CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Gasthuisstraat 36, Schijndel (REGELS & TOELICHTING)

Raadsvergadering 29 maart 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Gasthuisstraat 36 te Schijndel18.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Gasthuisstraat 36, Schijndel

Bezoekadres Stadhuisplein 1 5461 KN Veghel Postadres Postbus 10.001 5460 DA Veghel T: 14 0413 E: info@meierijstad.nl W: www.meierijstad.nl IBANnr: NL31 RABO 0171 5811 48

Betreffende

Gasthuisstraat 36, Schijndel

Planstatus

vastgesteld

Projectnummer

NL.IMRO.1948.SCH001BP0042021P-VG01

Datum

29 maart 2022

Bestemmingsplan Gasthuisstraat 36 te Schijndel Gemeente Meierijstad Vastgesteld

Rapportnummer:

P03963

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1948.SCH001BP0042021P-VG01

Datum:

28 februari 2022

Opdrachtgever:

Woonmeij

Projectteam BRO:

RFe, TAu

Concept:

september 2021

Voorontwerp:

--

Ontwerp:

november 2021

Vastgesteld:

29 maart 2022

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Toelichting

Hoofdstuk 6

47

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Procedure 1.5 Leeswijzer

4 4 4 4 6 6

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Toekomstige situatie

7 7 8

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

10 10

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.2 Provinciaal beleid

10 11 15

3.2.1 Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ 3.2.2 Interim Omgevingsverordening 3.3 Gemeentelijk beleid

15 15 17

3.3.1 Visie Meierijstad 3.3.2 Woonvisie Meierijstad

17 18

4. OMGEVINGSASPECTEN 4.1 Verkeer en parkeren

20 20

4.1.1 Toetsingskader 4.1.2 Onderzoek 4.2 Geluid

20 20 21

4.2.1 Toetsingskader 4.2.2 Onderzoek 4.2.3 Conclusies 4.3 Luchtkwaliteit

21 22 22 22

4.3.1 Toetsingskader 4.3.2 Onderzoek 4.3.3 Conclusies 4.4 Bedrijven en milieuzonering

22 23 23 24

4.4.1 Toetsingskader 4.4.2 Onderzoek

24 25

Inhoudsopgave

1

4.4.3 Conclusie 4.5 Geur

25 25

4.5.1 Toetsingskader 4.5.2 Onderzoek 4.5.3 Conclusie 4.6 Externe veiligheid

25 26 26 26

4.6.1 Toetsingskader 4.6.2 Onderzoek 4.6.3 Conclusie 4.7 Ecologie

26 27 28 28

4.7.1 Toetsingskader 4.7.2 Onderzoek 4.7.3 Conclusie 4.8 Bodem

28 30 31 31

4.8.1 Toetsingskader 4.8.2 Onderzoek 4.8.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan. 4.9 Water

31 31 32 32 32

4.9.1 Toetsingskader 4.9.2 Onderzoek 4.9.3 Conclusie 4.10 Archeologie

32 33 35 35

4.10.1 Toetsingskader 4.10.2 Onderzoek 4.10.3 Conclusie 4.11 Cultuurhistorie

35 35 36 36

4.11.1 Toetsingskader 4.11.2 Onderzoek 4.11.3 Conclusie 4.12 Toetsing besluit m.e.r.

36 37 37 37

4.12.1 Toetsingskader 4.12.2 Onderzoek 4.12.3 Conclusie 4.13 Hoogspanningslijnen 4.14 Spuitzones gewasbescherming 4.15 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen

37 38 38 39 39 39

5. JURIDISCHE PLANOPZET 5.1 Inleiding 5.2 Plansystematiek 5.3 Bestemmingen

Inhoudsopgave

41 41 41 43

2

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

44 44

6.1.1 Omgevingsdialoog 6.1.1 Vooroverleg 6.1.2 Inspraak  6.1.3 Vaststellingsprocedure 6.2 Economische uitvoerbaarheid

44 44 44 45

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Quickscan flora en fauna Bijlage 3: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4: Waterparagraaf Bijlage 5: M.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 6: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 7: Omgevingsdialoog

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Het initiatief betreft een transformatie en nieuwbouwontwikkeling van de Gasthuisstraat 36, en het naastgelegen perceel te Schijndel. De initiatiefnemer, Woonmeij heeft de intentie in monumentale pand (en voormalige kleuterschool) op de planlocatie 7 grondgebonden starterswoningen te realiseren. Op het naastgelegen terrein worden 8 nieuwbouwappartementen gerealiseerd. Het vigerend bestemmingsplan is “Boscheweg Zuid-West 2010”. Ter plaatse van de desbetreffende percelen, die kadastraal beend staan als gemeente Meierijstad, sectie H, nummers 2627, 2626 en 6306 is de bestemming “Maatschappelijke doeleinden” opgenomen. Op basis van de vigerende bestemming is woningbouw niet toegestaan. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied. Er wordt aangetoond dat het initiatief haalbaar is en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening

1.2 Plangebied De locatie is gelegen in het gebied Boscheweg Zuid-West tussen de Gasthuisstraat en Jan van Amstelstraat te Schijndel. Tegenover het plangebied liggen aan de Jan van Amstelstraat basisschool de Vossenberg en Kinderdagverblijf De Kikker. Aan de andere zijde wordt het perceel begrensd door woningen. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 2000 m² waarop een (deels)monumentaal pand van ca. 550 m² aanwezig is, dat momenteel leeg staat. Dit pand bestaat uit één bouwlaag. In figuur 1.1 wordt de ligging binnen Schijndel en de directe omgeving weergegeven.

1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Boscheweg Zuid-West 2010’ (vastgesteld op december 2010). De gronden binnen het plangebied zijn op basis van dit bestemmingsplan voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’. Onderstaand worden de mogelijkheden volgens dit bestemmingsplan beschreven. Figuur 1.2 geeft een uitsnede van de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan weer.

Hoofdstuk 1

4

Gebruiksmogelijkheden De voor Maatschappelijke doeleinde aangewezen gronden zijn (o.a.) bestemd voor: a) Educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van kinderopvang, lichamelijke en/of geestelijk volksgezondheid, sport, recreatie en openbare dienstverlening, alsook ondersteunende horeca ten dienste van deze voorzieningen. Bouwregels In het bestemmingsplan zijn diverse bouwregels opgenomen. Hierin is onder andere de volgende regeling opgenomen: a) Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het op de kaart aangegeven bebouwingsvlak; b) De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de kaart is aangegeven; c) Indien op de kaart een bebouwingspercentage is aangegeven mag dit niet worden overschreden; d)

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen geen grotere bouwhoogte hebben dan 5 meter met dien verstande dat erfafscheidingen een maximale bouwhoogte van 2 meter mogen hebben.

Figuur 1.1. Ligging en globale begrenzing plangebied

Toets planvoornemen Het planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen terwijl deze hier niet zijn toegestaan. Daarnaast zijn er in het perceel aanduidingen aangegeven voor het maximale bebouwingspercentage (40%) en de maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 6 en 4 meter. De nieuwbouw zal hoger zijn dan deze toegestane hoogte. Hiermee is het plan in strijd met zowel de gebruiks- als bouwregels van het vigerende bestemmingsplan.

Hoofdstuk 1

5

Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan

1.4 Procedure Om de ontwikkeling mogelijk te maken zal er van het planologische regime moeten worden afgeweken. Voorliggend bestemmingsplan betreft het nieuwe juridisch-planologische kader voor het plangebied.

1.5 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van het plan is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Het derde en vierde hoofdstuk gaan respectievelijk in op de verhouding van het plan tot vigerend beleid en de invloed van en op verschillende milieuaspecten. De laatste twee hoofdstukken gaan in op de juridische opzet inzake de bijbehorende regels en de maatschappelijke en economische haalbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 1

6

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied is conform het geldende bestemmingsplan in de huidige situatie bestemd voor maatschappelijke functies. Op het beoogde perceel staat een voormalige kleuterschool. Het oude deel van de kleuterschool is een gemeentelijk monument. Aan de achterzijde is een uitbouw die later is gerealiseerd. Dit deel heeft geen monumentale status. Aan de zuidzijde van het monumentale schoolgebouw ligt een grasveld en een verhard fietsparkeerterrein. De figuren 2.1 t/m 2.3 geven een impressie van het plangebied.

Figuur 2.1. Monumentale gedeelte van voormalige kleuterschool en grasveld gezien vanaf de Jan van Amstelstraat

Figuur 2.2. Fietsenstalling gezien vanaf de Jan van Amstelstraat

Figuur 2.3. Te slopen gedeelte en achterliggende monumentale gedeelte voormalige kleuterschool

Hoofdstuk 2

7

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om zeven grondgebonden woningen in de voormalige kleuterschool te realiseren. Daarnaast zal in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied een appartementencomplex, met acht appartementen, worden gerealiseerd. Een deel van de school (het niet monumentale deel) wordt gesloopt ten behoeve van de te realiseren parkeerplaats. Bij de ontwikkeling van het nieuw te realiseren appartementencomplex zal de rooilijn van de bebouwing op de Jan van Amstelstraat worden gecontinueerd. Parkeren ten behoeve van de woningen wordt opgelost op eigen terrein, ten noorden van het monumentale pand, middels 24 parkeerplaatsen (zie figuur 2.5). Tevens zullen er ten noorden van het monumentale pand bergingen gerealiseerd worden, voor iedere woning één. De nieuwbouwwoningen hebben een hoogte van maximaal 2 bouwlagen/ met kap en zullen conform de tekeningen in figuur 2.6 worden ontwikkeld.

Figuur 2.4. Impressie nieuwe situatie

Hoofdstuk 2

8

Figuur 2.5. Toekomstige parkeersituatie plangebied

Figuur 2.6. Gevelaanzicht nieuwe woningen

Hoofdstuk 2

9

3.

BELEIDSKADER De desbetreffende locatie maakt op diverse bestuurlijke niveaus deel uit van verschillende plannen van planologische aard.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Welke op 11 september 2020 naar de Tweede Kamer gestuurd is. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Welke zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven. De drie afwegingsprincipes zijn: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;  Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;  Afwentelen wordt voorkomen. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht, welke ‘nationale belangen’ genoemd worden. De NOVI richt zich op 21 nationale belangen. Deze worden geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur.

Hoofdstuk 3

10

De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is. Bovendien wordt de woning landschappelijk ingepast en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden zodat er een beter en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat. Doorwerking projectgebied Het onderhavig plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het beleid inzake het herbestemmen van de voormalige kleuterschool (gemeentelijk monument) en de planologische ruimte voor het realiseren van nieuwe wooneenheden wordt dan ook neergelegd bij de decentrale overheden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de NOVI wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking projectgebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de NOVI is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied en voor de voorgestane ontwikkelingen. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

Hoofdstuk 3

11

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang, 12 woningen of meer, moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking projectgebied Het initiatief voorziet in het realiseren van maximaal 15 wooneenheden, waarvan 7 grondgebonden woningen in de voormalige (monumentale) kleuterschool en 8 appartementen in een nieuw te realiseren pand. Door de omvang van het initiatief dient het te worden beschouwd als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

Bij het opstellen van de bestemmingsregeling is het uitgangspunt dat niet méér dan 15 appartementen zullen worden mogelijk gemaakt. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Voor het initiatief is in een separate rapportage onderzocht of en op welke manier de toevoeging van 15 woningen aan de Gasthuisstraat 36 te verantwoorden is vanuit de methodiek van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Deze rapportage is opgenomen in de bijlagen van onderhavige bestemmingsplantoelichting. Onderstaand zal worden ingegaan op de belangrijkste conclusies. Sprake van nieuwe stedelijke ontwikkeling De beoogde ontwikkeling aan de Gasthuisstraat 36 betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit blijkt uit de volgende gegevens: 1. Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan ‘Boscheweg Zuid-West 2010’ (vastgesteld 16-122010) de volgende bestemming: Maatschappelijke doeleinden. Deze bestemming bevat onder andere onderwijs- en sportvoorzieningen. Op basis van dit bestemmingsplan is wonen op de locatie niet toegestaan en is een wijziging van de bestemming noodzakelijk. 2.

Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

12

voorzieningen’. Het initiatief om maximaal 15 woningen te bouwen kan onder deze definitie worden geschaard, gezien het hier gaat om de ontwikkeling van een maatschappelijke locatie naar een woningbouwlocatie. 3. Vanaf 12 nieuwe woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Aangezien het hier om de toevoeging gaat van maximaal 15 woningen, kan het initiatief gekwalificeerd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Passend binnen beleidskaders Het planinitiatief past binnen de gestelde beleidskaders en draagt bij aan de beleidsdoelstellingen van Rijk, provincie, regio en gemeente:  De provincie streeft naar duurzame verstedelijking door woonontwikkelingen in beginsel te laten plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied. Het planinitiatief past binnen deze kaders aangezien de beoogde woningen binnen bestaand stedelijk gebied worden gerealiseerd. Bovendien wordt provinciaal, regionaal en gemeentelijk ingezet op bestaand stedelijk gebied en transformatie en herbestemming. Het initiatief is in lijn met de beleidskaders, doordat een monumentaal pand wordt behouden en aan de binnenzijde wordt getransformeerd naar 7 woningen. De overige 8 woningen worden gerealiseerd op het stuk grond achter het voormalige schoolgebouw.  In de gemeentelijke woningbouwprogrammering wordt gestreefd naar een verdeling die bestaat uit onder meer 25% sociale huur.

Tot 2028 zijn bijna 1.000 sociale huurwoningen nodig. Het initiatief dat 15 sociale huurwoningen realiseert draagt concreet bij aan deze opgave. Met nieuwe sociale huurwoningen draagt het plan bovendien bij aan de prestatieafspraken zoals die gemaakt zijn door de gemeente, huurdersorganisaties en corporaties.  Daarnaast is op lokaal niveau aandacht voor het realiseren van woningen voor ouderen die willen doorstromen. Ook wil de gemeente Meierijstad de aantrekkelijk van de gemeente vergroten voor onder andere jongeren. Het initiatief draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt door appartementen te realiseren die ook geschikt zijn voor ouderen (in ieder geval de woningen op begane grond). Daarnaast zijn de woningen geschikt voor jongeren doordat ze in een betaalbaar segment worden gerealiseerd. Passend binnen behoefte van het ruimtelijk verzorgingsgebied Voor de onderbouwing van de woonbehoefte is gekeken naar de afbakening van de relevante regio, om zo de behoefte in beeld te brengen. Hiervoor is gekeken naar de regionale woningmarkt, die gedefinieerd wordt op basis van verhuisbewegingen. In dit behoefteonderzoek gaat het om de gemeente Meierijstad als primaire verzorgingsgebied. Het initiatief wordt passend geacht binnen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Hieronder volgt een beknopte toelichting.

De volledige onderbouwing van de woningbehoefte is opgenomen in bijlage 1 van deze notitie. Kwantitatieve behoefte Het initiatief om 15 woningen te realiseren aan de Gasthuisstraat voorziet in een kwantitatieve behoefte.

Hoofdstuk 3

13

In de periode tot 2030 neemt de bevolking en het aantal huishoudens in de gemeente Meierijstad toe. Eenzelfde trend geldt voor de regio Noordoost-Brabant. Dit vraagt om een groei van de woningvoorraad. Tussen 1 januari 2016 en 1 januari 2019 was het aandeel leegstaande woningen ongeveer constant, circa 1% van het totaal. Dit is vergelijkbaar met het landelijke beeld, maar desondanks is er sprake van een bepaalde schaarste. Als afgeleide van de bevolkings- en huishoudensontwikkeling kan een raming worden gemaakt van de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente Meierijstad van circa 3.625 woningen tot 2030. Op dit moment is er onvoldoende harde plancapaciteit beschikbaar in de gemeente Meierijstad (1.665 woningen) om in de groeiende woningbehoefte tot 2030 te voorzien (3.625 woningen). Er resteert voor de gemeente Meierijstad (primaire verzorgingsgebied) een kwantitatieve behoefte van 1.960 woningen tot 2030. De beoogde ontwikkeling om 15 woningen te realiseren aan de Gasthuisstraat voorziet daarmee in een kwantitatieve behoefte binnen het verzorgingsgebied. Om in de toekomstige woonbehoefte te kunnen voorzien wil de gemeente Meierijstad in de periode 2018-2028 3.940 woningen toevoegen, waarvan 876 woningen in de kern Schijndel. Hiervan zijn er reeds 240 woningen gerealiseerd. In de kern Schijndel liggen tot 2029 plannen voor in totaal 601 woningen.

Dit is onvoldoende om in de resterende woningbehoefte van 636 woningen te voorzien. Dit betekent dat er nog ruimte is voor het toevoegen van extra woningen in de kern Schijndel. De ontwikkeling aan de Gasthuisstraat betreft de realisatie van 15 woningen, waardoor de kwantitatieve behoefte niet wordt overschreden.

Kwalitatieve behoefte Het initiatief om 15 sociale huurwoningen (grondgebonden en appartementen) te realiseren aan de Gasthuisstraat in de gemeente Meierijstad voorziet in een kwalitatieve behoefte:  In de gemeente Meijerijstad (en de kern Schijndel) blijkt een behoefte aan goedkope/sociale en betaalbare/middeldure woningen om in de toekomstige vraag te kunnen voorzien, de doorstroming van de woningmarkt te bevorderen en de woningvoorraad te completeren. In de gemeente Meierijstad bestaat een behoefte van bijna 1.000 sociale huurwoningen tot 2028. Het initiatief dat voorziet in de toevoeging van 15 sociale huurwoningen draagt concreet bij aan deze gemeentelijke opgave.  In de gemeente Meierijstad is een tekort aan huurappartementen geschikt voor starters én doorstromers (in vrijwel alle leeftijdsgroepen). Ook bestaat er in de gemeente Meierijstad een tekort aan betaalbare, kleinere huurwoningen (€424-607). Het initiatief, dat 15 sociale huurwoningen tot de liberalisatiegrens realiseert, voorziet hiermee in een kwalitatieve behoefte.  In de woonvisie van de gemeente Meierijstad wordt een gewenste verdeling voor het woningbouwprogramma genoemd van 25% sociale huur, 15% middeldure huur, 10% goedkope koop, 20% middeldure koop, 20% dure koop en 10% variabel. Deze verdeling wordt in de gerealiseerde en te realiseren plannen in de kern Schijndel behaald.

Dit maakt het geoorloofd om op de locatie aan de Gasthuisstraat 36 alleen te voorzien in sociale huur. Geen onaanvaardbare effecten Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van woningen in de gemeente Meierijstad onaanvaardbare effecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook

Hoofdstuk 3

14

na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. De totale plancapaciteit (hard én zacht) is onvoldoende om in de woningbehoefte in de kern Schijndel te voorzien. Daarnaast draagt het realiseren van woningen bij aan het creëren van een levendig woon- en leefklimaat in de kern Schijndel aangezien een voormalige kleuterschool in een monumentaal pand een nieuwe invulling krijgt. Door de buitenkant van het gebouw te laten staan, blijft een beeldbepalend, monumentaal gebouw in Schijndel behouden. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied.  Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de volgende bestemming: Maatschappelijke doeleinden. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft. Bovendien wordt het plangebied omsloten door stedelijke functies (wonen, bijzondere woondoeleinden en maatschappelijke voorzieningen). Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking projectgebied De herbestemming van de school en nieuwbouw ten behoeve van de appartementen hebben geen grote invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet de ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld, deze is op 8 december 2020 geconsolideerd.

De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant. De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de

Hoofdstuk 3

15

Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening nog niet allemaal zijn verwerkt in de Interim Omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. De verordening bestaat uit kaartmateriaal en regels waarmee gemeenten rekening moeten houden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Doorwerking projectgebied Het plangebied ligt binnen gronden die op de kaarten behorende bij de Verordening ruimte als ‘Stedelijk gebied’ en ‘Kern in landelijk gebied’ zijn aangeduid. Dit is te zien in figuur 3.1.

Figuur 3.1: Uitsnede plangebied Interim Omgevingsverordening

De volgende artikelen uit de Interim Omgevingsverordening zijn van toepassing op de voorgestane ontwikkelingen binnen het plangebied. Artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. b.

de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

Hoofdstuk 3

16

Lid 2. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied waardoor stedelijke ontwikkelingen zijn toegestaan. De kwantitatieve woonbehoefte in de regio is aangetoond in de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is sprake van een herontwikkeling van de school naar wonen en de ontwikkeling van een appartementencomplex voor 8 appartementen. Het stedenbouwkundig plan voorziet in een ruimtelijke kwaliteitsimpuls binnen het plangebied. Er is sprake van een inbreidingsplan en transformatieopgave in stedelijk gebied. In de planuitwerking wordt rekening gehouden met duurzaamheid en energietransitie. Zo gaan de bouwplannen uit van energie neutrale nieuwbouw waarbij de laatste ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid zijn verwerkt.

Daarnaast moet de ontwikkeling voorzien in een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving, deze onderwerpen worden behandeld in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten. De voorgestane ontwikkeling is in overeenstemming met de regels uit de Interim Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Visie Meierijstad In de Visie Meierijstad wordt de toekomst van de gemeente Meierijstad beschreven. Hierin is de volgende algemene visie opgenomen: Het is 2025: een gemeente met een missie en ambities In het belang van haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen is een ambitieuze en bestuurskrachtige gemeente noodzakelijk. Elke inwoner telt mee en kan mee doen binnen sterke sociale netwerken en een rijk vrijwilligers- en verenigingsleven. Meierijstad maakt zich samen met het bedrijfsleven sterk voor een gezonde lokale en regionale economie met voldoende werkgelegenheid. Food is de verbindende factor: de productie in het buitengebied, de voedingsindustrie en nieuwe productontwikkeling. In Meierijstad is het genieten in de vele restaurants en op de terrassen. De beroepsbevolking is aan het werk. Wonen en werken in Foodcapital trekt jeugd aan. Er is een goede ruimtelijke balans tussen werken, wonen en leven. Meierijstad koestert de unieke waarden van natuur, landschap, cultuur en onderwijs. Daarnaast is voor het ruimtelijke aspect onderscheid gemaakt tussen verschillende onderdelen, waaronder bijvoorbeeld: landschap, wonen en bedrijvigheid. Voor het aspect wonen is het volgende beschreven:

Hoofdstuk 3

17

Onze inwoners verblijven in een veilige woon- en werkomgeving. Zij zijn betrokken en hebben direct invloed op de woonomgeving en de eigen woning. Maatwerk is de norm, met flexibiliteit en ruimte voor nieuwe ideeën. Er is een duurzame leefomgeving en een divers woningaanbod: koop, huur, meer-generatie-wonen (levensloopbestendig) en zorgconcepten. Het (hoogwaardig) openbaar vervoer is verbeterd en daardoor is de bereikbaarheid tussen de kernen goed. Doorwerking projectgebied Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een divers woningaanbod en zorgt voor een verbetering van de leefomgeving in dit deel van de kern Schijndel. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de uitgangspunten uit de Visie Meierijstad. 3.3.2 Woonvisie Meierijstad Op 5 juli 2018 heeft de gemeenteraad de nieuwe woonvisie voor Meierijstad vastgesteld. Als kaders voor de nieuwe visie zijn onder andere uitgangspunten uit het Europees, rijks- en provinciaal beleid en het Coalitieakkoord 2017-2022 gehandhaafd.

Enkele uitgangspunten (die van toepassing zijn op onderhavig initiatief) hieruit zijn:  Wonen en werken trekt jeugd aan, er is een goede ruimtelijke balans is tussen werken, wonen en leven en iedereen kan meedoen;  Er is een divers woningaanbod en met, waar nodig, ondersteuning;  De behoefte van de woningzoekenden is het uitgangspunt bij het formuleren van de woonvisie;  Meierijstad maakt het mogelijk dat gebouwd kan worden in alle kernen. Meierijstad wil een gemeente zijn met een gevarieerd woningaanbod met aantrekkelijke, leefbare buurten voor alle bevolkingsgroepen en leefstijlen. Meierijstad heeft circa 80.000 inwoners en bestaat uit 13 kernen met elk een eigen karakter en identiteit. Zowel dorps als stedelijk. Om te kunnen voorzien in de woningbehoeften en -wensen die binnen de inwoners van de gemeente leven, wordt ruimte gegeven aan de ontwikkeling van woningbouwplannen. Daarbij wordt zowel naar de korte als de lange termijn gekeken en zijn de volgende vier thema’s leidend: 1. De dynamiek van de woningmarkt: afstemming van de vraag naar een passend aanbod en het aanbod in relatie tot de behoefte op de lange termijn; 2. Wonen, welzijn en zorg: samenhang tussen demografische ontwikkelingen, transitie in het sociale domein gericht op een inclusieve samenleving waar iedereen meedoet en de invloed daarvan op de leefomgeving; 3.

Duurzaamheid: aandacht voor de energetische uitdagingen en het zo optimaal mogelijk gebruik maken van bestaande infrastructuur en vastgoed; 4. Leefbaarheid: een juiste balans tussen enerzijds specifieke woonkwaliteiten en anderzijds een divers woningaanbod wat de kracht en eigenheid van wijken en kleine kernen recht doet. Doorwerking projectgebied De kwantitatieve en kwalitatieve behoeften staan reeds beschreven in paragraaf 3.3.3 Ladder voor duurzame verstedelijking. De herontwikkeling van het plangebied voorziet in een actuele kwantitatieve

Hoofdstuk 3

18

en kwalitatieve (regionale) behoefte en wordt gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied, er is dus sprake van een inbreidingsplan. In de woonvisie van de gemeente Meierijstad wordt een gewenste verdeling voor het woningbouwprogramma genoemd van 25% sociale huur, 15% middeldure huur, 10% goedkope koop, 20% middeldure koop, 20% dure koop en 10% variabel. Deze verdeling wordt in de gerealiseerde en te realiseren plannen in de kern Schijndel behaald. Dit maakt het geoorloofd om op de locatie aan de Gasthuisstraat 36 alleen te voorzien in sociale huur.

Hoofdstuk 3

19

4.

OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Verkeer Een toename of wijziging van functies zorgt voor een verandering in de verkeersgeneratie. Met behulp van de CROW-publicatie 381 kan de verkeersgeneratie van een bepaalde functie worden berekend. Een eventuele toename mag niet voor negatieve effecten zorgen met betrekking tot de verkeersdrukte en –veiligheid. Parkeren De gemeente Meierijstad heeft haar parkeerbeleid geregeld middels het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Er dient voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein of op openbaar gebied aanwezig te zijn of gerealiseerd te worden, dan wel in stand te worden gehouden. Voor het realiseren van voldoende parkeergelegenheid dienen de normen zoals bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Meierijstad 2018' als vastgesteld op 18 december 2018, te worden gevolgd. 4.1.2 Onderzoek Verkeer Het plangebied is redelijk tot goed bereikbaar met zowel de auto, fiets als het openbaar vervoer. Momenteel ligt binnen het plangebied een voormalige kleuterschool.

In de huidige situatie is daarmee ook al (planologisch) sprake van verkeersbewegingen, vanwege de huidige functies in het plangebied. Voor de berekening is echter uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de gehele toekomstige situatie is beschouwd. Onderstaand is de toekomstige verkeersgeneratie berekend voor 15 appartementen die in het plangebied worden gerealiseerd. Er wordt gerekend met de gemiddelde verkeersgeneratie van sociale huurappartementen in ‘rest bebouwde kom’ – niet stedelijk gebied, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381.

Hoofdstuk 4

20

Voor een sociaal huurappartement is de gemiddelde verkeersgeneratie 4,1 mvt/etmaal. Voor de 15 appartementen komt de verkeersgeneratie in totaal uit op 61,5 (4,1 x 15) motorvoertuigen per etmaal. Deze beperkte toename aan verkeer kan gemakkelijk op het omliggende wegennet verwerkt worden. Er worden geen belemmeringen verwacht voor wat betreft verkeer. Parkeren Met onderhavig plan worden 15 sociale huurappartementen mogelijk gemaakt. Alle woningen vallen onder de categorie ‘koop/ huur, etage goedkoop’ en ligt in ‘rest bebouwde kom’. Voor deze woningen geldt daarom een parkeernorm van 1,6 parkeerplaats per woning. Dit leidt tot een parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen. Zoals beschreven in hoofdstuk 2 worden op eigen terrein 24 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit betekent dat de parkeerbehoefte kan worden opgevangen op eigen terrein.

4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een wijziging in het bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor:  de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg;  de aanleg van een nieuwe weg;  de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaardenonoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere waarde te worden vastgesteld.

Hoofdstuk 4

21

Tabel 4.1 Breedte geluidzones langs weg

Stedelijk gebied

Buiten stedelijk gebied

Rijstroken

Zone breedte

1 of 2

200 meter

3 of meer

350 meter

1 of 2

250 meter

3 of 4

400 meter

5 of meer

600 meter

4.2.2 Onderzoek Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, zoals wonen, binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. Omdat het plan niet gelegen is binnen de geluidzone van een zoneplichtige weg, is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Bovendien ligt het plangebied in een rustig woongebied en is de Jan van Amstelstraat een doodlopende straat waarover enkel bestemmingsverkeer plaatsvindt. Vanuit het perspectief van een goede ruimtelijke ordening kan daarom in het kader van wegverkeerslawaai een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd worden. 4.2.3 Conclusies Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.

4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:  het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM;

Hoofdstuk 4

22

het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3).

4.3.2 Onderzoek Invloed van het plan op de luchtkwaliteit Het beoogde initiatief om maximaal 15 woningen te realiseren ligt ruim onder de NIBM-grens voor woningbouwontwikkelingen. Een project draagt in niet betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als het gaat om de realisatie van minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg en minder dan 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen. Geconcludeerd wordt dat de bijdrage van het verkeer door onderhavig plan ‘niet in betekenende mate’ is. Om deze reden wordt een nader onderzoek naar luchtkwaliteit niet noodzakelijk geacht. Invloed van de luchtkwaliteit op het plan Ook moet gekeken worden naar de huidige luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van stikstof en fijnstof in de lucht, kunnen worden achterhaald middels de NSLmonitoringstool. In figuur 4.1 en tabel 4.2 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de waarden ruim onder de norm liggen. Om deze reden kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. 4.3.3 Conclusies Het aspect ‘luchtkwaliteit’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

Figuur 4.1. Meetlocatie planlocatie. Bron: NSL-monitoringstool

Hoofdstuk 4

23

Tabel 4.2.

Achtergrondwaarden luchtkwaliteit (bron NSL-monitoringstool

Meetpunt

Id

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM 10 overschrijdingsdagen

PM2.5 μg/m3

Jaar

1

29554

17.8

18.7

6.6

11.4

2020

2

29555

17.8

18.7

6.6

11.4

2020

3

29558

18.2

18.7

6.7

11.4

2020

4

29559

17.9

18.7

6.6

11.4

2020

40

40

35

25

Norm

4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2 . In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).

Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorps-

2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009

Hoofdstuk 4

24

kernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Onderhavig plangebied kan gezien worden als gemengd gebied dus de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG publicatie kunnen met één afstandstrede verlaagd worden. 4.4.2 Onderzoek Omgevingstype Het projectgebied ligt in een gebied waar op basis van het vigerende bestemmingsplan voornamelijk wonen en maatschappelijke functies aanwezig zijn. Het gebied waarin de projectlocatie ligt kan gekarakteriseerd worden als een rustige woongebied met daarbij behorende maatschappelijke voorzieningen. Invloed van het initiatief op de omgeving Met dit initiatief worden in totaal maximaal 15 woningen mogelijk gemaakt. Woningen kunnen niet gezien worden als milieubelastende functies. Een woning kent dan ook geen milieucategorie of een aan te houden richtafstand. Negatieve invloed op het woon- en leefklimaat bij omliggende milieugevoelige functies is dan ook uit te sluiten. Invloed van de omgeving op het initiatief Woningen worden aangemerkt als gevoelige functie. In de directe omgeving van het beoogde nieuwbouwplan zijn een basisschool, kinderdagverblijf en woningen met ‘bijzondere woondoeleinden’.

De richtafstand voor een schoolgebouw is door de publicatie van de VNG bepaald op 30 meter. De afstand van het plangebied tot de school bedraagt ca. 15 meter. Gezien het schoolplein van de school (de bron van de grootste geluidsbelasting) grotendeels wordt afgeschermd door het schoolgebouw en er reeds woningen dichter bij de school staan die reeds maatgevend zijn, wordt niet verwacht dat dit belemmeringen zal opleveren voor onderhavig plan. Door het treffen van geluidsisolerende voorzieningen en daarmee het waarborgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woningen, kan er tevens voor gezorgd worden dat de scholen niet in hun uitvoering beperkt worden. 4.4.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.5 Geur 4.5.1 Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is

Hoofdstuk 4

25

bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4.5.2 Onderzoek In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen (intensieve) veehouderijen en andersoortige agrarische bedrijven gelegen. 4.5.3 Conclusie Het aspect ‘geur’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.6 Externe veiligheid 4.6.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:  activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;  transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;  transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen waterwegen is het wettelijk kader vastgelegd het Besluit externe veiligheid

Hoofdstuk 4

26

transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. De normen voor ondergrondse buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). In 2016 is de Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations verschenen. In de circulaire wordt het bevoegd gezag voor LPG-tankstations gevraagd om naast het hanteren van de risicoafstanden uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) rekening te houden met de effectafstanden uit deze circulaire. De circulaire is van toepassing op besluiten die veiligheidsgevolgen kunnen hebben in de omgeving van een LPG-tankstation. Daarbij gaat het om b paalde ongevalsscenario’s bij een LPG-tankstation waarvoor de vaste risicoafstanden uit de Revi gelden. Er worden twee effectafstanden gehanteerd in de circulaire: 1. een afstand van 60 meter voor (beperkt) kwetsbare objecten en 2. een afstand van 160 meter voor zeer kwetsbare objecten. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.

Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.

4.6.2 Onderzoek Om inzicht te krijgen in eventuele risicobronnen in de omgeving kan gebruik worden gemaakt van de Risicokaart. In figuur 4.2 is een uitsnede van deze kaart weergegeven. Op basis van de Risicokaart kan worden gesteld dat in de omgeving van de ontwikkeling geen risicobronnen liggen op en vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 4

27

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart

4.6.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavig plan.

4.7 Ecologie 4.7.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wnb heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Hoofdstuk 4

28

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;  het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en  de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.

Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wnb dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming De Wnb onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wnb drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;  soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);  soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);  andere soorten (artikel 3.10).

Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

Hoofdstuk 4

29

4.7.2 Onderzoek In het kader van onderhavig initiatief ten behoeve van de realisatie van woningen en appartementen, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Deze is opgenomen in de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste resultaten beschreven. Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek”, bevindt zich op circa 8,5 kilometer afstand ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van 15 woningen betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de aanleg- en gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Er is daarom een Aerius berekening uitgevoerd (zie bijlagen).

Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Provinciale gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen het NNB. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNB ligt ongeveer 325 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Indien bij de werkzaamheden ingrijpende aanpassingen (o.a. isoleren, het aanbrengen van vogelschroot etc.) aan het dak van het monumentale gedeelte van het schoolgebouw plaatsvinden, is vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van huismus noodzakelijk.

 Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=10dd18a5-5d89-4ff8-82a8-deb09e162945