de vroege en late landbouwsamenlevingen. De reden hiervoor is dat het areaal aan met stuifzand bedekte gebieden voor de Staatssamenleving geen verwachting toebedeeld heeft gekregen. De stuifzanden zijn vanaf de late middeleeuwen afgezet (als gevolg van grootschalige ontbossingen en het steken van heideplaggen) en vormden geen bruikbare gronden.
Van de relevante bekende waarnemingen uit deze periode ligt 83,7% binnen de zone waaraan op basis van de modellen een verwachting is toegekend. Dat is relatief hoog, zeker wanneer het uitgangspunt is dat men gedurende deze tijd veel minder gebonden was aan het landschap/bodemvruchtbaarheid dan in voorgaande perioden. Blijkbaar is dat toch minder het geval dan gedacht. Voor de verwachtingskaart voor de Staatssamenleving is aan de beekdalen geen bijzondere betekenis toegekend. Zo zullen er uit deze periode bijvoorbeeld geen rituele deposities meer voorkomen in de beekdalen of vennetjes. De gehele samenleving was gekerstend en alle religieuze activiteiten vonden rond of in de kerk/kloosters/kappellen plaats. Er vonden wel economische activiteiten plaats, maar zaken als bijvoorbeeld watermolens zijn middels het gedegen historische onderzoek in kaart gebracht en gebufferd. De gebieden waar een hoge dichtheid aan vindplaatsen uit de Staatssamenleving wordt verwacht, zijn op de inventarisatiekaart in bijlage 9 middels een lichtroze kleur weergegeven. De gebieden waar deze verwachte hoge dichtheid wordt gerelateerd aan bekende historische elementen, zijn op de inventarisatiekaart middels een donkerroze kleur weergegeven. Ook de zones met een verwachting op relicten uit de Tweede Wereldoorlog zijn middels een aparte eenheid weergegeven.
In totaal zijn op de inventarisatiekaart voor de Staatssamenleving tien zones te onderscheiden die samen een vlakdekkend kaartbeeld vormen: • Zones met een hoge archeologische waarde (AMK-terreinen); • Zones met een archeologische waarde zoals weer gegeven op de huidige kaarten, zonder dat deze de status van AMK-terrein bezitten (overige waardevolle terreinen): • Zones met een archeologische verwachting; • Zones met een archeologische verwachting (historische dorpskernen); • Zones met een archeologische verwachting (historisch element); • Zones met een archeologische verwachting (WO-II); • Zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek); • Zones met een onbekende archeologische verwachting (bodemtype onbekend); • Zones zonder archeologische verwachting; Project V-19.0072
92
•
Zones zonder archeologische verwachting (verstoord);
De terreinen met een hoge archeologische waarde betreffen terreinen waarvan de archeologische waarde reeds is vastgesteld. Het gaat hierbij specifiek om terreinen waar sporen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn aangetroffen. Het betreft 11 terreinen, waarvan er 8 worden gerekend tot terrein van hoge archeologische waarde.99 Drie van de 11 terreinen behoren tot een terrein van archeologische waarde.100 De terreinen met een archeologische waarde (overige waardevolle terreinen) betreffen terreinen waaraan op de bestaande beleidskaarten een (hoge) waarde is toegekend, zonder dat deze terreinen een AMK-status hebben. Ook in deze gevallen gaat het om terreinen waar sporen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn aangetroffen/worden verwacht. Het betreft 34 terreinen, waarvan zich 17 binnen de voormalige gemeente St. Oedenrode bevinden (overwegend kasteelterreinen) en 17 binnen de voormalige gemeente Schijndel. Bij zones met een archeologische verwachting gaat het om terreinen, waar op basis van de gebruikte modellen een grote kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten behorend tot de Staatssamenleving. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur. Ook de bufferzones rondom bekende (relevante) vindplaatsen vallen onder deze verwachting.
De bufferzone betreft een cirkel met een straal van 25 meter. Op deze wijze wordt een gebied gecreëerd met een oppervlak van circa 2000 m2. Een dergelijke zone wordt voldoende geacht om de complete vindplaats te omvatten. Bij zones met een archeologische verwachting (historische dorpskernen) gaat het om de historische dorpskernen gebaseerd op de eerste Kadastrale kaarten. Binnen deze gebieden kunnen resten van (middeleeuwse) dorpsbewoning worden verwacht. Hierbij dient te worden vermeld dat de AMK-terrein 16802, 16856, 16857 en 16858 niet als begrenzing zijn overgenomen, aangezien deze zijn gebaseerd op kaartmateriaal van rond 1900. Bij zones met een archeologische verwachting (historische elementen) gaat het om terreinen, waarvan op basis van historische elementen in de nabije omgeving (vrijwel) vaststaat dat zich archeologische resten in de ondergrond bevinden. Bij zones met een archeologische verwachting (WO-II) gaat het om terreinen, waarvan op basis van uitgebreid onderzoek (vrijwel) vaststaat dat zich archeologische resten uit de Tweede wereldoorlog in de ondergrond bevinden.
Bij zones met een archeologische verwachting en een verwachting op een goede conservering (afgedekt met plaggendek) gaat het om dezelfde terreinen als ter plaatse van de terreinen met een archeologische verwachting, maar waar het oorspronkelijke maaiveld in de loop van de late middeleeuwen is afgedekt met een (in dikte variërend) plaggendek. In deze gevallen geldt dat direct aan het oppervlak geen vindplaatsen aanwezig zullen zijn. Op grotere diepte, aan de basis van het esdek of in de top van de onderliggende bodem, kunnen hier wel degelijk vindplaatsen aanwezig zijn. In dit geval zullen dergelijke vindplaatsen voornamelijk landbouwkundig van aard zijn. Indien dat het geval is, zullen deze vanwege het afdekkende plaggendek veelal goed geconserveerd zijn omdat ze niet als gevolg van agrarische activiteiten zijn verstoord. 99