Leinserondweg 24-24a - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen
Tekst van het document
Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water; Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren; Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem; Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater; Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie; Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor; De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt; De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken. Doorwerking plangebied Met de bestemmingswijziging is er sprake van een bestaande situatie die planologisch-juridisch wordt geregeld. De verharding is reeds aanwezig. Er is geen sprake van een toenemend verhard oppervlak. Het aspect water vormt geen belemmering. In verband met het aanwezige drukrioolsysteem mag er enkel huishoudelijk afvalwater worden afgevoerd vanuit de woningen.
Afstromend regenwater zal op eigen terrein worden verwerkt, hiervoor is het perceel groot genoeg.
4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Hoofdstuk 4
27
Doorwerking plangebied Dit planvoornemen behelst planologisch-juridisch gezien de wijziging van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Omdat de functie van de gronden conform het Besluit bodemkwaliteit gevoeliger wordt is het in het kader van het bestemmingsplan een bodemonderzoek noodzakelijk. Echter zijn de agrarische gronden al geruime tijd als woonfunctie. Derhalve is het formulier ‘Historische toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek’ van de Omgevingsdienst Brabant Noord ingevuld (zie bijlage 3) en ingediend. Hieruit blijkt dat de locatie feitelijk sinds 2003 hoofdzakelijk als wonen in gebruik is geweest en dat er geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.
4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. De ontwikkelingen vinden volledig plaats op eigen terrein, waar geen kabels en leidingen van derden zijn gelegen. Ook vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-
2
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
28
kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Onderhavig plangebied is gelegen in het buitengebied met agrarische bedrijvigheid en woningen. Er is sprake van een gebied met functiemenging, met milieubelastende en milieugevoelige functies op korte afstand van elkaar. Op ruim 350 meter van het plangebied is een bedrijf gelegen, het betreft een auto/motorreparatie-, service- en handelsbedrijf. Op basis van de VNG publicatie valt een dergelijk bedrijf in milieucategorie 2, hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. De bedrijf heeft derhalve geen invloed op de planontwikkeling en vice versa. In de omgeving van het plangebied zijn een aantal intensieve veehouderijen gelegen. Het omschakelen van voormalige agrarische bedrijfswoningen naar burgerwoningen kan invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende veehouderijen. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van circa 100 meter van het plangebied, dit betreft een rundveehouderij. Op basis van de VNG publicatie geldt voor het fokken en houden van rundvee een richtafstand van 100 meter in een rustig buitengebied en een richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied.
Aan de richtafstand van 50 meter wordt ruimschoots voldaan De dichtstbijzijnde intensieve varkenshouderijen liggen op een afstand van minstens 460 meter van het plangebied. Vanwege de afstand tot het plangebied hebben deze veehouderijen geen negatieve effecten op onderhavige ontwikkeling. Daarnaast zijn er op kortere afstand van het plangebied en de bedrijven al andere gevoelige objecten (woningen) gelegen, waardoor onderhavige ontwikkeling geen extra beperkingen zal opleveren voor de bedrijven in de omgeving en waardoor aangenomen kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van het plangebied. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conform de Wgv dient een veehouderijbedrijf te voldoen aan een geurhindercontour van maximaal 14 ouE/m³ (odeurunits). Dat betekent dat een individueel veehouderijbedrijf niet meer dan 14 ouE/m³ op geurgevoelige objecten mag uitstoten. Op 13 september 2016 heeft de voormalige gemeente Veghel
Hoofdstuk 4
29
de ‘Evaluatie geurbeleid 2015 Gemeente Veghel’ vastgesteld. Middels dit beleid heeft de gemeente geen afwijkende geurhindercontouren vastgesteld. Doorwerking plangebied Bij de ontwikkeling is er sprake van een geurgevoelige objecten. De voormalige agrarische bedrijfswoningen herbestemd naar burgerwoningen. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woonen leefmilieu te kunnen beoordelen. Achtergrondbelasting Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de geurgevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat wordt inzichtelijk gemaakt middels de achtergrondbelasting, ofwel cumulatieve geurbelasting van alle aanwezige veehouderijen, in een gebied. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het projectgebied betrokken.
Figuur 4.1 Weergave achtergrondbelasting met het plangebied rood omcirkeld. Het betreft de geursituatie 2015 inclusief ontwikkelingsanalyse volgens VR 2014 en GGD-advieswaarden. (bron: Evaluatie geurbeleid 2015, gemeente Veghel).
In figuur 4.1 is een uitsnede weergegeven van de gecumuleerde geurbelasting (evaluatie van de gemeentelijke geurverordening 2015). Hierin is te zien dat ter plaatse van het plangebied de gecumuleerde geurbelasting 5 -10 E/m³ is, waardoor sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
30
4.9 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd in ‘Wonen’. Bestaande bedrijfswoningen worden bestemd als burgerwoningen. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegevoegd. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet noodzakelijk.
4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
Doorwerking plangebied Onderhavig plan wijzigt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ in ‘Wonen’ in combinatie met het behouden van bijgebouwen. Met deze ontwikkeling is er geen sprake van een toename van verkeersbewegingen. Het plan draagt daardoor niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wel moet worden aangetoond wat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is. De achtergrondwaarden kunnen bepaald worden met behulp van de NSL-monitoringstool. Deze staan weergegeven in tabel 4.1. Uit de tabel kan geconcludeerd worden dat de achtergrondwaarden ter plaatse van een maatgevend meetpunt in de omgeving ruim onder de norm liggen. De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied
Hoofdstuk 4
31
wordt dan ook acceptabel geacht. Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen voor dit plan. Meetpunt 15860512 15860511 15520172 15520338 15520132 15520364 Norm
NO2 μg/m3 22.6 20.8 16.6 17.6 17.6 17.1 40
PM10 μg/m3 19.0 18.8 18.7 18.8 18.8 18.8 40
PM10 overschrijdingsdagen 6.8 6.7 6.7 6.7 6.7 6.5 35
PM2.5 μg/m3 11.5 11.4 11.3 11.3 11.3 11.3 25
Jaar 2020 2020 2020 2020 2020 2020
Tabel 4.1: Achtergrondwaarden (Bron: NSL-monitoringstool)
4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Circulaire effectafstanden tot LPG-tankstations Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Hoofdstuk 4
32
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Circulaire effectafstanden tot LPG-tankstations Met de circulaire effectenafstanden tot LPG-tankstations wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPG1-tankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De circulaire is van toepassing als door de wijziging meer personen binnen de effectzone aanwezig kunnen zijn. Met onderhavig planvoornemen is er geen sprake van een toename van personen. Daarnaast is de circulaire van toepassing op (zeer) kwetsbare objecten, waar de inpassing van woningen onder vallen. In beginsel wordt er voor de planlocatie rekening gehouden met een effectzone van 60 meter, waaraan wordt voldaan. De circulaire vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Activiteitenbesluit In het activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling staan de regels waar de bedrijven waarop het besluit van toepassing is, aan moeten voldoen. In het besluit staan ook de aan te houden afstanden tot externe objecten. Deze externe veiligheidsafstanden gelden voor een beperkt aantal bedrijven.
Het gaat onder meer om: bedrijven met opslag van meer dan 2.500 kg (of liter) gevaarlijke stoffen in één opslagvoorziening; locaties waar een bovengrondse propaantank in gebruik is (het besluit geldt ook voor het gebruik van een propaantank door particulieren). Met het planvoornemen wordt geen bedrijf gevestigd. Tevens liggen er geen bedrijven in de directe omgeving en is er geen bovengrondse propaantank aanwezig op de planlocatie. Derhalve vormt het activiteiten besluit geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Doorwerking plangebied Uit een inventarisatie op basis van de risicokaart zijn de risicobronnen in de omgeving geïnventariseerd die van invloed kunnen zijn op het plangebied (zie figuur 4.2).
Hoofdstuk 4
33
Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart met plangebied blauw omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Risicovolle inrichtingen Op 860 meter ten westen van het plangebied is een bovengrondse propaantank gelegen. Gezien de afstand tot het plangebied zal dit geen negatieve invloed hebben op de veiligheid ter plaatse van de woonboerderij. Transport van gevaarlijke stoffen Op ruim 3 kilometer ten westen van het plangebied ligt de Rijksweg A50. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. invloedsgebied van deze weg is 880 meter en het plangebied valt hier dus niet binnen. De beleidsvisie externe veiligheid van de voormalige gemeente Veghel geeft aan dat er geen beperkte verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Over de N279: NCB laan / Rijksweg (Veghel) -N272 / N279 op circa 500 meter afstand van het plangebied worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorieën: LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3. Alleen het invloedsgebied van de stof uit categorie LT2 reikt over het plangebied, deze bedraagt namelijk 880 meter. Stoffen uit categorie LT2 zijn toxische vloeistoffen. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk. Buisleidingen Ten oosten en noordoosten van het plangebied lopen enkele aardgasleidingen. Deze leidingen kennen een 1%-letaliteitsafstand van maximaal 70 meter en een 100%-letaliteitsafstand van maximaal 140 meter. Het plangebied ligt hier ruim buiten. op een afstand van circa 390 meter een gasleiding.
Het betreft een aardgasleiding van de Gasunie. Er is dan ook geen verantwoording van het groepsrisico nodig.
Hoofdstuk 4
34
Beperkte verantwoording groepsrisico Scenario('s) Het relevante scenario voor het plangebied i.r.t. het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het plangebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het plangebied gehuisvest.
De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het plangebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het plangebied: goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Schuilmogelijkheden Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen.
Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden.
Hoofdstuk 4
35
Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af. Conclusie Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. De veiligheidsregio kan nog een advies geven over de verantwoording van het groepsrisico. Conform art. 9 Bevt moet de veiligheidsregio om advies worden gevraagd voor de verantwoording van het groepsrisico. Dit advies is door de ODBN opgevraagd en opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het advies blijkt dat de door de voorgestane ontwikkeling de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid niet negatief beïnvloed worden. Een nader advies is niet noodzakelijk.
4.12 Hoogspanningslijnen Op een afstand van ongeveer 3,2 km ligt een hoogspanningslijn. Gelet op deze afstand vormt dit aspect geen belemmering. Volgens de Netkaart van het RIVM geldt langs deze hoogspanningslijn een indicatieve zone van 100 meter. Het plangebied ligt hierbuiten. Hoogspanningslijnen vormen geen belemmering.
4.13 Spuitzones gewasbescherming In de directe omgeving van het plangebied zijn geen percelen aanwezig met een spuitzone gewasbescherming. Spuitzones vormen geen belemmering voor het plan.
4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 bevat een praktisch stappenplan om te beoordelen of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Doorgaans dienen de zeven stappen allen te worden doorlopen en beantwoord om na te gaan of er knelpunten worden gevonden. Onderhavig voornemen voorziet in de omzetting van twee reeds bestaande bedrijfswoningen naar burgerwoningen. In beide gevallen is er sprake van gevoelige objecten met betrekking tot het aspect volksgezondheid. In die zin verandert er niets aan de situatie en neemt tevens het aantal blootgestelden in de toekomst niet toe. Met het oog op het woon- en leefklimaat kan daarom worden gesteld dat er geen wijziging plaatsvindt die een aanvaardbaar woon- en leefklimaat negatief beïnvloedt. Het voornoemde stappenplan hoeft daarom voor dit voornemen niet te worden doorlopen en een advies van de GGD is niet nodig. Met betrekking tot volksgezondheid dient de gemeente de uiteindelijke afweging te maken of er sprake is van een aanvaardbaar volksgezondheidsrisico. Geitenhouderijen Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Binnen 2 km van het plangebied liggen geen geitenhouderijen.
Er is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico
Hoofdstuk 4
36
Varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het plangebied ligt buiten de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom de varkens- en pluimveehouderijen in de omgeving. Voor de locatie geldt dat er geen sprake is van een verhoogd volks-gezondheidsrisico.
4.15 Verkeer en parkeren Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op de parkeervraag en het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen op treden en of dit een effect heeft op de parkeervraag en de verkeersgeneratie. De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. Doorwerking plangebied Volgens de beleidsregel ‘Nota Parkeernormen Meierijstad 2018’ zijn er voor een 2-onder-1 kap woning in het buitengebied 2,3 parkeerplaatsen nodig per woning. De noodzakelijke parkeerplaatsen volgens de parkeernormen van de gemeente Meierijstad worden gerealiseerd op eigen terrein.
Er worden geen nieuwe functies of voorzieningen mogelijk gemaakt. Het aantal verkeersbewegingen zal niet toenemen, het omliggende wegennetwerk kan de bestaande verkeersgeneratie prima verwerken. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
37
5.
JURIDISCHE PLANOPZET De ontwikkeling wordt meegenomen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ van de gemeente Meierijstad. De reeds aanwezige gesplitste woonboerderij wordt bestemd als ‘Wonen’ met de aanduiding maximaal 2 wooneenheden. In de bouwregels binnen de bestemming ‘Wonen’, en eventueel op de verbeelding, worden de maximale goot- en bouwhoogte van de woning en bijbehorende bouwwerken vastgelegd. Daarnaast wordt er voor de schop de aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen. Hier wordt een verbod/vergunningsplicht op (gedeeltelijke) sloop en structurele verandering van de boerderij aan gekoppeld. Er wordt een aanduiding opgenomen voor het specifieke gebruik van de loods bij nr. 24A voor VAB-activiteiten in de vorm van statische opslag, opslag van materiaal en materieel voor hobbymatig beheer van agrarische gronden en hobbymatig stallen van paarden. De gronden die landschappelijk worden ingericht krijgen een bij dit gebruik passende bestemming. Middels een voorwaardelijke verplichting wordt geborgd dat de landschappelijke inpassingsmaatregelen zoals beschreven in paragraaf 2.2 ook daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden. De te behouden bijgebouwen krijgen een aanduiding voor het behoud van vrijkomende agrarische bebouwing. Wat betreft overige gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden wordt aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’.
Wel dient binnen de bestemming ‘Wonen’ in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting te worden opgenomen ter juridische zekerstelling / waarborging van de landschappelijke inpassing. Daarnaast blijven de in paragraaf 1.3 genoemde dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduidingen van toepassing.
Hoofdstuk 5
38
6.
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de economische uitvoerbaarheid. De ontwikkelingskosten zullen geheel door initiatiefnemer worden gedragen. De kosten welke door de gemeente gemaakt worden voor het opnemen van deze ontwikkeling in de herziening van de bestemmingplannen voor het buitengebied zullen worden verhaald op de initiatiefnemer. Voorafgaand de planologische procedure formeel van start gaat, wordt er een realisatieovereenkomst gesloten tussen de gemeente en initiatiefnemer. Hierin worden afspraken vastgelegd over verschillende onderwerpen, zoals de landschappelijke inpassing.
Hoofdstuk 6
39
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. De ontwikkeling aan de Leinserondweg 24/24A in Zijtaart wordt opgenomen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’, de herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van de gemeente Meierijstad. Voor deze bestemmingsplanherziening is de procedure op basis van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. Het plan doorloopt op deze manier de formele juridische procedure. Omgevingsdialoog Initiatiefnemer heeft het planvoornemen met de naaste bewoners besproken in het kader van de omgevingsdialoog. Op voorhand zien de naaste bewoners geen belemmeringen. Een verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage opgenomen. Wettelijk (voor)overleg Het besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Vanuit het vooroverleg met de Provincie Noord-Brabant zijn een aantal punten naar voren gekomen die om een nadere motivering vragen, onder andere m.b.t. de aanpassing van het landschappelijk inpassingsvoorstel en een toelichting op het plan aan de hand van de artikelen 3.68 (Wonen in Landelijk gebied) en 3.69 (Afwijkende regels (burger)woningen) van de Interim Omgevingsverordening. De opmerkingen zijn verwerkt. Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van de procedure heeft het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze termijn kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van de gemeente Meierijstad. Tijdens deze termijn zijn er zienswijzen ingediend door o.a. de Provincie Noord-Brabant. De Nota beantwoording zienswijzen is opgenomen als bijlage bij het bestemmingsplan. Voor een overzicht van de zienswijzen, de reactie van de gemeente daarop en de wijzigingen die voortvloeiden uit de zienswijzen, wordt kortheidshalve verwezen naar deze bijlage. Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd.
Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Hoofdstuk 7
40
8.
CONCLUSIE Aan de voorwaarden, die zowel het rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid stelt, wordt met de ontwikkeling voldaan. Daarnaast wordt de ontwikkeling niet belemmerd door aanwezige omliggende functies en treedt andersom geen onevenredige overlast voor omliggende functies op. Met het initiatief zal geen schade wordt toegebracht aan omringende natuur- of landschapselementen en -structuren. De ontwikkeling wordt niet belemmerd door aanwezige, storende milieuaspecten of doordat hinder veroorzaakt wordt op de omgeving. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit ruimtelijk oogpunt niet bezwaarlijk is past in het beginsel van een goede ruimtelijke ordening.
Hoofdstuk 8
41
BIJLAGEN
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing en kwaliteitsbalans
Secu blijft maa word
4
Landschappelijke inpasssing Leinserondweg3 Leinserondweg 24-24a te veghel, gemeente Meierijstad
weg
d Leinseron
aanhelen cq. vervangen bestaande haag
Verv besta (pru straa Holla (Tilia
Bestaande veldschuur
Nieuwe hagen omkaderen het erf 1 (keuze uit beuk, haagbeuk, veldesdoorn, meidoorn, liguster)
Weide
4 Verwijderen naaldhout
Nieuw te bouwen schuur 10m x 6,25m
Fruitbomenweide met bloemen kruidenrijke onderlaag
1 2
5
dw
n Leinsero
De schop wordt in ere hersteld
colofon
projectnaam Landschappelijke inpassing Leinserondweg 24-24a datum Juli 2021 projectnummer P00227 opdrachtgever Familie Rovers BRO projectleider Jr projectteam Jr en IB bron kaft BRO
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
“Succes komt als je het lef hebt ergens aan te beginnen.” Mansal
Inhoudsopgave 1
Inleiding 1.1 Aanleiding en initiatief 1.2 Kaders en uitgangspunten 1.3 Ruimtelijke situatie
4 4 4 5
2
Inpassingsplan 2.1 Inrichtingsmaatregelen 2.2 Beplantingsindicatie
8 9 9
Bijlagen
Juli 2021
3
Inleiding
Landschappelijk inpassingsplan Leinserondweg 24-24a
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en initiatief
Op het perceel Leinserondweg 24/24a in het buitengebied nabij de kern Zijtaart, gemeente Meierijstad, bevindt zich een gesplitste woonboerderij. De eigenaar van het perceel wenst de bestemming van de locatie te wijzigen van een bedrijfsmatige agrarische locatie naar een woonbestemming. Het agrarisch bedrijf (paardenhouderij) ter plaatse wordt beëindigd. Hierdoor is geen sprake meer van een bedrijfsmatige binding van de twee woningen met een agrarisch bedrijf ter plaatse. De twee voormalige bedrijfswoningen worden bestemd als burgerwoningen. Naast een herbestemming naar ‘Wonen’ hebben de initiatiefnemers de wens om meer bijbehorende bijgebouwen per locatie te behouden. Dit omdat zij ruimte nodig hebben voor de stalling van materiaal en materieel ten behoeve van het beheer van enkele omliggende gronden en voor de Zijtaartse paardensportvereniging, waarvan het clubhuis nabij gelegen is. Het wijzigen van de bestemming in combinatie met een behoud van het bestaande oppervlak aan bijbehorende bouwwerken is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Er zal een ruimtelijke procedure dienen te worden doorlopen om het planvoornemen juridisch-planologisch te borgen. Deze herziening is in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ meegenomen. In dit ‘Ontwikkelplan’ worden diverse ontwikkelingen samengenomen in een gezamenlijk bestemmingsplan.
Om onderhavige ontwikkeling mee te laten lopen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ en juridisch planologisch mogelijk te maken is een ruimtelijke onderbouwing opgeJuli 2021
steld. In dit kader is ook een landschappelijke inpassing opgesteld en een voorstel voor een kwaliteitsverbetering gedaan.
1.2
Kaders en uitgangspunten
Het plan voldoet in beginsel aan de kaders vanuit het vigerende beleid dat relevant is voor de landschappelijke inpassing en aan de eisen/wensen vanuit het planvoornemen. Plangebied Het plangebied betreft de locatie Leinserondweg 24/24A in Zijtaart, gemeente Meierijstad en staat kadastraal bekend als VHL00 - R - 803. Het gehele perceel heeft een oppervlakte van 6.525 m2. Planvoornemen Initiatiefnemer wenst de paardenhouderij terug te brengen naar het hobbymatig houden van paarden en de bestemming te wijzigen voor de locatie, Leinserondweg 24/24a, naar ‘Wonen’. Daarbij is de wens voldoende ruimte voor bijgebouwen te behouden. Op deze manier kunnen de paarden gestald en onderhouden worden. Daarnaast is de wens om bijgebouwen te behouden voor de statische opslag van materialen voor de paarden. De vergunde paardenstal op het perceel nr. 24A (216 m2) komt op verzoek van de gemeente te vervallen. Hierbij wordt de milieuvergunning voor het houden van 20 paarden ingetrokken, wordt de schop (het gesplitste bijgebouw daterend van 1895) wordt zoveel mogelijk in ere hersteld en wordt er wordt een kwaliteitsimpuls geleverd door het perceel en haar omgeving landschappelijk in te passen.
Bestemmingsplan Het perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld 22 oktober 2015 door de voormalige gemeente Veghel) is leidend voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ met een bouwvlak. Op deze locatie is het mogelijk om rechtstreeks een grondgebonden agrarisch bedrijf uit te oefenen. Tevens gelden ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. De volgende gebiedsaanduidingen liggen op het plangebied: ‘gebiedsaanduiding – landbouw’; ‘gebiedsaanduiding – struweel’; ‘gebiedsaanduiding – reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’ en ‘gebiedsaanduiding – vrijwaringszone – radar’. Per bouwvlak is maximaal het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan. Ter plaatse van de Leinserondweg 24/24a gaat het om twee woningen. Er geldt geen maximum aan bedrijfsbebouwing ter plaatse van het bouwvlak. Verder is maximaal 100 m2 aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen per bedrijfswoning toegestaan. Naast bovengenoemd bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht.
Het ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’ heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad.
4
Inleiding
Landschappelijk inpassingsplan Leinserondweg 24-24a
niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5000m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Dit betekend dat het initiatief valt onder categorie 2 en hiermee alleen een landschappelijke inpassing volstaat. Er hoeven dus geen extra kwaliteitsverbeterende maatregelen te worden genomen. Figuur 1: Vigerend bestemmingsplan, (Bron: Ruimtelijke plannen)
1.3
Ruimtelijke situatie
1.3.1
Historische kenschets Figuur 3: Oude ontginningen, (Bron: Landschapsanalyse
Landschapstype Het plangebied ‘De Leinserondweg 24-24a’ is gelegen in het jongen heideontginningen gebied. De jonge heideontginningen zijn gebieden die lang onontgonnen en onbebouwd zijn gebleven. Het waren niet-gecultiveerde terreinen, die werden gebruikt voor het weiden van schapen en het steken van heideplaggen. Pas aan het eind van 19de eeuw en in de 20ste zijn deze heidegronden ontgonnen.
Figuur 2: Toekomstige bestemmingen
Kwaliteitsverbetering landschap Het initiatief valt binnen de aangegeven afwijkingsbevoegdheden van het bestemmingsplan en is daarmee een relatief kleinschalige ontwikkeling en heeft beperkte impact op de omgeving. De beoogde ontwikkeling valt onder de volgende ontwikkeling binnen de Handreiking kwaliteitsverbetering, Meierijstad: wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarischtechnisch hulpbedrijf) of Juli 2021
De jonge heideontginningen worden gekenmerkt door een rationele verkavelingsstructuur. Rechthoekige percelen evenwijdig of dwars op de ontsluitingswegen met laanbeplantingen en verspreid liggende erven. Het is een open agrarisch productielandschap. Slechts plaatselijk komen verdichtingen voor in de vorm van houtsingels, bosstroken en bebouwing.
Meierijstad, gemeente Meierijstad, 2019)
Kwaliteiten Hoe zien deze gebieden eruit (vorm)? • Grootschalige rationale verkaveling (regelmatige blokverkaveling, ook delen met stroken); • Vlak (al dan niet geëgaliseerd), soms met lichte welvingen; • Kunstmatig lage grondwaterstanden; • Diepe sloten; • Rechte wegen voorzien van bomenrijen; • Zandpaden; • Verspreide agrarische bebouwing op enige afstand van de wegen; • Duidelijk herkenbare gebieden met heldere grenzen; • Lanen en bomenrijen van overwegend eiken; • Kleine landschapselementen als erfbeplanting, singels, heggen en kleine bosjes; • Deze recent ontgonnen rationeel verkavelde gebieden zijn grootschalig en open van karakter daar waar nu graslanden of bouwland ligt. 5
Ruimtelijke onderbouwing
Landschappelijk inpassingsplan Leinserondweg 24-24a
Hoe worden deze gebieden gebruikt (functie)? • Deze jonge heideontginningen zijn overwegend in gebruik als bouwland, maar herbergen ook enkele bossen. • Dit relatief jonge landschap is geheel door mensen gemaakt; • Deze van origine iets drogere gebieden dan de broeklanden hebben nog steeds een grote natuurpotentie voor droge natuur. Gevoeligheden • De waterstand wordt kunstmatig laag gehouden, wat inhoudt dat ze bij menselijk falen ook weer omhoog kan komen; • Arme zandgronden; • Droogtegevoelig door lage grondwaterstand; • Verrommeling door toevoeging van gebouwen en bouwwerken is met deze grootschalige open landschappen een groot risico; • Beperkte natuurwaarden door monoculturen. Geschiedenis De mens heeft een behoorlijke invloed uitgeoefend op het ontstaan van de jonge heideontginningen. Door de mens is de oorspronkelijke begroeiing volledig verdwenen. Dit doordat vele bossen werden gekapt voor brandstof en bouwmateriaal. Hierdoor bleef er kale arme grond over. Door deze droge omstandigheden ontstonden heidevelden. De heidevelden werden vroeger door boeren gebruikt voor het laten grazen van schapen, ook ander vee nam toe. Daarnaast werden er plaggen gestoken om te verbranden of te gebruiken in t.b.v. het potstalsysteem. Van 1310 tot na 1800 werd het gemeenschappelijk gebruik van de heidevelden gereguleerd via de gemeenten.
Zo mocht men gras jaarlijks maaien en heideplaggen in een cyclus van 25 jaar steken. Dit zorgde uiteindelijk voor een kale
Juli 2021
heide grond, waarbij zandverstuivingen optraden. In de eerste helft van de negentiende eeuw kwam een einde aan de gemeenten. De grond werd verkocht in kleine percelen. Hierdoor ontstond een kleinschalig verkavelingspatroon met veelal heggen op de erfafscheidingen. Deze kleinschalige verkaveling is inmiddels verdwenen. De toepassing van kunstmest vormde een belangrijke doorbraak in het landschap. Door de beschikbaarheid van kunstmest werd het potstalsysteem niet meer toegepast, waardoor de heidevelden hun functie voor de landbouw verloren. Omdat in de 19de eeuw de behoefte aan hout toenam werden ook bossen aangeplant. De aanplant werd in lange rechte rijen doorgevoerd, waardoor ook de paden in lange rechte lijnen tussen de bospercelen werden gepositioneerd. De heidevelden zijn grofweg in de jaren 1880-1960 grotendeels verdwenen en hebben plaatsgemaakt voor landbouwgrond en bossen. Deze jonge heideontginningen worden gekenmerkt door een regelmatige blokverkaveling, openheid, rechte wegen en typische ontginningsboerderijen. (Landschapsanalyse Meierijstad, gemeente Meierijstad 2019)
1.3.2
Huidige situatie
Aan de Leinserondweg 24/24a is in 1895 een langgevelboerderij gebouwd met een bijbehorende schop. Deze boerderij was toentertijd al in bezit van de familie van initiatiefnemer. In 1953 tot en met 1955 werd de bebouwing op locatie uitgebreid met 2 bedrijfsgebouwen om pluimvee te houden. Door de jaren heen zijn hier nogmaals twee bedrijfsgebouwen bijgebouwd om pluimvee te houden. Door de groei van het agrarisch bedrijf is in de jaren ‘80 besloten om in de woonboerderij een (tijdelijke) tweede woning te realiseren middels een woningsplitsing. Deze vergunning is op 19 mei 1987 verleend door de (voormalige) gemeente Veghel. Hierdoor kon door twee gezinnen de pluimveehouderij voortgezet worden. Naast de exploitatie van de pluimveehouderij is initiatiefnemer begin jaren 2000 gestart met het houden van paarden. Eind jaren ’90 en begin jaren ’00 zijn diverse dierziekten (varkenspest, BKZ en vogelgriep) in de veehouderij uitgebroken, welke ook Noord-Brabant troffen. Tezamen met deze en andere factoren is ook besloten om eind 2001 de pluimveehouderij aan Leinserondweg 24/24a te beëindigen middels de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Met deze regeling kon een intensieve veehouderij(tak) beëindigd worden. Een van de voorwaarden om van deze regeling gebruik te maken was om de bedrijfsbebouwing met betrekking tot de pluimveehouderij te slopen. In 2003 is deze bebouwing gesloopt.
De bijgebouwen in gebruik als (statische) opslag en voor de paardenhouderij zijn wel behouden. De paardenstal welke vergund is, is vanwege diverse omstandigheden, waaronder de sanering van de pluimveehouderij, nooit gerealiseerd.
Figuur 4: Jonge heide ontginningen, karakteristieke blokverkaveling met kleine landschapselementen (Bron: Landschapsanalyse Meierijstad, gemeente Meierijstad, 2019)
6
Ruimtelijke onderbouwing
Landschappelijk inpassingsplan Leinserondweg 24-24a
Figuur 5: Globale ligging plangebied
Figuur 7: 1950, (Bron: Topotijdreis)
Figuur 9: 2000, (Bron: Topotijdreis)
Figuur 6: 1900, (Bron: Topotijdreis)
Figuur 8: 1980, (Bron: Topotijdreis)
Figuur 10: 2020, (Bron: Topotijdreis)
Juli 2021
7
Inpassingsplan
Landschappelijk inpassingsplan Leinserondweg 24-24a
2
Inpassingsplan
Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en de kennis van het landschap en locatie zijn vormgegeven. Naaststaande schets illustreert de voorgestelde maatregelen, gevolgd door een argumentatie. 4
3
dweg
aanhelen cq. vervangen bestaande haag
Leinseron
Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Aanplant knip-en scheerhagen: door aan de achterzijde van het erf lage hagen toe te voegen wordt het erf omkaderd, wat de ruimtelijke eenheid versterkt; 2. Aan de zuidzijde is een boomgaard voorzien, die het kleinschalig karakter van het erf versterkt en daarnaast als landschapselement zorgt voor een ecologische impuls; 3. Aan de straatkant wordt (grotendeels) de bestaande rij kersen vervangen door Hollandse Linde; 4. Op het erf worden exoten als conifeer en naaldhout verwijderd en ook de verharding ter plaatse van de (secundaire) inrit aan de noordzijde zal worden weggehaald. 5. Een solitaire linde markeert het erf aan de zuidoostzijde.
Secundaire inr blijft toeganke maar verhard wordt verwijd
Vervangen en bestaande bom (prunus) langs straatzijde do Hollandse Lind (Tilia × europa
Bestaande veldschuur
Nieuwe hagen omkaderen het erf 1 (keuze uit beuk, haagbeuk, veldesdoorn, meidoorn, liguster)
Weide
4 Verwijderen naaldhout
Nieuw te bouwen schuur 10m x 6,25m
Fruitbomenweide met bloemen kruidenrijke onderlaag
1 2
5
ndweg
Leinsero
De schop wordt in ere hersteld
Toevoegen (solitair)
Figuur 11: Landschappelijke inpassing (Zie bijlage 2 voor het inpassingsplan op schaal.)
Juli 2021
8
Handhaven struweel/ho
Inrichtingsmaatregelen
Landschappelijk inpassingsplan Leinserondweg 24-24a
2.1
Inrichtingsmaatregelen
1. Aanplant knip-en scheerhagen Door aan de achterzijde van het erf lage hagen toe te voegen wordt het erf omkaderd, wat de ruimtelijke eenheid versterkt. Daarnaast is een haag een passend landschapselement binnen het jonge heideontginningen landschap. Door een lage haag toe te passen wordt er tevens diepte gecreëerd op het achtererf en blijft de openheid op het perceel gewaarborgd.
5. Een solitaire linde markeert het erf aan de zuidoostzijde. Aan de zuidzijde wordt een erf/landschapsboom aangeplant. Deze boom zorgt voor een hoekaccent op het erf en vergroend hiermee het aanzicht op de woningen op het erf. Daarnaast zorgt er een erfboom voor diepte en dient het als oriëntatiepunt in de omgeving. De boom wordt ter hoogte van de perceelsgrens aangeplant.
2.2
Beplantingsindicatie
2. Aanleg boomgaard Door de aanleg van een boomgaard wordt het kleinschalig karakter van het erf versterkt en zorgt daarnaast als landschapselement voor een ecologische impuls.
De soortensamenstelling voor de toe te voegen beplanting is toegespitst op inheemse soorten die passen bij het karakter van het gebied en de bodemgesteldheid. In onderstaande tabel zijn de verschillende vakken, maatvoering, voorgesteld sortiment, plantverband en het aantal aan te schaffen stuks opgenomen.
3.
Maatregel
Omvang/ stuks
Voorgesteld sortiment
Verband
Aanplanten knip- en scheerhagen
ca. 145 m1/ 435 stuks
Bijvoorbeeld: • Fagus sylvatica - beuk • Carpinus betulus - haagbeuk • Acer campestre - veldesdoorn • Crataegus monogyna - meidoorn • Ligustrum vulgare - liguster
Enkele rij in driehoekverband, 3 stuks per m1. Aanplant 60-80 cm hoogte, eindhoogte ca.1 m.
Aanleggen boomgaard met kruiden- en bloemrijkgrasland
ca. 4 st.
Bijvoorbeeld: • Gewone appel • Mispel • Gewone peer
Plantafstand tussen de 8 en 10 meter. Aanplantmaat: minimale stamdiameter 14/16 cm
Ca. 440 m2
Kruiden- en bloemrijkgrasland: mengsel dat past binnen het landschap en de bodemgesteldheid. Nader onderzoek zal uitwijzen wat hiervoor het meest geschikt is.
n.v.t.
Kersen vervangen voor Hollandse Linde
ca. 6 st.
Tilia x europaea - Hollandse Linde
Aanplanten in een rij. Plantafstand tussen de 8 en 10 meter.
Aanplant landschapsboom
ca. 1 st.
Tilia x europaea - Hollandse Linde
Exacte locatie nader te bepalen
Aan de straatkant wordt (grotendeels) de bestaande rij kersen vervangen door Hollandse Linde. Aan de straatkant staan in de huidige situatie een aantal kersen bomen. Deze bomen zullen vervangen worden door Hollandse Linde. Deze soort is inheems en past binnen het jonge heide ontginningen landschap. 4.
Op het erf worden exoten als conifeer en naaldhout verwijderd en ook de verharding ter plaatse van de (secundaire) inrit aan de noordzijde zal worden weggehaald. Door het weghalen van exoten komt er meer ruimte en herkening vrij voor gebiedseigen soorten. Door deze maatregel wordt er op het perceel bijgedragen aan het terugbrengen van gebiedseigensoorten. Met het wegnemen van de verharding biedt het perceel extra infiltratiemogelijkheden en draagt het op deze manier bij aan de klimaatadaptatie.
Juli 2021
9
Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
Secundaire inrit blijft toegankelijk maar verharding wordt verwijderd
4 dweg Leinseron
aanhelen cq. vervangen bestaande haag
3
Vervangen en aanvullen bestaande bomenrij (prunus) langs straatzijde door Hollandse Linde (Tilia × europaea)
Bestaande veldschuur
Nieuwe hagen omkaderen het erf 1 (keuze uit beuk, haagbeuk, veldesdoorn, meidoorn, liguster)
Weide
4 Verwijderen naaldhout
Nieuw te bouwen schuur 10m x 6,25m
Fruitbomenweide met bloemen kruidenrijke onderlaag
1
5
2
Gemeente Meierijstad
Bosscheweg 107 Boxtel www.bro.nl info@bro.nl telefoon +31 (0)411 85 04 00 fax +31 (0)411 85 04 01
Handhaven bestaande struweel/houtsingel
dweg
Leinserondweg 24-24a landschappelijke inpassing
BRO
n Leinsero
De schop wordt in ere hersteld
Toevoegen Tilia x europaea (solitair)
datum: november 2019
schaal: 1:500
getekend: R.T.
formaat: A3
tekening nr.: -
project nr.: P00227
Hoofdvestiging Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 Vestiging Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 Vestiging Venlo Industriestraat 94
www.bro.nl | info@bro.nl
5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01
Bijlage 2: Schetsbouwplannen schop en nieuw te bouwen bijgebouw (indicatief)
Bijlage 3: Formulier historische toets
Bijlage 4: Advies veiligheidsregio
Advies: veilige ruimte Leinserondweg 24/24a Zijtaart
> Gegevens risicobeheersing Behandeld door:
Peter Vernooij
Telefoon:
06-21154752
E-mail:
p.vernooij@brwbn.nl
Datum brief:
10 september 2020
> Gegevens aanvrager Aanvrager
Omgevingsdienst Brabant-Noord
Contactpersoon:
M Leijssen
Telefoon en e-mail:
0485-338300 / mleijssen@odbn.nl
> Gegevens aanvraag Locatie
Huisnr 24 en 24A, Leinserondweg 24, 5465RV Veghel
Zaaknummer aanvrager:
Z/128646
Zaaknummer brandweer:
2020-000447
> Advies U hebt op 10 september j.l. de Veiligheidsregio Brabant Noord in de gelegenheid gesteld om te reageren op het bestemmingplan 'Leinserondweg 24, 5465RV, Veghel'. Het betreft het wijzigen van 2 bedrijfswoningen naar 2 burgerwoningen. De zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid worden dus niet negatief beïnvloed. Een nader advies is niet noodzakelijk.
Pagina 1 van 1
Bijlage 5: Zorgvuldige dialoog geanonimiseerd
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl