i Bijlagenboek Concept-BP Vlas en Graan - Stadhuisplein
Tekst van het document
Bij de afweging van de effecten van ruimtelijke ingrepen in natuur en landschap spelen derhalve opgaande elementen een belangrijke rol. Vleermuizen worden meer en meer betrokken bij de besluitvorming rond ingrepen in het landelijk en stedelijk gebied. Dit is ook verplicht: alle soorten zijn nationaal en internationaal wettelijk beschermd via de Wet natuurbescherming en de Habitatrichtlijn.
Adviesbureau Mertens
5
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
4 METHODE
4.1 Omvang onderzoek De inventarisatie heeft plaatsgevonden in 2018. Ten behoeve van de inventarisatie hebben 5 veldbezoeken plaatsgevonden op 19 mei, 12 juni, 9 juli, 16 augustus en 12 september 2018 met een totale onderzoeksomvang van ongeveer 10 uur. In onderstaande paragrafen wordt per soortgroep de inventarisatiemethode weergegeven. In tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de methode per soortgroep, de inventarisatieduur en de bezoekdata. In bijlage 2 worden de omstandigheden weergegeven. Tabel 1. Overzicht inventarisatieronden naar de aanwezigheid van vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Datum Voorjaar - 19 mei 2018 - 12 juni 2018 - 9 juli 2018 Voorherfst - 16 augustus 2018 - 12 september 2018
Vleermuizen Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen Balts-, paar- en foerageerplaatsen Balts-, paar- en foerageerplaatsen
4.2 Veldonderzoek Vleermuizen zijn geïnventariseerd door middel van batdetector-onderzoek (Petterson D-240). Met de batdetector worden de, voor mensen onhoorbare, ultrasone geluiden van vleermuizen omgezet naar de voor het menselijk oor hoorbare geluiden. Soorten kunnen door de geluiden (frequentie, ritme en klank) en zichtbeelden worden onderscheiden. Door interpretatie hiervan kan tevens het gedrag afgeleid worden en kunnen onder andere foerageerplaatsen, vliegroutes en verblijfplaatsen worden opgespoord. Op 19 mei, 12 juni en 9 juli 2018 werd geïnventariseerd naar de aanwezigheid van kolonies, vliegroutes en foerageerplaatsen. De onderzoeksronden op 16 augustus en 12 september 2018 waren gericht op de inventarisatie van balts-, paar- en foerageerplaatsen. De methode voor het inventariseren van vleermuizen voldoet aan het Inventarisatie Protocol van het Netwerk Groene Bureaus (Netwerk Groene Bureaus, 2017) en de kennisdocumenten van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (Bij 12, 2017a,b,c). De onderzoeken vonden ’s avonds plaats bij geschikte omstandigheden. Omdat het onderzoek is uitgevoerd bij geschikte omstandigheden in een geschikte periode is het onderzoek in de voorherfst goed uitgevoerd en geeft een goed beeld.
Adviesbureau Mertens
6
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
5 RESULTATEN 5.1 Voorjaar/ voorzomer In de voorzomer is één soort vleermuis waargenomen (gewone dwergvleermuis). Gewone dwergvleermuis is in lage dichtheid foeragerend aangetroffen ter plaatse van en rond het onderzoeksgebied aan de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Er zijn geen kolonies of vliegroutes aangetroffen. In figuur 2 zijn de waarnemingen weergegeven.
N▲
Legenda Foerageerplaats = Gewone dwergvleermuis Figuur 2. Waarnemingen van vleermuizen in het voorjaar / de voorzomer in en direct rond het onderzoeksgebied aan de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel.
5.2 Voorherfst In de voorherfst is één soort vleermuis waargenomen (gewone dwergvleermuis). Deze soort is (in lage dichtheid) foeragerend aangetroffen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Er zijn geen balts- of paarplaatsen vastgesteld. In figuur 3 zijn de waarnemingen weergegeven.
Adviesbureau Mertens
7
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
N▲
Legenda Foerageerplaats = Gewone dwergvleermuis Figuur 3. Waarnemingen van vleermuizen in de voorherfst in en direct rond het onderzoeksgebied aan de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Gelet op de aantallen en dichtheid van de foeragerende vleermuizen dient het plangebied van de Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel niet gezien te worden als belangrijk (primair) foerageergebied.
Adviesbureau Mertens
8
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
6 CONCLUSIES
Er is het voornemen voor de sloop van bebouwing aan het Stadhuisplein te Veghel om een supermarkt te kunnen realiseren. Op grond hiervan is een gericht veldonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde vleermuizen. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn geen vliegroutes of verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan het Stadhuisplein te Veghel zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
Adviesbureau Mertens
9
Wageningen
Vleermuizen ter plaatse van en rond een te realiseren supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Eindrapport november 2018
GERAADPLEEGDE LITERATUUR Adviesbureau Mertens, 2017. Quick scan beschermde planten- en diersoorten Supermarkt aan het Stadhuisplein te Veghel. Wageningen, 1-11. Bij 12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis, Utrecht. Bij 12, 2017. Kennisdocument Laatvlieger, Utrecht. Diepenbeek, A., van, 1999. Veldgids diersporen. Drukkerij Thieme, Nijmegen. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie Economische zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 2016, 1-34. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van LNV (Dienst Regelingen), Den Haag. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Vleermuisinventarisatie-protocol; Introductie, toelichting en tabel. Odijk.
Adviesbureau Mertens
10
Wageningen
BIJLAGEN
1 BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en
temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
2 ONDERZOEK SOMSTANDIGHEDEN
Duur (uur) Temperatuur (OC)
Neerslag (mm)
Wind (bft)
Datum (2017)
Tijd (uur)
- 19 mei 2018 - 12 juni 2018 - 9 juli 2018 - 16 augustus 2018
20.00-22.00 03.00-05.00 20.30-23.30 21.30-23.30
4 4 4 2
12 14 21 20
Geen Geen Geen Geen
2 2 2 2
- 12 september 2018 22.00-24.00 * Overdag korte tijd (mot)regen
2
12
Geen*
2
Bijlage 6 Waterparagraaf
NL.IMRO.1948.BP80981-0001
Pagina: 89 van 307
Datum:16-06-2021
Beknopte waterparagraaf Stadhuisplein-Vlas en Graan, Veghel
Beknopte waterparagraaf Stadhuisplein-Vlas en Graan, Veghel
Aeres Milieu Projectnummer
: AM20106
Status rapport
: Definitief (versie 1)
Datum
: 9 juni 2021
Opdrachtgever
: BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel
Opgesteld door
:
L. De Graaff, MSc.
Paraaf
:
Gecontroleerd door
: dhr. M. Vrolix bc.
Paraaf
:
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl Pagina | 2
AM20106
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4
2.
WATERHUISHOUDKUNDIG SYSTEEM .........................................................................................................................................................8 2.1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................8
2.2
Watersystemen ...............................................................................................................................................................................................8
2.3
Samenvatting.............................................................................................................................................................................................. 12
3.
OVERIGE AANDACHTSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN ............................................................................................................. 13
Bijlage 1: Topografische overzichtskaart ............................................................................................................................................................... 14 Bijlage 2: Concepttekening planvoornemen ......................................................................................................................................................... 16 Bijlage 3: Geraadpleegde literatuur en Watertoets ............................................................................................................................................ 17
Pagina | 3
AM20106
1. INLEIDING In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een beknopte waterparagraaf opgesteld voor een stedelijke ontwikkeling en een nieuw overdekt zwembad op een perceel tussen de Vlas en Graan en het stadhuisplein in het centrum van Veghel.
Adres onderzoekslocatie
: Stadhuisplein-Vlas en Graan, Veghel
Gemeente
: Meijerstad
Waterschap
: Aa en Maas
Kadastrale registratie
: Veghel, Sectie G, nr. 2885
Oppervlakte
: Circa 8500 m2
Peil maaiveld
: Circa 10 m +NAP
Peil grondwater
: Circa 7,9 m +NAP
Momenteel is het plangebied in gebruik als sportcentrum en op de locatie waar het nieuwe zwembad zal komen, is momenteel deels een verharde weg en een braakliggend terrein met aangrenzend een kleine plas aanwezig. Op deze locatie heeft voorheen een theater gestaan. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op afbeelding 1.
Afbeelding 1.: Globale begrenzing onderzoekslocatie (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK-viewer
Aanleiding De aanleiding voor het onderzoek en de beknopte waterparagraaf is de voorgenomen planontwikkeling op het perceel en de verplichting om aan te geven hoe omgegaan wordt met de toekomstige (afval)waterstromen en toekomstige wateroverlast vermeden wordt. Verder zijn er kansen ter vergroening/verbetering van het nabijgelegen (parkeer)gebied. Afbeelding 2 geeft het planvoornemen weer. Een grote tekening is opgenomen in bijlage 2. Pagina | 4
AM20106
Afbeelding 2: Voorgenomen planontwikkeling d.d. 04-06-2021 (bron: opdrachtgever)
Doel Het doel van deze rapportage is een beschrijving te geven van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen herinrichting op het perceel voor de waterhuishouding. Hiervoor zijn de bestaande waterhuishouding, gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden tot het bekomen van een duurzame herontwikkeling kort beschreven.
Onderzoek Aeres Milieu B.V. werkt voor de opdrachtgever als onafhankelijk onderzoek- en adviesbureau, en heeft geen binding met de onderzoekslocatie. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem, zie ook bijlage 3.
Pagina | 5
AM20106
Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Recentelijk is door de provincie tevens een interim omgevingsverordening Noord-Brabant opgesteld vooruitlopend op de inwerkingtreding van de omgevingswet. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het SGBP voor het Nederlandse deel van het Maasstroomgebied. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. In Nederland wordt dit uitgeoefend door de diverse waterschappen die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voor planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de werkzaamheden in het oppervlaktewater kan een vergunning benodigd zijn.Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Voor een kleine planontwikkeling (<500 m2 nieuw verhard buiten hydrologische gevoelig gebied) is de gemeente Meijerstad bevoegd/toetsend gezag.
De gemeente Meierijstad (waartoe Veghel behoort) en waterschap Aa en Maas hebben een beleidsdocument opgesteld, namelijk het VGRP+ 2017-2022, Waardevol water in Meierijstad). Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan is een geschikt planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Zo is er bijvoorbeeld sprake van verandering in wetgeving, meer neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers en meer focus op beheer in plaats van nieuwbouw. Door de huidige situatie af te zetten tegen toekomstige ontwikkelingen ontstaat een opgave. Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt zoveel als mogelijk de maatschappij betrokken. Op particulier terrein liggen nog veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag.
Pagina | 6
AM20106
Binnen de waterketen en het watersysteem benutten we de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartners. Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het waterhuishoudkundig systeem beschreven met in 2.3 een samenvatting van de gevolgen door de planontwikkeling. In hoofdstuk 3 zijn nog enkele algemene aandachtspunten en randvoorwaarden beschreven.
Pagina | 7
AM20106
2. WATERHUISHOUDKUNDIG SYSTEEM 2.1
Inleiding
Het plangebied ligt in het centrum van Veghel en wordt omringd door stedelijke bebouwing. Ten westen van het plangebied ligt een appartementencomplex met daarachter de Aa. In het noorden grenst het plangebied aan de openbare straat Vlas en Graan en in het zuiden aan het Stadhuisplein.
Aan de oostzijde liggen enkele winkelgelegenheden en
appartementencomplexen. In afbeelding 1 is de huidige situatie weergegeven en in bijlage 1 is een topografisch overzicht opgenomen. Voor de herinrichting van het projectplan is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied ligt in het lager gelegen gebied van het centrum, dat afloopt naar de Aa. Op perceelniveau kent het plangebied nauwelijks hoogteverschillen. Het maaiveld van het plangebied is ca. 10,0 m +NAP. De straat Vlas en Graan ligt op een hoogte van ca. 9,8 m +NAP en de nabij de Aa op ca. 3,0 m-mv. Afbeelding 3 geeft de genoemde hoogteverschillen weer.
Afbeelding 3: Hoogtekaart plangebied en omgeving met aanduiding ligging (bron: AHN Nederland)
2.2
Watersystemen
De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, afvalen hemelwater. Hieronder zijn deze aspecten kort beschreven.
Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 m-mv. voor bebouwing en 0,5 meter ter plaatse van de tuinen. Van de onderzoekslocatie is diverse informatie beschikbaar in het Dinoloket, bodematlas Noord-Brabant, bodemdata Nederland en ons eigen archief.
Pagina | 8
AM20106
Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op de overgang van een beekdalbodem met meanderruggen en geulen (west) naar een dekzandrug (oost). Dit betekent dat er in het plangebied waarschijnlijk fijne zanderige silthoudende bodems aanwezig zijn met mogelijk een leemlaag. Dichter naar de rivier Aa is het aannemelijk dat er Beekeerdgronden aanwezig zijn met leemarm en zwak lemig fijn zand. Deze gronden zijn gevormd tijdens de formatie van Boxtel. In de diepe ondergrond bevinden zich grindhoudende zanden (zand, grind, keien en klei) die onderdeel zijn van de Formatie van Beegden. De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 1. Diepte [m-mv.]
Lithostratigrafie
Lithologie
0-21
Formatie van Boxtel
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei, grof zand en grind
21-40
Formatie van Beegden
Zand, matig grof tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, fijn tot grof, lokaal zandig; stenen; keien; blokken; klei, lokaal siltig tot zandig
Tabel 1: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)
Op basis van de verwachte bodemopbouw zal er een matig tot slechte doorlatendheid aanwezig zijn in het plangebied. De aanwezigheid van leemlagen zal de verticale infiltratiemogelijkheden een sterk beperken. Het grondwater zal in westelijke richting stromen naar de Aa en bevind zich gemiddeld op een hoogte van ca. 7,90 m +NAP. De onderzoekslocatie bevind zich buiten de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Op de onderzoekslocatie wordt een gemiddelde grondwaterstand verwacht op ca. 2,1 m-mv en een GHG op ca. 1,60 m-mv. Voor de toekomstige ontwikkeling wordt voldaan aan de benodigde drooglegging (0,7 m onderzijde vloer bij gebouwen en 0,5 m voor tuinen). Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd. Geadviseerd wordt om het vloerpeil van de nieuwbouw ca. 20 cm boven de kruin van het maaiveld aan te leggen zodat eventuele instroom in het pand vermeden wordt. Binnen of vlakbij het onderzoeksgebied zijn geen grondwateronttrekkingen bekend. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. De milieuhygiënische conditie van het grondwater vormt, zover ons bekend, geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen plan.
Bij eventuele bemaling en lozing ten behoeve van de nieuwbouw wordt aangeraden de kwaliteit van het onttrokken water vast te stellen/te monitoren. Door het planvoornemen (bouw zwembad en stedelijke ontwikkeling) is geen toekomstige (grond)waterverontreiniging te verwachten.
Oppervlaktewater Nabij de onderzoekslocatie is een kleine vijver aanwezig in zuidwestelijke richting en in het westen ligt de Aa op ca. 75 meter afstand. Dit oppervlaktewater kan gebruikt worden voor de (nood)afvoer van hemelwater. Echter wordt geadviseerd om niet direct aan te sluiten op de Aa en bij voorkeur aan te sluiten op het hemelwaterriool van de gemeente. De vijver zou eventueel als retentiebassin gebruik kunnen worden waarvan uiteindelijk een overloop naar de Aa gemaakt kan worden. Overleg met de gemeente Meierijstad en het waterschap Aa en Maas is hierbij noodzakelijk. Het oppervlaktewater wordt beheerd door het waterschap Aa en Maas. De basis voor het ontwerp van infiltratie- en/of retentievoorzieningen is omgeschreven in de keur. Bij werkzaamheden en/of wijzigingen hieraan dient het waterschap betrokken te worden bij het watertoets proces. Pagina | 9
AM20106
Afvalwater In het onderzoeksgebied is een gemengd rioolsysteem aanwezig waarop de huidige bebouwing aangesloten is. De centrale bebouwing functioneert als sportcentrum en zwembad en heeft daardoor voldoende afvoervoorzieningen. Het nieuw te realiseren plan is gelijkaardig en zal naar verwachting geen afvalwaterafvoer problemen veroorzaken. In de straten rondom het onderzoeksgebied (Vlas en Graan, Stadhuisplein) is naast een gemengd rioolsysteem ook een hemelwaterriool aanwezig. In het hemelwaterstructuurplan is aangegeven dat het uitgangspunt is dat het hemelwater voor het plangebied en omgeving gescheiden aangeboden wordt op het gemeentelijk stelsel en afstroomt naar het oppervlaktewater, zie afbeelding 4. Bij de herinrichting zal op eigen terrein een gescheiden rioolstelsel aangelegd worden en aangeboden worden aan het gescheiden rioolstelsel van de gemeente. Voor de aansluiting van de nieuwbouw op het gemeentelijk stelsel dient ten tijde bij de gemeente Meierijstad een aansluiting aangevraagd te worden.
Afbeelding 4: Waterstructuurplan van gemeente Meierijstad met aanduiding ligging plangebied (geel) (bron: Waardevol water in Meierijstad, 2017)
Hemelwater Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen (zie ook hoofdstuk 3). Bij nieuwe ontwikkelingen dient hemelwater, afkomstig van ‘schoon’ afvoerend oppervlak, waar mogelijk, ter plaatse geïnfiltreerd te worden. Naar aanleiding van de verwachte bodemsamenstelling zullen er slechte infiltratiemogelijkheden zijn in de bodem. Op basis van het waterstructuurplan van de gemeente Meierijstad is het uitgangspunt dat het hemelwater minimaal gescheiden wordt. De straten rondom het onderzoeksgebied zijn reeds voorzien van een gescheiden rioolsysteem en het onderzoeksgebied kan hierop worden aangesloten.
Pagina | 10
AM20106
In de huidige situatie is het onderzoeksgebied reeds grotendeels verhard. In onderstaande tabel is een overzicht van het huidige en toekomstige verhard oppervlak opgenomen op basis van de concept tekening in afbeelding 2 en bijlage 2.
Bruto (verharde) oppervlakten
Huidige situatie [m2]
Toekomstige situatie [m2]
Dak oppervlak, totaal, circa
4.260
3.500
Overige verharde oppervlakten
3.300
4.500
7.560
8.000
(ontsluitingswegen, paden, parkeren), circa Totaal verhard oppervlakte centraal, circa
Tabel 2: Overzicht toe- en afname verhard oppervlak binnen het plangebied
Uit de tabel is af te leiden dat door het voorgenomen bouwplan met een nieuw zwembad het verhard oppervlak toeneemt met ca. 440 m2. Opgemerkt wordt dat het parkeerterrein als volledig verhard gerekend is. Gezien de kansen voor vergroening, ook op de andere nabijgelegen parkeergelegenheden kan en zal dit ter plaatse ook nagestreefd worden. Vanuit het waterschap is er geen verplichting tot de aanleg van een compensatie voor de kleine toename aan verhard oppervlak. Het gemeentelijk beleid is algemeen gericht op het zoveel mogelijk ter plaatse verwerken van hemelwater. De benodigde hemelwaterretentie voor de toename bedraagt ca. 27 m3 en voor het gehele oppervlak ca. 480 m3 (bui van 60 mm). Opgemerkt wordt dat een groot gedeelte van het ontwikkelingsgebied reeds in gebruik is als parkeerterrein met deels een gescheiden waterstelsel, zie afbeelding 4. De hemelwaterverwerking voor de toename aan verhard oppervlak door het nieuw zwembad met parkeren kan op verschillende manieren plaatsvinden. Met een GHG van 1,6 m-mv kan deze berging zowel bovengronds en ondergronds. In overleg met de gemeente dient afgestemd te worden of het gehele ontwikkelingsplan of alleen de toename ter plaatse gecompenseerd dient te worden. Dit heeft namelijk invloed op de verwerkingswijze. De volgende mogelijkheden kunnen gebruikt worden voor de hemelwaterverwerking: -
(deels) aansluiten op het gescheiden rioolsysteem in de Vlas en Graan en het Stadhuisplein. De aanvullende hemelwaterberging kan aangelegd worden door: -
een aan te leggen greppel/wadi/verlaagde zone aan bijvoorbeeld de westkant van het onderzoeksgebied met een minimale diepte van 40 cm.
-
een enkele laag Infiltratiekratten (of vergelijkbare voorziening) onder de bestrating / parkeergelegenheden.
-
waterberging op het platte dak.
-
in overleg met de gemeente Meierijstad geheel afvoeren naar het gescheiden rioolsysteem waar de aanvullende berging aangelegd wordt.
Bij ondergrondse infiltratie dient een bovengrondse noodoverloop bijvoorbeeld via de kolk aangelegd te worden die dan oppervlakkig afstroomt naar het gemeentelijk stelsel. Verder dient rekening gehouden te worden met de benodigde gronddekking op een ondergrondse voorziening. Tevens wordt hierbij een voorzuivering geadviseerd om dichtslibben van de voorziening te vermijden.
Pagina | 11
AM20106
2.3
Samenvatting
Het centrale gedeelte van het plangebied betreft een sportcentrum en zwembad. Ter plaatse zal een stedelijke ontwikkeling en een nieuw overdekt zwembad plaatsvinden. Ter plaatse is voldoende drooglegging aanwezig met een gemiddelde grondwaterstand van 2,1 m-mv en een GHG van ca. 1,6 m-mv. Om instroom van hemelwater tegen te gaan, wordt geadviseerd om een vloerpeil van 20 cm boven de kruin van de nabijgelegen weg aan te houden. Momenteel is nog een gemengd stelsel aanwezig. Tot recent was het gehele plangebied (zuidwestelijk) ook verhard en aangesloten op het gemeentelijk stelsel. Rondom het plangebied is al een deels gescheiden stelsel aanwezig. Bij de nieuwbouw zal een gescheiden stelsel aangelegd worden die kan worden aangesloten op het bestaande gescheiden rioolstelsel onder Vlas en Graan en het Stadhuisplein. Het nieuw te realiseren plan zal naar verwachting niet voor afvalwaterafvoer problemen zorgen gezien het bestaande gebruik als zwembad. Voor de wijziging aan de afvalwaterafvoer op het gemeentelijk stelsel dient te zijner tijd bij de gemeente Meierijstad een aansluiting aangevraagd te worden. Minimaal dient de toename aan het verhard oppervlak door het nieuw zwembad ter plaatse geborgen te worden.
Afhankelijk van het bestaand hemelwaterstelsel dient op het plangebied een aanvullende waterverwerking ingepast te worden zodat elders geen overlast ontstaat door de afkoppeling van het plangebied. Mogelijkheden voor waterberging van minimaal 27 m3 zijn een open voorziening in het (zuid)westelijk groen of oostelijk ondergronds ter plaatse van het parkeerterrein. Hiermee kan dan tevens eenvoudig een overloop naar het bestaand gemeentelijk stelsel aangelegd worden. Het hemelwater kan zowel bovengronds en ondergronds verwerkt worden, echter wordt er verwacht dat de infiltratiesnelheid in het onderzoeksgebied slecht zal zijn waardoor sprake is van een bergende voorziening met vertraagde leegloop (zoals het bestaand hemelwaterstelsel in de omgeving). Bij de aanleg van een absolute infiltratievoorziening wordt geadviseerd voorafgaand infiltratiemetingen uit te voeren. Door de aanleg van een gescheiden stelsel, de kleine verhardingstoename (welke in het recente verleden ook verhard was), de mogelijkheid tot invulling van waterretentie op eigen terrein en rekening te houden met de genoemde aandachtspunten wordt hydrologisch gezien positief ontwikkeld en is geen wateroverlast te verwachten door de planontwikkeling. Bij het definitieve bouwplan dient de uiteindelijke hemelwatervoorziening opgenomen te zijn welke afgestemd is met de gemeente.
Het omliggend terrein dient zo aangelegd te worden dat excessief water kan afstromen naar het openbaar gebied of nabijgelegen oppervlaktewater. Eventueel benodigde vergunningen worden niet middels deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing/infiltratie of werkzaamheden in (de buurt van) een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen aangevraagd worden middels het Omgevingsloket.
Pagina | 12
AM20106