Foodpark Veghel 2021_Toelichting
Tekst van het document
Conclusie Geconcludeerd is dat wordt voldaan aan de richtafstand uit stap 1 van de VNG-publicatie waarmee het behoud van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat bij de bestaande woningen in de omgeving wordt bevestigd. De geringe toename van de geluidbelasting als gevolg van het extra verkeer dat de uitbreiding van het bedrijventerrein genereert is niet merkbaar en daarmee akoestisch acceptabel.
4.6 Luchtkwaliteit In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd onder welke voorwaarden bestuursorganen de bevoegdheden uit lid 2 mogen uitoefenen. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan is opgenomen in artikel 5.16 lid 2 als een bevoegdheid waarbij de luchtkwaliteit in de besluitvorming moet worden meegewogen. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen 28/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’, is ook omgezet in een getalsmatige grens. Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. Kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1). Woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). Het realiseren van een (uitbreiding van een) bedrijventerrein valt niet onder één van de genoemde omschrijvingen. Met behulp van de NIBM rekentool kan worden bepaald of een project kan worden beschouwd als 'niet in betekenende mate'. Uitgangspunt voor de NIBM rekentool is de verkeersaantrekkende werking van het plan.
Uit de NSL monitor blijkt dat de concentratie NO2 in de omgeving van het plangebied ten hoogste 24,5 µg/m3 bedraagt in 2020 en in de toekomst verder af zal nemen. Voor de concentratie PM10 geldt dat deze ten hoogste 17,9 µg/m3 bedraagt in 2020 terwijl de concentratie PM2,5 ten hoogste 9,9 µg/m3 bedraagt in 2020. Voor zowel PM10 als PM2,5 geldt dat de concentraties is de toekomst verder af zullen nemen. De extra bijdrage van het verkeer, hoewel in betekenende mate, zal niet leiden tot overschrijding van de wettelijke normen van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5. Er wordt daarmee voldaan aan de wetgeving met betrekking tot luchtkwaliteit. Conclusie: De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de regelgeving over het onderwerp luchtkwaliteit.
29/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
4.7 Verkeer Met de ontwikkelingen van Foodpark Veghel fase 4, zal de hoeveelheid verkeer richting Foodpark toenemen met circa 1.300 mvt/etmaal ten opzichte van de referentiesituatie. Uit de verkeerstoets (zie Bijlage 14) komen een viertal knelpunten naar voren, welke ook naar voren kwamen uit de verkeerstoets voor Foodpark fase 2 en de verkeerstoets voor Foodpark fase 3, dit zijn: A50 Eerdsebaan / aansluiting Eerde Corridor – Rembrandtlaan Rotonde Eerdsebaan – Corridor – Corsica Op basis van deze gesignaleerde knelpunten worden in de verkeerstoets onderstaande aanbevelingen gedaan die nader bekeken kunnen worden: Onderzoek uitvoeren naar het verhogen van de capaciteit van de rotonde Eerdsebaan/Corridor/Corsica. Daarbij dient onderzocht te worden wat met betrekking tot de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid de meest gewenste optie is, bijvoorbeeld omvormen tot kruispunt met verkeerslichten. Hierbij dient ook het knelpunt voor het fietsverkeer op deze rotonde meegenomen te worden. Bij dit onderzoek dient meegenomen te worden wat de capaciteitsverruiming van het kruispunt voor invloed heeft op de omliggende kruispunten en wegvakken. Dit om te voorkomen dat het probleem verplaatst wordt. De mogelijkheden bekijken om de capaciteit op de Corridor te verhogen, kan aangesloten worden bij de capaciteitsuitbreiding na de ombouw van de N279.
Hiermee kan de mogelijkheid van de ontsluiting Foodpark richting N279 verbeterd worden. De verkeersafwikkelingseffecten van de ombouw van de N279 kunnen door deze eventuele capaciteitsverhoging op de Corridor beter benut worden. Momenteel loopt er ook al een onderzoek naar de realisatie van een verbindingsweg van de bedrijventerreinen naar de N279: Doornhoek-Keldonk-N279 Zuid. Er dient ook onderzocht te worden of de ombouw van de N279-Zuid en de aanleg van deze nieuwe verbindingsweg, de problemen in de verkeersafwikkeling op de Corridor ook deels kunnen oplossen. Deze verbindingsweg zorgt er namelijk voor dat een deel van het verkeer van Doornhoek en Foodpark Veghel rechtstreeks via Corsica/Doornhoek en de nieuwe verbindingsweg naar de N279 kan rijden. Ondanks deze aanbevelingen is in de verkeerstoets geconstateerd dat de ontwikkeling van Foodpark fase 4 gerealiseerd kan worden. Met name twee rotondes op de Corridor lopen in de toekomst tegen de capaciteitsgrenzen aan. Daarom is het belangrijk om de verkeersafwikkeling op deze locaties, met name in de ochtend- en avondspits, nader te onderzoeken. Nader onderzoek verkeersafwikkeling Naar aanleiding van de uitgevoerde verkeerstoets en de daarin opgenomen conclusies, met name ten aanzien van de capaciteit, de doorstroming en verkeersveiligheid op de rotondes Eerdsebaan - Corridor - Corsica en Corridor - Kennedylaan - Doornhoek.
Dit onderzoek naar de verkeersafwikkeling is opgenomen in Bijlage 15. In dit onderzoek zijn verschillende alternatieven voor de herinrichting van de beide rotondes opgenomen waarmee de doorstroming en verkeersveiligheid verbeterd zou kunnen worden. Uit dit onderzoek blijkt dat er diverse mogelijkheden zijn om de rotondes anders in te richten. Voor beide rotondes geldt dat hiermee de doorstroming en verkeersveiligheid verbeterd kan worden. De gemeente Meierijstad voert nader onderzoek naar de herinrichting van deze rotondes uit en is voornemens, samen met partners op dit gebied, de doorstroming en verkeersveiligheid in de toekomst te verbeteren. 30/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Effecten uitspraak N279 Het ruimtelijke plan van de provincie om de N279 tussen Veghel en Asten te verbeteren is door de rechter vooralsnog van de hand gewezen. Hiermee is onzeker of dit plan, zoals de bedoeling was, in 2030 wel gerealiseerd zal zijn, waarmee in de verkeersberekeningen wel van uit was gegaan. Voor de zorgvuldigheid is daarom ook gekeken naar de situatie waarin de N279 in 2030 niet is verbeterd. Uit de verkeersmodelberekeningen van die situatie blijkt dat het verkeer in de regio in 2030 nauwelijks routewijzigingen ondergaat als de N279 tussen Veghel en Asten (aansluiting A67) niet opgewaardeerd wordt. Men kiest ook in de situatie zonder opwaardering grotendeels voor de overbelaste N279 en neemt eventuele vertraging op de weg voor lief. In Veghel zijn wel enkele verschuivingen zichtbaar; zo wordt het drukke 2x1 gedeelte parallel aan het kanaal vermeden en kiest verkeer om via de parallelle route over het bedrijventerrein te rijden. Ter hoogte van de aansluiting van Foodpark fase 1 t/m 4 is een lichte verkeersverschuiving zichtbaar. Zo wordt de Corridor iets minder gebruikt als verbinding tussen de N279 en de A50, maar kiest dit verkeer om binnendoor via de Corsica van en naar Zijtaart te rijden. Deze verschuiving is met maximaal 75 mvt/etmaal dusdanig laag dat dit geen effect heeft op de verkeersafwikkeling van en naar Foodpark.
Ook op de rotonde Corsica / Eerdsebaan / Corridor en Corridor / Kennedylaan is deze verschuiving verwaarloosbaar en heeft het niet opwaarderen van de N279 geen noemenswaardig effect op de doorstroming op de rotondes. Deze resultaten komen voort uit het uitgevoerde onderzoek dat is opgenomen in Bijlage 14 Conclusie: Door de beperkte verkeerstoename ten gevolge van de ontwikkeling van Foodpark 2021 gedurende de spitsperioden, is gebleken dat de reeds eerder benoemde knelpunten slechts beperkt zullen toenemen. Nieuwe verkeersknelpunten zullen naar verwachting niet optreden. De gesignaleerde knelpunten belemmeren de ontwikkeling van Foodpark Veghel 2021 niet en de ontwikkeling is daarmee in te passen in de bestaande infrastructuur. De gemeente Meierijstad is echter voornemens de doorstroming en verkeersveiligheid ter plaatse van de gesingaleerde knelpunten aan te pakken om de bereikbaarheid ook voor de toekomst te kunnen blijven garanderen. In dit kader wordt, buiten deze bestemmingsplanprocedure, nader onderzoek verricht. Het eventuele effect van het niet opwaarderen van de N279 heeft hierop geen noemenswaardige invloed.
4.8 Parkeren Parkeren dient conform het gemeentelijk beleid plaats te vinden op eigen terrein. In het openbare gebied worden geen aanvullende parkeerplaatsen gerealiseerd. De parkeernormering is vastgelegd in gemeentelijk beleid. Op dit moment zijn er nog geen concrete initiatieven voor bedrijfsvestigingen, dus kan de concrete parkeerbehoefte nog niet worden bepaald. Daarom wordt de parkeernorm toegepast bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor het bouwen, bij welke besluitvorming ook fysiek rekening kan worden gehouden met het aantal te realiseren parkeerplaatsen.
31/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
4.9 Geur en gezondheid veehouderijen 4.9.1 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat standaardnormen voor de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. De geurnorm in verband met intensieve veehouderijen voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom is 3 Ou. Voor ontwikkelingslocaties bedrijventerreinen geldt volgens de wet een geurnorm van 14 Ou. Voor bedrijven waar extensieve veehouderij wordt bedreven, geldt een ander toetsingskader. Voor deze bedrijven gelden geen geurnormen, maar vaste afstanden. In de Wet geurhinder en veehouderij is opgenomen dat binnen de bebouwde kom een afstand gehanteerd moet worden van 100 meter naar geurgevoelige objecten. Een geurgevoelig object is: Gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Op basis van deze definitie zijn niet alleen woningen geurgevoelige objecten, maar alle bouwwerken waar sprake is van regelmatig menselijk verblijf. Dit geldt dus ook voor de bedrijven die zich op het toekomstige bedrijventerrein vestigen. Gemeentelijke geurverordening De Wgv biedt aan gemeenten de mogelijkheid om af te wijken van de in de wet gestelde geurnormen. Met een eigen geurbeleid kan de gemeente maatwerk per gebied leveren.
De gemeente Meierijstad heeft een eigen Geurverordening (2010) opgesteld waarin afwijkende normen zijn vastgesteld (zie onderstaande uitsnede). Voor het buitengebied is de geurnorm verlaagd naar 14 Ou en de vaste afstanden gehalveerd van 50 naar 25 meter. Het plangebied maakt echter, na het realiseren van de uitbreiding van het bedrijventerrein, deel uit van de bebouwde kom, waardoor de gemeentelijke geurverordening niet van toepassing is. Op onderstande afbeelding zijn de actieve agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 4-3 actieve agrarische bedrijven (bron: www.odzob.nl d.d. 5 juli 2022) 32/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Uit deze afbeelding blijkt dat er nog 1 agrarisch bedrijf binnen het plangebied gelegen is met een geurhindercontour aan de Biezendijk 18A. Dit bedrijf is echter aangekocht door de gemeente Meierijstad en in het kader van dit bestemmingsplan ook niet meer als een agrarisch bedrijf bestemd; hier zal dan ook geen dierhouderij plaatsvinden in de toekomst. Aan de Biezendijk liggen daarnaast nog 2 agrarische bedrijven (beide varkenshouderijen). Het meest nabij gelegen bedrijf ligt op een afstand van ruim 120 meter van het plangebied. Binnen dit plangebied is de eerste zone van circa 100 meter echter als 'Groen' bestemd en hier zullen dan ook geen personen verblijven. De meest nabij gelegen bestemming waarbinnen dagverblijf van personen is toegestaan ligt op een afstand van circa 250 meter van het meest nabij gelegen agrarisch bedrijf. Dit valt ruimschoots buiten de geurhindercontour van dit bedrijf. Van belang is verder dat op ht bedrijventerrein, met daarop geurgevoelige objecten, een aanvaardbaar leefklimaat kan worden geboden. De gemeente heeft in het geurbeleid vastgelegd wat onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet worden verstaan, als het gaat om geur. Voor ontwikkellocaties bedrijventerreinen - waartoe het plangebied Foodpark Veghel moet worden gerekend – is dit een achtergrondbelasting (geur) van maximaal 20 Ou (hinderpercentage maximaal 20%, classificatie matig).
Is de achtergrondbelasting hoger dan deze toetswaarde, dan is er in beginsel geen sprake van een 'aanvaardbaar woon- en leefklimaat'. Volgens de actuele informatie van de Omgevingsdienst is de geurbelasting in het plangebied nergens hoger dan 7 Ou. De achtegrondbelasting is hiermee tenminste te typeren als 'goed' en in grote delen van het plangebied als 'zeer goed'.
Afbeelding 4-4 geurbelasting omgeving (uitsnede https://atlas.odzob.nl d.d. 5 juli 2022) Op basis van bovenstaande is binnen de beoogde uitgeefbare kavels sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie 33/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Er liggen geen geurhindercontouren over het toekomstige bedrijventerrein (de bestemming Bedrijventerrein). Verder blijkt dat binnen het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden geboden. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9.2 Veehouderijen en gezondheid Door de GGD is de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 opgesteld met daarin een stappenplan. Op basis van dit stappenplan kan bepaald worden of advies gevraagd wordt aan de GGD met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder worden de stappen doorlopen: 1. Voldoet het plan aan de richtafstand voor endotoxine? a. Er zijn diverse bedrijven met varkens of pluimvee in de omgeving gelegen maar voor geen enkele locatie wordt de richtafstand overschreden. 2. Leidt de ontwikkeling tot een toename in de emissie voor geur, fijnstof of ammoniak? a. nee 3. Voldoet de ontwikkeling aan de wettelijke en geadviseerde kaders voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect Geur? a. Ja (zie paragraaf 4.9.1) 4. Worden binnen 1 veehouderij, gelegen binnen ten hoogste 100 meter van het plangebied bedrijfsmatige meerdere diersoorten gehouden? a. nee 5. Is er binnen een afstand van 2 kilometer van het in een plangebied opgenomen woon- en verblijfruimte een geitenhouderij gelegen of binnen 1 kilometer een pluimveehouderij of binnen 250 meter overige veehouderijen? a. De locatie is wel gelegen binnen een afstand van 1 km van een pluimveebedrijf: Willibrordushoek 4a en binnen 250 meter van overige veehouderijen: Biezendijk 19 en 20, Willibrordushoek 3 en 5. 6. Is er sprake van mestbe- of verwerking als nevenactiviteit? a.
nee 7. Is er sprake bij omwonenden ongerustheid ten aanzien van de volgsgezondheid? a. nee Uit het doorlopen stappenplan blijkt dat enkel op basis van stap 5 aanleiding zou kunnen zijn tot overleg met de GGD ten aanzien van een pluimveehouderij op circa 200 meter van het plangebied en twee varkenshouderijen op circa 150 meter van het plangebied. In het plan worden echter geen nieuwe woningen toegestaan. Er is dan ook geen sprake van een verslechterend woonklimaat. Daarnaast is de afstand tussen de bedrijvenbestemming, waar er geen permanent verblijf is toegestaan, dermate groot dat de gemeente Meierijstad van mening is dat dit plan niet voorgelegd hoeft te worden aan de GGD. Conclusie: De voorgenomen ontwikkeling zorgt niet voor een toename van volksgezondheidsrisico's in relatie tot veehouderijen.
34/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
4.10
Spuitzones gewasbestrijdingsmiddelen
Er zijn geen wettelijk voorgeschreven minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en gevoelige objecten, waaronder woningen. In de praktijk (en op basis van jurisprudentie) wordt bij een afstand van ten minste 50 meter aangenomen dat een goed woon- en leefklimaat kan worden geboden. Een kortere afstand is mogelijk als dat kan worden onderbouwd. Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor mensen met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat het middel met het hoogste risico het blootstellingseindpunt niet wordt overschreden bij bespuiting van akkers op een afstand van slechts 10 meter. Dit komt onder meer omdat in de akkerbouw voornamelijk in een neerwaartse richting gespoten wordt (hierdoor wordt eventuele drift zo veel mogelijk voorkomen). Deze spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief, omdat er zo minder spuitvloeistof verloren gaat en de gewassen het meest worden geraakt. Sinds 1 januari 2018 verplicht het Activiteitenbesluit, de artikelen 3.78a en 3.83, bedrijven tot het toepassen van technische maatregelen bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Hiermee moet drift van die middelen tot een minimum worden voorkomen.
Het agrarisch gebruik van gronden binnen het plangebied vervalt. Gronden buiten het plangebied die nog wel agrarisch in gebruik blijven, liggen op ruime afstand, met daartussen nog een groene bufferstrook. Het aspect gewasbestrijding vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11
Externe veiligheid
4.11.1
Algemeen
Één van de aandachtspunten bij het ontwikkelen van een plan waar mensen verblijven, zoals de voorgenomen ontwikkeling met Foodpark Veghel fase 4, zijn de externe veiligheidsrisico’s vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, door een buisleiding of risicovolle objecten. Bepaald moet worden of het transport en/of de opslag van gevaarlijke stoffen consequenties kan hebben voor de gewenste planontwikkeling. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in de richtlijnen voor stationaire bronnen en transportassen. De richtlijnen voor stationaire bronnen zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De richtlijnen voor transport zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transport (Bevt), in het Besluit externe veiligheid voor Buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). In de richtlijnen voor de transportassen worden normwaarden gegeven voor twee verschillende typen risico’s, het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De Dienst Water, Verkeer en Leefomgeving (WVL) van Rijkswaterstaat heeft deze richtlijnen vertaald in een werkwijzer ten behoeve van vervoersbesluiten, in het Kader externe veiligheid weg en de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART).
De externe veiligheid in de Besluiten en Regelingen wordt gekarakteriseerd door twee begrippen, te weten: Plaatsgebonden Risico (PR); Groepsrisico (GR). Externe veiligheid beschrijft de grootte van het overlijdensrisico als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. De mate van externe veiligheid wordt bepaald door de grootte van het 35/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico en het groepsrisico worden als volgt omschreven: Plaatsgebonden risico: Risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico: Cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding. Inrichtingen Groothandel Sligro (Doornhoek 4050) heeft drie PGS15 opslagruimtes en een koolstofdioxide/ ammoniakkoelinstallatie waardoor de inrichting onder het Bevi valt. De risico's van dit bedrijf zijn door Arcadis onderzocht en beschreven in het rapport 'QRA Sligro BV te Veghel'. De plaatsgebonden risicocontour reikt niet tot het plangebied. Met de uitvoering van Fase 4 wordt aan de zuidwestzijde uitgebreid. De inschatting, mede op basis van de QRA uit fase 1 is, dat het groepsrisico niet relevant toeneemt. Overige inrichtingen liggen op een dermate grote afstand dat deze geen invloed hebben op de ontwikkeling van het Foodpark fase 4.
Transportassen Over de A50 ter hoogte van afrit 10 (Eerde) – A50 (Eindhoven) worden gevaarlijke stoffen vervoerd uit de categorie LT2 en GF3. Het vervoeren van stoffen uit de categorie LT2 heeft een invloedsgebied van 880 meter, stoffen uit de categorie GF3 hebben een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied grenst aan het Basisnet-wegtraject. Het invloedsgebied reikt grotendeels over het plangebied. Over de plaatselijke weg 'Corsica' worden gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 vervoerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen uit de categorie GF3 heeft een invloedsgebied van 355 meter. Het invloedsgebied van deze weg reikt niet tot het plangebied. Leidingen De hogedruk aardgastransportleiding A-512 van Gasunie Transport Services is gelegen in een deel van het plangebied. De 1%-letaliteitsgrens van deze buisleiding, met een diameter van 914.00 mm en een maximale werkdruk van 66,20 bar, bedraagt 430 meter. De 100%-letaliteitsgrens van deze buisleiding ligt op 180 meter van de buisleiding. Deze grenzen liggen ten oosten van de leiding volledig binnen het plangebied.
4.11.2
Groepsrisico
Voor het groepsrisico wordt uitgegaan van de door de overheid als richtlijn vastgestelde aanvaardbare waarden conform het Bevi en is de cumulatieve kans per jaar dat een groep van ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is (Bevi, artikel 1) en is in het Bevi, artikel 12 als volgt in oriëntatiewaarden gekwantificeerd: • 10-5 per jaar voor 10 dodelijke slachtoffers • 10-7 per jaar voor 100 dodelijke slachtoffers • 10-9 per jaar voor 1000 dodelijke slachtoffers In onderstaande figuur zijn de hiervoor vermelde oriëntatiewaarden uitgezet in een grafiek (F-N curve). Op de horizontale as is het aantal dodelijke slachtoffers weergegeven; op de verticale as de bijbehorende kans. In dit voorbeeld is de in het Bevi aangeduide oriëntatiewaarde (OW) aangeduid door een dikke blauwe lijn. Het door de programma’s berekende groepsrisico is in het figuur aangeduid met een oranje lijn. Zolang de oranje lijn in de resultaatsgrafieken van de rekenprogramma’s zich onder de blauwe lijn (OW) bevindt, is het berekende groepsrisico lager dan de door het Bevi aangeduide oriëntatiewaarde van het groepsrisico. 36/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Afbeelding 4-6 diagram groepsrisico Op basis van openbare gegevens van de website www.risicokaart.nl zijn in de omgeving een aantal potentiële risicobronnen geïdentificeerd, die mogelijk invloed kunnen hebben op de externe veiligheid van toekomstige gebruikers van het bedrijventerrein. De volgende 2 potentiële risicobronnen zijn geïdentificeerd: Ondergrondse aardgastransportleiding (A-521) van de Nederlandse Gasunie; snelweg A-50.
37/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Afbeelding 4-7 uitsnede risiockaart Vanwege deze bronnen is een kwantitatieve risicoanalyse gemaakt om het effect op het groepsrisico te bepalen en te verantwoorden (zie de QRA in bijlage 13). Om dat goed inzichtelijk te maken zijn per risicobron (in dit geval dus de aardgas transportleiding en de rijksweg A-50) risicoberekeningen uitgevoerd op basis van de huidige populatie in het plangebied en op basis van de toekomstige populatie (dus inclusief de populatie van het Foodpark fase 4). Aardgastransportleiding Uit de (Carola-)risicoberekeningen van de aardgasleiding A-521 blijkt dat in de nieuwe situatie, dus inclusief de populatie behorende bij het Foodpark fase 4, het berekende groepsrisico zich ruim onder de oriëntatiewaarde van het groepsrisico bevindt. De maximale berekende overschrijdingsfactor voor een leidingtracé in dit gebied is gelijk aan 0,042. Een waarde lager dan 1 betekent dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. De bestaande situatie, dus zonder Foodpark fase 4, is ook beschouwd in een afzonderlijke veiligheidstoetsing. Ook in dat geval is een maximale berekende overschrijdingsfactor aangetroffen van 0,042.
Geconcludeerd wordt daarom dat bij de voorgenomen invulling van het plangebied Foodpark fase 4 de externe veiligheid in relatie tot de bestaande aardgastransportleiding in en rondom het plangebied niet wijzigt en blijft voldoen aan de gestelde eisen conform het Bevb. Snelweg A-50 Uit de uitgevoerde RBM II risicoberekeningen van de snelweg A-50 blijkt dat in de nieuwe situatie, dus inclusief depopulatie behorende bij het Foodpark fase 4, het berekende groepsrisico zich ruim onder de oriëntatiewaarde van het groepsrisico bevindt. De maximale berekende normwaarde voor de snelweg A 50 in dit gebied is gelijk aan 0,00001. Pas bij een normwaarde groter dan 0,01 is sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. De bestaande veiligheidssituatie, dus zonder Foodpark fase 4, is eveneens beschouwd in een afzonderlijkeveiligheidstoetsing. In dat geval is een maximale berekende normwaarde aangetroffen van 0,00001. Uit de vergelijking tussen de bestaande en de nieuwe situatie blijken er in de F-N curve marginale verschillen op te treden bij zeer lage waarden van N. Op basis van de berekeningen kan worden geconcludeerd dat zowel in de bestaande als de toekomstige situatie het groepsrisico dus ruimschoots onder de oriëntatiewaarde blijft en zelfs verwaarloosbaar kan worden geacht.
Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling treden geen overschrijdingen op van de norm voor 38/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
het plaatsgebonden risico, gerelateerd aan de beschreven risicobronnen. De voorgenomen ontwikkeling heeft verder geen invloed op de hoogte van het groepsrisico gerelateerd aan de aanwezigheid van de ondergrondse aardgas transportleiding. De invulling van het plangebied veroorzaakt geen overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Uit de risicoberekeningen van de A-50 blijkt dat het groepsrisico van de ‘slechtste’ kilometer eveneens ruim onder de oriëntatiewaarde blijft en niet toeneemt als gevolg van de realisatie van Foodpark, fase 4. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van de A-50.
4.12
Hoogspanningsleiding
In het zuidwesten van het plangebied is een hoogspanningsleiding aanwezig. Deze is in het vigerende bestemmingsplan als zodanig bestemd met de daarbij behorende belemmeringenstrook. In het bestemmingsplan voor fase 4 wordt de vigerende bestemmingsregeling onverkort overgenomen. De enkelbestemming die binnen de belemmeringenstrook geldt is 'Groen'.
Afbeelding 4-8
uitsnede kaart hoogspanningsnetwerk Tennet
Conclusie: De hoogspanningsleiding vormt geen belemmering of risico voor de voorgenomen ontwikkeling en andersom.
39/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
4.12.1
Radarverstoringsgebied
Het plangebied is gelegen in het radarverstoringsgebied en in het obstakelbeheergebied van luchtbasis Volkel. Het maaiveld ter hoogte van de radar ligt op 20 meter, daarmee ligt de hoogtebeperking van het radarverstoringsgebied op 65 meter boven NAP. De bouwregels in de planvoorschriften maken dergelijke hoge bouwwerken niet mogelijk. De goede werking van de radar wordt niet verstoord.
4.13
Archeologie
De Erfgoedwet (2016) harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale Erfgoedwet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. waaronder archeologische monumentenzorg. In ruimtelijke plannen moeten archeologische waarden in acht worden genomen. De gemeente Meierijstad heeft een erfgoedverordening vastgesteld, waarin onder meer bepalingen over archeologie zijn opgenomen. Voorafgaand aan het oorspronkelijke bestemmingsplan Foodpark Veghel 2016 is archeologisch bureauonderzoek gedaan (bijlage 16) en is de verwachtingswaarde voor het gehele beoogde bedrijventerrein, dus inclusief de uitbreiding die nu aan de orde is, nader gespecificeerd (zie onderstaande afbeelding). Het plangebied van de laatste fase van het bedrijventerrein ligt in een gebied waarin lage, middelhoge en hoge verwachtingswaarden voorkomen. Er is verder archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied, in de vorm van twee verkennende booronderzoeken (bijlagen 17 en 18) ). Enkele delen van het gebied (zone 3a en 3b ) zijn aangewezen als mogelijk waardevol.
40/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Afbeelding 4-9 onderzoeksgebied in blauw omkaderd, met rechts 3a en links 3b In deze twee deelgebieden is uiteindelijk vervolgonderzoek uitgevoerd, deels in de vorm proefsleuven (3a, Biezendijk 18b) en deels in de vorm van een opgraving (3b, aan de Corridor en het Helligt). De gemeente heeft dit vastgelegd in een selectiebesluit d.d. 6 september 2021 (bijlage 19). Van de uitgevoerde onderzoeken en opgravingen is een evaluatierapport gemaakt, zie bijlage 20. Uitkomst van dit onderzoek is dat voor de gronden binnen onderhavig plangebied geen archeologische waarden verwacht worden. 41/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.14
Duurzaamheid en Energie
Binnen het plan voor de uitbreiding van Foodpark Veghel wordt aangesloten op de eerdere plannen en uitgangspunten uit de bestemmingsplannen 'Foodpark Veghel 2016' en 'Foodpark Veghel, uitbreiding'. Hierin zijn er ambities ten aanzien van duurzame gebiedsontwikkeling in het stedenbouwkundig plan opgesteld. Het plan is gebaseerd op het zoveel mogelijk sluiten van kringlopen. In het openbaar gebied is het stedenbouwkundig plan duurzaamheid vertaald in onder meer materialisering. Zo wordt bijvoorbeeld in het kader van duurzaamheid de voorkeur gegeven aan LED verlichting (met mogelijkheden voor gevarieerde schalingen; bij ’s nachts na 12:00 op 50%) en voor armaturen die vervangbaarheid en langdurige verkrijgbaarheid garanderen. Voor de bedrijfskavels heeft de gemeente Meierijstad ook een ambitieniveau. Meierijstad staat bekend om haar uitstekende ondernemersklimaat. Het Foodpark wil dit ook uitstralen, ook als het gaat over een flexibele verkaveling, het stimuleren van duurzaamheid en het gunstig implementeren van de geldende regelgeving voor (food)bedrijven. Op de toekomstige bedrijven wordt een beroep gedaan om de bedrijfskavel zo duurzaam mogelijk in te richten. Zo dient gebruik te worden gemaakt van duurzame materialen in combinatie met een duurzame detaillering, zodat het bedrijfsgebouw ook in de tijd kwaliteit blijft uitstralen.
4.15
Explosieven
In het plangebied is onderzoek uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven (CE). In eerste instantie was dit een bureauonderzoek, waarna ook veldonderzoek is gedaan (detectie). Doelstelling van het vooronderzoek was om met behulp van historisch feitenmateriaal als literatuur, archief- en luchtfotomateriaal een zo zorgvuldige inschatting te maken of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven explosieven in het onderzoeksgebied. Uit het onderzoek bleek dat er diverse indicaties zijn dat het onderzoeksgebied verdacht is op de aanwezigheid van CE. Er is mogelijk sprake van gedumpte, verschoten en gegooide CE. Vervolgens is er een opsporingsonderzoek uitgevoerd (detectierapportage, zie bijlage 21), waarbij de eventueel achtergebleven explosieven beter in kaart zijn gebracht. Het detectieonderzoek is uitgevoerd van 25 Maart 2020 tot en met 28 Maart 2020 en op 30 April 2020 en 19 Mei 2020. Tijdens het uitgevoerde onderzoek zijn in totaal 2.675 CE verdachte objecten in kaart gebracht, alsmede 26.030m2 verstoord gebied en 13.038m2 waar geen detectie mogelijk was. Vervolgens zijn alle CE verdachte objecten die zich binnen de contouren van al gesloopte bebouwing. ondieper dan 0,3m – mv en dieper dan 2,5m – mv bevonden, uitgefilterd.
Er bleven 1.328 objecten over, waarvan de locatie nader is vastgesteld en die zijn ontgraven tot een diepte van ca.50 cm onder maaiveld. Er zijn géén explosieven of sporen van explosieven aangetroffen bij deze werkzaamheden. De gebieden waarbinnen de CE verdachte objecten zijn benaderd zijn uiteraard vrijgegeven. Doordat er tijdens de uitgevoerde benaderwerkzaamheden geen CE of sporen van CE zijn aangetroffen heeft de gemeente, in overleg met het bureau dat het explosievenonderzoek heeft uitgevoerd, ook de overige niet-onderzochte gebieden vrijgegeven. Zie hiervoor ook het 'procesverbaal van oplevering' in bijlage 22. Op dit moment moet, voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden, enkel nog de locatie van de zandweg 't Helligt worden onderzocht. 42/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Uiteraard moet bij het toevallig aantreffen van explosieven bij toekomstige graafwerkzaamheden volgens het 'protocol toevalstreffer' worden. gehandeld. Conclusie: Er zijn geen explosieven of sporen daarvan aangetroffen. Op grond daarvan is het gehele plangebied als onverdacht aangemerkt. Er is geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
43/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 5 Planopzet 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan Foodpark Veghel 2021 bestaat uit een aantal onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De bestemmingsregels De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn afwijking- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven. De verbeelding Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen opgenomen. Deze kunnen niet los van de regels worden gelezen. De opzet van het plan Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Bij de overwegingen over de gewenste opzet van het bestemmingsplan staat men voor het dilemma dat er enerzijds een duidelijke behoefte is aan minder regelgeving. Daarnaast moet het plan flexibel zijn om op toekomstige ontwikkelingen in te spelen. Daarvoor zijn afwijking- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Deze regelingen bieden weliswaar ruimte voor bepaalde ontwikkelingen, er kunnen echter geen directe rechten en/ of plichten aan worden ontleend. Er zal altijd een belangenafweging plaatsvinden. Als echter wordt voldaan kan worden aan de gestelde voorwaarden, is die afweging marginaal.
5.2 De regels De systematiek van de regels De systematiek van de regels kan worden samengevat aan de hand van de hoofdstukindeling. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 '1 Inleidende regels' gaat in op de begripsomschrijvingen en de wijze van meten c.q. berekenen. In Hoofdstuk 2 van de regels - 'Bestemmingsregels'- wordt een regeling gegeven voor het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein en voor de bestaande functies in het plangebied die positief zijn bestemd. Bepaald is welke vormen van gebruik en bouwwerken rechtstreeks (dus zonder voorafgaande wijziging of afwijking) zijn toegestaan. In Hoofdstuk 3 zijn de 'Algemene regels' regels weergegeven (anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels etc.). In Hoofdstuk 4 zijn de 'Overgangs- en slotregels' opgenomen.
5.3 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is omschreven wat in onderhavig plan onder een aantal van de in de regels gebruikte begrippen wordt verstaan. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is vastgelegd hoe bij de toepassing van de bouwregels van onderhavig plan moet worden gemeten.
44/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
5.4 Beschrijving per bestemming Op basis van het voorgaande worden de volgende bestemmingen onderscheiden: Artikel 4 Bedrijventerrein Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven toegestaan met daaraan ondergeschikt kantoren, dienstverlening en een kantine ten dienste van het met de bestemming beoogde gebruik. Het bedrijventerrein is verdeeld in verschillende zones. Bij het aanwijzen van de zones is gekeken naar de invloed van hinder van de bedrijven op het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Voor bedrijven die meer hinder veroorzaken is het wenselijk deze op ruimere afstand van een woonwijk te realiseren dan bedrijven met meer minder impact op de omgeving. In het bestemmingsplan is uitgegaan van de volgende categorieën (waarbij aansluiting is gezocht bij de richtafstanden, zoals opgenomen in de publicatie bedrijven en milieuzonering van de VNG), die als zodanig op de verbeelding zijn aangegeven: Bedrijf van categorie 2 Bedrijf van categorie 3.1; Bedrijf van categorie 3.2; In de regels is de afstand tot de zijdelingse bouwgrens aangegeven. Daarnaast zijn de maximale bouwhoogtes op de verbeelding weergegeven. Voor wat betreft de bouwhoogte wordt aangesloten bij de eerder gerealiseerde (en bestemde) fases van Foodpark.
Dit betekent dat in het grootste gedeelte van de bedrijfsbestemming rechtstreeks toegestaan is tot 15 meter hoog te bouwen, met uitzondering van de zuidelijke vlak met de bedrijfsbestemming waar het in aansluiting op Foodpark fase 2 op een gedeelte toegestaan is tot 20 meter hoog te bouwen. Onder voorwaarden kan worden afgeweken van de maximale hoogtes voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hiervoor moet een aparte procedure worden doorlopen. Voor de ontsluitingswegen is in de regels een mate van flexibiliteit opgenomen aangezien nog niet bekend is waar de ontsluitingswegen exact komt te liggen. Middels een afwijking is het onder voorwaarden mogelijk om op een groot deel van het bedrijventerrein (zoals aangeduid op de verbeelding) 5 meter hogere bebouwing op te richten, dan aangegeven op de verbeelding. Gezien de behoefte aan grotere bedrijfskavels en het in de gehele provincie Brabant teruglopend aanbod aan grotere logistieke bedrijfskavels is tevens een gedeelte van de uitbreiding bestemd voor de vestiging van bedrijven met een grote omvang, waarbij aansluitend aan het behoefteonderzoek, een ondermaat van ten minste 3 hectare is aangehouden. In de regels is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om hier toch kleinere kavels te realiseren, wanneer dit past binnen de totale verkaveling.
Artikel 5 Groen De bestemming 'Groen' is gebruikt voor de groenstructuur in het plangebied, met name voor de afronding van het bedrijventerrein. Het gaat om openbaar groen. Er mogen geen gebouwen worden gebouwd in deze bestemming. Aan de zuidoostzijde van het plangebied wordt een extra robuuste groenvoorziening gerealiseerd, om zo het bedrijventerrein af te schermen voor woningen aan de Biezendijk. Binnen deze groenbestemming worden een aantal mitigerende maatregelen gerealiseerd en is er specifieke aandacht voor de natuurwaarden. Artikel 6 Tuin Deze bestemming is opgenomen voor de omliggende grond bij de bestaande woning aan de Biezendijk 18b. Deze bestemming ligt ter plaatse van de stallen en cultuurgrond die in gebruik waren ten behoeve van het agrarische bedrijf dat in het voorheen vigerende bestemmingsplan aanwezig was. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om woonfuncties of overige verblijfsfuncties aanwezig te hebben en het bouwen is uitsluitend 45/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden uit de publicatie Bedrijven en Milieuzonering ten opzichte van de nabijgelegen bedrijfsbestemming. Artikel 7 Verkeer De verkeersbestemming is opgenomen voor de grootste en belangrijkste toegangsweg op het bedrijventerrein om op die manier ook te regelen waar de toegang van het terrein georganiseerd wordt. Onder andere parkeervoorzieningen, wegen en paden in het plangebied zijn bestemd als ‘Verkeer’. Er zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn de maximale hoogtes in de regels opgenomen. Artikel 8 Wonen Binnen de bestemming 'Wonen' is wonen in woningen toegestaan. Daarnaast is beroep aan huis toegestaan. Voor hoofdgebouwen en bijbehorende bijgebouwen zijn aparte bouwregels opgenomen. Artikel 9 Leiding - Gas Binnen het plangebied is een gasleiding gelegen. Deze is door middel van een dubbelbestemming beschermd. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog een hoofdbestemming. De bepalingen van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Aan weerszijden van de leidingen (met een breedte van 5 meter aan beide kanten) is deze dubbelbestemming opgenomen.
Aan deze bestemming is een vergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden opgenomen. Binnen deze bepaling is aangegeven voor welke werkzaamheden een verbod geldt, en dus een vergunning noodzakelijk is. Artikel 10 Leiding - Hoogspanningsverbinding Ter bescherming van hoogspanningsleiding is deze dubbelbestemming opgenomen. Binnen de belemmerende strook van deze leiding mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd zonder schriftelijke toestemming van de leidingbeheerder. Staat van bedrijfsactiviteiten (SBI) Voor de in het bestemmingsplan toegestane bedrijfsactiviteiten is gebruik gemaakt van de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten' uit 2009. Daarin is een categorale bedrijfsindeling opgenomen, die is gebaseerd op het aanhouden van bepaalde afstanden ten opzichte van gemengd gebied. Daarbij zijn als indicatoren om de afstand te bepalen geur, stof, geluid en gevaar gebruikt. In dit bestemmingsplangebied is de categorie 3.1 t/m 3.2 direct toegestaan. Middels afwijking kan bedrijvigheid in een hogere milieucategorie worden toegestaan mits invloed richting omgeving gelijk is.
46/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
5.5 Algemene regels Artikel 11 Anti-dubbeltelregel Deze bepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 12 Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels met betrekking tot ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, kozijnen, schoorstenen etc. Daarnaast is een bepaling opgenomen ten behoeve van ondergronds bouwen. Artikel 13 Algemene gebruiksregels In deze bepaling wordt geregeld welke gebruiken in elk geval verboden zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, dat niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. Verder zijn gebruiksregels opgenomen die toezien op het gebruik van verlichting en toezien op voldoende parkeergelegenheid in het plangebied. Artikel 14 Algemene aanduidingsregels Op de verbeelding zijn aanduidingen opgenomen ten behoeve van Vrijwaringszone - weg, Vrijwaringszone - overlegzone weg en Vrijwaringszone - radar. Artikel 15 Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen.
Hierbij gaat het om afwijkingsbepalingen die gelden voor meerdere dan wel alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, worden aangegeven. Artikel 16 Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om de in het plan opgenomen bestemming te wijzigen. Wanneer van deze bevoegdheid gebruik gemaakt kan worden, wordt beschreven in de regels. Artikel 17 Overige regels In de overige regels is een strafbepaling opgenomen.
5.6 Overgangs- en slotregels Artikel 18 Overgangsrecht In deze bepaling wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Deze regeling is op grond van de Wro verplicht. Artikel 19 Slotregel Als laatste is de slotbepaling opgenomen. Deze bepaling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsbepaling.
47/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 Exploitatie Uit het in opdracht van de gemeente door Buck consultants international uitgevoerde marktbehoefteonderzoek blijkt dat er de komende periode voldoende vraag naar bedrijventerrein is te verwachten. De grond voor dit projectgebied is in eigendom van de gemeente. De plankosten worden verwerkt in de grondprijs (kostenverhaal middels gronduitgifte). Gelet op het bovenstaande kan worden gesteld dat het kostenverhaal voldoende anderszins is verzekerd en is de economische uitvoerbaarheid van het nu voorliggende bestemmingsplan voldoende aangetoond.
6.2 Handhaving Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Handhaving op het gebied van ruimtelijke ordening spitst zich toe op het gebruik van de gronden en opstallen en het uitvoeren van werken en werkzaamheden waarvoor een vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden nodig is. De handhaving van de regelgeving van het bestemmingsplan is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat hiervoor de wettelijke grondslag. Het gaat daarbij met name om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. De Wabo bevat een algemeen verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op de gebruiksactiviteiten.
48/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro). Gronden binnen het plangebied zijn voornamelijk aangekocht door de gemeente zodat de uitvoering van het plan, en ook de landschappelijke inpassing feitelijk gerealiseerd kunnen worden.
7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. De binnengekomen vooroverlegreacties en ambtshalve wijzigingen zijn samengevat en beantwoord in de nota Vooroverleg die als Bijlage 23 is opgenomen.
7.3 Vaststellingsprocedure Het ontwerpbestemmingsplan ‘Foodpark Veghel 2021’ is op 24 augustus 2022 gepubliceerd en in de periode van donderdag 25 augustus tot donderdag 6 oktober 2022 heeft het ontwerp bestemmingsplan ter voldoening aan artikel 3.8 van de Wet op de ruimtelijke ordening voor een ieder ter inzage gelegen. Daarnaast is het ontwerpbestemmingsplan via www.ruimtelijkeplannen.nl digitaal raadpleegbaar geweest. Gedurende de genoemde termijn van zes weken kon een ieder naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan kenbaar maken aan de gemeenteraad van Meierijstad. Naar aanleiding van het ontwerp bestemmingsplan zijn 6 zienswijzen ingediend. Een samenvatting van en reactie op deze zienswijzen is opgenomen in Bijlage 24
7.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
49/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -