Nieuwe Veldenweg 17 - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Het bodemaspect vormt geen belemmering voor het voorgenomen bestemmingswijziging. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar bijlage III.
4.6
(Ondergrondse) infrastructuur Voor zover op basis van het bestemmingsplan en de risicokaart (paragraaf 4.11) bekend, zijn er in het plangebied geen kabels of leidingen aanwezig die een mogelijke belemmering vormen voor het initiatief. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling bieden kabels en leidingen geen bezwaren voor de ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met 26
overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval zijn in de directe omgeving van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. In onderstaande tabel is aangegeven welke richtafstand per bedrijf dient te worden aangehouden conform de VNG-publicatie. Adres
Soort bedrijf
Milieucategorie
Minimumafstand
Nieuwe Veldenweg 7 Nieuwe Veldenweg 12a Duifhuizerweg 1a Duifhuizerweg 3 Pater Visserslaan 9a
Kraanverhuurbedrijf Meubelmakerij Pluimveehouderij Varkenshouderij Tuinbouwbedrijf
3.1 3.2 4.1 4.1 2
50 meter 100 meter 200 meter 200 meter 30 meter
In dit geval is de planlocatie gelegen in een gemengd lint van (agrarische) bedrijvigheid en woonbestemmingen en is er geen sprake van een rustige woonwijk, maar kan worden gesproken van een gemengd gebied. De aan te houden afstanden conform de VNG-publicatie mogen daarom met 1 stap worden verkleind. De minimumafstanden in onderstaande tabel zijn in dit geval met 1 stap verkleind. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de woning aan Nieuwe Veldenweg 17 en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf is gelegen. Adres
Soort bedrijf
Nieuwe Veldenweg 7 Nieuwe Veldenweg 12a Duifhuizerweg 1a Duifhuizerweg 3 Pater Visserslaan 9a
Kraanverhuurbedrijf Meubelmakerij Pluimveehouderij Varkenshouderij Tuinbouwbedrijf
Minimumafstand 30 meter 50 meter 100 meter 100 meter 10 meter
Werkelijke afstand 20 meter 290 meter 185 meter 300 meter 230 meter
Voldaan Nee Ja Ja Ja Ja
Uit bovenstaande tabel blijkt dat er formeel niet kan worden voldaan aan de afstand tot het kraanverhuurbedrijf aan de Nieuwe Veldenweg 7. Deze minimale afstand van 30 meter heeft betrekking op het aspect geluid. Ten aanzien van de aspecten geur, stof en gevaar dient een afstand van 0 meter te worden aangehouden. Ten aanzien van deze aspecten kan wel aan de afstand tot de Nieuwe Veldenweg 7 worden voldaan. Het bouwen van een bijgebouw betreft niet het toevoegen van een gevoelig object. Voor de bestaande woning is reeds bepaald dat er sprake is van een acceptabele situatie waardoor het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ dan ook geen belemmering vormt voor voorgestane ontwikkeling.
4.8
Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies.
27
Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten. Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State[1] heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebouwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. In de zin van de wet geurhinder en veehouderij wordt er met onderhavige ontwikkeling geen nieuw geurgevoelig object opgericht. Voor de bestaande burgerwoning is reeds bepaald dat ter plaatse van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ met betrekking tot het aspect geur sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Deze woning vormt dan ook geen belemmering voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden voor omliggende veehouderijen. Het aspect geur vormt dus geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.9
Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, aangetoond dient te worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect akoestiek. Wanneer dat aan de hand is dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. Dit geldt voor alle straten en wegen, met een uitzondering van: − −
Wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; Wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
In dit geval wordt er met onderhavige ontwikkeling geen nieuw geluidsgevoelig object opgericht. Voor de bestaande burgerwoning is reeds bepaald dat er ter plaatse sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast zorgt de ontwikkeling er niet voor dat de geluidsbelasting op andere omliggende woningen toeneemt. Een nader akoestisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
4.10
Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a) er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
28
b) een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c) een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d) een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de Regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (het 3% criterium: de realisatie van < 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg). Daarom kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate van invloed is op de kwaliteit van de lucht. Om te bepalen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat is de achtergrondwaarde voor fijnstof en stikstofdepositie bepaald met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). In tabel 1 zijn de achtergrondwaarden en de normen weergegeven. Tabel 1: Achtergrondwaarden en normen op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland ter plaatse van het plangebied.
Totale concentratie Totale concentratie Totale concentratie (µg/m³) NO2 (µg/m³) PM10 (µg/m³) PM2,5 2019 20.20 20.26 13.07 2025 16.44 18.35 11.21 Norm 40 40 25 Uit tabel 1 blijkt dat nu en in de toekomst de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) ruim beneden de norm liggen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied nu en in de nabije toekomst aanvaardbaar is. Conclusie De ontwikkeling is niet in betekenende mate van invloed op de kwaliteit van de lucht. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland tonen daarnaast aan dat de achtergrondwaarden nu en in de toekomst ruim beneden de norm blijven. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied aanvaardbaar is.
4.11
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) 29
Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente).
Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedgebied ruimtelijk besluit wordt genomen. Altijd wanneer binnen invloedgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. 1
30
verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn.
nadat
de benodigde
Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook getoetst worden aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing
560 m. 25 m.
140 m.
570 m.1100 m.
840 m. Figuur 8. Uitsnede risicokaart. Plangebied rood omcirkeld.
Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart (zie figuur 8) blijkt dat het plangebied in geen enkele plaatsgebonden risicocontour is gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op 560 meter ten noordwesten van het plangebied aan de Derptweg 34 en betreft een bovengrondse propaantank van 18 m3. Deze bovengrondse tank heeft een plaatsgebonden risicocontour van 45 meter en ligt daarmee ver genoeg van het plangebied af. Deze propaantank betreft een Bevi-inrichting, waardoor tevens aan de risicocontour van het groepsrisico dient te worden getoetst. Gezien de oprichting van een bijgebouw niet zorgt voor een grotere personendichtheid binnen het perceel, neemt het groepsrisico niet toe en vormt deze risicovolle inrichting geen belemmering voor de ontwikkeling. Op 570 meter afstand bevinden zich aan Pater Visserslaan 12 twee propaantanks van 8 m3. Deze propaantanks betreffen geen Bevi-inrichtingen, waardoor enkel aan het plaatsgebonden risico dient te worden getoetst. Volgens de afstandentabel propaanreservoirs van het RIVM bedraagt de plaatsgebonden risicocontour 12 meter, waar de planlocatie dus buiten is gelegen. Genoemde nabijgelegen risicovolle inrichtingen vormen dus geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
31
Risicovol transport Ten noordwesten van de planlocatie is op een afstand van 140 meter de A50 gelegen. Over de A50 (afslag afrit 13 Volkel - afrit 12 Veghel-Noord) vindt transport plaats van gevaarlijke stoffen (GF3, LT1 en LT21). Het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. LT1 heeft een invloedsgebied van 730 meter en LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter. Derhalve is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied (BLEVE en toxische wolk) van deze weg. Dit wegtraject is in de regeling basisnet niet aangemerkt als plasbrandaandachtsgebied. Omdat het plangebied binnen 200 meter van de transportroute ligt, is in principe volgens art. 8 Bevt een volledige verantwoording noodzakelijk. Uit de vuistregels van het Hart blijkt dat in dit geval het groepsrisico niet overschreden wordt waardoor een beperkte verantwoording voldoende is. Kijkend naar de vuistregels moet zowel aan de oriëntatiewaarde als aan de 10% van de oriëntatiewaarde getoetst worden. Voor beide geldt vuistregel 1: Op het moment dat de tankwagens geen stoffen uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 bevatten, dient er geen berekening gemaakt te worden. In deze zaak is dit niet het geval waardoor een berekening achterwege kan blijven. Vuistregel 2 richt zich op de drempelwaarde GF3 vervoer voor overschrijding van de oriëntatiewaarde of de 10% van de oriëntatiewaarde.
Aan de hand van tabel 1-4 in bijlage 1 van het HART4 kan dit gecontroleerd worden. Op basis van een dichtheid van 10 ha en een afstand van 125 meter afstand van de as van de weg is er geen overschrijding van de oriëntatiewaarde. Op basis van deze resultaten is een beperkte verantwoording van het groepsrisico conform art. 8 lid 2 Bevt voldoende. Beperkte verantwoording Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in de verantwoording. Scenario(‘s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan.
Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen
32
slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen nietof verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: - goed te alarmeren is; - goed te schuilen is; - goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen. Buisleidingen In de directe omgeving zijn geen buisleidingen gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
33
Conclusie Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen, risicovol transport en buisleidingen in de omgeving van het plangebied zijn gelegen welke voor hinder zouden kunnen zorgen voor de ontwikkeling. In het kader van de externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.
4.12
Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de vergroting van een reeds bestaand woonperceel en de toevoeging van een bijgebouw en is er in huidige en toekomstige situatie sprake van een gevoelig object met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woonen leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de uiteindelijke afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico.
4.13
Hoogspanningslijnen Conform de netkaart hoogspanningslijnen van het RIVM is de dichtstbijzijnde hoogspanningslijn op een afstand van circa 4 kilometer van het plangebied gelegen. Gelet op de afstand tussen het plangebied en deze lijn vormt dit aspect geen belemmering.
4.14
Spuitzones gewasbescherming Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Derhalve dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift een afstand van 50 meter aangehouden. Per 1 september 2017 is in het activiteitenbesluit milieubeheer (wettelijk bepaald) besloten dat driftreducerende maatregelen genomen moeten worden bij gebruik van bestrijdingsmiddelen. Deze maatregelen zijn noodzakelijk wanneer gronden grenzen aan openbare wegen of gevoelige functies (zoals woningen). Het perceel aan de overkant van de weg (< 50 meter) heeft een agrarische bestemming en is in gebruik als weide. Boomteelt wordt niet toegepast binnen een straal van 50 meter rondom de woning, waardoor de kans op drift zeer klein is.
Daarnaast is tussen het perceel en de woning een (openbare) weg gelegen, waardoor de gebruiker van de gronden reeds rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
34
Tot slot is reeds sprake van een bestaande woning, waardoor de gebruiker van de omliggende gronden rekening dient te houden met het gebruik van bestrijdingsmiddelen en aan de andere kant de woning niet zorgt voor een nieuwe belemmering ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de gronden in relatie tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, wordt de kans zeer klein geacht dat er drift in de tuin of de woning terecht komt. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied kan gesteld worden dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat met betrekking tot eventuele drift dat vrijkomt bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving (activiteitenbesluit) zorgt in principe voor voldoende bescherming. Daardoor kan gesteld worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het aspect bestrijdingsmiddelen geen belemmering vormt voor het plan.
4.15
Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.
4.15.1
Mobiliteit Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt en neemt het aantal woningen tevens niet toe. In de beoogde situatie zullen de verkeersbewegingen dan ook niet toenemen. De functies blijven ongewijzigd. De locatie is ontsloten via de Udenseweg welke de verkeersbewegingen van en naar het plangebied in de huidige situatie zonder problemen kan verwerken. Hierdoor zijn ook in de toekomst geen belemmeringen te verwachten.
4.15.2
Parkeren In de ‘Nota parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn parkeernormen opgenomen welke betrekking hebben op het aantal benodigde parkeerplaatsen per functie. Parkeren dient hierbij te geschieden op eigen terrein. In de huidige situatie wordt er geen overlast ervaren met betrekking tot parkeren. In de beoogde situatie blijven de huidige parkeerplaatsen behouden en worden 4 extra parkeerplaatsen voor bedrijfsauto’s op het eigen terrein gerealiseerd. Er kan dus worden voorzien in de parkeerbehoefte, waardoor het aspect ‘parkeren’ geen problemen oplevert voor onderhavig plan.
35
HOOFDSTUK
5 Juridische planopzet
De gewenste ontwikkeling van de uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Wonen’, het vergunnen van het bedrijf aan huis en de realisatie een bijgebouw van 120 m2 ter plaatse van de Nieuwe Veldenweg 17 te Mariaheide is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (vastgesteld 22 oktober 2015). Voor het uitbreiden van het bestemmingsvlak is een buitenplanse procedure nodig om het bestemmingsplan te herzien. Binnen de bestemming ‘Wonen’, is het uitbreiden van de oppervlakte van de bijgebouwen tot de gewenste oppervlakte niet direct toegestaan. Bij de herziening van het bestemmingsplan kan het college van B & W het bestemmingsvlak ‘Wonen’ vergroten, de bouwmogelijkheden van de bijgebouwen verruimen en het bedrijf aan huis vergunnen.
36
HOOFDSTUK
6 Economische uitvoerbaarheid
De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een omgevingsvergunning een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.
37
HOOFDSTUK
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Nieuwe Veldenweg 17 Mariaheide‘ is onderdeel van een veegplan welke ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter visie wordt gelegd, waarbij gelegenheid wordt geboden tot het indienen van zienswijzen.
38
HOOFDSTUK
8 Conclusie
De gewenste ontwikkeling van de realisatie van een burgerwoning ter plaatse van de Nieuwe Veldenweg 17 te Mariaheide is strijdig met het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Binnen de bestemming ‘Wonen’, is het uitbreiden van de bijgebouwen tot een oppervlakte van 239 m2 niet rechtstreeks toegestaan. Daarnaast heeft de initiatiefnemer het voornemen om het bestemmingsvlak ‘Wonen’ te vergroten en het bedrijf aan huis te vergunnen. Het college van B & W kan door middel van de herziening van het bestemmingsplan beoogde ontwikkeling toestaan. Hiervoor dient te worden afgeweken van het bestemmingsplan en dient er in het nieuwe bestemmingsplan een maatvoering ‘maximaal bebouwd oppervlakte bijgebouwen’ opgenomen te worden. Tegen de voorgenomen ontwikkeling bestaan uit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren. Ter plaatse van het plangebied is de woning reeds aanwezig en de toevoeging van het bijgebouw past ruimtelijk-functioneel bij de aanwezige bebouwing in de omgeving. Daarnaast bestaan er, buiten de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan, gezien de aard en schaal van het initiatief, vanuit het geldend beleid geen belemmeringen. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten en de benodigde voorzieningen, als riolering en overige kabels en leidingen zijn reeds in het besluitgebied aanwezig.
Bovendien zal, gezien de bestaande situatie, geen schade worden toegebracht aan natuur- of landschapselementen en -structuren. Op basis van het voorgaande wordt dan ook geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar en haalbaar is.
39