Liempdseweg 24 - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen
Tekst van het document
Plantoelichting Bestemmingsplan – Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad Onderdeel Liempdseweg 24 Sint Oedenrode
Versie, Augustus 2022
1
Nunhem, augustus 2022 Opdrachtgever:
Boomkwekerij E. vd Hurk
Opdrachtnemer:
SRO - Specialisten Ruimtelijke Ordening
SRO – Specialisten Ruimtelijke Ordening mr. Erik Eussen Terbetenweg 1 | 6083 AG Nunhem erik@specialisten-ro.nl
2
Inhoudsopgave 1.
INLEIDING ................................................................................................................. 4 1.1. Aanleiding ......................................................................................................................... 5 1.2. Ligging en begrenzing van het plangebied ........................................................................... 5 1.3. Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................ 6
2.
PLANBESCHRIJVING .................................................................................................. 8 2.1. Huidige situatie.................................................................................................................. 8 2.2. Voorgenomen ontwikkeling ............................................................................................... 8
3.
BELEIDSTOETS ......................................................................................................... 12 3.1. Rijksbeleid ....................................................................................................................... 12 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ............................................................................................ 12 3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ................................................................................... 13 3.1.3. Ladder voor duurzame verstedelijking .............................................................................................. 13
3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................. 15 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant .......................................................................................................... 15 3.2.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant................................................................................ 16
3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................... 25
4.
MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING ............................... 26 4.1 Mer-beoordeling............................................................................................................... 27 4.2 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................... 28 4.2.1 Archeologie ......................................................................................................................................... 28 4.3.2 Cultuurhistorie .................................................................................................................................... 28
4.3 Flora en fauna................................................................................................................... 28 4.4 Waterparagraaf ................................................................................................................ 29 4.5 Bodem.............................................................................................................................. 31 4.6 (Ondergrondse) infrastructuur .......................................................................................... 31 4.7 Bedrijven en milieuzonering .............................................................................................. 32 4.8 Geurhinder ....................................................................................................................... 33 4.9 Akoestiek ......................................................................................................................... 34 4.10 Luchtkwaliteit ................................................................................................................. 34 4.10.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting ................................................................................................... 35 4.10.2. Luchtkwaliteit ter plaatse van de inrichting .................................................................................... 35
4.11 Externe veiligheid ........................................................................................................... 37 4.11.1. Risicovolle inrichtingen .................................................................................................................... 38 4.11.2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen ............................................................... 38 4.11.3 Hoogspanningslijnen ........................................................................................................................ 39
4.12 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen .................................................................. 39 4.13 Verkeer en parkeren ....................................................................................................... 39
3
5.
JURIDISCHE PLANOPZET .......................................................................................... 40
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ......................................................................... 41 6.1 Exploitatieplan ................................................................................................................. 41 6.2 Planschade ....................................................................................................................... 41
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ................................................................. 42 7.1 Vooroverleg...................................................................................................................... 42 7.2 Inspraak- en zienswijzenprocedure.................................................................................... 42
Bijlagen: - bodemonderzoek Milon d.d. 25 maart 2021
4
1. INLEIDING 1.1. Aanleiding Op de locatie Liempdseweg 24 te Sint-Oedenrode is een agrarisch bedrijfscomplex gelegen ter grootte van circa 5 hectare. De agrarische bedrijfslocatie is gedateerd en gedeeltelijk in slechte staat. Daarnaast is het agrarisch complex gelegen in het beekdal van de Dommel en is dit gebied aangewezen als zoekgebied van het Brabants Natuurnetwerk. Gelet op de transitie naar duurzame landbouw en natuurontwikkeling in het beekdal van de Dommel is de huidige eigenaar voornemens om de locatie te herbestemmen. Daarbij wordt de huidige stal omgevormd tot een verblijfsboerderij met een camperplaats, twee woningen en bijbehorende voorzieningen. Tevens wordt een gedeelte ingericht als natuur. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een toelichting met bijbehorende regels opgesteld welke verankerd worden in het veegbestemmingsplan van de gemeente Meijerijstad.
1.2. Ligging en begrenzing van het plangebied Het plangebied is gelegen op de locatie Liempdseweg 24 in het buitengebied van SintOedenrode. De locatie ligt in een hoogwaardig landschap tussen het beekdal van de Dommel, het agrarisch populierenlandschap en het natuurgebied De Scheeken. De specifieke locatie bevindt zich op de wegendriehoek: Kremselen, Liempdseweg en Bobbenagelseweg.
Afbeelding: Luchtfoto’s huidige situatie
5
1.3. Vigerend bestemmingsplan Op de locatie Liempdseweg 24 in Sint-Oedenrode is het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’ van toepassing dat is vastgesteld op 22 januari 2014. Tevens zijn de herziening van dit plan, 1 tot en met 4, van toepassing op onderhavige locatie. Voorts is op de locatie het bestemmingsplan ‘Harmonisatie begrippen wonen, c.s. Sint-Oedenrode 1’ van toepassing, het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’en het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen – laaghangend fruit’.
Afbeelding: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Sint-Oedenrode’
Op basis van de vigerende bestemmingsplannen kent de locatie gedeeltelijk de bestemming ‘Wonen’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’. Tevens kent de locatie de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 1’, ‘Waardearcheologie 3’ en ‘Waterstaat – Attentiegebied EHS’. Verder zijn de volgende gebiedsaanduidingen nog van toepassing: ‘aardkundig waardevol’, ‘cultuurhistorische waardevol gebied’, ‘cultuurhistorisch waardevolle akker’ en ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’. De ontwikkeling van een recreatiefunctie en het omvormen van het agrarisch gebied naar natuur past niet binnen het geldende bestemmingsplan.
6
In 2012 zijn er afspraken gemaakt tussen de gemeente Sint-Oedenrode en de huidige initiatiefnemer. Deze afspraken zijn nooit geëffectueerd. Wel is inmiddels de bestemming van het agrarisch bouwvlak uit het bestemmingsplan verwijderd terwijl de agrarische bedrijfsbebouwing nog intact is. Om de ontstane situatie te doorbereken heeft initiatiefnemer een principeverzoek ingediend bij de gemeente om de locatie te herbestemmen tot een recreatieve locatie met natuurontwikkeling. Op dit principeverzoek heeft de gemeente positief gereageerd onder de voorwaarden dat initiatiefnemer een bestemmingsplan aanlevert dat als geheel een kwaliteitsimpuls geeft aan de locatie en de omgeving.
7
2.
PLANBESCHRIJVING
2.1. Huidige situatie Op de locatie Liempdseweg 24 in Sint-Oedenrode is een (voormalige) agrarische bedrijfslocatie gelegen. De locatie wordt momenteel met name gebruikt voor opslagdoeleinden (ten behoeve van de agrarische functie). Op de locatie zijn een tweetal stallen aanwezig die in het verleden gebruikt werden voor het houden van dieren. De beide stallen hebben gezamenlijk een oppervlakte van circa 1750 m2. Tevens is er een betonnen mest/kuilvoeropslagplaats aanwezig ter grootte van circa 700 m2. Op de locatie is verder een bijbehorende bedrijfswoning en nog een woning gelegen die thans al de bestemming ‘Wonen’ kent. Het omliggende gebied bestaat uit agrarische gronden die momenteel nog worden bewerkt. De locatie is sterk verouderd en voldoet niet meer aan de eisen van de huidige tijd om een volwaardig landbouwbedrijf te kunnen exploiteren. De aanwezige opstallen op de locatie zijn gedateerd en verkeren in slechte staat.
2.2. Voorgenomen ontwikkeling De locatie Liempseweg 24 in Sint-Oedenrode is sterk verouderd. De huidige opstallen zijn asbesthoudend en voldoen niet meer aan de eisen van de huidige tijd. Daarnaast is de locatie gelegen in een hoogwaardig landschap waarin andere functies het primaat krijgen. Om die reden is het wenselijk om de locatie te herbestemmen. Het overgrote deel van de gebouwen in het plangebied worden verwijderd. Op onderstaande afbeelding is deze opgave weergegeven. - Van stal 1 worden de volgende onderdelen verwijderd: a. Het zuidelijk deel wordt ingekort zodat het oorspronkelijke erfgoedensemble beter tot haar recht komt. b. Het oostelijk deel wordt verwijderd en vergroend. c. De resterende oppervlakte wordt verbouwd tot verblijfsboerderij. De aanwezige spanten worden hergebruikt voor dakconstructie. - De betonnen mest/kuilvoerosplagplaats wordt geheel verwijderd en vergroend. - Stal 2 wordt geheel verwijderd en vergroend. - De bestaande woning (met aanduiding twee-aaneen) blijft bestaan. Per saldo komt er geen woning bij.
8
Afbeelding: Toekomstige situatie
Onderhavige locatie krijgt met de beoogde ontwikkeling een drietal hoofdfuncties. Een relatief kleinschalige recreatieve functie met bijbehorende voorzieningen (0,85 ha), wonen (0,22 ha) en natuur (ruim 3 ha). De recreatiefunctie kent daarbij de volgende functies: - 20 logies verblijfseenheden in de Verblijfsboerderij - 10 camperplaatsen - 1 beheerderswoning - 25 parkeerplaatsen - Erf- en landschappelijke inrichting Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een erfinrichtingsplan c.q. landschapsplan opgesteld. Op onderstaande afbeelding is dit plan weergegeven. Een nadere beschrijving en uitwerking van dit landschapsplan is als separate bijlage aan het plan toegevoegd.
9
Afbeelding: Landschapsplan
Landschap en historie plangebied In de planontwikkeling zijn van meet af aan de bestemmingen ‘recreatie, wonen en natuur’ in alle zorgvuldigheid afgewogen. Getuige de topografische kaarten tussen 1816 – 2021 (zie hieronder) is het plangebied als volgt ingericht: - Grazige hooilanden met een steilrand (noordoostelijke richting) met op de hogere delen akkers (richting Liempdseweg). - Vanaf ca 2000 worden op de hogere delen de akkerpercelen gedeeltelijk in gebruik genomen door boomkwekerijen.
Afbeelding: gebiedshistorie landschapsplan
10
Over de inrichting is nog te zeggen dat in 2020 met ARK Natuurontwikkeling een overeenkomst is gesloten tot overname natuurbestemming. De overeenkomst wordt geëffectueerd bij onderliggende bestemmingsplanwijziging. Daarmee is de bestemming natuur voor wat betreft de inrichting en het beheer geborgd. Opgemerkt wordt nog dat ARK samen met Waterschap De Dommel in het Dommeldal het Natte Natuurparel-beleid uit 2004 uitvoert om natuurwaarden, die een vochtige bodem met zich meebrengt, te behouden en te versterken (zie: https://www.ark.eu/gebieden/het-groenewoud/dommeldal-son-boxtel). Voorts is ten behoeve van deze ontwikkeling tevens een verbeelding met onderhavige toelichting en bijbehorende regels aangeleverd welke zal worden verankerd in het veegbestemmingsplan van de gemeente Meijerijstad. Op onderstaande afbeelding is de verbeelding weergegeven.
Afbeelding: Uitsnede nieuwe verbeelding
11
3.
BELEIDSTOETS
3.1. Rijksbeleid 3.1.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 12 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (verder: structuurvisie) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de structuurvisie worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie Rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
De 13 nationale belangen luiden kort samengevat als volgt: Versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland: • Een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; • Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; • Efficiënt gebruik van de ondergrond. Verbeteren bereikbaarheid: slim investeren, innoveren en in stand houden: • Een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; • Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen; • Het in stand houden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen.
12
Waarborgen kwaliteit leefomgeving: • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke en cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; • Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; • Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Bij onderhavige ontwikkeling zijn geen belangen van de SVIR in het geding. 3.1.2. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ter bescherming van de nationale belangen is door het Rijk het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) opgesteld. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen.
In het Barro zijn regels opgenomen voor de volgende nationale belangen: • Rijksvaarwegen • Mainportontwikkeling Rotterdam • Kustfundament • Grote rivieren • Waddenzee en waddengebied • Defensie • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen • Elektriciteitsvoorziening • Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen • Ecologische hoofdstructuur • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) • Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde Bovengenoemde nationale belangen zijn niet van toepassing bij onderhavige ontwikkeling. 3.1.3. Ladder voor duurzame verstedelijking Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, naast het Barro, tevens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) waarmee dit mogelijk is. Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden.
13
Nationaal belang 13 uit de SVIR vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit nationale belang is wettelijk verankerd in het Bro. In artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro is gesteld dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van: • •
de behoefte aan die ontwikkeling; indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Conform het Bro dient de behoefte aan de ontwikkeling te worden beschreven en gemotiveerd indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Wanneer geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is dit niet benodigd. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd in artikel 1.1.1, lid 1, Bro: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Uit de jurisprudentie van de afdeling blijkt dat voorliggend initiatief geen stedelijke ontwikkeling is en dat derhalve de behoefte aan deze ontwikkeling niet verder behoeft te worden aangetoond in dit kader.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie Noord-Brabant de Omgevingsvisie Noord-Brabant "De kwaliteit van Brabant" vastgesteld. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Met de Omgevingsvisie wil de provincie vast aansluiten bij en gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Samen met andere overheden, initiatiefnemers en andere betrokken partijen wordt actief gezocht naar praktijken waarin deze nieuwe manier van werken centraal staat. De Omgevingsvisie gaat over twee vragen: 1. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit zien? 2. Wat moet in 2030 voor elkaar zijn om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? De doelstelling die Noord-Brabant heeft voor 2050 is dat zij in dat jaar welvarend, verbonden en klimaatproof zijn.
De welvaart wil de provincie bereiken door te investeren in een gezonde en sterke concurrentiepositie door het goede vestigingsklimaat voor bedrijven, en kenniswerkers, maar ook door de voortrekkersrol in de transitie naar een innovatieve en duurzame economie. De provincie ziet welvaart niet alleen als economische bestaanszekerheid, maar ook als geluk, gezondheid en veiligheid van mensen. In dat kader stelt de provincie dat in 2050 bestaande problemen in de fysieke leefomgeving zijn opgelost en dat het robuuste natuurnetwerk uitstekend functioneert. Dankzij investeringen in natuur, verdrogingsbestrijding, bodem, waterkwaliteit, een groene (natuurrijke) inrichting van woon- en werkgebieden en het terugdringen van emissies uit landbouw en industrie wil de provincie zowel de menselijke leefomgeving als die voor flora en fauna verbeteren. Dit leidt tot een goed welbevinden en een grote soortenrijkdom. Voor wat betreft de verbondenheid is het streven van de provincie dat Brabant de centrale ligging uitstekend weet te benutten door goede verbindingen op zowel fysiek als op sociaalmaatschappelijk (digitaal) gebied. Daarbij is één van de doelen dat de logistieke bedrijvigheid nog steeds een topsector is, maar dan op een schonere en slimmere manier. Daarnaast bieden nog zichtbare historische waarden, erfgoed en landschappelijke verscheidenheid een verbinding met het verleden.
Deze elementen dienen te blijven behouden voor een aantrekkelijke omgeving als uitloopgebied voor de inwoners van steden en dorpen en voor recreatie.
15
Met betrekking tot het streven klimaatproof te zijn wil de provincie in 2050 geheel energieneutraal zijn. Dit willen zij bereiken door alleen nog duurzame energie te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verdere klimaatverandering tegengaan door de uitstoot van koolstofdioxide en de uitstoot van methaan uit de landbouw fors terug te dringen. Daarnaast wil de provincie goed om kunnen gaan met de klimaatverandering en de effecten daarvan. Hierbij staat duurzaam, gezond en klimaatbestendig bouwen centraal. Daarnaast dient voldoende ruimte beschikbaar te zijn om water op te vangen en vast te houden in tijden van droogte en om wateroverlast te voorkomen. Op basis van deze doelstellingen heeft de provincie vier hoofdopgaven geformuleerd: A. Werken aan de Brabantse energietransitie; B. Werken aan een klimaatproof Brabant; C. Werken aan de slimme netwerkstad; D. Werken aan een concurrerende, duurzame economie. Deze opgaven worden niet los van elkaar gezien, maar zijn vanuit de basis met elkaar verbonden. Hierbij wordt gekeken vanuit een gebiedsspecifieke benadering om de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een niet-agrarisch functie zijn geen specifieke beleidsuitgangspunten opgenomen.
Wel is het van belang dat op een duurzame en klimaatbestendige wijze wordt gebouwd. Bij de omschakeling naar de niet-agrarische functies zal ter plaatse worden gekeken naar een passende manier van bouwen, hergebruik van bestaande bebouwing en (her)gebruik van materialen om te komen tot een duurzaam en klimaatbestendig gebouw. Het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een recreatie is een voorbeeld van een nieuwe vervolgfunctie in het buitengebied. Op deze manier worden er nieuwe, economische dragers gecreëerd. Daarnaast kunnen bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijkheden worden onderzocht voor een verdere verduurzaming van de bebouwing en/of naar mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de doelstellingen zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant. 3.2.2. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 heeft de provincie Noord-Brabant de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de Omgevingsvisie Noord-Brabant naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Vanuit de verordening is de locatie gelegen in een gebied dat nader is aangemerkt als 'Landelijk gebied'.
16
Met de voorgenomen ontwikkeling zal verouderde bebouwing worden gesloopt en vervangen door nieuwe, beter geïsoleerde bebouwing. Hiermee zal het energieverbruik op de locatie verminderen. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan het behalen van de energiedoelstellingen van de overheid. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling landschappelijke worden ingepast en worden voorzien in een goede bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Hiertoe is door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld waarin de voorgenomen landschappelijke inpassing nader is uitgewerkt en is onderbouwd. Het voorzien in een goede landschappelijke inpassing is een van de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering van het landschap zoals zijn genoemd in artikel 3.9 van de verordening en is derhalve aan te merken als een vorm van meerwaardecreatie. Ten slotte wordt met de voorgenomen ontwikkeling een nieuwe invulling gegeven aan leegstaande agrarische bebouwing. Daarmee wordt leegstand en verpaupering van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing voorkomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee worden voorzien in meerwaardecreatie.
Gezien bij de voorgenomen ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, geen sprake is van een mogelijke aantasting van de functies en waarden in de verschillende lagen en/of de kenmerken daarvan en sprake is van meerwaardecreatie wordt met de voorgenomen ontwikkeling voldaan aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Gebieden en aanduidingen Verder zijn vanuit het kader van de Interim Omgevingsverordering nog een aantal relevante gebieden en aanduidingen te onderscheiden. Op deze locatie zijn voor zover relevant voor de ontwikkeling aan de orde: - Landelijk Gebied - Aardkundig waardevol gebied - Cultuurhistorisch waardevol gebied - Groenblauwe Mantel - Attentiezone waterhuishouding
Afbeelding: uitsnede verbeelding iov
17
Ad. Landelijk Gebied De beleidskaders binnen de aanduiding landelijk gebied zijn in hoofdzaak gericht op agrarische bedrijven. Artikel 3.73 biedt echter de ruimte om ook niet-agrarische functies te kunnen vestigen. Hiervoor moet dan aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Hieronder zijn deze voorwaarden beoordeeld. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking.
Het agrarische bouwperceel wordt niet gesplitst, overbodige bebouwing wordt gesloopt en van een van de genoemde onwenselijk functies is geen sprake. Met de nieuwe invulling wordt de kwaliteit van het gebied aangepakt en leegstand voorkomen. Het saneren van een agrarisch bedrijf heeft een positief effect op de omgeving. Daarbij zal een invulling plaatsvinden die de omgeving of de functies in de omgeving niet belemmert. Grosso modo wordt het gehele gebied er beter op, met als grote winnaar de natuur als gevolg van de ontwikkeling van een nieuwe areaal. Een groot deel van de voormalige agrarische bebouwing zal worden verwijderd. Daarnaast zal een behoorlijke natuurontwikkeling plaatsvinden. De kwaliteit van de locatie zal daarmee een stevig toenemen zonder dat omliggende functies of bedrijven worden geraakt. Voor het overige is over de vestiging van een niet-agrarische functie in het buitengebied te zeggen dat het gedifferentieerd beleid maatwerk mogelijk maakt waarbij afhankelijk van de functie, het gebied, ligging ten opzichte van het stedelijk gebied of juist natuurgebied een invulling wordt gegeven. Twee basisprincipes staan centraal: 18
1. 2.
De ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied; De ontwikkeling heeft een bij de omgeving passende omvang.
De Gemeente Meierijstad heeft nog geen ontwikkelrichtingen vastgesteld. Voor de motivering wordt gebruik gemaakt van het beleidsstuk “Kansen voor Kwaliteit’. Hierin beschrijft de Gemeente Meierijstad dat men ruimte wil geven aan nieuwe functies op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties, die qua aard en schaal passen in het buitengebied. Ook functies die niet aan het buitengebied gebonden zijn, moeten een plek kunnen krijgen in het buitengebied, mits ze niet concurreren met functies op de bedrijventerreinen of in de centra. In dit geval wordt onderscheid gemaakt in drie functietypen: 1. Gebiedsgebonden functies; 2. Gebiedspassende functies; 3. Gebiedsstrijdige functies. Gebiedsgebonden functies zijn functies die een zekere relatie met het buitengebied hebben of die vanouds aan het buitengebied gerelateerd worden. Onder deze categorie worden de agrarisch verwante bedrijven en agrarisch technische hulpbedrijven en de recreatieve functies geschaard. Het beleid voor recreatie is opgenomen in de ‘Visie recreatie en toerisme Meierijstad’. Het beleid biedt kansen voor versterking van de recreatieve functie in het buitengebied. Daarbij gaat het om kleinschalige vormen van dag- en verblijfsrecreatie. Het aantal recreatieve functies moet in verhouding zijn met andere functies en die niet in de weg staan.
Belangrijk uitgangspunt voor recreatie is het verantwoord (door)ontwikkelen van bestaande bedrijven en nieuwe initiatieven die onderscheidend en vernieuwend zijn. Het initiatief aan de Liempdseweg 24 betreft zo’n (kleinschalige) vorm van verblijfsrecreatie. Gebruik wordt gemaakt van het voormalige agrarische bouwblok en de voormalig agrarisch stal. Hierin worden een 20-tal logies verblijfseenheden gerealiseerd. Verder worden er een tiental camperplaatsen gerealiseerd. Gesteld kan worden dat deze omvang passend is op deze locatie. Overige voorwaarden Sluitstuk van een bij de omgeving passende omvang is dat overtollige bebouwing wordt gesloopt en dat de ruimtelijke ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de gemaximeerde toegestane omvang. Het steeds opnieuw toestaan van uitbreiding leidt in het algemeen tot ongewenste situaties. Overtollige bebouwing is de bebouwing die niet past binnen de maximaal toelaatbare omvang of bebouwing waarvoor geen feitelijk gebruik is. Bij onderhavig plan wordt circa 900 m2 aan voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt. Er is geen sprake van splitsing van het bouwperceel. Het initiatief leidt niet tot een kantoor met een baliefunctie. Er is geen sprake van lawaaisport of mestbewerking.
19
Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Het nieuwe bestemmingsplan zal bovenstaand met de verbeelding en de planregels duurzaam borgen. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare. Aan deze maximale maat wordt voldaan. Verder gelden ten algemene in dit kader voor gemeenten een aantal instructieregels. Deze zijn hieronder toegelicht. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a.
de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 20
Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; d. het wegnemen van verharding; e. het slopen van bebouwing; f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden. Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Voorliggend plan is een mooi voorbeeld van het combineren van functies waardoor er een meerwaarde ontstaat.
Immers, de voorgenomen ontwikkeling betreft sowieso een kwalitatieve opwaardering van de locatie door de sloop van overtollig bebouwing en de aanpak voor de nieuwe functies. Daarnaast wordt een behoorlijk areaal nieuwe natuur gecreëerd. Waarbij tevens gedacht is aan een ontsluiting door middels van het creëren van recreatieve mogelijkheden in een divers pallet. Voor de landschapsbeleving en inrichting is een plan ontwikkeld (zie separate bijlage) waarmee een inpassing wordt gemaakt en een verbetering van de omgeving. Daarmee profiteert zowel het landschap alsook de natuur van de voorgenomen ontwikkeling. De borging van de diverse elementen (inclusief de uitvoering van het landschapsplan) is verder opgenomen in de verbeelding en de planregels bij dit plan Volledigheidshalve wordt – onder verwijzing naar artikel 3.70 van de IOV – nog opgemerkt dat in deze absoluut geen sprake is van een grootschalige recreatieve ontwikkeling. De omvang is kleinschalig en beperkt, zowel qua oppervlakte als qua voorzieningen (zie beschrijving). Als referentie wordt hiertoe nog verwezen naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1619). De Afdeling concludeert dat bij niet eens sprake is van een zogenaamde stedelijke ontwikkeling 21
bij het ontwikkelen van een onbebouwd agrarisch terrein met vergelijkbare recreatieve functie. Van een grootschalige recreatieve ontwikkeling in voorliggende situatie is dus zeker geen sprake. Ad. Aardkundig waardevol gebied De locatie is tevens geduid als aardkundig een waardevol gebied. Artikel 3.28 zegt daar het volgende over. Artikel 3.28 Aardkundige waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Aardkundig waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de aardkundige waarden en kenmerken zoals beschreven in de Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart Noord-Brabant; b. stelt regels ter bescherming van de aardkundige waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden.
Voorliggend initiatief gaat uit van de bestaande opstallen. Het aantasten of beroeren van aardkundige waarden ligt met het initiatief zelf niet voor de hand. Voor zover waarden aanwezig zijn zullen deze beschermd blijven zoals dat tot op heden al het geval was. De locatie krijgt in de verbeelding en de planregels de noodzakelijk bescherming met een archeologische dubbelbestemming. Zie hiervoor ook paragraaf 4.2 hierna. Ad. Cultuurhistorisch waardevol gebied De locatie is tevens geduid als cultuurhistorisch waardevol gebied. Artikel 3.29 zegt daar het volgende over. Artikel 3.29 Cultuurhistorische waarden Een bestemmingsplan van toepassing op Cultuurhistorisch waardevol gebied: a. is mede gericht op behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de cultuurhistorische waarden en kenmerken zoals beschreven in de Cultuurhistorische Waardenkaart; b. stelt regels ter bescherming van de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden. Over de locatie aan de Liempseweg is te melden dat dit op zichzelf geen cultuurhistorische locatie betreft. De wegenstructuur ter plaatse, met daarbij de typische lintbebouwing is wel kenmerkend voor de omgeving en heeft een waarde vanuit het grote perspectief. Deze cultuurhistorische waarde wordt met het voorgenomen plan niet aangetast, maar versterkt. Dit door de situering van de bebouwing.
Ook de aanwezige woningen blijven in hun omvang en verschijningsvorm behouden. Ze krijgen wel een opwaardering waarmee de kwaliteit van het gebied en de omgeving wordt versterkt. Verder wordt verwezen naar de
22
cultuurhistorische beelden bij de inpassing hiervoor en paragraaf 4.2 hieronder. Het plan is dus op geen enkel manier in strijd is met artikel 3.29 van de IOV. Ad. Groenblauwe Mantel Ten aanzien van de duiding van de ligging binnen de Groenblauwe Mantel en doorwerking van artikel 3.32 IOV wordt opgemerkt dat dit vooral relevant is voor agrarische bedrijven. Doel van de duiding is immers een zone te creëren waar groene en blauwe waarden in het buitengebied worden beschermd. Agrarische bedrijven (teeltbedrijven, veehouderijen en overige) hebben een andere invloed op de genoemde waarden dan de met dit plan voorgenomen recreatieve ontwikkeling. Voorts wordt gewezen op de inhoud van de ontwikkeling waarbij een enorm areaal aan nieuwe natuur zal onstaan, passend bij het Dommeldal waarin de locatie is gelegen. Uit de duiding Groenblauwe Mantel komen dan ook geen verdere overwegingen. Ad. Attentiezone waterhuishouding In artikel 3.26 is in de verordening nog een duiding opgenomen ten behoeve van waterhuishouding. Functies die een negatief effect op de waterhuishouding hebben worden uitgesloten.
Artikel 3.26 Attentiezone waterhuishouding Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Attentiezone waterhuishouding strekt tot bescherming van de waterhuishouding en sluit functies en activiteiten uit die een negatief effect hebben op de hydrologische instandhoudingsdoelen van het hierbinnen gelegen Natuur Netwerk Brabant. Lid 2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt in ieder geval regels over: a. het verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld, voor zover geen vergunning is vereist op grond van de Ontgrondingenwet; b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een bestaande drainage; c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen; d. het beperken van het buiten een agrarisch bouwperceel aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten. Het voorgenomen initiatief heeft geen negatieve invloed op de waterhuishouding. Sterker het initiatief maakt dat een agrarische functie wordt beëindigd en biedt ruimte aan de natuur zijnde meer specifiek een waterloop. Verharding en bebouwing neemt ter plaatse af. Aangenomen kan worden dat het plan een zeer positief effect heeft op de waterhuishouding
23
ter plaatse en in de omgeving. Voor de verder beoordeling van de wateraspecten wordt naar de waterparagraaf hieronder verwezen. Ad. Afwijkende regels bedrijfswoningen Artikel 3.70 Afwijkende regels bedrijfswoningen Lid 1 In afwijking van artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning binnen het bouwperceel van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf als de toelichting een verantwoording bevat dat: a. de noodzaak vanwege de aard van de bedrijfsvoering aanwezig is; b. de noodzaak van deze nieuwbouw niet het gevolg is van een eerder aanwezige, inmiddels afgestoten bedrijfswoning. Lid 2 Voor een grootschalig verblijfsrecratief bedrijf zijn onder overeenkomstige toepassing van het eerste lid ten hoogste twee bedrijfswoningen toegestaan. Lid 3 Een bestemmingsplan kan voorzien in het gebruik van een bestaande burgerwoning als bedrijfswoning, als de woning binnen het bouwperceel van het bedrijf wordt gebracht en daarmee een ruimtelijke eenheid vormt. Per saldo wordt er geen woning toegevoegd. Bij de bestaande boerderij met de aanduiding ‘twee-aaneen’, wordt het linkerdeel omgezet van burgerwoning naar bedrijfswoning (beheerderswoning) ten behoeve van het recreatieve bedrijf. Om het recreatiebedrijf bedrijfsmatig te runnen, dient er een beheerderswoning aanwezig te zijn.
Gezien al het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant van de provincie NoordBrabant.
24
3.3 Gemeentelijk beleid Ambitie in Mijlpalen van Meijerijstad De gemeente Meierijstad is een aantrekkelijke, duurzame en gezonde omgeving om te wonen, te werken en te recreëren. Een ruimtelijke balans tussen wonen, werken en leven. Meierijstad vormt een toeristische schakel tussen Het Groene Woud en De Maashorst. Meierijstad is een toeristische trekpleister van economisch belang, met buitenrecreatie, kunst en cultuur als aantrekkelijke pijlers. Vergroten en toegankelijk maken van waardevolle landschappen en natuur. Een samenhangend beleid voor toerisme en recreatie dat aansluit bij de ontwikkelingen binnen Het Groene Woud, Dommelvallei en De Maashorst, en de realisatie van een aantal aansprekende projecten. Vijf principes zijn leidend voor alle activiteiten en binnen alle beleidsterreinen, dat zijn: participatie, leefbaarheid, innovatie, duurzaamheid en gezondheid. De gemeente Meierijstad heeft daarbij de ambitie om de meest gastvrije regio van West-Europa te worden waar toegankelijkheid en lokaal ambassadeurschap een belangrijk onderdeel zijn. Met name de ontwikkeling van verblijfsrecreatie wordt als een belangrijk kernpunt genoemd: van logies tot het stimuleren van camperplaatsen. Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de verdere profilering van de gemeente Meijerijstad conform de vijf leidende principes.
Onderhavige ontwikkeling is daarmee passend binnen het gemeentelijk beleid. Kwaliteitsverbetering De gemeente is bezig met het opstellen van een nieuw kwaliteitskader. Dit kader is nog niet vastgesteld. Voor voorliggende locatie wordt het Sint-Oedenrode beleid aangehouden. Het nieuwe kwaliteitskader Meierijstad lijkt echter berekening-technisch voordeliger uit te komen. De locatie wordt landschappelijk ingepast. Hiertoe is een plan opgesteld dat als bijlage geldt bij de toelichting en de planregels. Daarnaast vindt bij deze ontwikkeling de realisatie van een behoorlijk areaal natuur plaats. Daarbij wordt een agrarisch bestemming afgewaardeerd en de locatie ingericht. In het beplantingsplan zijn de volgende elementen opgenomen: - Beschrijving van de huidige structuren (onze landschapsanalysekaart kan hiervoor als basis worden gebruikt) en waarom de beoogde beplanting hier een versterking voor zou zijn; - De berekende kwaliteitsbijdrage; - Aangeven wat valt onder de goede landschappelijke inpassing en wat valt onder de aanvullende kwaliteitswinst (weghalen verharding, weghalen stallen etc).
25
De berekening hiertoe ziet er als volgt uit: Als basis bedragen en waarden gelden de volgende uitgangspunten: • agrarisch bouwvlak: 25 euro • agrarisch zonder bouwvlak: 7 euro • natuur: 1 euro • recreatie onbebouwd: 50 euro • recreatie bebouwd: 100 euro Het gehele plangebied heeft een oppervlakte van 41.711 m2
In de separate bijlage wordt nader op de kwaliteitsbijdrage en de landschappelijke inpassing ingegaan.
26
4.
MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING
4.1 Mer-beoordeling Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden of deze nadelige milieugevolgen hebben. In het besluit m.e.r. geldt voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit onderdeel C een m.e.r. plicht. Voor activiteiten genoemd in onderdeel D geldt een m.e.r. beoordelingsplicht waarbij gekeken moet worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Onderhavig plan voorziet in de realisering van een tweetal woningen, een camperplaats en 20 vakantiewoningen / B&B-units. Dit op een locatie waar voorheen een agrarisch bedrijf c.q. veehouderij gelegen was, met bebouwing / stallen en reeds twee bedrijfswoningen. De ontwikkeling zou in de basis aangemerkt kunnen worden als zijnde: “D11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Uit jurisprudentie blijkt dat het oordeel of een ruimtelijke ontwikkeling wel of niet aangemerkt kan worden als een stedelijk ontwikkelingsproject onder andere afhangt van de aard en omvang van het plan/voornemen en de vraag of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
In uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Wat ‘stedelijke ontwikkeling’ inhoudt kan bovendien van regio tot regio verschillen. In bijlagen D van het Besluit m.e.r. (D11) gelden als drempelwaarden een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 of meer woningen of een bedrijfsvloeroppervlak van meer dan 200.000 m2. Gelet op deze drempelwaarden wordt met een stedelijk ontwikkelingsproject een grootschalige, integrale gebieds(her)ontwikkeling bedoeld. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake.
Hetgeen in het onderhavig plan is voorzien kan, gelet op de aard en omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van functiewijzigingen maar de bebouwingsmogelijkheden en feitelijke bebouwing nemen per saldo af. Dit betekent dat hetgeen waarin het plan voorziet niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het betreft namelijk een kleinschalige en perceelsgebonden ontwikkeling, waarmee geen ondersteunende functies en ontwikkelingen samenhangen.
27
In dit geval heeft het perceel een agrarische bestemming met bouwvlak. Deze bestemming staat de beoogde recreatieve ontwikkeling niet toe. Echter, daartegenover staat dat het thans aanwezige agrarische bouwvlak verdwijnt. Het nieuwe ruimtebeslag van de voorziene bebouwing is relatief beperkt en neemt af. De bestaande groenstructuur wordt versterkt en aan de achterzijde vindt een enorme uitbreiding van een natuurgebied plaats. Het plan wordt ingepast met nieuw groen. De nieuwe ruimtelijke uitstraling op de omgeving, gezien de afnemende omvang daarvan en de groene inpassing, wordt als relatief beperkt beschouwd. Het project kan daarom niet als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ in de zin van artikel 5, zesde lid, van bijlage II van het Bor worden aangemerkt. De beoogde ontwikkeling komt daarmee niet voor in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. Derhalve is een (vormvrije) m.e.r. beoordeling niet aan de orde.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Het initiatief is gelegen binnen een zone met (hoge) verwachtingswaarden. Echter, met het initiatief worden slechts in beperkte omvang bodemverstorende activiteiten voorzien, te weten het planten van bomen en het uitgraven van een vijver. Deze “verstorende activiteiten” zullen zeker op een diepte van meer dan 40cm ruim onder de 200m2 blijven. Uitgangspunt is het gebruik van reeds bestaande opstallen. Bovendien zal ter bescherming een archeologische dubbelbestemming met vergunningsvoorschriften gehandhaafd blijven. Daarmee is gegarandeerd dat een voldoende afweging aan de orde zal zijn bij het aanvragen en afgeven van een omgevingsvergunning voor eventuele toekomstige activiteiten. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3.2 Cultuurhistorie De aanwezige bebouwing betreft geen monumentaal of anderszins bijzonder cultuurhistorisch waardevol pand. Er kan derhalve worden aangenomen dat er geen negatieve invloed uitgeoefend wordt op het beeldbepalend dorpsgezicht of andere eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden. Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er hierdoor geen belemmeringen.
4.3 Flora en fauna Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur.
28
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Het voorgenomen initiatief voorziet in de planologische sanering van een agrarisch bedrijf alsmede de ontwikkeling en inrichting 3,5 ha nieuwe natuur in het Dommeldal, onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Aangenomen kan worden dat aspecten van flora- en fauna en meer in het bijzonder waarden vanuit de Wnb er op vooruit gaan en niet verder niet in de weg staan aan de voorgenomen planontwikkeling. Volledigheidshalve kan aan voorgaande nog worden toegevoegd dat beoogd wordt in de toekomstige situatie voor de verwarming van accommodaties te gaan werken met duurzame oplossingen zoals warmtepompen die gevoed worden vanuit te plaatsen zonnepanelen. Van nieuwe of extra stikstofdepositie is daarmee geen sprake. Tot slot wordt nog opgemerkt dat voorafgaand aan de werkzaamheden, o.a. sloop en aanpassing stal zal een quick-scan flora en fauna worden uitgevoerd. Aangezien het plangebied in het NNB ligt is het mogelijk dat de stal fungeert als schuil- of nestgelegenheid voor fauna.
In het kader van de NBW dient verstoring van beschermde soorten of algemene soorten te worden voorkomen.
4.4 Waterparagraaf In artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21e eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop.
29
Voorts wordt in het verlengde van voorgaande over de rioolaansluiting het volgende opgemerkt. Op de locatie aan de Liempdseweg zijn momenteel opstallen gelegen van een voormalig agrarisch bedrijf, een en ander met bijbehorende verharding. Door de voorgenomen sloop van een grote schuur/stal zal het verharde oppervlak aanzienlijk afnemen. Gelet op het feit dat een gedeelte van het plangebied straks gebruikt zal worden als groen en fruitgaard is zelfs de verwachting dat dit een positief bijdrage zal leveren aan de afvoer van water. Tevens zal in de nieuwe situatie voorzien worden in de afkoppeling van al het hemelwater. Het hemelwater zal daarbij met specifieke voorzieningen worden vastgehouden en de mogelijkheid krijgen te infiltreren. De situatie gaat er dus op vooruit. De huidige woning voert het huishoudelijke afvalwater af op het gemeentelijke drukrioleringssysteem. Regenwater is niet aangesloten op het drukrioolsysteem. Nu niet en in de toekomst niet. Voor de nieuwe ontwikkeling zal de initiatiefnemer nagaan hoe de afvoer van huishoudelijk afvalwater (20 logies en 10 camperplaatsen) wordt gerealiseerd. Gelet op bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Vanuit het waterschap is nog gesignaleerd dat voorliggend plan een hydrologisch positieve ontwikkeling is.
Wel wordt opgemerkt dat het achterste deel van het perceel (zie tekening), gezien vanaf de weg, is aangeduid als regionale waterberging. Dit deel zal waarschijnlijk regelmatig overstromen.
Afbeelding: waterbergingsgebied
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat inmiddels het Waterbeheerprogramma 20222027 van kracht is. Daarin is het meest actuele beleid voor wat betreft het waterbeheer van de provincie opgenomen. Het plan voldoet aan dit beleid. Belangrijk punt uit het beleid is compensatie bij een toename van bebouwd of verhard gebied. In voorliggend plan neem het verharde en bebouwde gebied aanzienlijk af. Compensatie is dus niet aan de orde.
30
4.5 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen (op basis van functie-klasse in het kader van de Wet bodembescherming) en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functieen/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Opgemerkt wordt deels sprake zal zijn van sloop en deels van verbouw. Bovendien verandert de functieklasse van de bodem in de zin dat de nieuwe functie gevoeliger gaat worden. Verder is door Milon 25 maart 2021 een bodemonderzoek uitgevoerd (bekend onder projectnummer 20211159) dat als bijlage aan deze onderbouwing is toegevoegd. Kortheidshalve wordt verwezen naar de inhoud van dit rapport. De conclusie uit het rapport luidt: Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten en concentraties aangetoond.
Uit het asbestonderzoek blijken geen gehalten boven de grenswaarde voor nader asbestonderzoek te zijn aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4.6 (Ondergrondse) infrastructuur Er liggen in het besluitgebied en de omgeving geen planologisch beschermde leidingen die een belemmering vormen voor de voorgenomen functiewijziging.
31
4.7 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals de woningen uit voorliggend plan, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNGpublicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNGpublicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd.
Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Het plangebied van onderhavig initiatief kan aangemerkt worden als ‘gemengd gebied’. De locatie is gelegen aan een slingerend lint (de weg) met diverse functies. Dit zijn zowel woonfuncties, alsook agrarische bedrijvigheid. Daarnaast is in de omgeving een bedrijfslocatie aanwezig. Kortom, in de directe omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor. De dichtstbijzijnde bedrijven zijn gelegen aan de overzijde van de Liempdseweg van het plangebied, gelegen zuid/zuidwest op circa 50 meter, een agrarische bedrijf, zijnde de kwekerij van initiatiefnemer. Aan de noordzijde/noordwest van het plangebied is op bijna 150 meter eveneens agrarisch bedrijf gelegen. En aan de oostzijde is het eerste bedrijf zijnde een agrarisch bedrijf gelegen op circa 500 meter. De genoemde bedrijven hebben allen geen hoge milieucategorie (1 of 2). Gelet op de ligging en afstand wordt aan de minimale afstandseisen uit de VNG-publicatie voldaan. Ten aanzien van het aspect geluid wordt in het bijzonder nog het volgende opgemerkt. Op basis van vaste jurisprudentie (o.a. ABRS 8 november 2017, no. 201609544/1/R2) is een kampeerterrein of een logiesgebouw geen geluidgevoelig object. De objecten moeten wel beschermd worden.