CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Leinserondweg 24-24a - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'16.473 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Leinserondweg 24/24A, Zijtaart Gemeente Meierijstad Definitief

Ruimtelijke onderbouwing Leinserondweg 24/24A, Zijtaart Gemeente Meierijstad Definitief

Rapportnummer:

P00227_3

Datum:

25 juli 2022

Opdrachtgever:

particulier

Projectteam BRO:

JR, MvDn

Concept:

april 2020, januari 2021

Definitief:

25 juli 2022

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan

3 3 3 5

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

7 7 8

3. BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

12 12 14 19

4. MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Hoogspanningslijnen 4.13 Spuitzones gewasbescherming 4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.15 Verkeer en parkeren

22 22 23 24 26 27 28 28 29 31 31 32 36 36 36 37

5. JURIDISCHE PLANOPZET

38

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

39

Inhoudsopgave

1

7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

40

8. CONCLUSIE

41

BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing en kwaliteitsbalans Bijlage 2: Schetsbouwplannen schop en nieuw te bouwen bijgebouw (indicatief) Bijlage 3: Formulier historische toets Bijlage 4: Advies veiligheidsregio Bijlage 5: Zorgvuldige dialoog_geanonimiseerd

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Op het perceel Leinserondweg 24/24a in het buitengebied nabij de kern Zijtaart, gemeente Meierijstad, bevindt zich een gesplitste woonboerderij. De eigenaar van het perceel wenst de bestemming van de locatie te wijzigen van een bedrijfsmatige agrarische locatie naar een woonbestemming. Het agrarisch bedrijf (paardenhouderij) ter plaatse wordt beëindigd. Hierdoor is geen sprake meer van een bedrijfsmatige binding van de twee woningen met een agrarisch bedrijf ter plaatse. De twee voormalige bedrijfswoningen worden bestemd als burgerwoningen. Naast een herbestemming naar ‘Wonen’ hebben de initiatiefnemers de wens om meer bijbehorende bijgebouwen per locatie te behouden. Dit omdat zij ruimte nodig hebben voor de stalling van materiaal en materieel ten behoeve van het beheer van enkele omliggende gronden en voor de Zijtaartse paardensportvereniging, waarvan het clubhuis nabij gelegen is. Het wijzigen van de bestemming in combinatie met een behoud van het bestaande oppervlak aan bijbehorende bouwwerken is niet rechtstreeks mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan. Initiatiefnemer heeft bij de gemeente Meierijstad om principemedewerking gevraagd voor bovenstaand planvoornemen middels het afwijken van het bestemmingsplan, danwel het bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien.

Hierop heeft het college van burgemeester en wethouders bij vergadering van 7 mei 2019 besloten dat het plan in principe ruimtelijk voorstelbaar is, onder nadere voorwaarden. Er zal een ruimtelijke procedure dienen te worden doorlopen om het planvoornemen juridisch-planologisch te borgen. De gemeente Meierijstad, heeft besloten om voor initiatieven in het buitengebied te werken met een zogenaamd ‘veegplan’. In een ‘veegplan’ worden diverse ontwikkelingen samengenomen in een gezamenlijk bestemmingsplan. Initiatiefnemer is aangeboden ‘mee te liften met het ‘Ontwikkelplan buitengebied/Veegplan’. Het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ is een bestemmingsplan waarin meerdere initiatieven in één plan worden gebundeld. Om onderhavige ontwikkeling mee te laten lopen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ en juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hiermee wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft de locatie Leinserondweg 24/24A in Zijtaart, gemeente Meierijstad en staat kadastraal bekend als VHL00 - R - 803. Het gehele perceel heeft een oppervlakte van 6.525 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven in de figuur 1.1.

Hoofdstuk 1

3

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Maps)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente Meierijstad. Het bestemmingsplan Buitengebied (vastgesteld 22 oktober 2015 door de voormalige gemeente Veghel) is leidend voor onderhavige ontwikkeling. Ter plaatse geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ met een bouwvlak. Op deze locatie is het mogelijk om rechtstreeks een grondgebonden agrarisch bedrijf uit te oefenen. Tevens gelden ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. De volgende gebiedsaanduidingen liggen op het plangebied: ‘gebiedsaanduiding – landbouw’; ‘gebiedsaanduiding – struweel’; ‘gebiedsaanduiding – reconstructiewetzone – verwevingsgebied 1’ en ‘gebiedsaanduiding – vrijwaringszone – radar’. Per bouwvlak is maximaal het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan. Ter plaatse van de Leinserondweg 24/24a gaat het om twee woningen. Er geldt geen maximum aan bedrijfsbebouwing ter plaatse van het bouwvlak. Verder is maximaal 100 m 2 aan vrijstaande bijgebouwen en overkappingen per bedrijfswoning toegestaan.

Figuur 1.2: Vigerend bestemmingsplan Leinserondweg 24/24a (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Op 27 januari 2021 is het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen - laaghangend fruit’ vastgesteld door de gemeente Meierijstad. Dit bestemmingsplan is ook vigerend voor onderhavig plangebied. Naast bovengenoemde bestemmingsplannen is ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad.

Hoofdstuk 1

5

Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn de bedrijfswoningen als volgt vastgelegd: 4.2.3 Bedrijfswoningen Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: per bouwvlak is maximaal het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan; Bestaand is in de begrippen gedefinieerd als: 1.29 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel gebouwd mag worden krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; Beide bedrijfswoningen zijn legaal aanwezig op Leinserondweg 24/24a op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel gebouwd mag worden krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning. Op locatie zijn, conform artikel 4.2.3, twee bedrijfswoningen toegestaan. Om het planvoornemen (omzetten bedrijfswoningen naar burgerwoning en toestaan grotere maat aan bijgebouwen t.b.v. opslagactiviteiten) mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. De gemeente Meierijstad wil in beginsel medewerking verlenen aan het initiatief en neemt het initiatief mee in een zogenaamd ‘Ontwikkelplan/Veegplan’, waarin diverse ontwikkelingen worden samengenomen in één gezamenlijk bestemmingsplan.

Om dit initiatief mee te laten lopen met het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Aan de Leinserondweg 24/24a is in 1895 een langgevelboerderij gebouwd met een bijbehorende schop. Deze boerderij was toentertijd al in bezit van de familie van initiatiefnemer. In 1953 tot en met 1955 werd de bebouwing op locatie uitgebreid met 2 bedrijfsgebouwen om pluimvee te houden. Door de jaren heen zijn hier nogmaals twee bedrijfsgebouwen bijgebouwd om pluimvee te houden. Door de groei van het agrarisch bedrijf is in de jaren ‘80 besloten om in de woonboerderij een (tijdelijke) tweede woning te realiseren middels een woningsplitsing. Deze vergunning is op 19 mei 1987 verleend door de (voormalige) gemeente Veghel. Hierdoor kon door twee gezinnen de pluimveehouderij voortgezet worden. Momenteel is er dus al reeds 35 jaar sprake van twee bedrijfswoningen. Bij de herzieningen van de bestemmingsplannen voor buitengebied die tussen 1987 en heden in de (voormalige) gemeente Veghel en de huidige gemeente Meierijstad zijn doorgevoerd is gekozen voor een systematiek om niet in een tabel of met een aanduiding op de plankaart/verbeelding aan te geven hoeveel bedrijfswoningen er zijn toegestaan, maar te stellen dat het aantal legaal aanwezige bedrijfswoningen (ten tijde van de ontwerp tervisielegging van het betreffende bestemmingsplan) het maximaal toegelaten aantal is.

De 2de bedrijfswoning is sinds 1987 onafgebroken bewoond geweest en heeft gefunctioneerd als 2de bedrijfswoning. Beide woningen in de woonboerderij werden en worden geacht als bestaand aanwezig te zijn, in paragraaf 1.3 is hier reeds op ingegaan. Ter plaatse van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ zijn bestaande bedrijfswoningen toegestaan. Bestaand is in de begrippen gedefinieerd als: 1.29 bestaand a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel gebouwd mag worden krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; Beide bedrijfswoningen zijn legaal aanwezig op Leinserondweg 24/24a op het tijdstip dat het vigerende bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, dan wel gebouwd mag worden krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning. Op locatie zijn, conform artikel 4.2.3, twee bedrijfswoningen toegestaan.

Geacht werd dat de splitsing van de bestaande bedrijfswoningen reeds planologisch geregeld was, zeker omdat er reeds 35 jaar sprake van twee bedrijfswoningen er sprake is van continue bewoning er door de gemeente niet handhavend is opgetreden tegen beëindiging van de tijdelijke situatie waarbij sprake was van een noodzakelijke 2de bedrijfswoning. Naast de exploitatie van de pluimveehouderij is initiatiefnemer begin jaren 2000 gestart met het houden van paarden. In figuur 2.1 is een impressie van de voormalige indeling van het perceel/de veehouderij opgenomen.

Hoofdstuk 2

7

Figuur 2.1 Voormalige bedrijfsbebouwing Leinserondweg 24/24a

Eind jaren ’90 en begin jaren ’00 zijn diverse dierziekten (varkenspest, BKZ en vogelgriep) in de veehouderij uitgebroken, welke ook Noord-Brabant troffen. Tezamen met deze en andere factoren is ook besloten om eind 2001 de pluimveehouderij aan Leinserondweg 24/24a te beëindigen middels de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV). Met deze regeling kon een intensieve veehouderij(tak) beëindigd worden. Een van de voorwaarden om van deze regeling gebruik te maken was om de bedrijfsbebouwing met betrekking tot de pluimveehouderij te slopen. In 2003 is deze bebouwing gesloopt. De bijgebouwen in gebruik als (statische) opslag en voor de paardenhouderij zijn wel te behouden. Initiatiefnemer droeg en draagt nog steeds actief bij aan Stichting Ruitersport Zijtaart. Zo houdt initiatiefnemer zich bezig met de organisatie van de dressuurwedstrijden en voorzien ook in een deel (statische) opslag van de materialen voor deze dressuurwedstrijden. Deze opslagactiviteiten zijn duidelijk ondergeschikt aan de woonfunctie. De paardenstal welke vergund is, is vanwege diverse omstandigheden, waaronder de sanering van de pluimveehouderij, nooit gerealiseerd.

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer wenst de paardenhouderij terug te brengen naar het hobbymatig houden van paarden en de bestemming te wijzigen voor de locatie, Leinserondweg 24/24a, naar ‘Wonen’. Daarbij is de wens voldoende ruimte voor bijgebouwen te behouden. Op deze manier kunnen de paarden gestald en onderhouden worden. Daarnaast is de wens om bijgebouwen te behouden voor de statische opslag van materialen voor de paarden. De vergunde paardenstal op het perceel nr. 24A (216 m 2) komt op verzoek van de gemeente te vervallen. Hierbij wordt de milieuvergunning voor het houden van 20 paarden ingetrokken, wordt de schop (het gesplitste bijgebouw daterend van 1895) zoveel mogelijk in ere hersteld en wordt er wordt een kwaliteitsimpuls geleverd door het perceel en haar omgeving landschappelijk in te passen.

Hoofdstuk 2

8

Bebouwing Op de locatie Leinserondweg 24/24A is in de huidige situatie sprake van 405 m2 aan bijgebouwen. Voor Leinserondweg 24 (het noordelijke perceel) is de wens om de bestaand aanwezige 122 m 2 aan bijgebouwen te behouden. Deze hebben en krijgen een functie als berging bij de woning. Voor Leinserondweg 24A (het zuidelijke perceel) is het de wens om een behoorlijk areaal aan bijgebouwen te behouden voor de statische opslag van materialen voor de paarden. Er wordt 62,5 m 2 (de niet cultuurhistorisch waardevolle aanbouw van de schop en een dierenverblijf) gesloopt en deze m² worden in de vorm van een passend nieuw bijgebouw herbouwd. De vergunde paardenstal op het perceel nr. 24A (216 m 2) komt op verzoek van de gemeente te vervallen. Hierbij wordt daarbij ook de milieuvergunning voor het houden van 20 paarden ingetrokken, de schop (het gesplitste bijgebouw daterend van 1895) wordt zoveel mogelijk in ere hersteld en wordt er wordt een kwaliteitsimpuls geleverd door het perceel en haar omgeving landschappelijk in te passen. De bestaande achterste loods (159,5 m²) zal worden gebruikt voor (statische) opslag aangewend ten behoeve van het hobbymatig houden van de paarden, opslag voor Stichting Ruitersport Zijtaart en stalling van materiaal en materieel ten behoeve van het beheer van omliggende agrarische gronden die in het bezit zijn en blijven van initiatiefnemer.

De statische opslagactiviteiten ten behoeve van de Stichting Ruitersport zijn duidelijk een ondergeschikte activiteit aan de woonfunctie (hoofdfunctie). In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van wat er in de huidige situatie aan bijgebouwen aanwezig is en hoe dit in de toekomstige situatie gaat worden. Bijgebouw

M²

Huidige functie

Behoud,

Toekomstige functie

renovatie of sloop bijgebouw bij nr. 24 (1)

72

Bijgebouw bij nr 24 (2,

50

Bijgebouw

bij

Behoud

Bijgebouw bij wonen

bij

Renova-

Bijgebouw bij wonen

wonen deel van de gesplitste

Bijgebouw wonen

tie/behoud

schop) Bijgebouw bij nr 24A

61

(1, deel van gesplitste

Bijgebouw

bij

wonen

Renova-

Bijgebouw bij wonen

tie/behoud

schop) Bijgebouw bij nr 24A

40

(2, aanbouw schop) Bijgebouw bij nr. 24A

Bijgebouw

bij

Sloop

-

Sloop

-

Behoud

Statische opslag, hobbymatig houden van

wonen 22,5

(3)

Dierenverblijf/schuilgelegenheid

Loods bij nr. 24A (4)

159,5

paardenstalling

paarden TOTAAL BESTAAND

405

Nieuw bijgebouw

62,5

TOTAAL NIEUW

405

Hoofdstuk 2

-

Nieuwbouw

opslag materieel/materiaal

9

Zoals aangeven wordt ‘De schop’ (het gesplitste bijgebouw daterend van 1895) in ere hersteld. In overleg met de cultuurhistorisch medewerker van gemeente Meierijstad is aangegeven dat wanneer het linker gedeelte van de schop wordt gereconstrueerd naar voorbeeld van het rechter- nog bestaande deel deze in zijn beleving ‘voldoende in ere wordt hersteld’. In het kader van de omgevingsvergunning activiteit ‘bouwen’, zoals ook aangegeven door de cultuurhistorisch medewerker, zal hiervoor een nadere uitwerking plaatsvinden met betrekking tot o.a. materiaalgebruik in het vervolg. In de uitwerking van de renovatie van de schop is daarnaast besloten de aangebouwde berging op het perceel van Leinserondweg 24A te amoveren. De wens is om deze oppervlakte terug te brengen in de vorm van een nieuw bijgebouw van maximaal 62,5m 2 (10m x 6,25m.) ten westen van de schop. De nieuwe schuur wordt vormgegeven met een kap haaks op de weg met een goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 en 6m. De schuur wordt uitgevoerd in plankprofielplaten in dezelfde groene kleur als de aanwezige schuur, met op het dak damwandprofielplaat in de kleur antraciet. Op deze manier sluit de nieuwe schuur goed aan bij de aanwezige bijgebouwen.

Figuur 2.2: voorlopig ontwerp nieuwe schuur. Bron: Van Hooft Architecten 20-05-2019

Landschappelijke inpassing Om de planontwikkeling mogelijk te maken zijn een aantal inrichtingsmaatregelen voorgesteld die op basis van het planvoornemen, de beleidskaders en de kennis van het landschap en de locatie zijn vormgegeven. Figuur 2.3 illustreert de voorgestelde maatregelen, voor het volledige landschappelijk inpassingsplan wordt verwezen naar de bijlagen. 1. Aanplant knip-en scheerhagen Door aan de achterzijde van het erf lage hagen toe te voegen wordt het erf omkaderd, wat de ruimtelijke eenheid versterkt. Daarnaast is een haag een passend landschapselement binnen het jonge heideontginningen landschap. Door een lage haag toe te passen wordt er tevens diepte gecreëerd op het achtererf en blijft de openheid op het perceel gewaarborgd. 2. Aanleg boomgaard Door de aanleg van een boomgaard wordt het kleinschalig karakter van het erf versterkt en zorgt daarnaast als landschapselement voor een ecologische impuls. 3. Aan de straatkant wordt (grotendeels) de bestaande rij kersen vervangen door Hollandse Linde. Aan de straatkant staan in de huidige situatie een aantal kersen bomen. Deze bomen zullen vervangen worden door Hollandse Linde. Deze soort is inheems en past binnen het jonge heide ontginningen landschap.

Hoofdstuk 2

10

4. Op het erf worden exoten als conifeer en naaldhout verwijderd en ook de verharding ter plaatse van de (secundaire) inrit aan de noordzijde zal worden weggehaald. Door het weghalen van exoten komt er meer ruimte en herkenning vrij voor gebiedseigen soorten. Door deze maatregel wordt er op het perceel bijgedragen aan het terugbrengen van gebieds-eigensoorten. Met het wegnemen van de verharding biedt het perceel extra infiltratiemogelijkheden en draagt het op deze manier bij aan de klimaatadaptatie. 5. Een solitaire linde markeert het erf aan de zuidoostzijde. Aan de zuidzijde wordt een erf/landschapsboom aangeplant. Deze boom zorgt voor een hoekaccent op het erf en vergroend hiermee het aanzicht op de woningen op het erf. Daarnaast zorgt er een erfboom voor diepte en dient het als oriëntatiepunt in de omgeving. De boom wordt ter hoogte van de perceelgrens aangeplant.

Figuur 2.3: Landschappelijke inpassing

Het initiatief valt binnen de aangegeven afwijkingsbevoegdheden van het bestemmingsplan en is daarmee een relatief kleinschalige ontwikkeling en heeft beperkte impact op de omgeving. De beoogde ontwikkeling valt onder de volgende ontwikkeling binnen de Handreiking kwaliteitsverbetering, Meierijstad: wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Dit betekent dat het initiatief valt onder categorie 2 en hiermee alleen een landschappelijke inpassing volstaat. Er hoeven dus geen extra kwaliteit verbeterende maatregelen te worden genomen. Met de stedenbouwkundige/ landschappelijke inpassing van de ontwikkeling aan de Leinserondweg 24/24A wordt zorggedragen voor de ruimtelijke relatie tussen bebouwing en erfbeplantingen, wat de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse ten goede komt.

Hoofdstuk 2

11

3.

BELEIDSTOETS In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;  een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren gelegen. Doorwerking plangebied De SVIR heeft, gezien de aard en de beperkte omvang van het project, geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Het project speelt zich af op lokaal niveau en er zijn geen nationale belangen in het geding.

Hoofdstuk 3

12

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen.

De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

Doorwerking plangebied Met voorliggend planvoornemen is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

13

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is in april 2022 geactualiseerd en geconsolideerd.

De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim Omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Doorwerking plangebied De planlocatie is in de Interim Omgevingsverordening aangeduid als ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd landelijk gebied’.

Hoofdstuk 3

14

Figuur 3.1 Uitsnede Interim Omgevingsverordening ter plaats van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De Interim Omgevingsverordening biedt de mogelijkheid voor wonen in het landelijk gebied. Wel worden hier voorwaarden aan gesteld. De relevante voorwaarden en artikelen worden hieronder weergegeven. Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat: a) alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan; b) zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Lid 2 Een bestemmingsplan kan bij een bestaande woning de vestiging van een andere functie toelaten, als: a) dit past binnen de voorwaarden die voor die functie zijn opgenomen in deze paragraaf; b) in geval nieuwe bebouwing wordt opgericht, er elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt. Voorgenomen ontwikkeling betreft het omschakelen van een agrarisch bestemming met paardenhouderij naar wonen. Daarmee worden de twee bestaande (bedrijfs)woningen (ontstaan uit woningsplitsing) omgezet naar twee burgerwoningen. Er zal niet worden gewoond in andere (voormalige) (bedrijfs)bebouwing. Daarnaast wordt er een ruimer aantal m 2 aan bijgebouwen toegestaan.

Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in: a) de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Hoofdstuk 3

15

b) de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c) in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. Er is geen sprake van de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel. Er is reeds sprake van twee woningen in de bestaande boerderij, hiermee is er met onderhavig planvoornemen geen sprake van splitsing. De Interim Omgevingsverordening biedt de mogelijkheid voor het vestigen van niet-agrarische functies in het landelijk gebied. Wel worden hier voorwaarden aan gesteld. De relevante voorwaarden en artikelen worden hieronder weergegeven. Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in Landelijk gebied Lid 1 Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een nietagrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. De vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2.

welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. Er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel. c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt. d. De vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2 Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang. Lid 3 Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c.

een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

Hoofdstuk 3

16

Niet-agrarische functies in landelijk gebied kunnen zich vestigen op een bestaand bouwperceel. Belangrijke randvoorwaarde voor het toelaten van dergelijke functies is dat de ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waar de locatie ligt. Om de afweging te kunnen maken in een concreet geval is het nodig dat een gemeente beleid uitwerkt waarin een ontwikkelingsrichting voor de verschillende typen gebied is opgenomen. Dat voorkomt gelegenheidsplanologie en biedt duidelijkheid naar zowel initiatiefnemers als omwonenden. De gemeente Meierijstad heeft de ontwikkelrichtingen voor gebieden nog niet specifiek uitgeschreven maar een kaart met gebied typologieën in het buitengebied van de gemeente opgesteld. Het plangebied is gelegen binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, verwerving van functies, zie figuur 3.2. Het gebied binnen de gebiedstypologie Landelijk gebied, verweving van functies betreft een gebied waarbinnen bedrijfsfuncties, agrarische functies en wonen zich afwisselen. Het omschakelen van een agrarische bestemming naar wonen met het hobbymatig houden van paarden als nevenactiviteit, is een passende ontwikkeling binnen deze gebiedstypologie

Figuur 3.2 Kaart Gebiedstypologieën (bron: gemeente Meierijstad).

Op de locatie Leinserondweg 24/24A is in de huidige situatie sprake van 405 m 2 aan bijgebouwen. Voor Leinserondweg 24 (het noordelijke perceel) is de wens om de bestaand aanwezige 122 m 2 aan bijgebouwen te behouden. Deze hebben en krijgen een functie als berging bij de woning. Voor Leinserondweg 24A (het zuidelijke perceel) is er sprake van het hobbymatig houden van paarden. Hierbij bestaat de wens om een behoorlijk areaal aan bijgebouwen te behouden voor de statische opslag van materialen voor de hobbymatig gehouden paarden maar voornamelijk voor de nabijgelegen Stichting Ruitersport Zijtaart, aan de Leinserondweg 21. Er wordt 62,5 m2 (de niet cultuurhistorisch waardevolle aanbouw van de schop en een dierenverblijf) gesloopt en deze m² worden in de vorm van een passend nieuw bijgebouw herbouwd. De vergunde paardenstal op het perceel nr. 24A (216 m2) komt op verzoek van de gemeente te vervallen. Hierbij wordt daarbij ook de milieuvergunning voor het houden van 20 paarden ingetrokken, de schop (het gesplitste bijgebouw daterend van 1895)

Hoofdstuk 3

17

wordt zoveel mogelijk in ere hersteld. De bestaande achterste loods (159,5 m²) zal worden gebruikt voor (statische) opslag aangewend ten behoeve van het hobbymatig houden van de paarden, opslag voor Stichting Ruitersport Zijtaart en stalling van materiaal en materieel ten behoeve van het beheer van omliggende agrarische gronden die in het bezit zijn en blijven van initiatiefnemer. Er wordt een aanduiding opgenomen voor het specifieke gebruik van de loods bij nr. 24A voor VAB-activiteiten. Het hobbymatige houden van paarden in combinatie met de opslag voor de nabijgelegen vereniging Ruitersport past binnen de visie op VAB-activiteiten van de gemeente. Met de ontwikkeling en de landschappelijke inpassing wordt o.a. cultuurhistorische waardevolle bebouwing behouden en vindt een landschappelijke kwaliteitsimpuls plaats door oude, dode beplanting te vervangen met passende soorten op en rondom het perceel. Tevens is er in het landschappelijk inpassingsplan een beschrijving opgenomen van de landschappelijke structuren en welke beplanting hier het beste bij past. De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Er is een verplichting tot aanleg en instandhouding van het opgenomen inpassingsplan en de daarin opgenomen maatregelen binnen maximaal 12 maanden na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

De ontwikkeling draagt bij aan het behoud en versterking van de omgevingskwaliteit. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Lid 1 Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Lid 2 Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a) dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of b) de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen. Lid 3 Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten: de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing; a) het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; b) het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; c) het wegnemen van verharding; d) het slopen van bebouwing; e) de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; f) het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4 Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering verplicht dat een ruimtelijke ontwikkeling in het Landelijk Gebied gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Hoofdstuk 3

18

Derhalve is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld ten behoeve van de verbetering van de landschappelijke kwaliteit, zie figuur 2.3 en het volledige landschappelijk inpassingsplan in de bijlagen voor de voorgestelde inrichtingsmaatregelen. De mate van kwaliteitsverbetering is afhankelijk van het ruimtelijke effect van de ontwikkeling op de omgeving. Hiertoe worden dezelfde drie categorieën gehanteerd die de regio Noordoost Brabants in het afsprakenkader hanteert:  Bij geen effect op het landschap wordt er van u niets extra’s verwacht: Categorie 1  Bij een beperkt effect, dan wordt er van u een basisinspanning, door middel van een erfinrichtingsplan verwacht: Categorie 2  Bij een groot effect, dan worden er van u naast een basisinspanning, ook aanvullende kwaliteitsprestaties verwacht: Categorie 3 Het initiatief valt binnen de aangegeven afwijkingsbevoegdheden van het bestemmingsplan en is daarmee een relatief kleinschalige ontwikkeling en heeft beperkte impact op de omgeving.

De beoogde ontwikkeling valt onder de volgende ontwikkeling binnen de Handreiking kwaliteitsverbetering, Meierijstad: wijziging bestemming agrarisch bedrijf (inclusief agrarisch verwant en agrarisch-technisch hulpbedrijf) of niet-agrarisch bedrijf in bestemming wonen of wonen met VAB aanduiding, mits het bestemmingsvlak wordt verkleind tot maximaal 5.000 m2, overtollige voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en maximaal 500 m2 voormalige bedrijfsbebouwing resteert. Dit betekent dat het initiatief valt onder categorie 2 en hiermee alleen een landschappelijke inpassing volstaat. Extra kwaliteit verbeterende maatregelen zijn dus niet noodzakelijk.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 In de structuurvisie heeft de voormalige gemeente Veghel de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen weer. Het betreft een globale visie, die kaders stelt aan gewenste ontwikkelingen in zowel het stedelijk als landelijk gebied. Doorwerking plangebied In de structuurvisie zijn verschillende visiekaarten opgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is de ‘Visiekaart 2030’ van belang. Visiekaart 2030 In de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling zijn bepaalde landschapswaarden/ruimtelijke kenmerken voor locaties opgenomen. Deze zijn ook in de Visiekaart 2030 van de Structuurvisie Veghel 2030 overgenomen. In deze Visiekaart 2030 is het plangebied aangeduid als ontwikkelgebied voor een afwisselend Veghels mozaïek.

Hoofdstuk 3

19

Figuur 3.3 Uitsnede Visiekaart 2030

Het Veghels mozaïek kenmerkt zich door een combinatie van functies, waarbij sprake is van clusters in het landschap. De kwaliteit van dit gebied ligt in het evenwicht tussen het open, kleinschalige landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het is mogelijk om een van deze kernpunten verder uit te breiden. Dit dient wel integraal te gebeuren, met oog voor het kenmerkende evenwicht. Met onderhavige ontwikkeling wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd naar ‘Wonen’ in combinatie met een behoud van het bestaande oppervlak aan bijbehorende bouwwerken. Dit is in principe mogelijk binnen de structuurvisie. Wel dient hierbij aandacht besteed te worden aan de groenblauwe structuur en het open landschap. Dit wordt geborgd middels een landschappelijk inpassingsplan. Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling Een directe aanleiding voor de ‘Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling’ is de problematiek van vrijkomende agrarische bedrijven (VAB’s) en andere vrijkomende bebouwing. Gebleken is dat de primaire doelstelling van ontstening (sloop) ook bij de huidige planologische en financiële regelingen, niet voldoende van de grond komt. Gevolg is verpaupering en het sluimerend ontstaan van ongewenst gebruik. Doorwerking plangebied De Leinserondweg 24/24A is gelegen in ‘landbouwgebied’ in de gebiedsvisie ‘Buitengebied in Ontwikkeling’.

Het plangebied is gelegen binnen het landbouwgebied. Binnen deze gebieden is niet agrarische bedrijvigheid toegestaan tot 400 m2. Opslag zou mogelijk zijn tot 1.000 m 2. Aan Leinserondweg 24/24A is in de huidige situatie sprake van 405 m2 aan bijgebouwen. Voor Leinserondweg 24 (het noordelijke perceel) is de wens om de bestaand aanwezige 122 m 2 aan bijgebouwen te behouden. Deze hebben en krijgen een functie als berging bij de woning.

Hoofdstuk 3

20

Voor Leinserondweg 24A (het zuidelijke perceel) is het de wens om een behoorlijk areaal aan bijgebouwen te behouden voor de statische opslag van materialen voor de paarden. De bestaande achterste loods (159,5 m²) zal worden gebruikt voor VAB-doeleinden in de vorm van (statische) opslag aangewend ten behoeve van het hobbymatig houden van de paarden, opslag voor Stichting Ruitersport Zijtaart en stalling van materiaal en materieel ten behoeve van het beheer van omliggende agrarische gronden die in het bezit zijn en blijven van initiatiefnemer. Dit aantal m² is passend bij het vastgestelde beleidskader voor niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Een belangrijk uitgangspunt bij VAB-locaties in landbouwgebieden is dat niet-agrarische bedrijfsactiviteiten geen verkeersproblemen op de toeleidende wegen mogen veroorzaken en dat bestaande agrarische bedrijven in landbouwgebieden niet belemmerd mogen worden in bedrijfsontwikkeling. Het voorliggend initiatief belemmert omliggende (agrarische) bedrijven niet en er vindt een afname van verkeersbewegingen plaats. Op deze manier wordt zowel milieutechnisch, cultuurhistorisch en landschappelijk een plus gegenereerd in de omgeving. Ook wordt indirect bijgedragen aan de ontstening van het buitengebied. Het planvoornemen is in lijn met de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling.

Hoofdstuk 3

21

4.

MILIEUHYGIENISCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied Het is de vraag of de voorgenomen ontwikkeling kan worden beschouwd als een stedelijk ontwikkelingsproject. Volgens de Raad van State (201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.

Een bestemmingswijziging kan dus wel degelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Met dit bestemmingsplan worden bestaande bedrijfswoningen herbestemd naar burgerwoningen. Gezien de aard van de plannen zijn negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten. De concrete omstandigheid in dit geval betreft een herbestemming van een reeds feitelijk bestaande situatie. Voorts ligt de locatie niet in of nabij een beschermd natuurgebied en is er geen risico op verontreiniging. Ook leidt de ontwikkeling niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en/of –technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Ook blijkt uit dit bestemmingsplan dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Voorgaande maakt dat de ontwikkeling in het plangebied niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Derhalve is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

Hoofdstuk 4

22

4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. De gemeente Meierijstad heeft een archeologisch beleid opgesteld en dit zoveel mogelijk vertaald in de bestemmingsplannen. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’ en gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ opgenomen.

Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor de bouw van bouwwerken groter dan 100 m 2 (‘Waarde-Archeologie 2’) en 250 m2 (‘Waarde-Archeologie 3’) en waarbij grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. In voorliggend bestemmingsplan is er sprake van een bestaande situatie en wordt er geen nieuwe bebouwing of uitbreiding toegevoegd en mogelijk gemaakt. Er worden wel een aantal bestaande bomen gerooid. Echter is het niet de verwachting dat er met het rooien van deze bomen een grotere roering dan 100 m2 van de bodem plaatsvindt. Bovendien staan de te rooien bomen op verschillende plekken en dus niet geclusterd, waarmee de inbreuk op eventuele archeologie zeer beperkt zal zijn. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Het aspect archeologie vormt geen belemmering. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied.

In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Doorwerking plangebied Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie heeft haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

Hoofdstuk 4

23

Het plangebied is gelegen aan de Leinserondweg, volgens het CHW is dit een lijn van redelijk hoge waarde. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarde van de straat en de omgeving. Verder zijn er geen monumenten of beeldbepalende gebouwen in en rondom het plangebied aanwezig. Achter de boerderij staat een ruime schuur uit 1895. Ten behoeve van restauratie van deze schuur is door Cuijpers advies een cultuurhistorisch advies uitgebracht. Deze memo is toegevoegd als bijlage bij deze toelichting. Een gedeelte van de schuur is enkele jaren geleden grotendeels ingestort. Het dak is verdwenen en de dakpannen zijn afgevoerd, een deel van de muren staat nog overeind. Het andere gedeelte staat nog, maar in bouwvallige staat. De schuur verkeert in zeer slechte staat, maar heeft in potentie wel cultuurhistorische waarde. De schuur kan als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt, als deze weer in een goede staat van onderhoud wordt gebracht, met inachtneming van de aanwezige waarden en met gebruikmaking van het bestaande materiaal. Het zou dus gaan om een professionele restauratie.

Dat betekent onder meer:  de ingestorte delen zouden opnieuw opgebouwd moeten worden, waarbij de afkomende bakstenen schoongemaakt en hergebruikt zouden moeten worden; de bestaande spanten zouden hergebruikt moeten worden; slechte delen zouden vervangen moeten worden door nieuwe, maar wel op dezelfde manier hersteld moeten worden;  de verdwenen spanten van het zuidelijk deel zouden overeenkomstig de opzet van de nog bestaande spanten in het noordelijk deel moeten worden nagemaakt;  als er onvoldoende bestaande bakstenen aanwezig zijn kan aanvulling met gebruikte bakstenen van dezelfde afmetingen en dezelfde kleur, metselverband en voegwerk als bestaand plaatsvinden;  de bestaande pannen zouden bij het herstel afgenomen moeten worden en de aanvulling zou met bijpassende, gelijksoortige pannen van dezelfde kwaliteit moeten gebeuren;  het houtwerk van kozijn en deur zou aangevuld en gerepareerd moeten worden; niet vervangen door nieuw materiaal. De schuur wordt in ere hersteld met het handhaven van de potentiële cultuurhistorische waarden. Het initiatief zal geen negatieve effecten hebben op de cultuurhistorie in de omgeving. Vanuit cultuurhistorie is de voorgestelde inpassing een verbetering. Het thema cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.3 Flora en fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Hoofdstuk 4

24

Doorwerking plangebied De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gezien de geruime afstand tot een Natura 2000-gebied, van ruim 15 kilometer is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Dit komt overeen met de publicatie van de Rijksoverheid “Handreiking woningbouw en AERIUS” (januari 2020). Hierin staat vermeldt dat voor zowel de aanleg als het gebruik van tot 50 woningen op minimaal 7 kilometer afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied de toename aan stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/j betreft. Gezien het hier een bestemmingswijziging betreft op grote afstand van een Natura2000-gebied is een toename op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het plangebied is niet gelegen in een Natuur Netwerk Brabant (NNB). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ruim 550 meter ten noordoosten van het plangebied. De NNB is gelegen aan de overzijde van de Zuid Willemsvaart en de Provincialeweg N279, waardoor een toename aan bijvoorbeeld licht en geluid relatief gezien redelijkerwijs geen verslechtering veroorzaken ten opzichte van de huidige situatie. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Er worden geen bestaande bomen en struiken verwijderd.

Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is bij dit plan niet aan de orde. De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Het plangebied is gelegen in het buitengebied, in de omgeving komen woningen afgewisseld met (agrarische) bedrijven voor. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestemming van de locatie gewijzigd van een bedrijfsmatige agrarische locatie naar een woonbestemming. Het agrarisch bedrijf (paardenhouderij) ter plaatse wordt beëindigd. De twee voormalige bedrijfswoningen worden bestemd

Hoofdstuk 4

25

als burgerwoningen. Binnen het plangebied zijn geen zwaarder beschermde soorten vaatplanten en grondgebonden zoogdieren en amfibieën te verwachten. Daarnaast is het voorkomen van vissen, amfibieën (voortplantingswater), reptielen en overige ongewervelden (zoals bijv. zeldzame dagvlinders en libellen) binnen het plangebied uit te sluiten, vanwege de afwezigheid van geschikt habitat. Negatieve effecten voor deze soortgroepen zijn op voorhand uitgesloten met in acht name van de zorgplicht. Er worden twee overtollige bijgebouwen gesloopt. In het kader van de sloop wordt nader bezien of er sprake is van beschermde soorten. Er wordt in ieder geval gehandeld volgens de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke wordt gedaan om het doden van individuen te voorkomen. De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Er worden niet groter of meer bomen en/of struiken verwijderd dan hierboven beschreven. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is bij dit plan niet aan de orde. Op de locatie zijn geen streng beschermde natuurwaarden te verwachten.

Door middel van de bestemmingswijziging komt er geen flora en fauna in het geding. De waarde van het gehele plangebied zal door het plan niet worden aangetast. Er vindt een verbetering plaats in de vorm van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Ten behoeve van de sloop van de overtollige bijgebouwen zal te zijner tijd eerst duidelijk moeten worden of er sprake is van mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en/of 3.5 uit de Wet natuurbescherming en of een ontheffingsprocedure inclusief het treffen van passende maatregelen aan de orde is. Er zal in ieder geval gehandeld worden volgens de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Op basis van bovenstaande, met inachtneming van de zorgplicht voor (incidenteel) aanwezige individuen, wordt geconcludeerd dat dit aspect geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.4 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beleidskader Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan. Het waterbeheerplan maakt inzichtelijk wat Waterschap Aa en Maas in de planperiode van zes jaar gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving.

Hoofdstuk 4

26

Er geldt de Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m2, groene daken en afkoppelplannen kleiner dan 10.000 m², geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. De gemeente Meierijstad, waterschap De Dommel en waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk een Waterplan opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=2cf65a3e-6e90-4104-a0b0-b07120f85a9e