Gasthuisstraat 36, Schijndel (BIJLAGEN BIJ TOELICHTING)
Tekst van het document
-
-
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
8
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
Het monumentale gedeelte van het schoolgebouw bevat een pannendak welke geschikt kan zijn voor huismussen. Zolang er geen werkzaamheden aan het dak plaats gaan vinden zullen er geen mogelijke overtredingen zijn met betrekking tot huismus. Het te slopen gedeelte van het schoolgebouw bevat een plat dak met bitumineuze dakbedekking welke geen geschikte nestlocaties bevat voor huismus. Binnen het hele schoolgebouw zijn geen geschikte invliegopeningen voor soorten als gierzwaluw of kerkuil aanwezig. Broedlocaties van gebouwbewonende vogelsoorten binnen het te slopen gedeelte van het schoolgebouw kunnen worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied bevinden zich tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen in de opgaande beplanting binnen het plangebied mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen.
Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 14 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).
maandag 18 januari 2021
Toetsing Bij de sloop niet monumentale gedeelte van het schoolgebouw gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voor-
genomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Indien bij de werkzaamheden grote aanpassingen aan het dak van het monumentale gedeelte van het schoolgebouw plaatsvinden, is vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van huismus noodzakelijk. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Het schoolgebouw noch de bomen binnen het plangebied bevatten geschikte rust- en verblijfplaatsen voor een vleermuizensoort, gezien het ontbreken van holten, open stootvoegen, kierende dakranden en andere openingen naar ruimtes onder het dak of in de spouw. Er is geen sprake van potentieel (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, gezien het ontbreken van aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen. Toetsing Het schoolgebouw bevat geen geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen.
Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen.
9
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt weinig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten steenmarter, eekhoorn en das voor. Er zijn geen holen of nesten in het schoolgebouw, het omliggende groen of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor een steenmarter. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen.
De aanwezigheid van een das en andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden
maandag 18 januari 2021
zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten
In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde poelkikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.
In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote vos, kleine ijsvogelvlinder, teunisbloempijlstaart en vermiljoenkever. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.
Toetsing
Toetsing
Amfibieën
10
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten bekend. Gezien het aanwezige biotoop binnen het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
maandag 18 januari 2021
11
5 Conclusie Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
5
Conclusie
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Indien bij de werkzaamheden ingrijpende aanpassingen (o.a. isoleren, het aanbrengen van vogelschroot etc.) aan het dak van het monumentale gedeelte van het schoolgebouw plaatsvinden, is vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van huismus noodzakelijk. Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
maandag 18 januari 2021
Aanbevelingen Het te slopen gebouw en plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuisvriendelijk bouwen.
Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochureverschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/).
12
6 Samenvatting Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
6
Samenvatting
Tabel 2
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 3
Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van aantasting
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
Ca. 8,5 km
Nee
-
Geen externe verstorende factoren
Natuurnetwerk Nederland
Ca. 325 m
Nee
-
Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Potentieel aanwezig
Sprake van overtreding
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Algemeen
Ja
Te voorkomen
Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp maken of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Jaarrond beschermd
Ja
Mogelijk
Indien bij de werkzaamheden ingrijpende aanpassingen (o.a. isoleren, het aanbrengen van vogelschroot etc.) aan het dak van het monumentale gedeelte van het schoolgebouw plaatsvinden, is vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van nestlocaties van huismus noodzakelijk.
-
Verblijfplaatsen
Nee
Nee
-
-
Foerageerhabitat
Nee
Nee
-
-
Vliegroutes
Nee
Nee
-
-
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de egel
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Broedvogels
Vleermuizen
maandag 18 januari 2021
13
6 Samenvatting Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale websites Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant Brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) Dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in NoordBrabant) Kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)
Algemene websites Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) Floron.nl (soortgegevens planten) Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) Sovon.nl (soortgegevens vogels) Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
maandag 18 januari 2021
14
6 Samenvatting Quickscan flora en fauna Gasthuisstraat 36 te Schijndel
Hoofdvestiging Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 Vestiging Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen
www.bro.nl | info@bro.nl
maandag 18 januari 2021
T +31 (0)77 373 06 01
15
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
NL.IMRO.1948.SCH001BP0042021P-VG01
Pagina: 35 van 122
Datum:25-2-2022
Verkennend bodemonderzoek Gasthuisstraat 36 te Schijndel Kadastraal gemeente Schijndel, sectie H, nummer 1459 (ged.), 2626 en 2627
Projectnummer: Datum:
20203770 1 februari 2021
Verkennend bodemonderzoek Gasthuisstraat 36 te Schijndel Kadastraal gemeente Schijndel, sectie H, nummer 1459 (ged.), 2626 en 2627
Opdrachtgever Woonmeij de heer K. Burgmans Postbus 19 5480 AA Schijndel Adviesbureau
Projectleider
MILON bv
T. Scheider
Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel info@milon.nl / www.milon.nl 073 - 5477253 Status definitief Datum 1 februari 2021 Projectnummer 20203770
Versie 1
Kwaliteitscontrole ing. Mark Bergmans
Inhoudsopgave 1 Inleiding .................................................................................. 3 1.1 Algemeen .......................................................................... 3 1.2 Aanleiding en doel .............................................................. 3 1.3 Opbouw van het rapport ...................................................... 3 1.4 Betrouwbaarheid en onafhankelijkheid .................................. 3 2 Milieuhygiënisch vooronderzoek .............................................. 4 2.1 Algemeen .......................................................................... 4 2.2 Afbakening en locatiegegevens ............................................. 4 2.3 Gebruik, potentiële bronnen en uitgevoerde onderzoeken ........ 7 2.4 Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie .......... 8 2.5 Hypothese ......................................................................... 8 3 Uitvoering verkennend bodemonderzoek ................................ 9 3.1 Onderzoeksstrategie ........................................................... 9 3.2 Veldwerkzaamheden ........................................................... 9 3.3 Zintuiglijke waarnemingen ................................................. 10 3.4 Laboratoriumwerkzaamheden ............................................
10 3.5 Analyseresultaten ............................................................. 11 3.6 Bespreking van de resultaten ............................................. 12 4 Samenvatting en conclusies .................................................. 14
Bijlagen 1. Topografische overzichtskaart 2. Situatietekening 3. Boorbeschrijvingen en zintuiglijke waarnemingen 4. Analysecertificaten 5. Toetsing analyseresultaten 6. Toetsingskader 7. Gegevens vooronderzoek
1
Inleiding
1.1
Algemeen
MILON bv te Veghel heeft in opdracht van de heer Burgmans namens Woonmeij te Schijndel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Gasthuisstraat 36 te Schijndel. Het onderzoek is uitgevoerd volgens Nederlandse Normen NEN 5725 en NEN 5740.
1.2
Aanleiding en doel
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen aankoop en herontwikkeling. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de bodemopbouw en de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater.
1.3
Opbouw van het rapport
In onderhavige rapportage komen de volgende aspecten aan de orde: ▪ ▪ ▪
resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2); resultaten van het verkennend bodemonderzoek (hoofdstuk 3); conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 4).
De bijbehorende tekening, boorprofielen, analysecertificaten, toetsingstabellen, toetsingskader en informatie uit het vooronderzoek zijn als bijlagen in deze rapportage opgenomen.
1.4
Betrouwbaarheid en onafhankelijkheid
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek”, protocol 2001 "Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen" en protocol 2002 "Het nemen van grondwatermonsters". MILON bv is gecertificeerd volgens dit procescertificaat. Het onderzoek is geheel onafhankelijk uitgevoerd. MILON bv is geen eigenaar van de onderzoekslocatie en is financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen. MILON bv acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 3 van 15
2
Milieuhygiënisch vooronderzoek
2.1
Algemeen
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 nl Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Uiteindelijk dienen in het vooronderzoek de onderzoeksvragen uit de NEN 5725 'Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek' beantwoord te worden. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ▪ Informatie opdrachtgever en eigenaar; ▪ Informatie overheid inzake bodemonderzoeken, ophooglagen, vergunningen, (voormalige) brandstoftanks en andere mogelijke relevante informatie; ▪ Website Bodemloket; ▪ Historisch topografisch kaartmateriaal, website topotijdreis; ▪ Actuele luchtfoto’s (Google Earth en Bing Kaarten); ▪ Grondwaterkaart van Nederland/DINOloket; ▪ Kadaster.
Voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk is een terreininspectie uitgevoerd. De resultaten van deze inspectie zijn opgenomen in onderhavig hoofdstuk.
2.2
Afbakening en locatiegegevens
Het onderzoeksgebied voor het vooronderzoek is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen tot 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. In verticale richting is de locatie afgebakend tot 5 meter beneden maaiveld. Gezien de ligging en het gebruik van de locatie in relatie tot het doel van het onderzoek wordt deze afbakening voldoende geacht. In tabel 1 zijn de locatiegegevens weergegeven.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 4 van 15
Tabel 1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie
Gasthuisstraat 36
Kadastrale gegevens locatie
gemeente Schijndel, sectie H, perceelnummers 1459 (ged.), 2626 en 2627
Coördinaten Rijksdriehoekstelsel
x: 157047
Oppervlakte locatie (in m2)
circa 2.140
www.planviewer.nl/kaart
Oppervlakte bebouwd (in m2)
circa 520
www.planviewer.nl/kaart
Huidig gebruik
voormalige school
Verhardingen
klinkers en tegels
y: 404312
www.planviewer.nl/kaart
https://www.pdok.nl/viewer/
De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de topografische overzichtskaart in bijlage 1 en de luchtfoto in figuur 1.
Figuur 1: luchtfoto met globale ligging onderzoekslocatie (rood omrand)
bron: Google Maps
De locatie betreft een voormalig school terrein. Op het zuidelijk terrein zal nieuwbouw gerealiseerd worden. De onderzoekslocatie ligt binnen de bebouwde kom. De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit woonbebouwing. Voor een indruk van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar figuur 2 en de situatietekening in bijlage 2.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 5 van 15
Figuur 2: huidige situatie (6 foto's)
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
bron: locatie-inspectie MILON bv
Pagina 6 van 15
2.3
Gebruik, potentiële bronnen en uitgevoerde onderzoeken
Gebruik en potentiële bronnen Volgens historisch topografisch kaartmateriaal (topotijdreis.nl) zijn de Gasthuisstraat en de Jan van Amstelstraat voor 1900 gebouwd. De omgeving was toen extensief bebouwd en in agrarisch gebruik. Volgens kadastrale gegevens (bagviewer.kadaster.nl) is de onderzoekslocatie voor het eerst in 1930 bebouwd, echter is tot 1956 op historisch kaart materiaal geen bebouwing op de locatie te zien. Het gebruik van de omgeving als agrarisch land is in de jaren 60 en 70 van het vorige eeuw langzaam verandert in een buitenwijk van Schijndel. Volgens historisch kaart materiaal is de bebouwing van het perceel in de jaren 80 van de vorige eeuw verandert. Destijds was ook het zuidelijke deel van de locatie (huidige fietsenstalling) bebouwd. Deze bebouwing is in begin van de jaren 2000 verwijderd. Bij deze bebouwing was een ondergrondse olietank aanwezig. De tank en ook de ontluchting waren, volgens informatie van de gemeente, niet binnen de huidige onderzoekslocatie gelegen (zie bijlage 7 en de tekening in bijlage 2). De huidige fietsenstalling is tussen 2012 en 2013 aangelegd. Voor zover bekend is de locatie sinds dien niet meer verandert. Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd.
Tijdens de locatie inspectie is onder de verhardingen geen puin aangetroffen. PFAS Sinds 8 juli 2019 is het ‘tijdelijk handelingskader PFAS’ in werking getreden. Hiermee is vastgesteld dat grond in Nederland verdacht is op het diffuus voorkomen van PFAS boven de bepalingsgrens via atmosferische depositie als het gaat om bovengrond of als grond is geroerd. De afkorting PFAS staat voor poly- en perfluoralkylstoffen. Dit zijn door de mens gemaakte stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Er zijn op locatie geen directe bronnen bekend voor PFAS verontreiniging. Algemeen is bekend dat door depositie PFAS in de bodem voorkomt in Nederland. Asbest Aangezien de bouwhistorische geschiedenis van de locatie kan de aanwezigheid van asbest op de locatie aanwezige gebouwen niet uitgesloten worden. Echter wordt het niet waarschijnlijk geacht dat asbesthoudende materialen vanuit het pand in de bodem terecht zijn gekomen. Binnen de onderzoekslocatie hebben, voor zover bekend, geen sloopactiviteiten en/of geen calamiteiten plaatsgevonden, waarbij asbest op of in de bodem is geraakt. Uitgevoerde bodemonderzoeken Binnen de onderzoekslocatie zijn tot op heden geen bodemonderzoeken uitgevoerd. In de omgeving zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd. De onderzoeken betreffen: 1. Verkennend onderzoek NEN 5740 Cornelis Trompstraat 47; Kragten; d.d. 19-04-2010 2.
Verkennend onderzoek Lidwinastraat; Geofox-Lexmond BV; d.d. 17-11-2005 3. BOOT Lidwinastraat - Lidwinahof; MILON; d.d. 20-11-2008 Rapport 1 heeft betrekking op de zuidelijk liggende Cornelis Trompstraat 47, de rapporten 2 en 3 hebben betrekking op de westelijk liggende Lidwinastraat. Uit het omgevingsrapport kan geconcludeerd worden dat tijdens de onderzoeken geen relevante verontreinigingen voor het huidige onderzoek ter voorschijn zijn gekomen. Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 7 van 15
2.4
Bodemkwaliteitskaart, bodemopbouw en geohydrologie
De onderzoekslocatie heeft een globale hoogteligging van circa 7,6 m+NAP. De gegevens van de bodemopbouw tot 25 m-mv zijn verkregen van DINOloket (uitgifte portaal van TNO, Geologische Dienst Nederland). Vanaf maaiveld tot circa 29,1 m-mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand). Hieronder is de formatie van Beegden (zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand) aanwezig. Volgens opgave van de provincie Noord Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringvrije zone. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend en wordt derhalve niet uitgesloten. Voor zover bekend wordt binnen het onderzoeksgebied geen grondwater onttrokken. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de onderzoekslocatie is gelegen in een gebied waarin de bodemkwaliteit op onbelaste percelen naar verwachting zal voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse wonen. De onderzoekslocatie is gelegen in de bodemfunctieklasse wonen.
2.5
Hypothese
Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de bodem binnen de onderzoekslocatie niet eerder vastgesteld. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van bodembedreigende activiteiten op de locatie en in de directe omgeving is de locatie onverdacht op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Hierom wordt, conform de NEN 5740, de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). Binnen de onderzoekslocatie worden geen andere stoffen verwacht dan de parameters uit het standaardpakket grond en het standaardpakket grondwater.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 8 van 15
3
Uitvoering verkennend bodemonderzoek
3.1
Onderzoeksstrategie
Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740:2009+A1:2016 nl bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. Op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek en gestelde hypothese wordt het bodemonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL). De veldwerkzaamheden en de te analyseren grond- en grondwatermonsters zijn vastgesteld op basis van de totale oppervlakte van de onderzoekslocatie en weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Veldwerkzaamheden en analyses Oppervlakt e (m2) 2.140
Boringen en peilbuizen
Laboratorium (analyses)*
tot 0,5 m-mv
tot 2,0 mmv
peilbuis
bovengrond
ondergrond
9
2
1
2x std.p.+PFAS
1x std.p.+PFAS
grondwater 1x std.p.
*het standaardpakket (std.p.) voor grond bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK, PCB, minerale olie, lutum en organisch stof. Het standaardpakket voor grondwater bestaat uit barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, minerale olie, vluchtige aromatische en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen.
3.2
Veldwerkzaamheden
De veldwerkzaamheden zijn onder certificaat uitgevoerd door MILON bv, conform de vigerende versie van de BRL SIKB 2000 en protocollen 2001 en 2002. MILON bv is voor deze werkzaamheden gecertificeerd door Normec Certification (nummer EC-SIK-20269) en is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op 8 december 2020 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd door de heer R.C.J. (Reinoud) de Jong, erkend en ervaren veldwerker en medewerker van MILON bv. Veldwerkers van MILON bv zijn opgeleid voor het herkennen van asbesthoudende materialen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het verrichten van handboringen en plaatsen van peilbuizen conform tabel 2; ▪ het zintuiglijk beoordelen, beschrijven en het bemonsteren van de grond per 0,5 meter of gelijkwaardige laag; ▪ het afpompen van het grondwater in de peilbuis na plaatsing. Op 15 december 2020 heeft de bemonstering van het grondwater plaatsgevonden, uitgevoerd door de heer N.A.P. (Niels) van Rooij, erkend en ervaren veldwerker en medewerker van MILON bv. Hierbij zijn de volgende werkzaamheden uitgevoerd: ▪ het bepalen van de grondwaterstand; ▪ het afpompen van het grondwater in de peilbuis, waarbij gelijktijdig de zuurgraad, geleiding en troebelheid van het grondwater zijn gemeten; ▪ het bemonsteren van het grondwater.
Ten behoeve van de analyse van zware metalen is het grondwater tijdens de grondwaterbemonstering gefiltreerd middels een 0,45 μm filter. Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 9 van 15
3.3
Zintuiglijke waarnemingen
De onderzoekslocatie is plaatselijk verhard middels tegels (fietsenstalling). De bovengrond bestaat overwegend uit zwak humeus, zwak siltig, matig fijn zand. In de ondergrond wordt zwak siltig matig fijn zand aangetroffen, plaatselijk grindhoudend. Zintuiglijk zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Specifiek wordt vermeld dat geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Door een gesloten hek was het niet mogelijk om op het noordwestelijke deel van de locatie monsters te nemen. Echter gezien het gebruik wordt beïnvloeding van de betrouwbaarheid van het onderzoek hierdoor minimaal geacht. Voor meer informatie betreffende de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3. Voor de ligging van de boorpunten wordt verwezen naar de situatietekening in bijlage 2. In tabel 3 zijn de resultaten van de uitgevoerde veldmetingen tijdens de grondwaterbemonstering weergegeven. De gemeten zuurgraad (pH), geleidingsvermogen (EGV) en troebelheid (NTU) zijn als normaal te beschouwen voor de waargenomen bodemopbouw en de ligging van de locatie. Tabel 3: Veldmetingen en zintuiglijke waarnemingen Peilbuis 01
3.4
Filterstelling (m -mv) 2,30 - 3,30
Grondwaterstand (m -mv) 1,67
pH (-) 6,6
EGV (µS/cm) 637
Troebelheid (NTU) 3,26
Laboratoriumwerkzaamheden
De grond- en grondwatermonsters zijn ter analyse aangeboden aan SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam. SYNLAB Analytics & Services B.V. is door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 (onder nummer L028) en erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor de 'Analyse milieuhygiënisch bodemonderzoek' (AS3000). Van de in het veld genomen en separaat verpakte grondmonsters zijn, in opdracht van de projectleider van MILON bv, in het laboratorium mengmonsters samengesteld. In tabel 4 zijn per mengmonster de individuele grondmonsters en de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Tabel 4: Monstersamenstelling en zintuiglijke waarnemingen Analysemonster MMBG1
Monstertraject (m -mv) 0,00 - 0,50
MMBG2
0,00 - 0,50
MMOG
0,40 - 1,80
Deelmonsters
Zintuiglijke waarnemingen 01 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,40) zwak grindhoudend 05 (0,00 - 0,50) 10 (0,20 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 04 (0,20 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,30 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) 01 (1,30 - 1,80) 02 (0,40 - 0,70) 02 (0,70 - 1,00) 03 (0,40 - 0,70) 03 (0,70 - 1,20)
Aangevraagde analyses Standaardpakket PFAS (30) advieslijst 12 juli Standaardpakket PFAS (30) advieslijst 12 juli Standaardpakket PFAS (30) advieslijst 12 juli
- : geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging.
Alle analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. In de bijlage van deze certificaten zijn opmerkingen geplaatst omdat verschillen zijn geconstateerd met de te hanteren richtlijnen. Beïnvloeding van de betrouwbaarheid van de analyses wordt echter minimaal geacht. Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 10 van 15
3.5
Analyseresultaten
Toetsing van de analyseresultaten (Wet bodembescherming) De toetsing van de analyseresultaten voor de (boven- en onder)grond en het grondwater is weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabel 5 en tabel 6. In deze tabellen zijn uitsluitend de verhoogde parameters en de bijbehorende indexwaarde weergegeven. In bijlage 6 is een uitgebreide beschrijving van het gehanteerde toetsingskader bijgevoegd. Tabel 5: Toetsing van de analyseresultaten (grond) Analyse- Monstertraject Deelmonsters monster (m -mv) MMBG1 0,00 - 0,50 01 (0,00 - 0,50) 02 (0,00 - 0,40) 05 (0,00 - 0,50) 10 (0,20 - 0,50) 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) MMBG2 0,00 - 0,50 04 (0,20 - 0,50) 06 (0,00 - 0,50) 07 (0,30 - 0,50) 08 (0,00 - 0,50) 09 (0,00 - 0,50) MMOG 0,40 - 1,80 01 (1,30 - 1,80) 02 (0,40 - 0,70) 02 (0,70 - 1,00) 03 (0,40 - 0,70) 03 (0,70 - 1,20)
Zintuiglijke waarnemingen zwak grindhoudend
> AW
Index >0,5
>I
-
-
-
~
PCB (0,24) zink (0,1) lood (0,05)
-
-
~
-
-
-
~ : geen bijzonderheden waargenomen; sporen/resten: <1% antropogene bijmenging; -: het gehalte is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >AW: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de achtergrondwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
Tabel 6: Toetsing van de analyseresultaten (grondwater) Analysemonster 01-1-1
Filterstelling (m -mv) 2,30 - 3,30
> S (+index)
Index >0,5
>I
barium (0,01)
-
-
-: de concentratie is lager of gelijk aan de betreffende toetsingswaarde; >S: de concentratie is hoger dan de streefwaarde, maar de indexwaarde is maximaal gelijk aan 0,5 (licht verontreinigd); Index >0,5: het gehalte is hoger dan de streefwaarde en de indexwaarde is hoger dan 0,5, maar maximaal gelijk aan 1 (matig verontreinigd); >I: het gehalte is hoger dan de interventiewaarde (ernstig verontreinigd).
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 11 van 15
Toetsing van de analyseresultaten (Besluit bodemkwaliteit PFAS) De toetsing van de analyseresultaten voor PFAS is weergegeven in bijlage 5. Een samenvatting van de toetsing is weergegeven in tabel 7. In bijlage 6 is een uitgebreide beschrijving van het gehanteerde toetsingskader bijgevoegd. In de mengmonsters zijn meerdere verhoogde parameters aangetroffen. De bovengrond heeft de bodemfunctieklassen wonen en de ondergrond heeft de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De grond afkomstig van de locatie is op landbodem elders boven grondwaterniveau grootschalig toepasbaar. De ondergrond is tevens onder grondwaterniveau toepasbaar. Tabel 7: Verhoogde analyseresultaten PFAS (bovengrond) boven detectiegrens Op landbodem Monster
Monstertraject
MMBG1
0,00 - 0,50
MMBG2
0,00 - 0,50
MMOG
0,40 - 1,80
Toepassen boven grondwaterniveau Bodemfunctieklasse
Grootschalig toepassen
In GWBG
Toepassen onder grondwaterniveau (incl. grootschalig)
Landbouw/Natuur
Toepasbaar
Niet toepasbaar
Toepasbaar
Wonen
Toepasbaar
Niet toepasbaar
Niet toepasbaar
Landbouw/Natuur
Toepasbaar
Niet toepasbaar
Toepasbaar
GWBG: grondwaterbeschermingsgebied.
3.6
Bespreking van de resultaten
Grond Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen of waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Analytisch zijn in de bovengrond licht verhoogde gehaltes PCB, lood en zink aangetoond. Voor de gemeten gehaltes is geen eenduidige verklaring aanwezig. Op de locatie is sprake van lichte verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde. Aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Grondwater Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Analytisch is in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. De overige onderzochte parameters zijn niet in verhoogde concentraties aangetoond. Barium is een zwaar metaal dat als spoorelement van nature in het grondwater voorkomt. Voor de lichte verhoging ten opzichte van de streefwaarde is geen eenduidige verklaring voorhanden. Omdat barium in de grond niet noemenswaardig verhoogd is gemeten en geen locatie specifieke bron kan worden aangewezen, wordt het waarschijnlijk geacht dat het hier een verhoogde achtergrondconcentratie betreft. Aanvullend grondwateronderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 12 van 15
Toetsing hypothese Door de aangetoonde licht verhoogde gehaltes in de grond en licht verhoogde concentratie in het grondwater dient de opgestelde hypothese ‘onverdachte locatie’ formeel verworpen te worden en te worden vervangen door de hypothese ‘verdachte locatie’.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 13 van 15
4
Samenvatting en conclusies
MILON bv te Veghel heeft in opdracht van de heer Burgmans namens Woonmeij te Schijndel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Gasthuisstraat 36 te Schijndel. Het onderzoek is uitgevoerd volgens Nederlandse Normen NEN 5725 en NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen aankoop en herontwikkeling. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het verkrijgen van inzicht in de bodemopbouw en de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Vooronderzoek Volgens kadastrale gegevens is de locatie voor het eerst in 1930 bebouwd. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw is de omgeving steeds intensiever bebouwd en langzaam verandert in een buitenwijk van Schijndel. De locatie is in gebruik geweest als school. Omstreeks 2012 is de, op de locatie aanwezige, fietsenstalling aangelegd. De totale oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 2.140 m2 waarvan circa 520 m2 bebouwd is. Voor zover bekend zijn op of nabij de onderzoekslocatie geen verdachte locaties aanwezig of aanwezig geweest en zijn geen potentieel bodembelastende activiteiten uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bodemverontreiniging verwacht. Derhalve is conform NEN 5740 de locatie onderzocht met de onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie niet lijnvormig (ONV-NL).
Verkennend bodemonderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Asbestverdacht materiaal is niet aangetroffen. Door een gesloten hek zijn geen monsters op het noordwestelijke deel van de locatie genomen. De bovengrond heeft de bodemfunctieklassen wonen en de ondergrond heeft de bodemfunctieklasse landbouw/natuur. De grond afkomstig van de locatie is op landbodem elders grootschalig boven grondwaterniveau toepasbaar. De ondergrond is ook onder grondwaterniveau toepasbaar. In tabel 8 zijn de analyseresultaten samengevat. Tabel 8: Onderzoeksresultaten grond en grondwater Bodemlaag
Parameter*
bovengrond
PCB, zink, lood
ondergrond grondwater
barium
Toetsing Wbb
Bodemfunctieklasse PFAS
licht verhoogd
wonen
niet verhoogd
Landbouw/natuur
licht verhoogd
n.v.t.
*: uitsluitend de verhoogde parameters zijn weergeven; Wbb: Wet Bodembescherming.
Conclusies en aanbevelingen Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde waarden aangetoond. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 14 van 15
Algemeen wordt opgemerkt dat dit verkennend bodemonderzoek geen bewijsmiddel is zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Afhankelijk van de bestemming en toepassing bij afvoer van de grond kan een partijkeuring (AP04) noodzakelijk zijn.
Projectnummer: 20203770 Datum: 1 februari 2021
Pagina 15 van 15
Bijlage 4 Waterparagraaf
NL.IMRO.1948.SCH001BP0042021P-VG01
Pagina: 52 van 122
Datum:25-2-2022
Waterparagraaf Gasthuisstraat 36, Schijndel
Waterparagraaf Gasthuisstraat 36, Schijndel
Aeres Milieu Projectnummer
: AM21025
Status rapport
: Definitief (versie 1)
Datum
: 1 september 2021
Opdrachtgever
: BRO Amsterdam Sarphati Plaza Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam
Opgesteld door
: L. de Graaff, MSc.
Paraaf
:
Gecontroleerd door
: dhr. M. Vrolix bc.
Paraaf
:
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
Pagina | 2
AM21025
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING ........................................................................................................................................................................ 4
2.
WATERHUISHOUDKUNDIG SYSTEEM ......................................................................................................................... 8 2.1
Inleiding .................................................................................................................................................................... 8
2.2
Watersystemen ......................................................................................................................................................... 8
3.
PLANREALISATIE EN AFWEGINGEN .............................................................................................................................. 11
4.
OVERIGE AANDACHTSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN ..................................................................................... 13
Bijlage 1: Topografische overzichtskaart ...................................................................................................................................... Bijlage 2: Concepttekening planvoornemen ................................................................................................................................. Bijlage 3: Geraadpleegde literatuur ..............................................................................................................................................
Pagina | 3
AM21025
1. INLEIDING In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld voor de realisatie van appartementen in het voormalige schoolgebouw langs de Gasthuisstraat in Schijndel. Het pand is deels monumentaal en staat op de gemeentelijke monumentenlijst van de gemeente Meierijstad. Afbeelding 1 geeft de huidige situatie weer en in bijlage 1 is een topografisch overzicht van de omgeving opgenomen.
Adres onderzoekslocatie
: Gasthuisstraat 36, Schijndel
Gemeente
: Meierijstad
Waterschap
: Aa en Maas
Kadastrale registratie
: Schijndel, Sectie H, nummers 2626, 2627 en 6306
Oppervlakte
: circa 2.115 m2
Peil maaiveld
: 7,3 tot 7,6 meter +NAP
Peil grondwater
: 6,3 meter +NAP
Afbeelding 1.: Globale begrenzing onderzoekslocatie (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK-viewer
Aanleiding De aanleiding voor het opstellen van de waterparagraaf is het voorgenomen projectplan om in het voormalige schoolgebouw langs de Gasthuisstraat en Jan van Amstelstraat appartementen te realiseren. Hierbij wordt een deel van het gebouw afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw en parkeerplaatsen. In totaal zullen er 15 wooneenheden worden gerealiseerd, waarvan 7 in het bestaande pand en 8 in de nieuwbouw. Bij de herinrichting van percelen is het verplicht om aan te geven hoe er wordt omgegaan met toekomstige (afval)waterstromen om eventuele wateroverlast te vermijden.
Pagina | 4
AM21025
Deze waterparagraaf beschrijft de huidige watersystemen en analyseert de gevolgen van het planvoornemen op het watersysteem. Afbeelding 2 geeft het planvoornemen weer en een grote tekening is opgenomen in bijlage 2.
Afbeelding 2: Voorgenomen planontwikkeling (bron: opdrachtgever)
Doel Het doel van deze rapportage is een beschrijving te geven van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen nieuwbouw op het perceel voor de waterhuishouding. Hiervoor zijn de bestaande waterhuishouding, gehanteerde uitgangspunten en randvoorwaarden tot het bekomen van een duurzame herontwikkeling kort beschreven.
Onderzoek Aeres Milieu B.V. werkt voor de opdrachtgever als onafhankelijk onderzoek- en adviesbureau, en heeft geen binding met de onderzoekslocatie. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau. Het waterbeleid in Nederland wordt van Europees niveau vertaald via rijks-, provinciaal en waterschaps-beleid, naar gemeentelijk beleid om samen de waterproblematiek in Nederland aan te pakken. Dit resulteert in de verplichting een watertoets uit (te) laten voeren. Pagina | 5
AM21025
De voorschriften zijn vastgelegd in onder andere de Europese Kaderrichtlijn Water (22 december 2004) en zijn verder geïmplementeerd in het Rijksbeleid om te komen door samenwerking met de verschillende bevoegdheden te komen tot een duurzaam watersysteem, zie ook bijlage 3. Naast dit beleidskader is in het Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant (2016 – 2021) ook het toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water opgenomen. Het ‘PMWP’ staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Door inwerkingtreding van de interim Omgevingsvisie van de Provincie Noord-Brabant wordt ingespeeld op de nieuwe beleidsaspecten en benodigde onderbouwing. Voor het grotere oppervlaktewater zijn er in Nederland diverse waterschappen actief die zich richten op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. De waterbeheerders werken daarom integraal samen met gemeenten, die het beheer over de ruimtelijke ordening en openbare ruimte hebben, om deze doelstellingen te halen. Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheer-plan “Werken met water.
Voor nu en later” en zijn gericht op een veilig en bewoonbaar beheergebied, voldoende, schoon, natuurlijk en recreatief water. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert het waterschap een aantal uitgangspunten ten aanzien van het duurzaam omgaan met water, die van belang zijn als vertrekpunt bij het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Bij planontwikkelingen wordt tevens de gemeente betrokken omdat deze meestal het beheer over het lokale (opper)vlaktewater hebben. De drie Brabantse waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta hebben hiervoor een gezamenlijke Keur opgesteld. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken en moet een vergunning aanvragen. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Afhankelijk van de voorgenomen werkzaamheden kan een vergunning benodigd zijn. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.
Op basis van de kernkwaliteiten van de gemeente Meierijstad, de Watervisie samenwerkingsregio As50+ en de Visie Meierijstad is een gezamenlijke visie opgesteld over de toekomstige invulling van de watertaken. Om de visie te kunnen verwezenlijken zijn in het document een aantal speerpunten en aandachtsvelden bij de uitvoering van de reguliere werkzaamheden van belang. Om dit te bereiken wordt zoveel als mogelijk de maatschappij betrokken. Op particulier terrein liggen nog veel kansen en een hoger waterbewustzijn leidt tot meer acceptatie en aangepast gedrag. Binnen de waterketen en het watersysteem benut men de economische potentie om duurzaam om te gaan met energie/grondstoffen en water te (her)gebruiken voor recreatie en toerisme. Bij (her)ontwikkelingen en reconstructies dient zo goed mogelijk de boven- en ondergrondse ruimte benut te worden. Dit kan alleen door intensief samen te werken met de waterpartner Een planontwikkeling mag niet leiden tot verhoging of verlaging van de grondwaterstand en de afvoer naar het oppervlaktewater, ook niet bij extremere omstandigheden. Op particulier terrein is primair de eigenaar verantwoordelijk voor de verwerking van het afgekoppelde water, bij voorkeur door infiltratie in de bodem.
Pagina | 6
AM21025
Door middel van deze rapportage wordt het planvoornemen hydrologisch beschreven, waarna toetsing plaatsvindt door het bevoegd gezag. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem.
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het huidige waterhuishoudkundig systeem beschreven met in hoofdstuk 3 de gevolgen van en door het planvoornemen. Hoofdstuk 4 beschrijft nog enkele algemene aandachtspunten en randvoorwaarden.
Pagina | 7
AM21025
2. WATERHUISHOUDKUNDIG SYSTEEM 2.1
Inleiding
Het plangebied ligt noordelijk binnen de bebouwde kom van Schijndel. De westzijde grenst aan de Gasthuisstraat en de zuidzijde aan de Jan van Amstelstraat. Zuidwestelijk is momenteel een parkeerplaats aanwezig en in het noorden ligt een woning met tuin (Gasthuisstraat nr. 30). Het Gasthuis ligt ten westen van het plangebied en de basisschool de Vossenberg in het zuiden. Afbeelding 1 geeft de huidige situatie weer en een topografisch overzicht is opgenomen in bijlage 1. Voor de nieuwbouw van een woning is voldoende drooglegging benodigd om wateroverlast in de toekomst te vermijden. Hierbij is o.a. de bestaande hoogteligging van belang. Het plangebied ligt op de overgang van het hoger gelegen stedelijk gebied naar het lager gelegen buitengebied. Op het perceel is een klein hoogteverschil aanwezig. Het grasveld en fietsenstalling langs de Jan van Amstelstraat liggen op circa 7,3 m +NAP en het speelpleintje langs de Gasthuisstraat op circa 7,6 m +NAP. De aangrenzende straten liggen op circa 7,5 m +NAP. Afbeelding 3 geeft de genoemde hoogteverschillen weer.
Afbeelding 3: Hoogtekaart plangebied en omgeving met aanduiding ligging (bron: AHN Nederland)
2.2
Watersystemen
De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grond-, oppervlakte-, afval- en hemelwater. Hieronder zijn deze aspecten kort beschreven.
Grondwater Grondwater kan voor grote problemen zorgen indien er niet genoeg drooglegging is tussen de bouwpeil en de grondwaterspiegel. Hierbij is de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) van belang. Om grondwateroverlast zo veel mogelijk te vermijden wordt er een minimale drooglegging geadviseerd van 50 centimeter bij tuinen en 70 centimeter bij bebouwing met kruipruimte (t.o.v. onderzijde vloer). Van de onderzoekslocatie is diverse informatie beschikbaar in het Dinoloket, bodematlas Noord-Brabant, bodemdata Nederland en ons eigen archief.
Pagina | 8
AM21025
Schijndel ligt op de zuidelijke zandgebied van Nederland en wordt gekenmerkt door een toplaag van dekzand. Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart op een dekzandwelving en heeft naar verwachting een hoge zwarte enkeerdgronden met lemig fijn zand. De doorlatendheid van de bodem is over het algemeen matig tot goed. Echter uit de data van het DINO loket blijkt dat er op circa 1,5 m-mv een leemlaag te verwachten is binnen het plangebied. Deze ondoorlatende laag heeft een negatieve invloed op de infiltratiesnelheid van water in de bodem. Tabel 1 geeft een schematisch overzicht van de bodemopbouw. Diepte [m-mv.]
Lithostratigrafie
Lithologie
0-1,5
Formatie van Boxtel, Laagpakket van
Zand, zeer fijn tot matig grof, lokaal siltig
Wierden en Laagpakket van Kootwijk 1,5-3,0
Formatie van Boxtel, Laagpakket van
Leem, zwak tot sterk zandig, lokaal humeus
Liempde 3,0-25,5
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig; klei, siltig tot zandig, humeus; veen, kleiig
25,5-28,5
Formatie van Boxtel, Laagpakket van
Leem, zwak tot sterk zandig, lokaal humeus, kalkloos; zand, matig
Best
fijn, lokaal siltig
Tabel 1: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket)
Nabij de onderzoekslocatie zijn meetgegevens bekend van TNO-peilbuizen die over een lange tijd de grondwaterstanden monitoren. Uit deze gegevens blijk dat het grondwater gemiddeld op circa 6,3 m +NAP voorkomt en een GHG op circa 6,8 m +NAP te verwachten is. De stroming van het grondwater is globaal noordwestelijk gericht. Voor zover bekend ligt het plangebied niet in een waterwingebied of een bijhorende beschermingszone.
Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig door de ligging in stedelijk gebied. Aan de westzijde van de Gasthuisstraat is een sloot aanwezig die afbuigt naar de Lidwinastraat. De sloot wordt onder andere gebruikt voor het afvoeren van hemelwater en valt onder het beheer van de gemeente Meierijstad.
Afvalwater De bestaande bebouwing is aangesloten op het gemengd gemeentelijk rioolstelsel. De gemeente Meierijstad heeft als doelstelling om zoveel mogelijk woningen af te koppelen of aan te sluiten op een gescheiden rioolstelsel. Onder de Jan van Amstelstraat is een hemelwaterriool aanwezig die het hemelwater afvoert naar de sloot langs de Gasthuisstraat. Zie afbeelding 4 voor een overzicht van het rioolstelsel in de omgeving van het plangebied.
Pagina | 9
AM21025
Afbeelding 4: Rioolstructuur in Schijndel met het plangebied geel omlijnd. Bron: VGRP Meierijstad, bijlage D
Hemelwater Het onderzoeksgebied is momenteel voor meer dan de helft verhard. Deze verharding is aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Bij de voorgenomen herontwikkeling met nieuwbouw kan het hemelwater 100% gescheiden gehouden worden. Vanuit de gemeente Meierijstad is de ambitie om zoveel mogelijk hemelwater op eigen terrein te verwerken, bij voorkeur door middel van infiltratie in de bodem. Het onderzoeksgebied ligt volgens de bodematlas van provincie Noord-Brabant niet in een infiltratiegebied met een kans op kwel. De verwachte bodemopbouw laat tevens een slecht doorlatende laag zien op circa 1,5 meter onder het maaiveld. Hierdoor zal hemelwater binnen het plangebied voornamelijk in de horizontale richting verspreiden. Hiermee dient rekening gehouden te worden bij eventuele voorzieningen. Bij aanleg van een (absolute) infiltratievoorziening dient voorafgaand een infiltratie onderzoek uitgevoerd te worden. Het afkoppelen en infiltreren van neerslag levert een positieve hydrologische bijdrage, mits de juiste milieuhygiënische maatregelen worden getroffen (zie ook hoofdstuk 3). De onderbouwing voor de geplande nieuwbouw is in volgend hoofdstuk beschreven.
Pagina | 10
AM21025
3. PLANREALISATIE EN AFWEGINGEN Het planvoornemen is om appartementen te realiseren in het voormalige schoolgebouw aan de Gasthuisstraat 36. Een deel van de huidige bebouwing blijft bestaan, waarin 7 appartementen worden gerealiseerd. Ter plaatse van de huidige fietsenstalling wil men een nieuwbouw met 8 appartementen realiseren. Verder worden er parkeerplaatsen en bergingen gebouwd. Het plangebied kent een licht hoogteverschil en ligt op circa 7,6 m +NAP (noord) en 7,3 m +NAP (zuid). Om wateroverlast te voorkomen is voldoende drooglegging noodzakelijk. De GHG ligt op circa 6,8 m +NAP. Gezien de omliggende wegen is het voor de benodigde drooglegging noodzakelijk om het plangebied ter plaatse van de toekomstige bebouwing het terrein licht op te hogen (vloerpeil ca. 20 cm boven de kruin van de nabijgelegen weg). Hierdoor wordt tevens eventuele instroom in het pand vermeden. Uitgangspunt is hydrologisch neutraal bouwen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied gehandhaafd blijven. De onderzoekslocatie ligt niet in een (grond)waterbeschermingsgebied. Bij eventuele bemaling en/of lozing ten behoeve van de nieuwbouw is het besluit Lozingen buiten inrichtingen van toepassing. Bij toepassing dient ten tijde een melding/vergunning bij de gemeente aangevraagd te worden.