CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Nieuwe Veldenweg 17 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'12.523 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing ‘Nieuwe Veldenweg 17 Mariaheide’ Gemeente Meierijstad

1

Colofon Ruimtelijke onderbouwing: Nieuwe Veldenweg 17 te Mariaheide Rapportnummer: 2018.0291 Status: Concept Datum: 15 oktober 2021 Projectlocatie Nieuwe Veldenweg 17 5464 RC Mariaheide Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Ing. A.F.J.A. van Dooren Senior Adviseur 06 – 181 917 81 arjan@reland.nl

© oktober 2021 Reland

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd gegevensbestand worden opgeslagen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.

2

Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 5

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied .............................................................................. 5

1.3

Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 7

HOOFDSTUK 2 Planbeschrijving ............................................................................................................ 8 2.1

Huidige situatie ....................................................................................................................... 8

2.2

Voorgenomen ontwikkeling .................................................................................................... 9

HOOFDSTUK 3 Beleidstoets ................................................................................................................ 11 3.1

Rijksbeleid ............................................................................................................................ 11

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................ 11

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................... 11

3.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling ................................................................................. 12

3.2

Provinciaal beleid.................................................................................................................. 12

3.2.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant .................................................... 12

3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................................................................ 14

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 17

3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030 ........................................................................................... 17

3.3.2

Afwegingsschema Meierijstad ...................................................................................... 18

3.3.3

Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) ................................................................. 20

3.3.4

Omgevingsdialoog ............................................................................................................ 21

HOOFDSTUK 4 Milieuhygiënische en planologische

verantwoording ................. 22

4.1

M.e.r-plicht ............................................................................................................................ 22

4.2

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 22

4.3

Flora en Fauna ..................................................................................................................... 23

4.3.1

Gebiedsbescherming .................................................................................................... 23

4.3.2

Soortenbescherming..................................................................................................... 24

4.4 4.4.1

Waterparagraaf ..................................................................................................................... 24 Beleidskader ..................................................................................................................... 24

4.5

Bodem .................................................................................................................................. 26

4.6

(Ondergrondse) infrastructuur .............................................................................................. 26

4.7

Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................. 26

4.8

Geurhinder ............................................................................................................................ 27

4.9

Akoestiek .............................................................................................................................. 28

4.10

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 28

4.11

Externe veiligheid ................................................................................................................. 29 3

4.12

Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen ....................................................................... 34

4.13

Hoogspanningslijnen ............................................................................................................ 34

4.14

Spuitzones gewasbescherming ............................................................................................ 34

4.15

Verkeer en parkeren ............................................................................................................. 35

4.15.1

Mobiliteit ........................................................................................................................ 35

4.15.2

Parkeren ....................................................................................................................... 35

HOOFDSTUK 5 Juridische planopzet ................................................................................................... 36 HOOFDSTUK 6 Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 37 HOOFDSTUK 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 38 HOOFDSTUK 8 Conclusie .................................................................................................................... 39

BIJLAGEN Bijlage I

- Landschappelijke inpassing

Bijlage II

- Omgevingsdialoog

Bijlage III

- Watertoets

Bijlage IV

- Bodemonderzoek

4

HOOFDSTUK 1.1

1 Inleiding

Aanleiding De initiatiefnemers zijn woonachtig op de locatie Nieuwe Veldenweg 17 te Mariaheide. De eigenaar exploiteert vanuit zijn woning een klein elektrotechnisch bedrijf. Het bedrijfje heeft haar thuisbasis in het bijgebouw van de huidige woning. Gezien het gebrek aan ruimte wordt het tegenovergelegen perceel, welke tevens in eigendom is van de initiatiefnemer, gebruikt ten behoeve van het stallen van privéspullen. Op 10 september 2018 en op 20 november 2018 heeft de gemeente Meierijstad controles uitgevoerd ter plaatse van de locatie Nieuwe Veldenweg 17 te Mariaheide en bijbehorende percelen. Destijds is geconstateerd dat een aantal zaken niet in overeenstemming zijn met het juridische kader (het bestemmingsplan). Het bouwwerk en de opslag van de privéspullen op het perceel aan de overkant van de weg zijn niet toegestaan binnen de daar geldende bestemming. Om zowel de privéspullen op een droge plek te kunnen opslaan en daarnaast voldoende ruimte te bieden voor de bedrijfsmatige activiteiten binnen het woonperceel is de wens van de initiatiefnemer om de bestaande bebouwing grotendeels te kunnen behouden en een nieuw bijgebouw op te richten. Hierdoor is er binnen het woonperceel voldoende ruimte voor zowel opslag als de bedrijfsactiviteiten. Echter is geconcludeerd dat het vigerende bestemmingsplan geen mogelijkheden biedt voor de gewenste situatie.

Daarom dient er een buitenplanse (bestemmingsplan)procedure te worden doorlopen. Om deze procedure te kunnen doorlopen is medewerking van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk. Middels het voorleggen van een principeverzoek aan het college van B&W is voorgenomen ontwikkeling beschreven en zijn er handvatten aangereikt waardoor afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Op 7 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten dat het plan ruimtelijk voorstelbaar is. Om te komen tot een ruimtelijk, maatschappelijk en financieel haalbaar plan dient er aan bepaalde randvoorwaarden te worden voldaan. In deze toelichting zullen deze aspecten verder toegelicht worden. De gemeente Meierijstad werkt met zogenaamde veegplannen. Deze ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van een veegplan. Onderhavig document betreft de ruimtelijke onderbouwing waarin de ontwikkeling wordt beschreven en onderbouwd.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Nieuwe Veldenweg 17 in Mariaheide, in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Veghel, sectie L, perceelnummers 3734, 3735, 4231 en 4356 en heeft een totale grootte van circa 4830 m2. De kavels waarop de woning en bijgebouwen staan hebben een gezamenlijk oppervlakte van 1.970 m². Het tegenoverliggend perceel heeft een oppervlakte van 2.560 m². Op de luchtfoto in figuur 1 is de kadastrale situatie weergegeven.

5

Figuur 1. Kadastrale situatie. Plangebied rood omkaderd.

Het plangebied is gelegen in het uiterste oosten van de gemeente Meierijstad, bijna op de grens met de gemeente Uden. De nieuwe Veldenweg is de oude verbindingsweg tussen Uden en Veghel en loopt min of meer evenwijdig aan de oude spoorlijn (Duits Lijntje). Door de komst van de Udenseweg en later de A50 is de verbindingsfunctie (tussen Uden en Veghel) verloren gegaan en betreft het een secundaire paralelweg naast de Udenseweg. Vanuit het verleden hebben er altijd redelijk veel functies aan deze weg gelegen. Eerst vanuit de ontginningen die ter plaatse zijn uitgevoerd en later ook als rustplek voor reizigers tussen Uden en Veghel (de Paardenbak). Nog steeds is goed waarneembaar dat het merendeel van deze omliggende functies is georiënteerd op de Nieuwe Veldenweg en niet op de Udenseweg. De aanwezige functies zijn zeer divers en betreffen onder andere een aantal agrarische bedrijven (varkens, melkvee en tuinbouw), een aantal woningen, een bed & breakfast, een meubelmakerij, een elektrobedrijf en een bouw-, kraanverhuur- en aannemersbedrijf met werkplaats. Een en ander afgewisseld met kleine agrarische percelen. De Nieuwe Veldenweg wordt doorsneden door het tracé van de oude spoorlijn (Duits Lijntje). Aan de Nieuwe Veldenweg is zelfs ook nog een oud spoorhuis aanwezig. De oude spoorlijn wordt begeleid door een houtwal.

Het is een zeer divers bebouwingslint met een aantal beeldbepalende functies. Met name het bouw-, kraanverhuur- en aannemersbedrijf drukt een grote stempel op de omgeving. Dit bedrijf heeft een oppervlakte van ruim 42.000 m² en loopt van de Pater Visserslaan achter de woningen van Nieuwe Veldenweg tot aan de gemeentelijke grens met Uden.

6

1.3

Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, welke op 22 oktober 2015 is vastgesteld, vigerend. Conform het bestemmingsplan rust er op het plangebied de enkelbestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Ook is er een maatvoering en een aantal gebiedsaanduidingen in het bestemmingsplan opgenomen: -

Maatvoering ‘maximaal aantal wooneenheden: 2’ Gebiedsaanduiding ‘dagrecreatie’ Gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’ Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar’

Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied'.

Om het planvoornemen mogelijk te maken dient de woonbestemming te worden uitgebreid en wordt het maximum toegestane oppervlakte aan bijgebouwen overschreden. Het vigerende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor de gewenste situatie. Om het planvoornemen mogelijk te maken dient een buitenplanse (bestemmingsplan) procedure te worden doorlopen.

7

HOOFDSTUK 2.1

2 Planbeschrijving

Huidige situatie Een van de initiatiefnemers is eigenaar van een elektrobedrijf (VDElektro) welke aan de Nieuwe Veldenweg 17 is gevestigd. Gestart vanuit huis in 2003 en langzaam gegroeid tot een kleinschalig bedrijf dat in het bijgebouw van de woning is gevestigd. Het kleinschalig bedrijf wordt dan ook als bedrijf aan huis uitgevoerd. In figuur 3 is de overzichtssituatie van het plangebied weergeven waarbij er een onderscheid is gemaakt van de volgende gebouwen: 1. Woning: 2. Overkapping terras: 3. Bijgebouw 3a. Aanbouw bijgebouw steen: 3b. Aanbouw bijgebouw hout: Totaal bebouwing: Totaal bijgebouwen:

167 m2 28 m2 78 m2 28 m2 47 m2 348 m2 181 m2

In figuur 3 wordt onderscheid gemaakt in de woning (geel), de bijgebouwen die behouden blijven (groen) en de het bijgebouw dat gesloopt zal worden (rood). Het bedrijf heeft, met de huidige bebouwing, zijn maximaal mogelijke omvang bereikt. Daarom gebruiken de initiatiefnemers, door het gebrek aan ruimte binnen het woonperceel, het tegenoverliggende perceel voor het stallen van enkele privéspullen.

Figuur 3. Overzicht huidige situatie.

8

2.2

Voorgenomen ontwikkeling Om te voorzien in de ruimtebehoefte zal het perceel (gem. Veghel, L, 4356) worden aangekocht, waardoor het woonperceel wordt vergroot. Door deze grotere omvang van het woonperceel, bestaat niet meer de behoefte om het tegenovergelegen perceel te gebruiken ten behoeve van privéopslag. Dit perceel zal dan ook in de oorspronkelijke staat worden teruggebracht en in gebruik genomen worden als agrarische grond (dierenweide). In de nieuwe situatie wordt de houten aanbouw gesloopt en wordt er achter het bestaande bijgebouw een nieuw bijgebouw gerealiseerd. Het huidige bijgebouw wordt dan in functionele zin, bij het woongedeelte betrokken ten behoeve van privégebruik. Het nieuwe bijgebouw wordt in gebruik genomen door het bedrijf aan huis (elektrotechnisch bedrijf) en dient voornamelijk als opslag voor materiaal en materieel. De huidige omheining wordt in overeenstemming gebracht met de bouwregels van het bestemmingsplan en uitsluitend op eigendom van de initiatiefnemers gerealiseerd. In de nieuwe situatie is sprake van de volgende bijbehorende bouwwerken: Bijgebouw: 78 m2 Aanbouw bijgebouw steen: 28 m2 Nieuw bijgebouw: 105 m2 Overkapping terras: 28 m2 Totaal bijgebouwen: 239 m2 Door de realisatie van het nieuwe bijgebouw wordt het maximum oppervlak aan bijgebouwen overschreden.

Deze overschrijding dient gecompenseerd te worden middels een kwaliteitsverbetering. Voor de compensatie van het nieuw te bouwen bijgebouw met een oppervlakte van 105 m2 is een berekening kwaliteitsverbetering opgesteld. Deze berekening is gebaseerd op de rekenwaarden uit de Handreiking kwaliteitsverbetering van de gemeente Meierijstad. Conform deze handreiking dient het oppervlak aan bijgebouwen boven de 150 m2 gecompenseerd te worden. Deze compensatie wordt geleverd in de vorm van de aanleg van groenvoorzieningen. Voor de berekening kwaliteitsverbetering en de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage I.

Figuur 4. Landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing.

9

Door de uitbreiding van het woonperceel aan de achterkant is het mogelijk de bedrijfsactiviteiten achter op het perceel te organiseren. Er is dan namelijk ruimte om een nieuw bijgebouw te bouwen en ontstaat er ruimte om naast het bestaand bijgebouw te rijden en achter op het perceel te parkeren. Hierdoor wordt meer parkeergelegenheid gecreëerd en staan de bedrijfsauto’s uit het zicht vanaf de Nieuwe Veldenweg. De inrit bestaat uit een halfverharding, waardoor het regenwater ter plekke infiltreert. De parkeerplaatsen voor privégebruik en bezoekers naast de bestaande inrit blijven gehandhaafd. Achter het nieuwe bijgebouw komen 4 ruime parkeerplaatsen voor de bedrijfsauto’s. Het nieuwe bijgebouw wordt in samenhang met het andere bijgebouw ontworpen. De muren zijn van natuurlijke materialen zoals steen en potdekseldelen in sobere kleuren. Accenten zijn van natuurlijk hout en het dak bestaat uit een zadeldak met gesmoorde dakpannen. Om de situatie landschappelijk in te passen is gekozen om de bestaande landschappelijke kwaliteiten te waarborgen en behouden. De grote inheemse bomen (eiken) naast de inrit, in de achtertuin en achter op het perceel blijven gehandhaafd. Op de perceelsgrens vanaf de bestaande parkeerplaatsen komt een hoge beukenhaag. Hierdoor zijn de bedrijfsactiviteiten niet zichtbaar vanaf de Nieuwe Veldenweg.

In de achtertuin worden bedrijfsparkeerplaatsen tevens afgeschermd door een beukenhaag. De bestaande haagbeukenhaag in de achtertuin blijft gehandhaafd. Aan de overzijde van de Nieuwe Veldenweg wordt de bestaande opslag en verharding verwijderd. Hier wordt in relatie tot de voormalige boerderij een omhaagde boomgaard gerealiseerd. De haag bestaat uit diverse inheemse soorten (struweelhaag). Binnen deze hagen staan hoogstamfruitbomen met lokaal fruit en onderbegroeiing van kruidenrijk gras. De toegang tot de boomgaard is landelijk met een houten landschapshek. Naast de boomgaard ligt een dierenweide met een dierenverblijf. De weide wordt afgeschermd door paal en draad (of schapengaas). De weide wordt begraasd door kleindieren om het kleinschalig agrarisch landschap te versterken en karakter te geven.

10

HOOFDSTUK

3 Beleidstoets

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze structuurvisie wordt een samenhangende visie gegeven op het Nederlands Rijk tot 2040. Kernwoorden in het SVIR zijn concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De belangrijkste verandering is het terugtreden van de Rijksoverheid op het gebied van ruimtelijke ordening. Lagere overheden, waaronder provincies en gemeenten krijgen een grotere rol volgens het principe ‘decentraal, tenzij…’. De gebruiker moet weer centraal komen te staan. Het Rijksbeleid richt zich daarom op het vereenvoudigen van de regelgeving en heeft dertien Rijksbelangen benoemd waar het Rijk de verantwoordelijkheid houdt. Het Rijk verwacht dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor zal de bestuurlijke druk afnemen en ontstaat ruimte voor regionaal maatwerk. De verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal laat het Rijk over aan de provincies. Het Rijk versterkt de samenhang tussen de verschillende modaliteiten en tussen ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit. Het Rijk heeft drie streefdoelen geformuleerd waaraan 13 nationale belangen zijn gekoppeld. Het Rijk heeft voor heel Nederland twee nationale doelen gesteld (nummer 4 en nummer 8).

Daarin wordt gesteld dat efficiënt gebruik van de ondergrond van belang is (zorgvuldig ruimtegebruik) en het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s. De overige doelen en belangen zijn geografisch weergegeven in de Nationale hoofdstructuur. Het besluitgebied is gelegen binnen een van de aanvullende doelen van deze Nationale Hoofdstructuur. Het besluitgebied is namelijk gelegen binnen het radar verstoringsgebied. Hierdoor gelden er aanvullende regels binnen het besluitgebied ten opzichte van ontwikkelingen. Conclusie Bij onderhavige ontwikkeling dienen de regels met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik in acht te worden genomen. De provincie en de gemeente Meierijstad hebben in die lijn beleidsregels vastgesteld waarbinnen mogelijkheden zijn om het bijgebouw te realiseren en de herbestemming te voltrekken. Wanneer de ontwikkeling conform die regels wordt gerealiseerd is deze in overeenstemming met de SVIR. Voor een deel vindt er hergebruik van de bebouwing plaats en wordt de overtollige bebouwing gesaneerd, daarnaast wordt er een bijgebouw gerealiseerd Dit bijgebouw zal door de landschappelijke- en stedenbouwkundige inpassing in relatie staan tot de omgeving. De ontwikkeling is hiermee niet in strijd met de SVIR.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal 11

belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, maar daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'jamits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. In dit geval wordt geen gebruik gemaakt van kaderstellende uitspraken ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen waarbij Nationale belangen gemoeid zijn. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.

3.1.3

Ladder voor duurzame ontwikkeling De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4, efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik. De Ladder is er voor bedoeld dat zorgvuldig wordt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de Ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling wanneer er 12 of meer woningen worden gerealiseerd. In dit geval worden er geen nieuwe woningen gerealiseerd. De bestaande burgerwoning blijft ongewijzigd behouden.

Het reduceren of verplaatsen van bijgebouwen wordt niet gezien als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet relevant voor dit plan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Noord Brabant Op 1 oktober 2010 hebben Provinciale Staten de structuurvisie ruimtelijke ordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Sinds de vaststelling van de Structuurvisie RO in 2010 hebben PS diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de ‘Structuurvisie RO 2010 – partiële herziening 2014’ welke op 2 juli 2014 is vastgesteld. De Structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De Structuurvisie is een uitvloeisel van de Wro en is één van de vier strategische plannen van de provincie. Hierin worden de provinciale ruimtelijke belangen benoemd en de wijze waarop de provincie deze belangen behartigt. Ook de

12

instrumenten die de provincie inzet om deze doelen te bereiken, staan in de structuurvisie beschreven. De provincie heeft in de structuurvisie 14 ruimtelijke belangen geformuleerd: 1. Regionale contrasten; 2. Een multifunctioneel landelijk gebied; 3. Een robuust en veerkrachtig water- en natuursysteem; 4. Een betere waterveiligheid door preventie; 5. Koppeling van waterberging en droogtebestrijding; 6. Duurzaam gebruik van de ondergrond; 7. Ruimte voor duurzame energie; 8. Concentratie van verstedelijking; 9. Sterk stedelijk netwerk: BrabantStad; 10. Groene geledingszones tussen steden; 11. Gedifferentieerd aanbod aan goed bereikbare recreatieve vrijetijdsvoorzieningen; 12. Economische kennisclusters; 13. (Inter)nationale bereikbaarheid; 14. Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur. Structurenkaart De ruimtelijke belangen zijn voor een groot deel geografisch gevisualiseerd in de structurenkaart waardoor helder wordt welke belangen de provincie op welke plek plaatst. Onderhavige locatie is gelegen binnen de hoofdzone ‘Landelijk gebied’. De zone landelijk gebied is onderverdeeld in twee perspectieven, namelijk het ‘gemengd landelijk gebied’ en het ‘accentgebied agrarische ontwikkeling’. Uit de structurenkaart komt naar voren dat het plangebied gelegen is binnen het ‘Gemengd landelijk gebied’ (zie figuur 5).

Figuur 5. Uitsnede structuurkaart Structuurvisie 2010 - partiële herziening Provincie NoordBrabant.

13

Gemengd landelijk gebied De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik het uitgangspunt. In de gemengde plattelandseconomie is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies, zoals toerisme, recreatie, kleinschalige bedrijvigheid, zorgfuncties et cetera. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, met name op vrijkomende locaties. Rondom steden, dorpen en natuur is er in de meeste gevallen feitelijk sprake van een gemengde plattelandseconomie. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen. Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme, passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Met onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuwe functie gerealiseerd, maar vindt herontwikkeling plaats binnen een bestaand woonperceel.

Onderhavige ontwikkeling past daarmee binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening van de Provincie NoordBrabant.

3.2.2

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant In de structuurvisie is het provinciale belang voor de verschillende gebieden en functies in de provincie Noord-Brabant aangegeven. Deze provinciale belangen worden geborgd door de regels die opgenomen zijn in de Interim omgevingsverordening NoordBrabant. Deze regels zijn concreet en geven mogelijkheden voor ontwikkelingen in het buitengebied van Noord-Brabant. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgesteld op 25 oktober 2019. De geconsolideerde versie is op 1 maart 2020 vastgesteld. Onderliggend plan is getoetst aan deze omgevingsverordening. Allereerst gelden er voor ieder plan de algemene regels uit artikel 3 uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Artikel 3 voorziet in een zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit (3.5), zorgvuldig ruimtegebruik (3.6), meerwaardecreatie (3.8) en kwaliteitsverbetering van het landschap (3.9). Artikel 3.6 Zorgvuldig ruimtegebruik In onderhavige ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik doordat een groot gedeelte van de bestaande bebouwing wordt (her)gebruikt. De huidige houten aanbouw is niet geschikt voor de gewenste activiteiten, waardoor deze wordt vervangen door een nieuw bijgebouw waardoor de materialen t.b.v. het elektrobedrijf beter kunnen worden opgeslagen. Dit nieuwe bijgebouw wordt gerealiseerd binnen het bestaande bouwperceel.

Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Ter plaatse van het plangebied zal alle overtollige bebouwing gesloopt worden. De sanering van de houten aanbouw zal ter plekke een kwaliteitswinst opleveren. Ook zal

14

het perceel aan de overkant van de weg in de oude/originele staat teruggebracht worden en gebruikt worden als groen/dierenweide. De aanvullende kwaliteitsprestatie is gebaseerd op de toevoeging van de extra m2’s bijgebouw. De kwaliteitsberekening is opgenomen in Bijlage I. De Interim omgevingsverordening maakt onderscheid in een aantal instructieregels voor gemeenten voor bepaalde thema’s, namelijk: Stedelijke ontwikkeling en erfgoed; Natuur en stiltegebieden; Grondwaterbescherming, waterveiligheid en -berging; Basiskaart Landelijk gebied; Specifieke gebieden voor agrarische ontwikkelingen. Om deze instructieregels voor gemeenten duidelijk weer te geven voor locaties, zijn er bijbehorende kaarten opgesteld. Ook voor de beleidsbeoordeling van onderhavig plangebied en bijbehorende ontwikkeling zijn deze kaarten van belang. Voor de plangebieden is de ‘basiskaart landelijk gebied’ van belang. De overige kaarten zijn voor deze ontwikkeling niet relevant.

Figuur 6. Uitsnede structuurkaart Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Uit figuur 6 blijkt dat het plangebied gelegen is binnen het gemengd landelijk gebied. Binnen het (gemengd)landelijk gebied is ruimte voor een menging van functies. Zo zijn hier naast agrarische ontwikkelingen tevens ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied betreft de uitbreiding van het woonvlak en het vergunnen van het bedrijf aan huis. Met het vergunning van het bedrijf aan huis blijft de woonfunctie de hoofdfunctie op het perceel. Voor de volledigheid is

15

bekeken of de vestiging van het bedrijf aan huis (niet-agrarische functie) mogelijk is binnen het landelijk gebied. In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn in artikel 3.73 de voorwaarden voor de vestiging van een niet-agrarische functie in landelijk gebied opgenomen. Hieronder wordt per voorwaarde een korte motivatie gegeven. Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. Een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. Welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. Hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt.

De gemeente Meierijstad heeft voor haar grondgebied beleid uitgewerkt waarin een globale ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Uit de kaart met gebiedstypologieën blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen een bebouwingsconcentratie. Het mogelijk maken van het bestaande en kleinschalige elektrobedrijf is naar aard en omvang passend binnen de bebouwingsconcentratie. Binnen deze bebouwingsconcentratie is namelijk sprake van menging van functies. De omgeving bestaat uit verschillende agrarische (varkens, melkvee en tuinbouw) en nietagrarische functies (woningen, bed & breakfast, meubelmakerij en kraanverhuur- en aannemersbedrijf). Het mogelijk maken van het bestaande elektrobedrijf draagt bij aan een gemengde plattelandseconomie. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 4 dat er geen sprake is van negatieve effecten op de nabijgelegen functies en omgeving. Gezien de functies in de omgeving (met name de invloed van het kraanverhuur en aannemersbedrijf) is een dergelijk bedrijf als VDElektro met deze omvang passend binnen de omgeving. De houten aanbouw zal worden opgeruimd om ruimte te maken voor het elektrobedrijf, waardoor de overtollige bebouwing dus wordt gesloopt. Door de bedrijfsactiviteiten te koppelen aan de woonbestemming, blijven de effecten minimaal. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b.

Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; Het bouwperceel wordt niet gesplitst. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt; De houten aanbouw van het bijgebouw wordt gesloopt. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. De vestiging heeft geen betrekking op: 1. Een kantoor met baliefunctie; 2. Lawaaisport; 3. Mestbewerking. De bedrijfsactiviteiten heeft geen betrekking op een van bovenstaande activiteiten. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Lid 2

16

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. Over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. De bedrijfsmatige functie blijft kleinschalig en ondergeschikt aan de woonfunctie. Een verdere groei is dan ook niet noodzakelijk en tevens niet gewenst. In feite worden de maximale mogelijkheden hierdoor voldoende geborgd. De bedrijfsactiviteiten beperken zich voornamelijk tot opslag en kleinschalige voorbereidende werkzaamheden. De daadwerkelijke werkzaamheden vinden elders plaats. De verkeersaantrekkende werking is dan ook minimaal. De initiatiefnemer heeft niet de intentie om het bedrijf verder te laten groeien op deze plek. Aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. Bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. Een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c.

Een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. De ontwikkeling betreft geen vrije-tijdvoorziening of zorg en is niet gericht op detailhandel. Zoals eerder vermeld is de bedrijfsmatigheid ondergeschikt aan de woonbestemming en dient deze kleinschalig te blijven. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Uit bovenstaande blijkt dat het provinciaal beleid geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Veghel 2030 In de ‘Structuurvisie Veghel 2030’ schetst de gemeente Veghel haar visie op het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2030. Beleid dat vooral gericht is op het benutten en versterken van typisch Veghelse kwaliteiten. Zo is er in deze structuurvisie veel aandacht voor het versterken van de dorpse woonkwaliteiten in de zeven kernen binnen de gemeente en het op peil houden van de bijbehorende voorzieningen. Daarnaast wordt ook uitgebreid stilgestaan bij de mogelijkheden om de sterke positie van Veghel als werkstad en de bijbehorende stedelijke voorzieningen te behouden. Ten aanzien van functies in het buitengebied is er een visiekaart ‘bedrijvigheid & landbouw’ opgesteld waarin aangegeven wordt welke ontwikkelingen op welke plaatsen wenselijk zijn. Zoals is weergegeven in figuur 7 ligt het plangebied in het gebied waarin ruimte voor landbouw in het buitengebied in combinatie met andere functies wenselijk is.

17

Figuur 7. Uitsnede structuurkaart 'bedrijvigheid & landbouw' Structuurvisie Veghel 2030

In het buitengebied van Veghel is plaats voor agrarisch gebruik van gronden waarbij er rekening gehouden moet worden met de ecologische en landschappelijke functie van het gebied. Voor gebieden in het buitengebied die geen onderdeel vormen van landbouwontwikkelingsgebieden (waaronder de planlocatie) geldt dat de landbouw een belangrijke drager is maar de groeiruimte voor deze agrarische functies beperkt zijn. In deze gebieden wordt ruimte geboden voor andere (niet agrarische) functies zoals bedrijven, recreatie en voorzieningen. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Veghel wat niet is aangemerkt als een landbouwontwikkelingsgebied. Functies zoals een elektrobedrijf, is in beginsel mogelijk op de planlocatie. Onderhavig planvoornemen past binnen de ‘Structuurvisie Veghel 2030’.

3.3.2

Afwegingsschema Meierijstad De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingsschema waarbij wordt bekeken of een nieuwe ontwikkeling realiseerbaar is in haar omgeving. Dit doet de gemeente niet door specifieke regels te stellen, maar door te werken via een stappenplan, zie onderstaand. 1. Bijdrage in het versterken van de omgevingskwaliteiten/maatschappelijke meerwaarde zoals: extra werkgelegenheid, verbetering van het woon- of leefklimaat door afname van milieucontouren of minder vrachtwagenbewegingen, wateropgave, het creëren van bijzondere architectonische kwaliteiten etc. Ter plaatse wordt de houten aanbouw van het bijgebouw gesloopt en wordt een nieuw kwalitatiever bijgebouw gerealiseerd. Zowel het woonperceel als het bijbehorende tegenovergelegen perceel zullen landschappelijk/stedenbouwkundig worden ingepast. De beoogde ontwikkeling draagt dus bij aan de versterking van de omgevingskwaliteit. 2. Het ruimtebeslag: • Wordt er gebruik gemaakt van bestaande bebouwing? Een groot deel van de bestaande bebouwing blijft behouden. De huidige houten aanbouw is niet geschikt voor de gewenste activiteiten, waardoor deze wordt vervangen door een nieuw bijgebouw waardoor de materialen t.b.v. het elektrobedrijf beter kunnen worden opgeslagen. • Vindt er ontstening plaats? 18

Er wordt 47 m² aan bebouwing gesloopt en het nieuwe bijgebouw heeft een grootte van 120 m². Er wordt dus 73 m2 aan bebouwing toegevoegd. Binnen het woonperceel neemt het oppervlakte aan bebouwing toe. Echter wordt het tegenoverliggende perceel teruggebracht naar de oorspronkelijke aard en zal verharding worden weggehaald. In totaliteit is er dan ook sprake van ontstening. • De aard van de locatie en de omgeving; Het nieuwe bijgebouw wordt op het bestaande perceel achter het bestaande bijgebouw gerealiseerd. Daarbij is uiteraard rekening gehouden met de ontsluiting via de eigen oprit en het parkeren van de bedrijfsbussen en personenauto’s van het personeel. Het parkeren geschiedt op eigen terrein waardoor dit geen invloed heeft op de omgeving. Daarnaast wordt het perceel naar achteren vergroot waardoor dit vanaf de Nieuwe Veldenweg geen tot nauwelijks invloed heeft. 3. Zijn er negatieve effecten op omgevingskwaliteiten te verwachten? Bijvoorbeeld door geluidhinder, toename stikstof door verkeer, visuele hinder en versnippering voor bijvoorbeeld aangrenzend natuurgebied; De werkzaamheden met betrekking tot het bedrijf aan huis blijven onveranderd. Het aantal verkeersverplaatsingen zal in de toekomst dus niet toenemen.

Gezien de grootschalige bedrijvigheid in de omgeving (de kraanverhuur en aannemersbedrijf) is de toename van het oppervlakte aan bebouwing op de planlocatie slechts minimaal. Sterker nog, de nieuwe bebouwing is niet eens zichtbaar vanaf de wegzijde vanwege de situering van het nieuwe bijgebouw achter de reeds aanwezige bebouwing. Daarnaast blijkt uit hoofdstuk 4 dat de ontwikkeling geen significant effect heeft op omliggende functies zoals woningen en natuurgebieden.

4. De aard van de ontwikkeling en de mogelijke hinder voor de omgeving; • Is er milieuhinder op nabijgelegen gevoelige functies te verwachten als gevolg van activiteit op het terrein (buiten werken met dieren, machines, laden/lossen van voertuigen). De milieucategorie van de activiteit uit de VNG-brochure vormt hierbij het vertrekpunt; In dit geval is sprake van een kleinschalig elektrobedrijf, onderhavig bij een woonbestemming, welke gemaximeerd wordt in bebouwing, gebruik en mogelijk zelfs plek (specifiek ter plaatse van de bebouwing), waarbij de werkzaamheden voornamelijk elders plaatsvinden. De activiteiten ter plaatse van het plangebied betreffen voornamelijk voorbereidende werkzaamheden in het bijgebouw en het in- en uitladen van de bussen. Het is een kleinschalig elektrobedrijf wat acceptabel wordt geacht in het buitengebied. Uit paragraaf 4.7 blijkt dat het bedrijf conform de VNG lijst valt onder aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m² (sbi code 41/42/43) waardoor sprake is van milieucategorie 2. Uit paragraaf 4.7 blijkt tevens dat dit geen belemmeringen oplevert voor de ontwikkeling.

• Zijn er problemen te verwachten rondom de verkeersafwikkeling (ook in relatie tot milieueffecten)? Dit is onder andere afhankelijk van de frequentie van verkeersbewegingen, het gebruik van grote voertuigen (laden en lossen goederen of onderdeel van bedrijfsvoering) en de geschiktheid van de aanwezige infrastructuur en de verkeersafwikkeling richting doorgaande wegen. De ontsluiting veranderd niet en ook de verkeersgeneratie ten behoeve van het bedrijf (personeel en sporadische aan- en afvoer van materialen) blijft ongewijzigd. Gezien de huidige infrastructuur het aantal verkeersbewegingen in huidige situatie zonder

19

problemen kan verwerken, zijn ook voor de beoogde situatie geen problemen te verwachten. 5. Visuele hinder: • Hoe is de (beeld)kwaliteit van de bebouwing en uitstraling van het erf? • Past de uitstraling van de nieuwe functie in het (groene) buitengebied? • Past de omvang van de gebouwen binnen de schaal van het landschap (afhankelijk van landschapstype)? • Past de schaal van de activiteiten op het erf in het betreffende landschap? De landschapstypen vormen hierbij het vertrekpunt? In de bijlage van deze toelichting (bijlage I) is een landschappelijke inpassing gemaakt. Met het opstellen daarvan is rekening gehouden met bovenstaande aandachtspunten. Daardoor kan gesteld worden dat geen sprake is van visuele hinder en zorgvuldig met de ruimte wordt om gegaan. 6. Impact: Sturen op de mate van impact van een initiatief. Dit kan onder andere door: • Ontwerpprincipes te koppelen aan het initiatief • Het stellen van randvoorwaarden zoals opgenomen in onderstaande voorwaarden; • De omvang van de nieuwe functie of het ruimtebeslag in te beperken en daarmee ook de impact. Voorwaarden vanuit de omgeving.

a) Milieu: Er dient voldaan worden aan de op dat moment geldende wetgeving omtrent geluid, gezondheid, externe veiligheid, archeologie etc; b) De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven; c) De ontwikkeling mag geen negatieve verkeerskundige effecten hebben; d) De ontwikkeling mag niet leiden tot parkeeroverlast voor de omgeving; e) Er dient een watertoets te worden gedaan. Deze wordt voor advies aan het waterschap voorgelegd; f) Er moet een zorgvuldige omgevingsdialoog worden gevoerd. Genoemde aspecten zullen in hoofdstuk 4 worden behandeld. Hierbij zijn een aantal aspecten nader onderzocht waarbij is geconcludeerd dat er geen negatieve impact op de omgeving ontstaat door deze ontwikkeling. Deze ontwikkeling is met de buren besproken en er is door de buurt aangegeven dat ze geen problemen hebben met de ontwikkeling. In bijlage II van deze toelichting is de omgevingsdialoog toegevoegd. Conclusie beleid Met onderhavige ontwikkeling kan aan alle voorwaarden uit het beleid worden voldaan.

Op basis van deze onderbouwing kan worden gesteld dat het initiatief bijdraagt aan de transitie van het landelijke gebied door uitvoering te geven aan ontstening, opzetten van een kwalitatieve verbetering van het erf, bij te dragen aan het innovatieve karakter van het buitengebied door realisatie van het bedrijf aan huis en rekening te houden met de buurt.

3.3.3

Vitaal buitengebied (Kansen voor kwaliteit) De gemeente Meierijstad hanteert een afwegingskader voor de herontwikkeling van vrijkomende (agrarische) bebouwing, waarbij de (directe) omgeving leidend is, een

20

verbetering van de kwaliteit vereist is en de direct omwonenden en andere belanghebbenden worden betrokken. Allereerst mag een initiatief geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van de (directe) omgeving. Uit paragraaf 2.3 is reeds gebleken dat de ontwikkeling stedenbouwkundig verantwoord is en dat het perceel landschappelijk wordt ingepast. Daarnaast is in hoofdstuk 4 de invloed van voorgenomen ontwikkeling op de omgeving onderzocht en is geconcludeerd dat er geen belemmeringen worden verwacht. Naast deze omgevingsscan is het voor de gemeente Meierijstad van groot belang dat er ook wordt voorzien in een kwaliteitsimpuls. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een basisinspanning en aanvullende kwaliteitsprestaties. De basisinspanning bestaat uit een goede landschappelijke inpassing van het totale erf waar de ontwikkeling deel van uitmaakt. Naast de basisinspanning geldt er voor sommige ontwikkelingen ook een aanvullende kwaliteitsprestatie. De invulling van de aanvullende kwaliteitsprestatie is maatwerk. Ter plaatse van het plangebied zal alle overtollige bebouwing gesloopt worden. De sanering van de houten aanbouw zal ter plekke een kwaliteitswinst opleveren. Ook zal het perceel aan de overkant van de weg in de oude / originele staat teruggebracht worden en gebruikt worden als agrarische grond (dierenweide).

De aanvullende kwaliteitsprestatie is gebaseerd op waardestijging van het perceel. De kwaliteitsberekening is opgenomen in Bijlage I. Naast de verbetering van de kwaliteit hecht de gemeente Meierijstad waarde aan het betrekken van de direct omwonenden in de planvorming. In de volgende paragraaf wordt de gevoerde omgevingsdialoog toegelicht.

3.3.4

Omgevingsdialoog Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de visie van de gemeente Meierijstad. Hierin speelt het maatschappelijk draagvlak een belangrijke rol. De omwonenden en directe omgeving moeten worden betrokken bij het genereren van draagvlak. De directe omgeving heeft betrekking op iedereen waarop het initiatief effect heeft. In dit geval zijn dat omwonenden aan de Nieuwe Veldenweg 15, 20 en 22. De initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gebracht van de gewenste woning op de planlocatie. Van de kennisgeving en de reactie van de betrokken personen is een schriftelijke reactie opgesteld. De formulieren van de omgevingsdialoog zijn bijgevoegd als Bijlage II.

21

HOOFDSTUK

4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

4.1

M.e.r-plicht Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r.-plicht. Binnen het plangebied wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt.

De sloop van een houten aanbouw van een bijgebouw en het oprichten van een nieuw bijgebouw bij een bestaande woning komen niet voor in bijlage C en D van het besluit m.e.r. De ontwikkeling is slechts kleinschalig van aard. Er is geen sprake van de verplichting om een m.e.r.(beoordelings-)procedure te doorlopen.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op het plangebied ligt ter plaatse van de woning en de garage/veldschuur de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,3 meter. Op basis van de beperkte oppervlakte (120 m2) van het te realiseren bijgebouw (<250 m2) is deze ingreep uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. 22

Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en esembles van een grotere schaal. Conform het vigerende bestemmingsplan en de cultuurhistorische waardenkaart heeft het plangebied geen aanduidingen die eventuele historische facetten beschermen. De woning is op de welstandsnotakaart 2018 van de gemeente Meierijstad opgenomen als beeldbepalend pand. Aangezien er geen wijzigingen worden aangebracht aan de woning vindt er geen aantasting plaats van mogelijke cultuurhistorisch waarden, waardoor dit geen belemmering vormt. Ook zijn er geen monumenten binnen het plangebied aanwezig.

4.3

Flora en Fauna

4.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) Ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde floraen faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht.

Natuur Netwerk Brabant Uit de kaart van het Natuurbeheerplan van de Provincie Noord-Brabant lijkt dat het plangebied buiten de begrenzing van het NNB is gelegen. De provincie Noord-Brabant hanteert een externe werking als het gaat om NNB, indien een bestemmingsplan leidt tot aantasting van de ecologische waarden en kenmerken anders dan door ver verspreiding van stoffen in lucht of water. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied is op 45 meter van het plangebied gelegen. Natura 2000-gebied Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek’ is met circa 18,3 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Onderhavige ontwikkeling maakt onderdeel uit van het veegplan van de gemeente Meierijstad. Het veegplan is een bestemmingsplan. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan moet de gemeente beoordelen of het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden. Als er significante gevolgen zijn moet een 23

passende beoordeling plaatsvinden. De gemeente stelt het plan uitsluitend vast als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Er is geen sprake van significante effecten als de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar

4.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bij ruimtelijke planvorming en ingrepen is het verplicht om een toetsing aan de natuurwetgeving uit te voeren. Bebouwing kan namelijk als verblijfsplaats voor dieren dienen. In dit geval zijn er in de direct omgeving voldoende alternatieven voor dieren om als verblijfsplaats te gebruiken. Er zijn dan ook geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van beschermde soorten. Het uitbreiden van het bestemmingsvlak en het realiseren van het bijgebouw brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Bij de uitbreiding van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en de bouw van het bijgebouw vormt het aspect Natuur dus geen belemmering.

4.4

Waterparagraaf Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. Werden in het verleden het water en de waterlopen voornamelijk gevormd en veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers, blijkt de laatste jaren steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek zoals verdrogingsverschijnselen en hogere afvoeren van rivieren. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente wateradvies in te winnen bij de waterbeheerder. De gemeente en het waterschap kunnen praktische afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen.

4.4.1

Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP+) 2017-2022, het Provinciaal plan van Noord-Brabant, het Waterbeheersplan 2016-2021 van waterschap Aa en Maas, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). 24

Waterschap Aa en Maas Waterbeheerplan 2016-2021 De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het Waterbeheerplan en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied met voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het Waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Keur Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt.

Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², toename van een verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Met onderhavige ontwikkeling wordt de aanbouw met een oppervlakte van 47 m 2 gesloopt en wordt een nieuw bijgebouw van 120 m 2 opgericht. Hierdoor bedraagt de toename aan verharding slechts (120-47=) 73 m2. Deze toename aan verharding is onder de grenswaarde van 2.000 m2 gelegen. Ten aanzien van de minimale toename wordt er vanuit het Waterschap Brabantse Delta geen compensatie geëist voor onderhavige ontwikkeling. Het afstromende regenwater zal op eigen terrein worden verwerkt.

De Keur en de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Tot slot is de Digitale Watertoets van het Waterschap Aa en Maas uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de verhardingstoename en/of -afkoppeling maximaal 2.000 m2 is en het plangebied buiten de ruimtelijk begrensde waterbelangen valt. De verwachting van het Waterschap is dat er daarom geen of weinig inhoudelijke opmerkingen zullen zijn. Wel wordt verzocht om tijdens de bouw van de nieuwe schuur af te zien van het gebruik van 25

uitlogende bouwmaterialen. Hiermee worden bijvoorbeeld zink en koper in daken, gevels, goten en leidingen bedoeld. Voor de volledige conclusie van de Digitale Watertoets wordt verwezen naar bijlage III.

4.5

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de functiewijzing. Omdat met de voorgestane ontwikkeling een stuk grond met de bestemming ‘Bedrijf’ wordt omgezet naar ‘Wonen’, is in het kader van het aspect bodem, sprake van een gevoelige bestemming. Er zal dus vastgesteld moeten worden of er sprake is van een mogelijke verontreiniging van de bodem met stoffen die, met het oog op de voorgenomen ontwikkeling, een belemmering kunnen vormen. Op 25 mei 2020 is er door Aeres Milieu een veldinspectie uitgevoerd waarbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Uit het onderzoek is gebleken dat er in het verleden ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse van de planlocaties sprake is van een bodemverontreiniging. Gebaseerd op de verzamelde gegevens kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=3fa8441f-1bb7-4215-b1e4-7a4ff43d4786