Foodpark Veghel 2021_Toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Foodpark Veghel 2021 Gemeente: Meierijstad
Opdrachtgever: Gemeente Meierijstad
Organisatie
Telefoon
Documentnummer
wsp
+31 (0)88 910 20 00
SLM015684
Adres
Gaetano Martinolaan 50 6229GS Maastricht
Versie Datum
NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01
Colofon Rapporthistorie Voorontwerp 14-03-2022 Ontwerp 26-7-2022 Vastgesteld 15-12-2022 Onherroepelijk dd-mm-jjjj Contactgegevens
Autorisatie Documentnummer
Versie
Status
SLM015684
NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01
vastgesteld
Opgesteld door
Functie
Datum
Paraaf
Dilly Boer
Senior Jurist
17-7-2022
Geverifieerd door
Functie
Datum
Rob Gerardts
Senior Planoloog
18-7-2022
Akkoord projectleider
Functie
Datum
Rob Gerardts
Senior Planoloog
18-7-2022
Paraaf
Paraaf
3/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Inhoudsopgave Toelichting
2
Hoofdstuk 1 Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Het geldende bestemmingsplan Leeswijzer
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 2.2
Bestaande situatie Toekomstige situatie
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15
Milieueffectrapportage Bodem Water Ecologie Geluid (milieuzonering en verkeersaantrekkende werking) Luchtkwaliteit Verkeer Parkeren Geur en gezondheid veehouderijen Spuitzones gewasbestrijdingsmiddelen Externe veiligheid Hoogspanningsleiding Archeologie Duurzaamheid en Energie Explosieven
Hoofdstuk 5 Planopzet 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
Inleiding De regels Inleidende regels Beschrijving per bestemming Algemene regels Overgangs- en slotregels
Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 6.2
Exploitatie Handhaving
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 7.2 7.3 7.4
Inleiding Vooroverleg Vaststellingsprocedure Beroep
4/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
6 6 8 9
10 10 10
12 12 15 17
19 19 19 21 23 28 28 30 31 32 35 35 39 40 42 42
44 44 44 44 45 47 47
48 48 48
49 49 49 49 49
5/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de zuidkant van Veghel, gelegen aan de A50 ter hoogte van afslag 10 Eerde, ligt het bedrijventerrein Foodpark Veghel. Foodpark Veghel is een aantrekkelijke locatie voor bedrijven in de voedingsindustrie die nieuwe samenwerkingsverbanden zoeken. Hierdoor ligt de focus op vernieuwing, samenwerking, versterking en profilering van onze voedingsindustrie. De gemeente Meierijstad heeft de ambitie om Foodpark Veghel verder te laten groeien. In 2016 is het bestemmingsplan ‘Foodpark Veghel 2016’ vastgesteld, waarna een deel van het terrein (fase 1) is ontwikkeld. In 2019 is voor een volgende fase 2 een bestemmingsplan vastgesteld, het bestemmingsplan ‘Foodpark Veghel, uitbreiding’ en in 2020 is medewerking verleend aan de vestiging van een bedrijf door middel van het verlenen van een Omgevingsvergunning voor 'De Kempkens ongenummerd te Veghel', dit was fase 3. Bij de opzet van het bedrijventerrein Foodpark is het de bedoeling geweest om het bedrijventerrein in zuidelijke richting af te ronden, zodat bedrijfsbebouwing mogelijk is tot ongeveer aan de Corridor. Door middel van dit bestemmingsplan wordt deze zuidelijke afronding van Foodpark mogelijk gemaakt.
Ook is in dit plan de landschappelijke afronding van het bedrijventerrein opgenomen en het besluitgebied van de Omgevingsvergunning voor De Kempkens die in 2020 is verleend, zodat één samenhangend plan ontstaat. In dit laatste gebied worden overigens geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het plangebied wordt op dit moment vrijwel volledig gebruikt voor agrarische doeleinden.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het bedrijventerrein ligt in het zuidwestelijke deel van Veghel, tegen de A50 aan, nabij aansluiting Eerde. Het bedrijventerrein Foodpark wordt ontsloten door de wegen Corridor en Corsica. Het plangebied van dit voorliggende bestemmingsplan zal overwegend via Corridor ontsloten worden. Het plangebied wordt in het westen begrensd door de voormalige N265 en de A50. In het zuiden grenst het plangebied aan het bosgebied rondom Logtenburg. Ten oosten van het plangebied ligt het buurtschap Hoogebiezen. Het plangebied voor 'Foodpark Veghel 2021' wordt weergegeven op onderstaande afbeeldingen. Het plangebied is in totaal circa 23 hectare groot.
6/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Afbeelding 1-1 Globale ligging plangebied Foodpark Veghel 2021.
7/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Afbeelding 1-2 in rood omlijnd het plangebied.
1.3 Het geldende bestemmingsplan Voor het plangebied vigeert op dit moment het bestemmingsplan 'Foodpark Veghel 2016', vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2016, en de bestemmingen Agrarisch, Groen, Wonen en Bedrijf . De voorgenomen ontwikkeling, het afronden van Foodpark Veghel, past niet in dit bestemmingsplan.
8/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Afbeelding 1-3 uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan Foodpark 2016
1.4 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan is opgebouwd op basis van de volgende structuur: Hoofdstuk 2 bevat een omschrijving van de huidige situatie van het plangebied en de voorgenomen planontwikkeling . Hiermee wordt ook de nut en noodzaak voor de uitbreiding van het Foodpark weergegeven. In Hoofdstuk 3 is op verschillende niveaus het beleidskader beschreven wat betrekking heeft op het plangebied en de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 bevat een onderbouwing van alle relevante sectorale aspecten en de gevolgen van en voor dit plan. Hoofdstuk 5 is een omschrijving van de planopzet opgenomen. Hierin worden onder andere de verschillende bestemmingen beschreven. Hoofdstuk 6 bevat de economische uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 7 betreft een onderbouwing van de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
9/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied 2.1 Bestaande situatie Direct ten noorden en gedeeltelijk ten westen van het plangebied is de afgelopen jaren het bedrijventerrein Foodpark Veghel tot ontwikkeling gekomen. Aan de westzijde ligt de snelweg A50. Om de ontsluiting van het terrein goed vorm te kunnen geven is de afgelopen jaren infrastructuur aangelegd. Het gebied is onderdeel van een oud beekdallandschap. Het plangebied zelf heeft van oudsher een kleinschalige agrarische structuur met hoofdzakelijk grasland en akkers, doorsneden door smalle verharde en onverharde wegen met opgaande beplanting. Ten zuiden van dit plangebied ligt Logtenburg dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is aangeduid als historisch bosgebied. Het wegenpatroon en de verkavelingstructuur van Foodpark Veghel was vrij oorspronkelijk en dateert uit de 18e eeuw. Dit is ook herkenbaar in het wegennet dat in de omgeving aanwezig is met bijvoorbeeld de Lage Biezen en Het Helligt. Het plangebied bestaat uit agrarische gronden (zowel weide- als akkerland). De afgelopen jaren heeft de gemeente verschillende gronden en gebouwen verworven en deels gesloopt. Voor het overige is er geen bebouwing in dit plangebied aanwezig. Op dit moment zijn de gronden overwegend nog agrarisch in gebruik.
De gemeente Meierijstad is rond 2016 begonnen met het ontwikkelen van een nieuw bedrijventerrein Foodpark Veghel. De fases 1, 2 en 3 zijn inmiddels ontwikkeld of gerealiseerd. Het Foodpark Veghel heeft een goed vestigingsklimaat door onder andere de gunstige ligging en de multimodale ontsluiting van de kern Veghel. Van oudsher hebben zich diverse bedrijven uit onder andere de voedingsmiddelenindustrie gevestigd. De gemeente Meierijstad wil deze kracht verder uitbouwen (AgriFood Capital). Foodpark Veghel is binnen de regio Noordoost-Brabant één van de toplocaties geworden waar vernieuwingen op het gebied van 'food en feed' zich concentreren. Foodpark Veghel is onder andere gericht op het aantrekken van nieuwe bedrijven die in de (agro)foodketen opereren, zoals distributiecentra, transportbedrijven en de maakindustrie, maar kan ook ruimte bieden voor andersoortige bedrijven, zoals plaatsing van lokale bedrijven uit de gemeente Meierijstad. Voor Foodpark Veghel is in 2016 een bestemmingsplan opgesteld waarin fase 1 als bedrijventerrein is bestemd. De omliggende gronden zijn destijds conform de voorheen vigerende bestemming vastgelegd met het idee dat hier in de toekomst uitbreiding mogelijk is van het bedrijventerrein. Fase 2 is in 2019 via een apart bestemmingsplan mogelijk gemaakt en fase 3 in 2020 via een omgevingsvergunning.
2.2 Toekomstige situatie Het bedrijventerrein Foodpark is in hoofdzaak gericht op de vestiging van bedrijven in de voedingsmiddelenindustrie, tot maximaal milieucategorie 3.2. Bij de ontwikkeling van dit bedrijventerrein wordt ingestoken op twee type bedrijven: 1. lokale bedrijven die op zoek zijn naar nieuwe huisvesting; 2. grootschalige (vanaf 2 hectare tot XXL logistiek centrum) logistieke bedrijven die een vestigingsplaat zoeken. Bij de opzet van het bedrijventerrein is met deze twee invullen tevens rekening gehouden, waarbij er zowel ruimte is voor kleinere als grotere percelen om te kunnen waarborgen dat er voor beide categorieën aanbod is in Foodpark. Dit sluit ook aan bij de ligging van Foodpark direct bij de op- en afrit van de A50, maar ook dicht tegen de kern Veghel aan. Om tot een goede overgang tussen stedelijk en landelijk gebied te komen en het 10/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
bedrijventerrein op een goede manier in te passen wordt er rondom een groenstrook aangelegd. Binnen deze strook is ook ruimte aanwezig voor het bergen van hemelwater vanaf het bedrijventerrein. De ontsluiting van het plangebied vindt met name plaats via de Corridor en Corsica. In het kader van de totale ontwikkeling van Foodpark Veghel is bij de planopzet in 2016 een plan gemaakt voor de ruimtelijke kwaliteitsverbetering in samenhang met de ontwikkeling van Foodpark, rekening houdend met de omgevingskwaliteiten en -structuren. Bij de inmiddels gerealiseerde ontwikkelingen zijn al kwaliteitsverbeteringen op het gebied van water, natuur en landschap doorgevoerd. Er zijn op dit moment nog enkele woningen als dan niet met agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig in het plangebied. Het agrarisch bedrijf aan de Biezendijk 18b zal in de toekomst omvormen naar een woning en tuin met (nieuwe) bijgebouwen, de woning met bijbehorende bebouwing aan de Corridor 22 (en 20) maakt onderdeel uit van een bedrijfskavel en de groene inpassing en de gronden om en nabij de woning aan de Kempkens 6a worden eveneens als bedrijventerrein ingevuld. In deze afrondende fase wordt ruimte gereserveerd voor een goede opvang van hemelwater.
Verder wordt rondom het plangebied in ieder geval ruimte gereserveerd voor onder andere de aanleg van een landschapszone langs de Biezendijk, en een uitbreiding van het Natuur Netwerk Brabant, ter plaatse van de Logtenburg en is de groenzone lans de Corsica reeds ingericht. In totaal gaat het daarbij om een oppervlakte van ruim 11,5 hectare, in eigendom van de gemeente.
Afbeelding 1-4 inrichtingsschets, mogelijke verkaveling
11/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 3 Beleidskader In dit onderdeel wordt het beleid op verschillende niveaus besproken, voor zo ver relevant voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. De NOVI is op 15 september 2020 vastgesteld. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050.
Het Rijk zet in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren.
4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Afwegingsprincipes Bij het maken van keuzes worden de volgende afwegingsprincipes gehanteerd: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van 12/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
gebied tot gebied; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Conclusie plangebied: Met de realisatie van Foodpark wordt de concentratie van bedrijvigheid in de 'food en feed sector' verder vormgegeven en verbetert de werkgelegenheid. De locatiekeuze en invulling komen tegemoet aan de eisen voor duurzaam ruimtegebruik en in het plan wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de NOVI.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen die juridisch moeten doorwerken in ruimtelijke plannen van provincies en gemeenten worden vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied en in het obstakelbeheergebied van de luchtbasis Volkel. Op basis van artikel 2.6.9. van het Barro gelden hier beperkingen aan de bouwhoogte van bouwwerken, in verband met het behouden van de goede werking van de radarinstallatie.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Dat betekent dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Vraaggerichte programmering en realisering van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimp regio’s leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beiden te bereiken is de kaderstellende ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De ontwikkeling van Foodpark fase 4 is, ondermeer op 22 april 2021 in de kopgroep werklocaties, ook regionaal besproken en de regio heeft ingestemd met de ontwikkeling van deze fase. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet volgens deze ladder een beschrijving bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling.
Als het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In het kader van het oorspronkelijke bestemmingsplan ‘Foodpark Veghel 2016’ is een Laddertoets uitgevoerd, die ook is gehanteerd voor fase 2 en 3 van het Foodpark. De onderbouwing voor het Foodpark in zijn geheel is onderbouwd in het kader van de Ladder en geldt onverkort ook nog voor de nu voorliggende ontwikkeling. Het is immers de basis geweest waarop het bedrijventerrein als zodanig is aangewezen in het provinciaal en gemeentelijke beleid. Behoefteonderzoek bedrijventerreinen Meierijstad 2021 De gemeente stelt zichzelf het doel om ruimte te bieden voor de ontwikkeling van bestaande bedrijven, het aantrekken van nieuwe bedrijven (die passen binnen het profiel van Meierijstad) en innovatie te faciliteren binnen het bedrijfsleven. In dat kader ontstond de behoefte aan meer inzicht in de integrale en actuele uitbreidingsbehoefte van bedrijven in de gemeente en kernen, wat heeft geleid tot een Behoefteonderzoek bedrijventerreinen (bijlage 2). Het 13/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
behoefteonderzoek vormt ook één van de bouwstenen voor de op te stellen gemeentelijke Omgevingsvisie . De algemene conclusie uit het onderzoek is dat er sprake is van krapte op de bedrijventerreinenmarkt in Meierijstad. Er is een opgave om aanvullend aanbod aan bedrijventerreinen te realiseren om het bedrijfsleven in haar groei te faciliteren. Dit kan door nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen of bestaande terreinen intensiever te benutten. De behoefte bedraagt beleidsneutraal circa 21,5 tot 44,5 hectare. Het tekort is breed zichtbaar in de hele gemeente. Er is sprake van een kwalitatieve mismatch. Zo is er vrijwel geen aanbod meer beschikbaar op kernniveau voor lokaal MKB (kleine tot middelgrote kavels). Naar verwachting is er ook een aantal hectare ruimtebehoefte vanuit (productie)bedrijven met een hogere milieucategorie. Tot slot is er veel marktvraag- en behoefte te verwachten vanuit het grootschalige segment (met name logistiek vanaf 2 hectare grote kavels). Specifiek voor Veghel is de conclusie dat hier (tot en met 2030) de grootste ruimtevraag wordt verwacht, namelijk 28 tot 44 hectare in het midden en hoog scenario. Dit staat gelijk aan ongeveer 70% van de totale ruimtevraag in de gemeente. In Veghel is nog beperkt uitgeefbaar aanbod beschikbaar, waarvan het gros in reservering. De leegstand in Veghel bevindt zich rond een gezond frictieniveau.
De concrete uitbreidingsvraag is afhankelijk van bepaalde strategische beleidskeuzes, zoals het intensiever gebruiken van de ruimte op bestaande bedrijventerreinen of het enkel toelaten van lokale en regionale bedrijven (en dus geen bovenregionale bedrijven) waardoor de ruimtevraag kan afnemen. De gemeente heeft de strategische beleidskeuze gemaakt ook (boven)regionale bedrijven te willen faciliteren, waarvoor het bedrijventerrein Foodpark de aangewezen locatie is. Hier zijn, naast het lokale kleinschalige aanbod, ook grootschalige lokale ruimtevragers welkom. Voor de percelen in het plangebied bestaat ook concrete interesse. In totaal is er in de huidige situatie circa 32 hectare bovenregionale concrete ruimtevraag bekend in de gemeente, deels al uitgegeven op Foodpark, in de fases 1-3. Het doorontwikkelen van Foodpark fase 4 (circa 19 hectare netto) ligt dus voor de hand. Aangezien op Foodpark fase 4 in potentie ook bovenregionale spelers zich kunnen vestigen en het zinvol is om grootschalige kavels geclusterd op Foodpark te realiseren, zal nog aanvullend aanbod nodig zijn voor lokale autonome ruimtevraag. Deze ruimtevraag zou moeten landen op een goed bereikbaar regulier gemengd bedrijventerrein in de omgeving van Veghel.
De behoefte aan het ontwikkelen van fase 4 van het bedrijven terrein Foodpark is met het uitgevoerde onderzoek aangetoond en wordt bevestigd door het feit dat er al verkoopgesprekken lopen over kavels op dat gedeelte. Conclusie De behoefte aan de verdere ontwikkeling van Foodpark staat vast en is onderbouwd.
3.1.4 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling wordt niet belemmerd door het rijksbeleid en vice versa.
14/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord - Brabant De Brabantse Omgevingsvisie (vastgesteld in 2018) is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren, op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Die visie is zelfbindend, dat wil zeggen dat een overheidslaag zich aan haar eigen visie moet houden. Een overheid kan de keuzes uit de Omgevingsvisie vastleggen in regels, de Omgevingsverordening. Aan die regels moeten overheden, bedrijven en burgers zich houden
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord - Brabant Als het vanuit het beleid van de provincie nodig is om regels op te nemen voor ruimtelijke ontwikkelingen, dan staan die in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie d.d. 16 november 2021). De gemeente moet rekening houden met deze instructieregels bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, afwijkingsbesluiten, enz.). Per onderwerp zijn in de verordening gebieden tot op perceelniveau begrensd op een kaart. Hierdoor is duidelijk voor welke gebieden de regels gelden. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit nieuw vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De verordening is een van de manieren om de provinciale belangen veilig te stellen. Belangrijke onderwerpen in de verordening zijn: omgevingskwaliteit stedelijke ontwikkelingen duurzame energie natuurgebieden en andere gebieden met waarden agrarische ontwikkelingen (zie: BZVen stalderen) overige ontwikkelingen in het buitengebied Voor sommige onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Volgens de kaarten bij de Interim Omgevingsverordening valt het plangebied in de volgende categorieën: - (grotendeels in) gebied waar verstedelijking afweegbaar is en in gemengd landelijk gebied; - (deels in) Natuur Netwerk Brabant (zuidelijke zone);
15/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Figuur 3 - 1 uitsnede kaart 'stedelijke ontwikkeling en erfgoed' (links) en basiskaart Landelijk gebied (rechts) bij Interim Omgevingsverordening. De groene vlekken zijn NNB. De voorwaarden om in een bestemmingsplan een stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken zijn: binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Ten aanzien van deze laatste uitbreidingsfase van Foodpark Veghel geldt ten aanzien van deze voorwaarden: Voor de gehele ontwikkeling van Foodpark Veghel is een MER opgesteld. Daarnaast is de ontwikkeling van Foodpark opgenomen in de regionale bedrijvenprogrammering. De vestiging van deze bedrijvigheid is niet mogelijk op bestaande bedrijventerreinen. De te realiseren bedrijfsbebouwing is van dermate groot oppervlak en een dergelijk type bebouwing dat deze niet ingevuld kan worden in bestaand vastgoed.
De totale ontwikkeling van Foodpark is reeds vanaf 2016 ingezet en vanaf toen ook opgenomen in de regionale programmering. Bij de oorspronkelijke planopzet was ook al het plangebied van dit bestemmingsplan betrokken. Voor de gehele ontwikkeling van Foodpark is een inpassingsplan opgesteld en gedeeltelijk reeds uitgevoerd. In dit bestemmingsplan wordt de landschappelijke inrichting rondom Logtenburg en Biezendijk nog wat verder uitgebreid ten opzichte van het eerder opgestelde landschappelijke inrichtingsplan. Conclusie De ontwikkeling van Foodpark past binnen de uitgangspunten van het provinciale beleid.
16/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Veghel 2030 De gemeente Meierijstad bereid het opstellen van een Omgevingsvisie voor. Totdat deze is vastgesteld, blijft de Structuurvisie Veghel 2030 voor deze locatie het geldende ruimtelijke beleidskader. In de Structuurvisie Veghel 2030 zijn de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de lange termijn (op hoofdlijnen) vastgelegd voor de periode tot 2030 en voor het hele grondgebied van de (toenmalige) gemeente. Er is voor gekozen om voort te bouwen op typisch Veghelse kwaliteiten: het behouden van Veghel als 'werkstad' en het meer op de kaart zetten van Veghel als 'woondorp(en)'.
Figuur 3-2 uitsnede visiekaart Structuurvisie 2030 met legenda Volgens de visiekaart bij de structuurvisie is het plangebied aangeduid als ‘Ontwikkelllocatie bedrijventerrein’, Foodpark de Kempkens Veghel en Molenakker Erp. Het Foodpark is nadrukkelijk als zodanig op de kaart gezet en wordt tot 2030 (en mogelijk ook daarna) gefaseerd ontwikkeld. In de structuurvisie is wel aandacht voor de inpassing van, onder meer, dit bedrijventerrein. De ontwikkeling, een specifiek bedrijventerrein inclusief een robuuste inpassing, past volledig in het gemeentelijk beleid.
3.3.2 Bedrijventerreinenvisie (2019) Gemeente Meierijstad heeft in 2019 haar bedrijventerreinenvisie vastgesteld.Centrale thema’s in de bedrijventerreinenvisie zijn: Aantrekkelijk vestigingsklimaat Kwaliteitsbehoud bestaande terreinen Uitbreidingsruimte voor lokale ondernemers Behoud (milieu)ruimte voor zwaardere bedrijvigheid De gemeente stelt zichzelf het doel om ruimte te bieden voor de ontwikkeling van bestaande bedrijven, het aantrekken van nieuwe bedrijven (die passen binnen het profiel van Meierijstad) en innovatie te faciliteren binnen het bedrijfsleven. Gemeente Meierijstad hanteert voor nieuwe bedrijventerreinontwikkeling buiten de kern Veghel 17/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
een maximale kavelomvang van 0,5 ha (dit betreft de kernen Schijndel, Sint-Oedenrode, Nijnsel en Erp). In de visie staat beschreven dat er behoefte is aan uitbreidingsruimte vanuit lokale ondernemers en dat grotere ruimtevragers in Veghel een plek moeten kunnen vinden. Met het vaststellen van de Bedrijventerreinenvisie zijn de kaders voor de toekomst bepaald. Genoemde thema’s zijn in de uitvoeringsagenda van de visie (opgesteld door de gemeente) geconcretiseerd aan de hand van projecten en acties. Denk aan voldoende bedrijventerreinenaanbod en het monitoren van de vraag en aanbod (behoefte en uitgifte). Daarnaast zijn er ook acties, waarbij aandacht wordt gevraagd voor kwaliteitsbehoud van bestaande terreinen en het verkennen van potentiële nieuwe planlocaties. In de Visie komt naar voren dat vraag en aanbod in kwalitatieve en kwantitatieve zin nog niet helemaal in balans zijn. Om meer inzicht te krijgen in de behoefte in de integrale en actuele uitbreidingsbehoefte van bedrijven in de gemeente en kernen is een behoefteonderzoek bedrijventerreinen uitgevoerd (zie bijlage 2 ). Het rapport is, als onderdeel van de onderbouwing van de behoefte aan de uitbreiding van het plangebied Foodpark, ook regionaal besproken (zie paragraaf 3.1.3). Uit het rapport blijkt duidelijk dat er behoefte is aan het ontwikkelen van Foodpark fase 4.
18/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten In de volgende paragrafen worden de relevante aspecten, voor zover van belang voor het plangebied, beschreven.
4.1 Milieueffectrapportage Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben, kan een milieueffectrapportage (m.e.r.) worden opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke ontwikkelingen een m.e.r. verplicht is. De uitbreiding van een bedrijventerrein is een activiteit die voorkomt op de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage 1994. Categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage noemt de activiteit 'aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject', waaronder in beginsel ook de uitbreiding van een bedrijventerrein wordt verstaan. De omvang van de ontwikkeling overschrijdt niet de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. (100 ha, 2000 woningen of meer, een bvo van 200.000m2 of meer). Ook bij ontwikkelingen die de drempelwaarde niet overschrijden kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen ontstaan. Het bevoegd gezag moet ook in een dergelijk geval beoordelen of een milieueffectrapportage nodig is, een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Het Foodpark Veghel is in zijn geheel een m.e.r.-plichtige activiteit. Voor het bestemmingsplan Foodpark Veghel 2016 (fase 1) is dan ook een MER (Arcadis, 13 april 2016) opgesteld.
Omdat het huidige initiatief, fase 4, nog niet eerder is vastgelegd in een bestemmingsplan of ruimtelijk besluit, en de drempelwaarde niet wordt overschreden, moet voor dit bestemmingsplan (vormvrij) worden beoordeeld of een milieueffectrapportage moet worden gemaakt of niet. In dat kader is een aanmeldnotitie opgesteld, waarin de ontwikkeling aan de hand van de criteria uit de Europese m.e.r.-richtlijn is beoordeeld. Deze aanmeldnotitie is opgenomen als Bijlage 1. Hierbij is ook de MER uit 2016 betrokken en de onderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor fase 3. De conclusie van deze aanmeldnotitie is dat de ontwikkeling niet zorgt voor belangrijke nadelige milieugevolgen en het doorlopen van een milieueffectrapportage niet nodig is. Het bevoegd gezag heeft op basis van de aanmeldnotitie met deze conclusie ingestemd en besloten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
4.2 Bodem In 2012 is, ter voorbereiding van het bestemmingsplan Foodpark 2016 een historisch vooronderzoek op hoofdlijnen uitgevoerd, waarin bodeminformatie is verzameld voor een groter gebied, waarvan het plangebied van dit voorliggende bestemmingsplan deel uitmaakt. De bodemkwaliteit van het deel van het plangebied waar zicht op basis van omgevingsvergunning een bedrijf heeft gevestigd (fase 3) is door middel van bodemonderzoek vastgesteld en akkoord bevonden voor het beoogde gebruik. Gezien het tijdsverloop en het detailniveau van het vooronderzoek is voor de rest van het plangebied actualiserend onderzoek uitgevoerd. Historischbodemonderzoek 2021 In vervolg op het historisch bodemonderzoek uit 2012 (zie Bijlage 3) is een actueel historisch bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4) voor het plangebied, met uitzondering van het gebied van fase 3. In dat kader is een terreininspectie uitgevoerd, waaruit bleek dat de actuele situatie verschilt van de situatie uit 2012. 19/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Zo is het plangebied al grotendeels bouwrijp gemaakt en agrarisch in gebruik. Enkele van oorsprong verdachte deellocaties, zoals voormalige brandstoftanks en aanwezige verhardingen, zijn opgeschoond (met inachtneming van de wet- en regelgeving) en enkele in 2012 aangetroffen zandpaden niet meer aanwezig. Buiten het zandpad 't Helligt, de woning bij Corridor 22, een schuur aan Corridor 20 en gebouwen aan de Kempkens 6a is het gehele gebied onbebouwd en begroeid met gras. Een aantal locaties binnen het onderzochte deel van het plangebied zijn (op het moment van onderzoek) niet of onvoldoende onderzocht. Het advies naar aanleiding van het historische onderzoek is om voor deze locaties een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. In het kader van de verschillende koopovereenkomsten en/of aanvragen om omgevingsvergunningen voor het bouwen zal in ieder geval nog bodemonderzoek worden uitgevoerd. Uiteindelijk zal voor het gehele gebied de bodemkwaliteit bekend zijn. Op voorhand zijn er geen redenen te veronderstellen dat eventuele aangetroffen verontreinigingen de voorgenomen ontwikkelingen fysiek of financieel belemmeren. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Biezendijk 18b. Op deze locatie is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5) om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater.
Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd omdat asbesthoudende dakbedekking, zonder goot, is aangetroffen op de aanwezige bebouwing. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de grond zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem, en er is geen asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen. Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat er licht verhoogde concentraties verontreinigende stoffen in bodem en grondwater aanwezig zijn evenals bepaalde asbestgehaltes. Geen van de aangetroffen stoffen of gehaltes geven aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Corridor 22 Op deze locatie is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 6) om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd omdat asbesthoudende dakbedekking, zonder goot, is aangetroffen op de aanwezige bebouwing. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn in de grond zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem.
Uit laboratoriumonderzoek blijkt dat er licht verhoogde concentraties verontreinigende stoffen in bodem en grondwater aanwezig zijn. Geen van de aangetroffen stoffen of gehaltes geven aanleiding tot nader onderzoek. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Omgevingsvergunning De Kempkens ongenummerd In 2020 is voor het gebied De Kemkens een omgevingsvergunning verleend voor de vestiging van een bedrijf op deze locatie. Deze locatie is ook opgenomen in dit bestemmingsplan, zodat hier hetzelfde juridisch-planologische kader geldt als op de omliggende gronden; nieuwe ontwikkelingen worden hier echter niet mogelijk gemaakt. In het kader van de doorlopen procedure in 2020 is ten aanzien van het aspect bodem gesteld dat in het kader van het bestemmingsplan ‘Foodpark Veghel 2016’ is voor het gehele plangebied een historisch bodemonderzoek verricht. Na die tijd zijn nog verschillende andere bodemonderzoeken uitgevoerd, in de jaren 2012-2014 en 2018 en 2019. De bodemsituatie in het plangebied is daarmee voldoende bekend. In het bodemonderzoek uit 2019 is een groot deel van de projectlocatie (kadastraal perceel nr.146) onderzocht. Ter plaatse zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes in de grond en lichtverhoogde concentraties in het grondwater aangetoond.
Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geconcludeerd 20/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
dat er geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie. Van belang is verder dat voorafgaand aan de juridische levering van het perceel een actualiserend bodemonderzoek zal worden uitgevoerd over alle te leveren percelen. Als uit dat onderzoek nog verontreinigingen naar voren komen, wordt dat op dat moment aangepakt. Conclusie: De bodemkwaliteit is nog niet overal binnen het plangebied volledig in beeld. In het kader van de koopovereenkomsten en de aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen worden nog bodemonderzoeken uitgevoerd. Uiteindelijk zal voor het gehele gebied de bodemkwaliteit bekend zijn. Op locaties waarvan op basis van uitgevoerd onderzoek bekend is dat sanering plaats dient te vinden, heeft dit inmiddels ook plaatsgevonden. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is de verwachting dat er geen grootschalige aanvullende sanering plaats hoeft te vinden. Nader onderzoek op deze locaties vindt plaats in het kader van de te verlenen Omgevingsvergunning. Op voorhand zijn er geen redenen te veronderstellen dat eventuele aangetroffen verontreinigingen de voorgenomen ontwikkelingen fysiek (waaronder veiligheid) of financieel belemmeren.
4.3 Water In het kader van een ruimtelijke onderbouwing is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. In dit geval is vooral van belang dat er een relevante toename van verharding optreedt en dat het hemelwater dat daarop terecht komt op een goede wijze wordt afgevoerd, dan wel geborgen, binnen het projectgebied. Hiervoor is een ‘waterparagraaf’ opgesteld De waterparagraaf is opgesteld op basis van de informatie en uitgangspunten die in het kader van de eerdere planologische procedures over dit onderwerp beschikbaar waren. Aangenomen is dat de daarin gehanteerde uitgangspunten (bijvoorbeeld over de bodemopbouw) nog steeds van kracht zijn. In deze waterparagraaf is bovendien uitgegaan van aannames over het oppervlak bebouwd en verhard, en aannames over de hoogte van het toekomstig maaiveld en grondwaterstanden in betrekkelijk extreme situaties. Concrete informatie hierover is op dit moment namelijk nog niet beschikbaar.
Berekening omvang waterberging Bij de berekening van het af te voeren volume hemelwater is indicatief uitgegaan van een bebouwd en verhard oppervlak van 450.000 m2, en een open groen/blauwe zone met een oppervlak van ongeveer 175.000 m2. De gemeente heeft geadviseerd uit te gaan van 60 mm netto neerslag op bovenstaande oppervlakken, en geen rekening te houden met zogenaamde 'afvloeiingscoëfficiënten'. Het projectgebied moet dus (tijdelijk) 27.000 m3 water kunnen bergen. De niet te bebouwen of verharden zone langs de zuid- en oostgrens van het plangebied krijgt een groene functie en kan worden gebruikt/benut voor de berging van hemelwater dat valt op de bouw- en verhardingsoppervlakken. Dit gebied sluit in noordoostelijke richting aan op de daar al aanwezige groene zone waarin een lint van onderling gekoppelde waterbergingen is en wordt aangelegd. Voor het plangebied van Foodpark 2016 (het oorspronkelijke bestemmingsplan, waarin ook het plangebied van fase 4 valt), is gerekend met twee buien: T=10+10% en T=100. Bij een netto oppervlak van 75 ha was de te bergen hoeveelheid regenwater destijds berekend op 31.640 m3 (bij T=10+10%) en 10.862 m3 extra bij een T=100-bui. Deze volumes zijn indertijd berekend met 21/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
de HNO-toets van het waterschap (de 10% extra bij T10, en de T100 in verband met verwachte hevigere neerslag door klimaatverandering). In voorliggend plangebied van fase 4 met een netto-oppervlak van bijna 25 ha zou dit, op basis van de uitgangspunten van 2016, betekenen dat: bij een T=10+10%-bui moet worden geborgen 20.000 m3 hemelwater ; bij een T100-bui extra moet worden geborgen: ca. 6.500 m3 hemelwater. De voor het plangebied van fase 4 eerder berekende projectspecifieke bergingsbehoefte, 27.000 m3, komt dus in grote lijnen overeen met de algemene uitgangspunten bij het oorspronkelijke bestemmingsplan uit 2016. In een oppervlakkige waterberging in de zuidoostelijke zone zal zich een waterstand ontwikkelen die in balans is met de grondwaterstand in de bodem rondom. In ontwerpsituaties met een hoge grondwaterstand (op en nabij het niveau van de GHG) zal de waterstand in de bergingslocatie ongeveer 10,10 tot 10,15 m+NAP zijn. Aan de laag gelegen noordwestzijde is de maaiveldhoogte nu 10,40 m, er is dus nog 0,25 tot 0,30 m aan overhoogte beschikbaar voordat overstroming in noordelijke en westelijke richting plaatsvindt. Bij de huidige maaiveldhoogtes betekent dit dat een waterbergend oppervlak nodig is van 90.000 m2, dus 9 ha aan waterberging. De groene zone heeft een oppervlak van ongeveer 17,5 ha, wat betekent dat ca.
50% daarvan zal moeten worden gereserveerd voor waterberging. Dit oppervlak kan worden gereduceerd als het maaiveld rondom kunstmatig met enkele decimeters wordt verhoogd. Uiteraard kunnen vorm en plaats worden ingevuld, in samenhang met andere functies van de groene strook en de gewenste koppeling aan andere waterbergingen aan de oost- en noordzijde van de andere delen van het foodpark. Wellicht is ook sprake van overcapaciteit in de andere waterbergingen die hierop aansluiten. Het realiseren van de omvang van de vereiste waterberging is vanuit ruimtelijk oogpunt goed haalbaar is zonder dat de opvang van hemelwater leidt tot afwenteling op lager gelegen gebieden, zoals die aan de zuidzijde van het projectgebied zijn gelegen. De waterberging moet zijn aangelegd op het moment dat met de aanleg/bouw in fase 4 wordt gestart. In het gebied bevindt zich een deel van een A-watergang, waarvan al in eerdere documenten (MER, waternota) is aangegeven dat deze zal worden gedempt. De functie hiervan kan worden opgevangen door het (nog te realiseren) watersysteem in Foodpark. Hierover zal in een separaat traject in overleg met het Waterschap AA en Maas afgestemd worden hoe dit exact vormgegeven wordt.
Conclusie Het realiseren van de omvang van de vereiste waterberging is vanuit ruimtelijk oogpunt goed haalbaar is zonder dat de opvang van hemelwater leidt tot afwenteling op lager gelegen gebieden, zoals die aan de zuidzijde van het projectgebied zijn gelegen. Op basis van de bergingsbehoefte is eveneens een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen, om te borgen dat er een voldoende grote, gebaseerd op de te realiseren vierkante meters verharding en bebouwing, waterberging wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. De exacte berging wordt uitgewerkt aan de hand van de te realiseren initiatieven waarbij ook de exacte locatie zal worden bepaald. Gezien de uitkomsten van de watertoets is in ieder aangetoond dat deze in voldoende mate gerealiseerd kan worden. Op die manier wordt overlast op het watersysteem en de omgeving voorkomen.
22/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
4.4 Ecologie In het kader van de ontwikkeling van het Foodpark zijn in het kader van de eerder uitgevoerde fases al diverse natuuronderzoeken uitgevoerd. De bevindingen van de natuuronderzoeken zijn, naast de nu uitgevoerde onderzoeken, ook benut voor een quickscan voor het nu voorliggende plangebied.
4.4.1 Gebiedsbescherming Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. In de provincie Noord-Brabant is het natuurbeleid vastgelegd in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) dat onderdeel uitmaakt van het NNN. Natura-2000 Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Kampina & Oisterwijkse Vennen' ligt 16 kilometer ten westen van het plangebied.
Afbeelding 4-1 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000. Gezien de ruime afstand van het plangebied doet het voornemen geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied, in ieder geval als het gaat om externe effecten zoals trilling, geluid en beweging. Effecten als gevolg van stikstofdepositiekunnen echter ook op grotere afstand optreden. Daarom is hier onderzoek naar gedaan. Het uitgangspunt voor de (nieuwe) bedrijven die op het nog te ontwikkelen deel van het bedrijventerrein komen en/of hier uitbreiden is dat deze gasloos/all-electric worden (zoals ook in fase 1 t/m 3 het geval was), met uitzondering van eventuele sprinklerpompen. Aangezien deze 23/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
sprinklerpompen slechts een paar keer per jaar gedurende een beperkte tijdspanne getest worden (naast uiteraard de eventuele inzet tijdens calamiteiten), zullen deze niet-relevant bijdragen aan de totale stikstofemissie van de bedrijven. De belangrijkste bron van stikstofemissie vanwege de uitbreiding van Foodpark wordt gevormd door de toename van de verkeersaantrekkende werking. Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de toekomstige situatie (zie bijlage 14). In dit onderzoek is de verkeersproductie van Foodpark Veghel fase 4 inclusief verdeling over het netwerk bepaald. De verkeersproductie als gevolg van fase 4 bedraagt circa 1.300 mvt/werkdag, voor de verdeling over het netwerk wordt verwezen naar het verkeersonderzoek. De uitbreiding van het bedrijventerrein wordt middels de interne ontsluitingsstructuur van het bedrijventerrein aangesloten op de Corridor, Corsica en de Eerdsebaan. Door de positionering van deze toegangen nabij de ontwikkeling van Foodpark Veghel fase 4, zijn de grootste toenames in voertuigbewegingen op deze wegen te zien. Uit het verkeersonderzoek volgt ook dat de verkeersintensiteiten die worden veroorzaakt in fase 4 slechts een zeer beperkt aandeel hebben in de totale verkeersproductie van Foodpark Veghel (fase 1 t/m 4).
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat, bij het verlaten van het bedrijventerrein (dus bij ontsluiting op de Corsica / Eerdsebaan), het verkeer als gevolg van fase 4 in ieder geval zal zijn opgenomen in het verkeersbeeld dat hier al heerst als gevolg van fase 1 t/m 3. In het onderzoek naar stikstofdepositie is daarom alleen gekeken naar de verkeerstoenames op het bedrijventerrein Foodpark Veghel zelf. Voor wat betreft de verdeling licht-zwaar verkeer wordt uitgegaan van 60 40 (op basis van verkeersmodel Foodpark Veghel 2030), wat als worstcase scenario kan worden beschouwd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat op basis van de genoemde uitgangspunten geen toename van stikstofdepositie ontstaat op relevante nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Hiermee is de Wet natuurbescherming gewijzigd en is een vrijstelling van vergunningplicht voor de bouwsector opgenomen in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming. Deze vrijstelling geldt voor alle projecten die in de gebruiksfase geen tot weinig stikstofemissie veroorzaken en heeft betrekking op de bouw van woningen, utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken inclusief de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen.
Dit betekent dat, wanneer kan worden aangetoond dat er geen toename van de stikstofdepositie in nabij gelegen Natura 2000-gebieden wordt veroorzaakt door het gebruik van de uitbreiding van het bedrijventerrein Foodpark Veghel, dat geen AERIUS-berekening voor de bouwfase dient te worden overlegd en in het kader van de omgevings-vergunningaanvra(a)g(en) rechtstreeks gebruik gemaakt kan worden van bovengenoemde vrijstelling. Nu er geen toename van stikstofdepositie wordt berekend in de gebruiksfase, kan van deze vrijstelling voor de bouwfase gebruik worden gemaakt. Natuurnetwerk Brabant De meerderheid van het plangebied heeft geen status in het kader van Natuurnetwerk Brabant (NNB). De aangrenzende bospercelen vallen binnen het Natuurnetwerk Brabant. Deze betreffen landschapsbeheertypen houtwal en houtsingel (L01.02) en droog bos met productie (N16.03) (zie figuur 6.2). Tussen het toekomstige bedrijventerrein en de bospercelen blijft op het smalste punt minimaal een afstand van 30 meter behouden. Het voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang (bos en breed grasland strook blijven behouden) geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN/NNB, mits er door de planontwikkeling geen water onttrokken wordt uit NNB-gebied.
Als er inderdaad geen water onttrokken wordt uit het NNB, is er vanuit het provinciale natuurbeleid geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep te verwachten. Indien de bospercelen van het NNB alsmede een breed grasland strook langs het NNB behouden worden-is een verdere 'nee, tenzij'-toetsing niet nodig.
24/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Figuur 4-2 Ligging plangebied (globaal, rode contour) ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant
4.4.2 Soortenbescherming In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Binnen de categorie andere beschermde soorten (ook wel nationaal beschermde soorten) hebben provincies de bevoegdheid om eigen beleid te voeren. In onderstaande tabel zijn de bevindingen uit de quickscan weergegeven: Soortenbescherming
Verboden Wnb
Vervolgstappen
Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming) Vaatplanten
*Geen overtreding
Indien geschikte bomen en een breed grasland strook langs het NNB behouden blijven
Zoogdieren
Mogelijke overtreding
Nader onderzoek naar das, kleine marters en steenmarter
Mogelijke overtreding
Nader onderzoek verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis)
Amfibieën
Geen overtreding
-
Vissen
Geen overtreding
-
Vleermuizen
25/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
Reptielen
*Geen overtreding
Indien bomen en een breed grasland strook langs het NNB behouden blijven
Ongewervelden
*Geen overtreding
Indien geschikte bomen en een breed grasland strook langs het NNB behouden blijven
Mogelijke overtreding
Optie 1: Werken buiten het broedseizoen Optie 2: Werken binnen broedseizoen broedvogelinspectie.
Mogelijke overtreding
Nader onderzoek naar huismus, kerkuil en roofvogels
Vogels (algemeen) Vogels (jaarrond)
Gebiedsbescherming (Wet Natuurbescherming en NNN) Natura 2000
Geen overtreding
Voortoets Natura 2000 voor stikstof
Natuurnetwerk Brabant (NNB)
*Geen overtreding
Indien geschikte bomen en een breed grasland strook langs het NNB behouden blijven
Het plangebied heeft potentie voor jaarrond beschermde nesten, beschermde marterachtigen (das, bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel), vogels en vleermuizen. Deze soorten kunnen mogelijke schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling op de locatie. In dat kader is nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 10). Het doel van dit nader onderzoek is vast te stellen of de betreffende ontheffing plichtige soorten daadwerkelijk voorkomen (met bijbehorende functie(s) in het plangebied) en/of de geplande ontwikkelingen strijdig zijn met de soortbescherming van de Wet natuurbescherming. Uit het nader onderzoek blijkt het volgende: Roofvogels Nesten van roofvogels bevinden zich in de omringende bosgebieden en andere houtopstanden, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het functionele leefgebied, buiten de nesten, van deze soorten vermindert in oppervlak, maar niet zodanig dat zij hun nesten niet meer in stand kunnen houden. Jachtgebied voor deze soorten blijft over in de ecologische zone, de natuurlijke graslanden aan de noordzijde van Logtenburg en in de vorm van bermen. Overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2 is hierdoor niet aan de orde. Kerkuil Van de kerkuil verdwijnen geen nestplaatsen, maar wel twee rustplaatsen.
Deze rustplaatsen waren niet in gebruik gedurende het broedseizoen van 2021, wat betekent dat zich buiten het plangebied ook minimaal één rustplaats bevindt. De kerkuil heeft een netwerk aan rustplaatsen nodig om de nestplek in de omgeving in stand te kunnen houden. Het weghalen van de rustplaats aan de Biezendijk 18B zou daarom mogelijk kunnen leiden tot overtreding van verbodsartikel 3.1, lid 2 Wnb. In verband met het mitigeren van effecten op vleermuizen door het realiseren van voorgaande fases van het bedrijventerrein Foodpark, is in de toekomstige ecologische zone een faunatoren gerealiseerd met daarin ook een verblijfplaats voor de kerkuil. Het advies is verder om een extra alternatief aan te bieden als verblijfplaats en om kruidenrijke bermen aan te brengen als mogelijk alternatief foerageergebied. Zekerheidshalve wordt ook voor deze soort een ontheffing aan te vragen in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Gezien de in ruime mate aangebrachte mitigerende maatregelen is het de verwachting dat deze ontheffing verkregen wordt. Huismus De huismus is op twee locaties in het plangebied aangetroffen, dit betreft: Corridor 22 Aangezien de bedrijfsmatige bebouwing rondom Corridor 22 (het deel dat gelegen is aan de noordzijde van de Corridor) gesloopt wordt, worden er nestplaatsen vernietigd. Derhalve is een ontheffing op grond van de Wnb benodigd voor de huismus.
Voor de huismus worden mitigerende maatregelen uitgewerkt waardoor het de verwachting is dat
26/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
de ontheffing verkregen wordt. Biezendijk 18b Het woonhuis en de tuin van bij Biezendijk 18B blijven behouden, de schuren worden gesloopt. Het behoud van de tuin en de tuinen en groenstructuren rondom de omliggende woningen betekent dat er voldoende essentieel leefgebied (binnen 50 meter van de verblijfplaats) behouden blijft. Een ontheffing is niet noodzakelijk. Wel moet worden gewerkt buiten de kwetsbare periode van de huismus. Vleermuizen Vleermuizen zijn op diverse locaties in het plangebied aangetroffen, dit gaat om: Sloop van de bebouwing en verwijdering van het aanwezige groen rondom de adressen aan de Kempkens 6A, Biezendijk 18B en Corridor 20 en 22 leidt tot overtreding van verbodsartikel 3.5, lid 4 Wnb. Hierdoor is een ontheffingsaanvraag aan de orde. Voor de laatvlieger is een donkere en vrije vliegroute nodig in de richting van het bosgebied Logtenburg: de recent aanlegde houtwal parallel aan de A50 kan, als deze vrij blijft van lichtverstrooiing, als vliegroute dienen. Hiermee is het de verwachting dat de ontheffing verkregen wordt. De vliegroute over de Biezendijk is voor de laatvlieger, en in mindere mate ook voor de gewone dwergvleermuis, van essentieel belang. Het grootste gedeelte van deze route blijft in stand, met uitzondering van het gedeelte vanaf de Biezendijk 18B richting de Hoogebiezen.
Alleen in het geval de bestaande bomen blijven behouden en geen verlichting wordt toegevoegd (dus ook geen straatlantaarns) zijn geen vervolgstappen nodig. In alle andere gevallen dient in overleg met een ecoloog bepaald te worden hoe deze route in stand kan worden gehouden en of een ontheffing nodig is (de laatvlieger valt niet binnen de soorten van de gedragscode soortenbescherming voor gemeenten). Nationaal beschermde soorten Voor algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën, zoals rosse woelmuis, haas, ree en gewone pad, geldt binnen de provincie Noord-Brabant een vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht. Dit houdt in dat zij de gelegenheid dienen te krijgen om te kunnen vluchten als zij tijdens de uitvoering van het werk worden aangetroffen. Deze vrijstelling geldt niet voor de steenmarter, de das en de wezel. Door het verwijderen van de verblijfplaats voor de steenmarter op het terrein van Kempkens 6A. ontstaat een overtreding van verbodsartikel 3.10, lid 1b Wnb. Voor de wezel verdwijnt geschikt leefgebied (zowel verblijfplaatsen als foerageer- en migratiegebied) als de aanwezige gras- en ruigtevegetaties worden verwijderd. Voor deze soort is derhalve een ontheffing Wnb aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant.
Voor de das verdwijnt een klein deel van het foerageergebied, maar niet een zodanige omvang dat er sprake is van aantasting van het functionele leefgebied. Verdere vervolgstappen zijn daarom niet nodig. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, als aan de genoemde randvoorwaarden wordt voldaan, voor een groot aantal soorten niet tot overtreding van de bepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor de vleermuis, huismus, wezel en steenmarter is een ontheffing Wnb. aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant. Gezien de invulling van het plan en de mitigerende maatregelen die hierin zijn opgenomen is het de verwachting dat deze ontheffing verkregen wordt.
27/49 - vastgesteld - NL.IMRO.1948.VHL010BP0012021P-VG01 -
4.5 Geluid (milieuzonering en verkeersaantrekkende werking) In het kader van het bestemmingsplan voor de uitbreiding van het Foodpark Veghel is het aspect 'bedrijven en milieuzonering' (zie Bijlage 11) beoordeeld. Hiervoor is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Dit is een algemeen geaccepteerd instrument om na te gaan of er sprake is van een goede ruimtelijk ordening (voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar) in situaties waar woningen dicht bij bedrijven worden voorzien. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van de meest recente versie uit 2009. Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen heeft twee doelen: het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zo veel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het tegelijk daarmee aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Het toetsingskader bestaat uit 4 stappen. In stap 1 wordt een afweging gemaakt op basis van de in de publicatie opgenomen richtafstanden en het omgevingstype. Indien woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen op kleinere afstand zijn gelegen dan de richtafstanden, kan voor het betreffende plandeel in stap 2, 3 of 4 gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstanden.
De dichtstbijgelegen woning ligt aan de Corridor 22, ten noordwesten van het plangebied (aan de A50). In de directe nabijheid van deze woning zijn bedrijven in ten hoogste categorie 2 toegestaan, met een richtafstand van 30 meter. Hieraan wordt voldaan. Op een afstand van minimaal 50 meter zijn bedrijven van ten hoogste milieucategorie 3.1 toegestaan, en wordt de richtafstand gerespecteerd en is in beginsel sprake van een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft de aspecten geluid, gevaar, stof en geur. Vanwege de verkeersaantrekkende werking is het onderwerp 'geluid' voor de volledigheid toch nader onderzocht. De geluidbelasting op de gevels van bestaande woningen als gevolg van het verkeer van en naar de uitbreiding van het Foodpark is berekend met behulp van een akoestisch overdrachtsmodel, waarvoor de informatie uit het verkeersonderzoek (bijlage 14) is gebruikt. Uit de berekening blijkt dat er geen dan wel een zeer kleine toename van de geluidbelasting te verwachten is bij bestaande woningen als gevolg van de toename van de verkeersaantrekkende werking door de uitbreiding van het Foodpark. De berekende toename bedraagt ten hoogste 0,16 dB en bedraagt daarmee minder dan 2 dB. Het betreft daarmee een niet-significante, niet-merkbare en daarmee een akoestisch aanvaardbare toename zonder invloed op het woon- en leefklimaat bij de betreffende woningen.