Nota bodembeheer
Tekst van het document
5.3 Melden toepassen grond Degene die grond of baggerspecie gaat toepassen moet dit melden via het Meldpunt bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl) . Dit moet minimaal 5 dagen voor toepassing gebeuren. Voor grond en baggerspecie geldt de meldingsplicht voor alle toepassingen (inclusief kortdurende en tijdelijke opslag) met uitzondering van: • de toepassing van grond of baggerspecie door particulieren (behalve wanneer de werkzaamheden worden uitbesteed aan een aannemer, in dat geval moet wel een melding worden ingediend); • het verplaatsen van grond of baggerspecie binnen één landbouwbedrijf (de grond/baggerspecie moet in dat geval wel afkomstig zijn van een binnen hetzelfde landbouwbedrijf gelegen perceel waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld). Een voorbeeld hiervan is tarragrond (afkomstig van bloembollen of aardappelen); • het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; • het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m³. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m³ moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld; • het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.
Op de site van het Meldpunt is ook nadere informatie over het melden beschikbaar, zoals welke 30
gegevens moeten worden gemeld. Om de melddiscipline te vergroten is in bijlage 4 voor de meest voorkomende situaties, namelijk grondverzet bij nieuwbouw, saneringen en civiele werken, een stappenschema toegevoegd waarin de genoemde uitzonderingen zijn verwerkt. De opzet van de schema's is gebaseerd op de regels uit de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Iedere melding wordt direct (elektronisch) doorgezonden aan de Omgevingsdienst Brabant Noord en de gemeente waar de grond wordt toegepast. Het behandelen van de meldingen Besluit bodemkwaliteit is een taak die de Omgevingsdienst namens alle gemeenten uitvoert. De melding wordt door de omgevingsdienst conform het Regionaal operationeel Kader( ROK )al dan niet in behandeling genomen. Behandeling is afhankelijk van de uitkomsten van de quick-scan. Wanneer de melding en/of de bijgeleverde gegevens naar het oordeel van de omgevingsdienst onduidelijk, onvolledig of anderszins niet toereikend zijn, zullen door de omgevingsdienst nadere gegevens van de melder worden verlangd. Dit verzoek kan telefonisch, per e-mail of per brief plaatsvinden. Door de melder kan in principe vijf werkdagen na het melden met de werkzaamheden worden aangevangen. De omgevingsdienst neemt namelijk geen formeel besluit op de melding. Een toepasser kan zich niet beroepen op het uitblijven van een reactie van de omgevingsdienst op een melding.
De toepasser is en blijft zelf verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit.
6. TOEZICHT EN HANDHAVING Pro-actieve handhaving De melding geeft de omgevingsdienst de mogelijkheid om te verifiëren of de toe te passen partij en de voorgenomen toepassing voldoen aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Actieve handhaving Een deel van de gemelde toepassingen wordt in het veld gecontroleerd. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan: •Komt de toepassingslocatie overeen met wat in de melding is aangegeven? •Komt het toegepaste volume overeen met de melding? •Komt het toegepaste materiaal overeen met wat is gemeld? Als blijkt dat de toepassing niet overeenkomt met de melding zullen de toezichthouders er op toezien dat de ongewenste situatie ongedaan wordt gemaakt. Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de beschikbare wettelijke hulpmiddelen. Afhankelijk van de geconstateerde tekortkoming, zal melding worden gedaan bij IL&T (Inspectie Leefomgeving en Transport) via: https://e-loket.ilent.nl/formulier/nlNL/DefaultEnvironment/MMi_001.aspx/CB_Authenticatie/CB_Inleiding Naast gerichte inspecties in relatie tot gemelde toepassingen, kunnen de toezichthouders controles uitvoeren op niet gemelde toepassingen van grond en baggerspecie. Tot slot is het mogelijk om handhavend op te treden door het uitvoeren van een
31
handhavingsonderzoek. Indien het noodzakelijk wordt geacht om tot monsterneming over te gaan, bijvoorbeeld wanneer wordt betwijfeld of de kwaliteit van de toegepaste partij grond of baggerspecie overeenkomt met de gemelde kwaliteit, moeten de bemonstering en het laboratoriumonderzoek plaatsvinden overeenkomstig het daarvoor van toepassing zijnde wettelijke kader. Daarnaast kan strafrechtelijk en/of bestuursrechtelijk worden opgetreden bij geconstateerde overtredingen. Wat hierbij bepalend is, is of sprake is van een aandachtspunt zoals beschreven in de HandhavingsUitvoeringsMethode Besluit bodemkwaliteit (HUM-Bbk). Deze HUM-Bbk is bedoeld om alle handhavende overheidsinstanties, die toezicht houden in het kader van het Besluit Bodemkwaliteit, ondersteuning te bieden bij het signaleren, beëindigen, ongedaan maken of terugdraaien van een overtreding. Handhaving vindt altijd plaats conform de Landelijke HandhavingStrategie (LHS). Transport Opgemerkt wordt dat voor wat betreft grond en baggerspecie het Besluit bodemkwaliteit alleen betrekking heeft op het toepassen hiervan. Derhalve is het bevoegd gezag voor het Besluit bodemkwaliteit niet bevoegd voor het uitvoeren van controles in het kader van transport(- of afvalstoffen)wetgeving. Het bevoegd gezag in relatie tot transport zijn de politie en de provincie.
Daarnaast zijn de Inspectie van Verkeer en Waterstaat en IL & T eerstverantwoordelijke voor ketentoezicht in relatie tot het Besluit bodemkwaliteit. Wel mag een toezichthouder, aangewezen in het kader van het Besluit bodemkwaliteit,van de omgevingsdienst transporten controleren die gerelateerd zijn aan een toepassing conform het Besluit bodemkwaliteit. Bij het controleren van transporten is integrale samenwerking met de provincie of de politie echter altijd aan te bevelen. 7. BODEMTOETSEN Bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning (onderdelen bouwen en milieu), wijziging van bestemmingsplannen, cultuurtechnische werkzaamheden of bij aan- en verkoop van gemeentelijke gronden is in veel gevallen bodemonderzoek vereist of zeer wenselijk. 7.1 Bodemtoets Omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) In artikel 8 van de Woningwet is aangegeven dat een gemeente in de gemeentelijke bouwverordening regels moet opnemen om het bouwen op verontreinigde grond tegen te gaan. De gemeente heeft de taak om alleen een omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) te verlenen als de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hiertoe toetst de gemeente de informatie omtrent de bodemkwaliteit aan de Woningwet. Als de bouwlocatie daaraan niet voldoet, dan moet de gemeente een aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren.
32
Effectuering Omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) bij gevallen van ernstige bodemverontreiniging De Omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, treedt conform artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in (ernstige) verontreinigingssituaties niet eerder in werking dan nadat door het bevoegd gezag is ingestemd met het saneringsplan of de melding tot saneren (Besluit Uniforme Saneringen) is geaccepteerd. De Omgevingsvergunning dient door de gemeente, ongeacht de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging dus wel te worden afgegeven. Er mag pas gestart worden met de bouwwerkzaamheden als de bodemverontreiniging is verwijderd en de evaluatie van de saneringswerkzaamheden is goedgekeurd door het bevoegd gezag. In sommige gevallen geldt het bouwen zelf (het aanbrengen van een vloer als duurzame afdeklaag) de sanerende maatregel waar het bevoegd gezag haar goedkeuring op moet geven voordat gestart mag worden met de bouwwerkzaamheden. Conform de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor) moet bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning een onderzoeksrapport inzake de gesteldheid van de bodem te worden overlegd. 7.1.1 Ontheffing van de bodemonderzoeksplicht In de volgende gevallen verleent de gemeente ontheffing voor het uitvoeren van een bodemonderzoek: 1.
Het bouwwerk raakt de grond niet en/of het bestaande feitelijk gebruik blijft gehandhaafd; 2. Het te bebouwen oppervlak is kleiner dan 50 m²; 3. Het bouwwerk heeft geen woon- of verblijfsfunctie, dat wil zeggen dat in het gebouw minder dan twee uur per dag (dezelfde) mensen aanwezig zijn; 4. Op de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) valt de locatie binnen de zone Achtergrondwaarde (AW2000) . 5. Bij een bestaande (illegaal aanwezige) verblijfsruimte welke in een bestemmingsplanprocedure gelegaliseerd wordt waarbij de verblijfsruimte in stand blijft. Toelichting Aangezien in de Bouwverordening is vastgelegd dat ontheffing verleend kan worden bij een omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) omdat er voldoende gegevens bekend zijn met betrekking tot de bodemkwaliteit, wordt de bodemkwaliteitskaart in combinatie met de nota bodembeleid geaccepteerd bij bouwaanvragen op onverdachte locaties. 7.1.2 Tijdelijke bouwwerken en de bodemonderzoeksplicht In sommige gevallen wordt een bouwwerk voor maximaal 5 jaar in stand gehouden. Voor het oprichten hiervan kan volstaan worden met een historische toets. Na deze termijn is het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk. Wat verstaan we onder een onverdachte locatie? Een onverdachte locatie is een locatie waar de oorspronkelijke bodemopbouw nooit door menselijk handelen is verstoord.
Er zijn geen verhardingslagen en bouwwerken aanwezig (geweest). Een onverdachte locatie heeft ook geen beïnvloeding van een buiten de locatie gelegen (grondwater) verontreiniging. Dit geldt met name voor landbouwgronden welke zijn aangewezen voor (woning) bouw of andere ontwikkelingen in het buitengebied. Historische toets
33
In situatie 4 geldt de vrijstelling alleen indien de locatie onverdacht is met betrekking tot bodemverontreiniging. Hiertoe wordt een historische toets uitgevoerd. In de situaties 2 en 3 wordt dit door de gemeente gedaan. In situatie 4 vult de aanvrager van de vergunning het formulier 'Historische toets' (zie bijlage 2A, gemeente ’s-Hertogenbosch 2B) in. Op basis hiervan beoordeelt de gemeente of vrijstelling verleend kan worden. Als dit niet het geval is, moet de aanvrager alsnog een bodemonderzoek uitvoeren. Toch bodemonderzoek nodig? Geldigheidstermijn bodemonderzoeken De geldigheidstermijn van bodemonderzoeken zijn als volgt: bodemkwaliteit Landbouw/natuur (AW2000) Diffuus verontreinigd (grond en/of grondwater Lokale bodemverontreiniging (immobiel) Verontreiniging met vluchtige verbindingen Lokale grondwaterverontreiniging
buitengebied 5 jaar 5 jaar
bebouwde kom 5 jaar 5 jaar
bedrijventerrein 3 jaar 3 jaar
5 jaar
5 jaar
2 jaar
2 jaar
2 jaar
2 jaar
2 jaar
2 jaar
2 jaar
Bron: ‘Bodem+ en ‘onderzoek naar de feiten en meningen m.b.t. de geldigheidsduur van water) bodemonderzoek, MWH Stantec, december 2016’
Als de gemeente geen vrijstelling voor de onderzoeksverplichting verleent, moet de aanvrager van de vergunning een bodemonderzoek overleggen. Het onderzoeksrapport moet voldoen aan de NEN5740 en mag niet te oud zijn. Als de initiatiefnemer beschikt over een bodemonderzoek van meer dan 5 jaar maar maximaal 10 jaar oud, mag worden volstaan met een actualiserend bodemonderzoek van alleen de bovengrond (aantal boringen en analyses conform NEN-5740). Voorwaarde is wel dat de inrichting en/of het gebruik van de locatie sinds de uitvoering van het bodemonderzoek niet zijn veranderd. Indien bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden na uitvoering van het bodemonderzoek, dient het bodemonderzoek geactualiseerd te worden. De opzet van het actualiserend bodemonderzoek is afhankelijk van de aard en omvang van de bodembedreigende activiteiten. Afbakening onderzoekslocatie De omvang van de onderzoekslocatie wordt bepaald door het bouwvlak en het bijbehorende terrein dat een relatie heeft met het gebruik van het gebouw. Met het bodemonderzoek moet dus ook de eventuele blootstelling aan bodemverontreiniging buitenshuis worden onderzocht. Een voorbeeld hiervan is een woonhuis waarbij het direct omliggende gebied in gebruik zal worden genomen als tuin, hier is immers direct contact met een eventuele bodemverontreiniging mogelijk.
Bodemonderzoek en slopen Het verdient de voorkeur om het bodemonderzoek ná de sloop uit te voeren. Indien toch voor het slopen een bodemonderzoek conform NEN 5740 is uitgevoerd, dan dient ná de sloop een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden ter controle op bodemverontreiniging als gevolg van de sloopactiviteiten. Onder andere asbest is hierbij een aandachtspunt als het gebouw vóór 1994 is gebouwd. Een compleet onderzoek conform NEN 5740 zal in de regel niet nodig zijn: er kan volstaan worden met een (grond-)onderzoek gericht op de bovenste 0,5 meter van de na sloop achtergebleven bovengrond.
34
7.2 Bodemtoets ruimtelijke plannen De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of projectbesluit. Artikel 9 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is het bepalen van de geschiktheid van de bodemkwaliteit voor de voorgenomen plannen en het bepalen of de voorgenomen plannen financieel haalbaar zijn. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. Vrijsteling van de bodemonderzoeksplicht Net zoals bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning (onderdeel bouwen) kan er bij het ruimtelijke traject ontheffing worden gegeven van de onderzoeksplicht als het een onverdachte locatie betreft. De financiële paragraaf vermeld dan een samenvatting van de bodemkwaliteit zoals vermeld in de bodemkwaliteitskaart en de geschiedenis van het perceel. Een formulier ‘historische toets’ dient als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing te zijn opgenomen.
7.3 Bodemtoets bij grondtransacties Aan- en verkoop door de gemeente De gemeenten kopen (en verkopen) gronden ten behoeve van (toekomstige) ontwikkelingen aan en verwerven landbouwgronden voor hetzelfde doel. Omdat iemand die grond van de gemeente overneemt verwacht dat de grond geschikt is voor b.v. woningbouw en daar dus een vergunning voor wordt verstrekt wordt in principe bij elke transactie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd voordat een perceel definitief wordt overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Hiervan uitgezonderd zijn landbouwpercelen die ook door de nieuwe eigenaar als landbouwperceel gebruikt gaan worden. Omdat percelen gekocht worden met het oog op de toekomst en ontwikkelingen als woningbouw soms vertraging kan oplopen kan de geldigheidstermijn van een bodemonderzoek verstrijken. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een actualisatie-onderzoek van de bovengrond zoals beschreven in paragraaf 7.1 van deze notitie. Huur, verhuur of erfpacht Bij huur of verhuur van gemeentelijke percelen waar sprake kan zijn van een bodembedreigende activiteit moet altijd een bodemonderzoek (nul- en eindsituatie) worden uitgevoerd. Deze verplichting dient onderdeel te zijn van het grondbeleid van de gemeente en te worden opgenomen in de overeenkomst.
Met het bodemonderzoek kan bij beëindiging van de huurovereenkomst een eventueel ontstane bodemverontreiniging worden toegewezen aan de huurder die dan de verplichting heeft deze te saneren. De onderzoeksverplichting is vaak een voorschrift bij bedrijfsactiviteiten maar zoals het voorbeeld in het onderstaande kader aangeeft, niet altijd!
35
Toepassing grond op een motorcrossterrein: bodemonderzoek of niet? Voor een motorcrossterrein zijn wallen, verhogingen en regelmatig aanvullingen van de baan noodzakelijk. Een gemeente verhuurt het terrein maar bij een verplaatsing van de activiteiten blijft alle grond achter. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Vanuit het Besluit bodemkwaliteit dient de grond verwijderd te worden, vanuit een huurcontract kan dat extra duidelijk worden gemaakt. Hebben de crossactiviteiten een verontreiniging veroorzaakt of is er verontreinigde grond toegepast? Allemaal redenen om vooraf en achteraf de bodemkwaliteit vast te stellen. Zo kan een verantwoordelijke worden aangewezen en is er geen discussie mogelijk. 7.4 Verhoogde gehalten metalen in het grondwater Verhoogde gehalten zware metalen in grondwater komen veelvuldig voor op locaties die voor de aanwezigheid van dit soort verontreinigingen volkomen onverdacht zijn. Zelfs overschrijdingen vinden plaats van de door het ministerie van VROM opgestelde interventiewaarden, waardoor sprake kan zijn van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Van de zware metalen zijn vooral zink, nikkel en arseen in verhoogde gehalten aanwezig. Op basis van recente onderzoeken blijken natuurlijke bodemprocessen deze verhoogde gehalten te kunnen veroorzaken.
Van zink was al bekend dat het één van de mobielste zware metalen is, die onder andere bij een verlaagde pH vanuit de gronddeeltjes gemakkelijk in oplossing gaat. De mobilisatieprocessen van nikkel en arseen zijn complexer van aard. Zo mobiliseert nikkel van de gronddeeltjes onder invloed van macroparameters zoals calcium en sulfaat. Dit verschijnsel doet zich vooral voor in vermeste gebieden waaronder onze regio. Bij matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen dient per situatie bekeken te worden of sprake is van een bodemverontreiniging of natuurlijk verhoogde achtergrondgehalten. Indien verhoogde gehalten aan zware metalen kunnen worden gerelateerd aan bedrijfsactiviteiten op of in de omgeving van het onderzochte perceel dient altijd een herbemonstering plaats te vinden. Op basis van de resultaten van de herbemonstering dient per geval bepaald te worden of nader onderzoeknoodzakelijk is. Indien de verhoogde gehalten niet gerelateerd kunnen worden aan bedrijfsactiviteiten en er geen sprake is van een verontreiniging van de grond, is vrijwel zeker sprake van een natuurlijk verhoogd achtergrondgehalte. Herbemonstering is niet noodzakelijk indien het gehalte valt binnen het percentielpercentage (90P) zoals is vastgelegd in de grondwaterkwaliteitskaart.
7.5 Asbest en bodem In Nederland is tot 1993 asbest toegepast. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is gebruikt in gebouwen, door het zagen of breken van asbestplaten. Veel vaker is asbesthoudend materiaal in de bodem gekomen door sloopactiviteiten van voor 1997 waarbij het bouwafval gebruikt is in ophooglagen, erfverhardingen of dempingen. Sinds 1997 verplicht het Bouwbesluit om een asbestinventarisatie voorafgaand aan de sloop van gebouwen uit te voeren en het asbest selectief te verwijderen. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. Asbestonderzoek in de bodem moet conform het onderzoeksprotocol NEN-5707 (bij minder dan 50 % puin in de bodem) of conform het onderzoeksprotocol NEN-5897 (bij meer dan 50 % puin in de bodem) worden uitgevoerd. In de beleidsbrief asbest uit 2004 (van het ministerie van VROM) is de norm voor asbest gesteld op 100 mg/kg, gewogen naar het soort asbest. Het gehalte dient
36
vastgesteld te worden aan de hand van nader asbestonderzoek. Gehalten boven deze norm kunnen aanleiding geven om de bodem te saneren. Het asbestbeleid van de gemeente is primair gericht op het veiligstellen van de volksgezondheid. De gemeente wil echter ook, in het kader van deregulering de onderzoeksplicht voor burgers en bedrijven zoveel mogelijk beperken en hierin zo goed mogelijk adviseren. 7.5.1 Asbest in de bodem Asbestonderzoek is verplicht bij bodemonderzoeken van locaties die op grond van voorinformatie uit terreinbezoek, vooronderzoek of tijdens veldwerkzaamheden verdacht zijn gebleken op het voorkomen van asbest. Dit betreft onder andere: • erven van agrarische bedrijven met bebouwing van voor 1993 of waar voor 1997 sloopwerkzaamheden zijn uitgevoerd; •autosloperijen; .•oude ophooglagen binnen de bebouwde kom; •puinhoudende bodemlagen De aanwezigheid van puin kan een aanwijzing zijn dat de partij of de bodem asbesthoudend materiaal bevat. Door een uitspraak van RvS (kenmerk 201508764/1/A1, d.d. 16-11-2016) betekent dit dat bij het aantreffen van puin nader onderbouwd moet worden of sprake is van een asbestverdachte locatie of partij.
Alleen als voldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat het puin en/of puingranulaat gezien typering, ouderdom, bijmengingen en vooronderzoek niet kan worden gerelateerd aan asbest, dan mag de locatie of de partij als asbest onverdacht worden beschouwd. Als onvoldoende kan worden onderbouwd of gemotiveerd dat in het aanwezige puin en granulaat geen asbest voorkomt, dan moet de locatie of de partij altijd als asbestverdacht worden beschouwd en is (fysiek) onderzoek op de aanwezigheid van asbest noodzakelijk. De NEN 5707 en de NEN 5897 geven aan hoe gemotiveerd kan worden dat de locatie of de partij, ondanks de aanwezigheid van puin, als onverdacht moet worden beoordeeld , waardoor er geen noodzaak bestaat om een fysiek asbestonderzoek uit te voeren. Dit kan op basis van een gedegen vooronderzoek volgens NEN 5725 en NEN 5707 in combinatie met visuele waarnemingen voorafgaand aan het veldwerk. Het is daarom belangrijk om de aard en het voorkomen van het puin goed te beschrijven in de rapportage. Voor de waterbodem zijn de NEN 5717 en NEN 5720 van toepassing (met uitzondering van droge oevergebieden). Ook tijdens het veldwerk kan (onverwacht) puin worden aangetroffen. In dat geval is sprake van een dusdanige wijziging ten opzichte van het vooronderzoek dat deze nieuwe informatie moet leiden tot aanpassing van het vooronderzoek.
In de NEN 5707 wordt in bijlage E nader ingegaan op de relatie tussen de aanwezigheid van puin en de verdenking op asbest. Daar staat onder andere "Of puin daadwerkelijk asbestverdacht is, is onder andere afhankelijk van het type puin dat aanwezig is, het historisch gebruik van de locatie (bijvoorbeeld op welk moment het puin is geproduceerd of in de bodem terecht gekomen) en de hoeveelheid puinbijmenging”. 7.5.2 Saneren van asbestverontreinigingen in de bodem Als uit onderzoek blijkt dat de concentratie asbest in de bodem hoger is dan de restconcentratienorm van 100 mg kg valt het saneren van de bodemverontreiniging onder de regels van de Wet
37
bodembescherming en dient een melding conform het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) bij de OmgevingsDienst Zuidoost Brabant (ODZOB) te worden ingediend, voor de gemeente ’sHertogenbosch dient een saneringsplan of een melding bij de gemeente zelf te worden ingediend. In het geval dat er ter plaatse wordt gezeefd is het BUS niet van toepassing maar is altijd een saneringsplan noodzakelijk. 7.5.3 Asbestwegen Onder asbestwegen wordt verstaan een weg, een pad of een erf, alsmede andere grond die bestemd is om door rij en ander verkeer gebruikt te worden. De fundatie van een weg, pad of erf valt onder de wegconstructie. Het is sinds 1 januari 2000, op basis van het Besluit asbestwegen milieubeheer, verboden om een asbesthoudende weg in eigendom te hebben. Wanneer er meer dan 100 mg/kg gewogen asbest in een weg zit, is de eigenaar verplicht een melding te doen bij de Inspectie Leefomgeving en transport (IL&T) en maatregelen te nemen die strekken tot het tegengaan van blootstelling van gebruikers van die weg aan asbest. Let wel: het Besluit Uniforme Saneringen (BUS) is dus nadrukkelijk NIET van toepassing. Hierbij zijn twee opties: • Weg aangelegd vóór 1987: de asbestverontreiniging mag worden geïsoleerd door middel van het aanbrengen van een verharding; •Weg aangelegd na 1 januari 1987: de asbestverontreiniging moet worden verwijderd.
Wegen die voor 1 juli 1993 zijn aangebracht en waarvan het asbest is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat, vallen niet onder de meldplicht. 7.5.4 Asbest in de bodem bij asbesthoudende daken Door afspoeling van asbestvezels is onder asbestdaken zonder (goed functionerende) dakgoot in de afwateringszone onder het dak in de toplaag van een onverharde bodem vaak sprake van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Omdat het bij afspoeling van asbestdaken gaat om losse vezels kunnen er hoge concentraties asbest voorkomen in de toplaag. De concentratie respirabele (inhaleerbare) vezels kan zomaar>100 mg/kg zijn, waardoor volgens de risicobeoordeling (Circulaire bodemsanering 2013: Bijlage 3. : Milieuhygiënisch saneringscriterium bodem, protocol asbest) sprake is van onaanvaardbare risico’s en dus van een spoedeisend geval. Er dient dan volgens de Wbb wel ‘met spoed’ gesaneerd te worden. Van belang is dus dat er vooraf aan (graaf) werkzaamheden inzicht is in de omvang en spoedeisendheid door het (laten) uitvoeren van nader onderzoek. Er kan in dit kader contact worden opgenomen met de ODZOB (via bodemsanering@odzob.nl) of de gemeente ’s-Hertogenbosch. De verontreinigde toplaag van de bodem omvat de afwateringsstrook onder het dak, waarin aflopend water met asbestvezels is terechtgekomen.
De verontreiniging wordt daarin doorgaans aangetroffen over een breedte van 1 meter en tot een diepte van 10 cm. 7.5.5 Asbest op de bodem Vooral op locaties waar bebouwing is gesloopt wordt met enige regelmaat asbestverdacht materiaal op de bodem aangetroffen. Dit hoeft niet te leiden tot een asbestonderzoek in de bodem. Of er asbestonderzoek nodig is, is afhankelijk van de aanwezigheid van een formele vrijgave conform de NEN 2990 van de locatie na sloop door een erkende asbestverwijderaar, het asbestverdachte
38
materiaal kan dan met ‘hand-picking’ worden verwijderd. Is er geen formele vrijgave beschikbaar zal alsnog een bodemonderzoek naar asbest moeten worden uitgevoerd. Asbest bij brand Bij brand kan asbesthoudend materiaal vrijkomen tot buiten de brandhaard. De omvang van de verspreiding is afhankelijk van hoeveelheid wind en windrichting. Het verwijderen van materiaal d.m.v. hand-picking is voldoende om risico’s voor de volksgezondheid te beperken tot een minimum. Op de locatie van de brandhaard is bodemonderzoek naar asbest van de bovenste 10 centimeter voldoende. Er dient rekening te worden gehouden met de mogelijke infiltratie elders van bluswater. Ook hier kan in de toplaag een geval van asbestverontreiniging in de bodem zijn ontstaan. Asbestverontreinigingen die zijn ontstaan door brand kunnen onder het bevoegd gezag van de gemeente worden verwijderd (zorgplicht). 8. SANEREN VAN BODEMVERONTREINIGING 8.1 Verontreinigingen ontstaan voor 1987 Bij bodemverontreiniging ontstaan vóór 1987 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging als meer dan 25 m³ grond en/of 100 m³ bodemvolume grondwater sterk verontreinigd is. Asbest vormt een uitzondering op deze regels. Voor asbest is niet 1987 het ijkpunt voor een historische bodemverontreiniging, maar 1993.
Indien de asbestverontreiniging is ontstaan vóór 1993 moet worden vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging. Hiervoor geldt geen volumecriterium. Er is sprake is van een geval van ernstige asbestverontreiniging als door middel van nader asbestonderzoek is bepaald dat de bodem meer dan 100 mg/kg aan (gewogen) asbest bevat, ongeacht het verontreinigd bodemvolume. 8.1.1 Gevallen van ernstige bodemverontreinigingen De provincie Noord-Brabant is conform de Wet bodembescherming bevoegd gezag (uitvoering door de ODZOB) voor besluiten over gevallen van ernstige bodemverontreiniging bij de meeste gemeenten in de regio. De gemeente ’s-Hertogenbosch is zelf bevoegd gezag voor ernstige gevallen van historische bodemverontreinigingen. De noodzaak voor sanering en de aard van de saneringsmaatregelen wordt bepaald door de spoedeisendheid. De spoedeisendheid wordt vastgesteld op basis van de humane, ecologische en verspreidingsrisico's. Een groot deel van de saneringen worden afgehandeld via het Besluit Uniform Saneren (BUS) waarbij volstaan kan worden met een melding voorafgaand aan de sanering. De grotere en meer gecompliceerde gevallen lopen via het Wbb-spoor waarvoor een saneringsplan moet worden opgesteld. Met de invoering van de toekomstige Omgevingswet zullen bevoegdheden verschuiven van provincie naar gemeenten.
De exacte uitwerking hiervan is op het moment van schrijven nog onbekend.
39
8.1.2 Gevallen van niet – ernstige bodemverontreinigingen Gevallen van niet-ernstige bodemverontreiniging worden afgehandeld door de gemeente. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de gemeente en de gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een evaluatieverslag overleggen. Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. De verontreiniging moet zodanig zijn afgeperkt dat uitgesloten kan worden dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Agentschap NL/Bodemplus. Eisen aan plan van aanpak en melding voorafgaand aan sanering Minimaal 4 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. De gemeente heeft 4 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring. Eisen aan uitvoering De sanering van niet-ernstige gevallen valt niet onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding niet gecertificeerd hoeven te zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Dit wordt echter wel sterk aanbevolen.
Aangezien de gemeente een voorbeeldfunctie heeft, zal zij voor gemeentelijke saneringen altijd gebruik maken van conform BRL 6000 en BRL 7000 erkende bedrijven. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 4 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring.
8.2 Saneren van nieuwe gevallen van bodemverontreiniging Bodemverontreiniging ontstaan na 1 januari 1987 wordt als een nieuw geval beschouwd en moet direct bij de gemeente of provincie te worden gemeld. Bij de aanpak van nieuwe bodemverontreinigingen kunnen zowel provincie als gemeente het bevoegde gezag zijn: • voor nieuwe gevallen binnen Wm-inrichtingen is de gemeente het bevoegde gezag, tenzij sprake is van een provinciale inrichting; • voor nieuwe gevallen buiten Wm-inrichtingen is de gemeente het bevoegde gezag. Indien het nieuwe geval het gevolg is van een calamiteit (ongewoon voorval), is een specifieke aanpak nodig.
40
8.2.1 Nieuwe gevallen binnen een inrichting Inrichting met een gemeentelijke vergunning Inrichtingen beschikken over een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer (Wm) of vallen onder het Activiteitenbesluit. Vaak zijn in de vergunning bepalingen opgenomen over bodemverontreiniging en het uitvoeren van nulsituatie- en eindsituatiebodemonderzoek. Binnen gemeentelijke inrichtingen is de gemeente bevoegd om handhavend op te treden op grond van artikel 1.1a Wet milieubeheer, artikel 2.1 Activiteitenbesluit en artikel 13 Wet bodembescherming. Op meerdere manieren kan een nieuwe bodemverontreiniging aan het licht komen: • De aangewezen toezichthouderr constateert de bodemverontreiniging, bijvoorbeeld na de uitvoering van een nul- of Eindsituatiebodemonderzoek, tussentijdse (grondwater)monitoring of een controle. • De veroorzaker meldt zelf dat sprake is van bodemverontreiniging, bijvoorbeeld na het uitvoeren van bodemonderzoek op eigen initiatief. • Melding door derden. De gemeente bepaalt de randvoorwaarden voor de aanpak van de geconstateerde bodemverontreiniging. Volgens artikel 1.1a uit de Wet milieubeheer en artikel 13 van de Wet bodembescherming is de veroorzaker verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd.
In principe betekent dit dat de verontreiniging volledig wordt verwijderd, waarbij als terugsaneerwaarde de lokale bodemfunctieklasse uit de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart moet worden gehanteerd. Complexe gevallen, bijvoorbeeld onder bebouwing, kunnen echter maatwerk vereisen. De initiatiefnemer moet de sanering melden bij de gemeente en de gemeente houdt toezicht op de uitvoering. Na afloop van de sanering moet de initiatiefnemer een evaluatieverslag overleggen. Inrichting onder provinciaal bevoegd gezag (provinciale vergunning) Binnen een provinciale inrichting is de provincie bevoegd gezag om op grond van de zorgplicht Wet milieubeheer handhavend op te treden. De verontreiniging kan op dezelfde wijze als bij een gemeentelijke inrichting aan het licht komen maar dient dan bij de Omgevingsdienst Midden- en
41
West Brabant (OMWB) te worden gemeld. Deze omgevingsdienst handelt de zaak namens de provincie Noord- Brabant af. Eisen aan bodemonderzoek Het bodemonderzoek mag niet ouder zijn dan 5 jaar. In principe moet het geval worden afgeperkt tot de bodemfunctieklasse zoals weergegeven op de gemeentelijke bodemfunctieklassenkaart, of het niveau zoals vastgesteld bij eerder nulsituatiebodemonderzoek. De mate van afperking moet dusdanig zijn dat een oplossingsrichting voor de verontreinigingsproblematiek kan worden bepaald. Bodemonderzoek van ná 1 juli 2008 moet voldoen aan de BRL2000. De instantie die het onderzoek heeft uitgevoerd, moet in het kader van de Kwalibo-regeling erkend zijn door Agentschap NL/Bodemplus. Eisen aan plan van aanpak en melding voorafgaand aan sanering Minimaal 4 weken voorafgaand aan de sanering meldt de initiatiefnemer de voorgenomen werkzaamheden bij de gemeente. De melding gebeurt via een plan van aanpak. Voor complexe gevallen kan het bevoegde gezag aanvullende eisen stellen. De gemeente heeft 5 weken om de melding te toetsen en geeft schriftelijke goedkeuring. Eisen aan uitvoering De sanering van nieuwe gevallen valt onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000.
Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente. De gemeente heeft 4 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. 8.2.2 Nieuwe gevallen buiten een inrichting Nieuwe bodemverontreiniging buiten inrichtingen, niet zijnde calamiteiten, komen minder vaak voor dan binnen inrichtingen. Voorbeelden van dergelijke gevallen zijn: • Verontreiniging van wegbermen na 1 januari 1987; • Verontreiniging van de bodem als gevolg van de aanleg van een werk in het kader van het Besluit bodemkwaliteit (door onverwacht hoge uitloging of vermenging met de bodem). In tegenstelling tot situaties binnen inrichtingen is een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer niet van toepassing. Hierdoor blijven de gevallen vaak onopgemerkt tot het moment dat er bodemonderzoek in een ander kader plaatsvindt of er een vermoeden bestaat dat er iets aan de hand is. Er is ook niet altijd een duidelijke veroorzaker aan te wijzen. Wanneer de veroorzaker niet bekend is dient de eigenaar van de grond/perceel (indien er risico’s zijn zoals gevaar voor de volksgezondheid of verspreiding) saneringswerkzaamheden uit te laten voeren.
De gemeente is het bevoegd gezag conform artikel 13 (zorgplicht) Wet bodembescherming zodat een plan van aanpak bij de gemeente ter beoordeling moet worden aangeboden. 8.2.3 Calamiteiten – ongewone voorvallen - zorgplicht Wanneer door een ongeval of een ander ongewoon voorval de bodem verontreinigd raakt of dreigt te raken, dient de veroorzaker onverwijld maatregelen te nemen om (verspreiding van) de verontreiniging te voorkomen. Als de bodem al verontreinigd is geraakt, moet de veroorzaker deze
42
zo snel mogelijk ongedaan maken. Dit is vastgelegd in artikel 13 van de Wet bodembescherming, het zorgplichtbeginsel. Direct (onverwijld) handelen is nodig als: • de verontreiniging zich snel verspreidt; • de verontreiniging kort geleden is ontstaan. Indien er al drie werkdagen na ontstaan voorbij zijn gegaan is er geen sprake meer van ‘onverwijld’ en kan er zonder onderzoek niet meer worden ingegrepen; • de verontreiniging eenvoudig is op te ruimen door ontgraving. In principe moet de veroorzaker in de gelegenheid worden gesteld om de benodigde acties te ondernemen. Als de geboden spoed zich hiertegen verzet, kan het bevoegde gezag de acties (laten) uitvoeren en deze in rekening brengen bij de veroorzaker. Er is dan sprake van ‘rauwelijke’ (spoedeisende) bestuursdwang, zoals vastgelegd in artikel 5.24 van de Awb ('geen termijn als de geboden spoed dit eist'). De veroorzaker moet wel zo spoedig mogelijk schriftelijk aansprakelijk worden gesteld. Eisen aan bodemonderzoek Indien direct handelen vereist is, is het zaak dat de verontreiniging direct wordt ontgraven. Voorafgaand bodemonderzoek kan dan achterwege worden gelaten. De ontgravingsgrenzen worden tijdens de sanering vastgesteld. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, is het beter om eerst een bodemonderzoek uit te voeren.
Eisen aan melding De veroorzaker moet de calamiteit melden aan de gemeente of via de Milieuklachtenlijn. De gemeente bepaalt of zij zelf bevoegd gezag is of de provincie. In het laatste geval geeft de gemeente de melding door aan de desbetreffende omgevingsdienst die voor verdere afhandeling zorgt. Indien sprake is van een situatie waar direct handelen niet nodig is, moet de veroorzaker een schriftelijke melding doen. Eisen aan uitvoering sanering Het saneren van bodemverontreiniging als gevolg van calamiteiten valt onder de Kwaliboregelgeving. Dat betekent dat de aannemer en de milieukundige begeleiding gecertificeerd en erkend moeten zijn voor de BRL-7000 respectievelijk BRL-6000. Uitzondering vormen situaties waarin direct handelen is vereist. In dat geval hoeft de aannemer niet gecertificeerd te zijn voor de BRL-7000. Indien geen bodemonderzoek is uitgevoerd, bepaalt de milieukundig begeleider in het veld de ontgravingsgrenzen van de sanering. Als terugsaneerwaarde dient minimaal de waarde uit de functieklassenkaart te worden aangehouden met als uitgangspunt de Achtergrondwaarde (AW2000). Een nieuw geval dient geheel (indien technisch mogelijk) te worden verwijderd. Eisen aan evaluatieverslag Binnen 6 weken na afronding van de sanering overhandigt de initiatiefnemer een evaluatieverslag aan de gemeente.
De gemeente heeft 4 weken om het evaluatieverslag te beoordelen en geeft schriftelijke goedkeuring. 8.2.4 Zeer Zorgwekkende Stoffen Recent zijn meerdere nieuwe bodembedreigende stoffen ontdekt. Deze stoffen worden samengevat onder de groep Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Onderdeel van deze stofgroep zijn de Per- en PolyFluorAlkyl Stoffen, beter bekend onder de afkortingen PFAS, PFOA en PFOS.
43
Op dit moment (maart 2019) is onvoldoende bekend over de risico-grenswaarden, interventiewaarden en verspreidingsmodellen binnen de regio Noord-Oost Brabant. Niet genormeerde stoffen waarbij de hoeveelheid van 25 m³ wordt overschreden vallen onder het saneringscriterium van de Wbb en moeten dus gesaneerd worden. Bij partijkeuringen met niet genormeerde stoffen geldt de detectiegrens. Bij het aantreffen van deze stoffen is het beleid dat de partij niet mag worden toegepast. Er dient ernstig rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van deze Zeer Zorgwekkende Stoffen waarbij de Per- en PolyFluorAlkyl Stoffen mogelijk niet de enige stofgroep binnen de ZZS is. Voor het bepalen of een stof aanwezig kan zijn op een onderzoekslocatie is de NEN 5725 onverkort van toepassing. Nieuwe ontwikkelingen met betrekking tot de aanpak van ZZS worden gepubliceerd op de website van de ODBN via bodemloket.odbn.nl 8.3 Saneren van asbest (nesten) in de grond Asbest in grond Als uit nader asbestonderzoek blijkt dat er sprake is van grond waarin de interventiewaarde van 100 mg/kg (gewogen) asbest wordt overschreden, spreken we van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze gevallen worden behandeld overeenkomstig het gestelde in de paragraaf 7.5.2 (saneren van asbestverontreinigingen in de bodem).
Asbestwegen Wegen die voor 1 juli 1993 zijn aangebracht en waarvan het asbest is afgeschermd door een verharding die geen asbest bevat, vallen niet onder de meldplicht. Inspectie Leefomgeving en Transport (IL&T) is namens het ministerie het bevoegd gezag voor het Besluit asbestwegen milieubeheer. Meer informatie is opgenomen onder 7.5.3 van deze Nota. Overige situaties Overige situaties zijn bijvoorbeeld (sloot)dempingen met asbest. Deze situaties vallen onder het Productenbesluit asbest. Hierin staat het verbod om asbest of asbesthoudende producten te
44
vervaardigen, in Nederland in te voeren, voorhanden te hebben, aan een ander ter beschikking te stellen, toe te passen of te bewerken. Ook hier geldt dat sprake is van een asbesthoudend product als de concentratie gewogen asbest groter is dan 100 mg/kg. Het bevoegd gezag berust bij: • Binnen inrichtingen: de overheidsinstantie die de Wabo-vergunning heeft verleend. • Buiten inrichtingen: de gemeente.
45
Bevoegde gezagen In de volgende tabel is een samenvattend overzicht gegeven van de bevoegde gezagen en de meldingsplicht bij de gemeente. Tabel 6.1: bevoegd gezag bij asbestsaneringen grond Situatie Erfverharding/asbestwegen Asbest in bodem >I -Oude geval -Nieuw geval Overige situaties - Binnen inrichtingen - buiten inrichtingen
Bevoegd gezag IL&T
Meldingsplicht gemeente Nee
Provincie (ODZOB) en gemeente ‘s-Hertogenbosch gemeenten
Nee Ja Ja
Vergunningverlenende overheid Provincie (ODZOB)
Nee Nee
9. GEGEVENSBEHEER De gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Landerd, Meierijstad, Mill & Sint Hubert, Sint Anthonis, Sint- Michielsgestel en Uden hebben hun bodeminformatie samengebracht in één BodemInformatieSysteem (BIS). De bodeminformatie is digitaal beschikbaar voor adviesbureaus, makelaars en andere geïnteresseerden via bodemloket@odbn.nl (Omgevingsrapportage) De gemeenten Oss, ’s-Hertogenbosch en Vught hebben hun bodeminformatie beschikbaar via: Oss: Baliebml@oss.nl ’s-Hertogenbosch: bodem@s-hertogenbosch.nl Vught: gemeente@vught.nl
46
BIJLAGE 1: BODEMKWALITEITSKAART APARTE BIJLAGE:BODEMKWALITEITSKAART REGIO NORDOOST BRABANT (LIEVENSE , KENMERK 16M1041.RAP001, D.D. 28 FEBRUARI 2019)
47
BIJLAGE 2: FORMULIER ‘HISTORISCHE TOETS VRIJSTELLING BODEMONDERZOEK’ Formulier 'Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek' GEGEVENS BOUWLOCATIE Adres plaats Kadastrale gegevens
Kwaliteitsklasse volgens bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) Wat is het huidig gebruik van de locatie? Wat is het voormalig gebruik van de locatie? Wat is het toekomstig gebruik van de locatie? Is op de locatie sprake van een geval van bodemverontreiniging waarvoor de provincie het bevoegd gezag is? Is er op de locatie een bedrijf gevestigd (geweest)?
Is/zijn er op de locatie gedempte sloten aanwezig?
Zijn er op de locatie opslagtanks en/of leidingen voor vloeibare brandstof aanwezig (geweest)? Hebben er calamiteiten, morsingen of lekkages van vloeistoffen plaats gevonden?
Zijn er opstallen met asbesthoudend materiaal aanwezig of gesloopt of is er in het verleden asbesthoudend materiaal aanwezig geweest? Is op de locatie bodemonderzoek verricht?
48
gemeente: nummer: sectie: Achtergrondwaarde (AW2000) wonen industrie
geen Wbb locatie (of niet-ernstig) Wbb locatie (ernstig), Wbb-code: NB onbekend nee ja, namelijk onbekend nee ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, zo ja, dan bodemonderzoek bijvoegen onbekend
Formulier 'Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek' GEGEVENS BOUWLOCATIE (vervolg) Is er asbestverdacht materiaal waarneembaar op het maaiveld? Vinden er op naastgelegen percelen activiteiten plaats (of hebben plaatsgevonden) die tot bodemverontreiniging op de herkomstlocatie kunnen leiden? Is er andere informatie beschikbaar met betrekking tot mogelijke bodemverontreiniging?
nee ja, namelijk nee ja, namelijk onbekend nee ja, namelijk
Eventuele opmerking(en) ……………………………………………………………………………………………………………..…… ……………………………………………………………………………………………………………..…… ………………………………………………………………………………………………………………..… ………………………………………………………………………………………………………………..… ……………………………………………………………………………………………………………….…
Ondertekening initiatiefnemer Naam: …………………………………………………………………………………………………………..…………………………………………………………………. Plaats: …………………………………………………………………………………………………………..…………………………………………………………………. Datum: …………………………………………………………
49
Handtekening: ……………..………………………………………………………………….
BIJLAGE 2A: FORMULIER ‘HISTORISCHE TOETS VRIJSTELLING BODEMONDERZOEK ‘SHERTOGENBOSCH’ Formulier 'Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek' 1.0 Gegevens aanvrager Naam Adres Plaats Telefoonnummer Kadastrale gegevens
1.2 Algemene gegevens bouwlocatie Te realiseren bouwwerk Adres Postcode Plaats 1.3 Grootte locatie Oppervlakte huidig bebouwd gedeelte Oppervlakte nieuw te bebouwen gedeelte 2.0 Gegevens over het gebruik van de locatie 2.1 Wat is (was)het gebruik van het terrein? Woningbouw
Bedrijfsterrein
Recreatie
natuurgebied
agrarisch
Evt toelichting 2.2 is er sprake van een (voormalig) bedrijfsterrein? 2.3 Wat is (was) de aard van het bedrijf? 2.4 Is bekend met welke stof er is gewerkt? Indien ja met welke stoffen? 2.5 Zijn er op het te onderzoeken terrein plaatsen bekend waar de bodem mogelijkerwijs verontreinigd is?
50
gemeente: nummer: sectie:
m2 m2
voormalig huidig toekomstig voormalig huidig toekomstig voormalig huidig toekomstig voormalig huidig toekomstig voormalig huidig toekomstig voormalig huidig toekomstig nee, door naar vraag 2.5 ja nee ja nee ja, geef de locatie aan op een situatietekening. misschien, geef de locatie aan op een
situatietekening. onbekend Zo ja, welke stoffen zijn hierbij betrokken? 3.0 Van elders aangevoerde grond of ander materiaal Kwaliteitsklasse volgens bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart) 3.1 Is grond of ander materiaal (zoals puin, slib, e.d.) in of op de bodem van het terrein aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van ophoging (sloot)dempingen of terreinverharding? 3.2 zijn er aanwijzingen dat het mogelijk verontreinigt materiaal betreft? 4.0 Brandstof- en septic tanks 4.1 Is en Tank/leidingen in of op de bodem aanwezig?
4.2 is de tank in gebruik?
Zo nee is de tank schoongemaakt Schoongemaakt door: d.d: Certificaat bijvoegen 4.3 is de bodem ter plaatsen van tank gecontroleerd op eventuele verontreiniging? 4.4 is een tank in of op de bodem aanwezig geweest? 4.5 Hoe is de tank verwijderd? Verwijderd door: d.d: Voeg het certificaat bij. 4.6 Is de bodem te plaatse van de tank gecontroleerd op eventuele verontreinigingen? 5.0 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek 5.1 Is er op het terrein een bodemonderzoek uitgevoerd? 6.0 Gegeven over de omgeving van de locatie 6.1 Waaruit bestaat de directe omgeving van het terrein Woningbouw bedrijfsterrein Recreatie Natuurgebied Agrarisch 6.2 zijn er aanwijzingen dat aangrenzende terreinen mogelijk verontreinigd zijn? Zo ja, door wat voor bedrijf of activiteit?
51
Achtergrondwaarde (AW2000) wonen industrie nee, ga door naar vraag 4.1 ja, geef de locatie aan op een situatietekening onbekend
nee, door naar de vraag 4.4 ja, wat voor tank en geef de ligging van de tank aan op de een situatietekening. nee ja ga door naar vraag nee ja
nee ja, gegevens bijvoegen. nee, ga door naar vraag 5.1 ja, geef
nee ja, door wie
gegevens bijvoegen
nee ja, gegevens bijvoegen.
voormalig huidig voormalig huidig voormalig huidig voormalig huidig voormalig huidig nee, ga door naar vraag 7.1 ja,
6.3 Welke stoffen kunnen worden verwacht? 7.0 Overige gegevens 7.1 Hebben er calamiteiten, morsingen of lekkages van vloeistoffen plaats gevonden? 7.2 Zijn er opstallen met asbesthoudend materiaal aanwezig of gesloopt of is er in het verleden asbesthoudend materiaal aanwezig geweest? 7.3 Is er behalve de bovenstaande informatie nog informatie bekend die van belang is voor de bodemgesteldheid van het te onderzoeken terrein? 8.0 Geraadpleegde informatiebronnen 8.1 voor het beantwoorden van de bovenstaande vragen is gebruikt gemaakt van:
’s-Hertogenbosch d.d Handtekening
52
nee ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, zo welke
bij aanvrager zelf bekende informatie gemeentelijk dossier bouwvergunning gemeentelijk dossier milieuvergunning gemeentelijk inzake olietanks
In te vullen door gemeente (afdeling bouwen) Contactpersoon Afdeling Bouwen: ...........................…………………………………………… Locatie (straatnaam) : .......................................…………………………………… Gaarne reactie voor d.d. : .......................................……………………………………
--------------------------------------------------------------------------------
In te vullen door gemeente (afdeling milieu) 1. Beoordeling aangeleverde historische informatie Is de door de aanvrager aangeleverde informatie, voor zover bekend volledig en juist? ja / neen Zo neen, wat ontbreekt er? ...............................................................……………………………………………………. ...............................................................……………………………………………………. 2. Geraadpleegde informatiebronnen De volgende informatiebronnen zijn door de gemeente geraadpleegd: O gemeentelijk dossier bouwvergunningen O gemeentelijk dossier milieuvergunningen O gemeentelijk dossier inzake olietanks O ...............................................................
3. Conclusie historisch onderzoek Op basis van het historisch onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: O de locatie is verdacht, er dient een verkennend veldonderzoek uitgevoerd te worden. O de locatie is onverdacht, bouwvergunning kan (wat bodem betreft) verleend worden.
's-Hertogenbosch, ….................… .....................…………….. (datum) (naam contactpersoon)
53
BIJLAGE 3: ‘TOETS VRIJ GRONDVERZET’
Formulier Toets t.b.v. vrij grondverzet GEGEVENS HERKOMSTLOCATIE Adres (straatnaam) Plaats Kadastrale gegevens
TOEPASSINGSLOCATIE Is de bodemkwaliteitskaart nog geldig? (vermeld kenmerk bodemkwaliteitskaart) Is de ontgraving gelegen in het beheersgebied van de bodemkwaliteitskaart (horizontaal en verticaal)? In welke kwaliteitszone volgens de bodemkwaliteitskaart is de toepassing gelegen? Bevat de vrijkomende grond bodemvreemde bijmengingen meer dan 5% anders dan plastics en organisch materiaal*?
een partij grond mag ten hoogste ‘nihil’ aan plastic bevatten.
een partij mag maximaal 20% organisch materiaal bevatten.
gemeente: nummer: sectie: Nee, dan geen vrij grondverzet Ja Ja Nee, bodemkwaliteitskaart niet van toepassing Achtergrondwaarde (AW2000) wonen industrie ja, toepassen van deze partij is niet toegestaan. nee
Welke bodemkwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden (klei, zand, veen)
Achtergrondwaarde (AW2000) wonen industrie Grondsoort per laag:
HERKOMSTLOCATIE Is op de locatie sprake van een geval van bodemverontreiniging waarvoor de provincie of de gemeente ’s-Hertogenbosch het bevoegd gezag is? Is er op de locatie een bedrijf gevestigd (geweest)?
Is/zijn er op de locatie gedempte sloten aanwezig?
Zijn er op de locatie opslagtanks en/of leidingen voor vloeibare brandstof aanwezig (geweest)?
54
geen Wbb locatie (of niet-ernstig) Wbb locatie (ernstig), Wbb-code: NB onbekend nee ja, namelijk onbekend nee ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, dan locatie aangeven op tekening
Hebben er calamiteiten, morsingen of lekkages van vloeistoffen plaats gevonden? Is de locatie in het verleden opgehoogd?
Zijn er opstallen met asbesthoudend materiaal aanwezig of gesloopt of is er in het verleden asbesthoudend materiaal aanwezig geweest? Is er asbestverdacht materiaal aanwezig op het maaiveld (herkomstlocatie) Is op de locatie bodemonderzoek (conform de NEN 5740, ONV-GR-NL)verricht en/of is dit onderzoek recenter dan 5 jaar? Is er op de locatie sprake van een verhardingslaag?
onbekend nee ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, met zo ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend nee ja, dan locatie aangeven op tekening onbekend Nee, dan geen vrij grondverzet Ja nee ja, bodemkwaliteitskaart niet te gebruiken onbekend nee ja, namelijk Tegels/klinkers/beton; Asfalt; Puin/slakken; Anders………..
55
Formulier Toets t.b.v. vrij grondverzet HERKOMSTLOCATIE (vervolg) Is op de locatie een verharding aanwezig?
Is er asbestverdacht materiaal waarneembaar op het maaiveld? Vinden er op naastgelegen percelen activiteiten plaats (of hebben plaatsgevonden) die tot bodemverontreiniging op de herkomstlocatie kunnen leiden?
nee ja, namelijk tegels/klinkers beton asfalt puin/slakken anders, namelijk nee ja, namelijk onbekend nee ja, namelijk onbekend
Eventuele opmerking(en) ……………………………………………………………………………………………………………..…… ……………………………………………………………………………………………………………..…… ………………………………………………………………………………………………………………..… ………………………………………………………………………………………………………………..… ……………………………………………………………………………………………………………….…
Ondertekening initiatiefnemer Naam: …………………………………………………………………………………………………………..……… ………………………………………… Datum:
Handtekening:
………………………………………………………… ……………..………………………………………………………
56
Bijlage 4: stappenschema grondverzet
Bodemonderzoek op locatie uitgevoerd
nee
ja
Toepasbare grond
nee
Maatwerk via BUSmelding of Wbbsanering
nee
Tijdelijke uitname geen melding noodzakelijk
ja
Vrijkomende grond wordt afgevoerd:
ja
Generiek beleid
Gebiedspecifiek conform lokaal beleid
nee
Is de grond toepasbaar (AW2000/wonen/ industrie )
Vul toets herkomst formulier in (bijlage 3)
Grond is niet toepasbaar afvoeren naar een erkend verwerker
ja
ja
Valt de herkomstlocatie in een witte vlek/ verdacht locatie
nee
Melden 5 werkdagen voorafgaand aan het toepassen via www.meldpuntbodemkwaliteit.nl
57