CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

De Horstjens 12 - Ruimtelijke onderbouwing + bijlagen

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Ontwikkelplan Buitengebied Meierijstad'23.317 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing De Horstjens 12, Eerde Gemeente Meierijstad Definitief

Ruimtelijke onderbouwing De Horstjens 12, Eerde Gemeente Meierijstad Definitief

Rapportnummer:

P00991_3

Datum:

1 augustus 2022

Opdrachtgever:

particulier

Projectteam BRO:

JR, MvDn

Concept:

9 april 2020, 3 december 2020

Definitief:

22 september 2021, augustus 2022

BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan

3 3 3 5

2. PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie 2.2 Voorgenomen ontwikkeling

6 6 7

3. BELEIDSTOETS 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid

9 9 11 13

4. MILIEUHYGIENSCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING 4.1 M.e.r.-beoordeling 4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.3 Flora en Fauna 4.4 Waterparagraaf 4.5 Bodem 4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Geurhinder 4.9 Akoestiek 4.10 Luchtkwaliteit 4.11 Externe veiligheid 4.12 Hoogspanningslijnen 4.13 Spuitzones gewasbescherming 4.14 Volksgezondheid in relatie tot veehouderijen 4.15 Verkeer en parkeren

16 16 16 18 19 21 22 22 23 24 25 26 31 31 31 32

5. JURIDISCHE PLANOPZET

33

6. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

34

Inhoudsopgave

1

7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

35

8. CONCLUSIE

36

BIJLAGEN Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Onderzoek achtergrondbelasting geur Bijlage 4: Omgevingsdialoog Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Cultuurhistorisch rapport Bijlage 7: Voorlopig ontwerp en bestaande toestand boerderij

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van de woning aan de locatie De Horstjens 12 in Eerde. Het betreft een langgevelboerderij aan een bestaand bebouwingslint. De langgevelboerderij staat op een perceel met een totale oppervlakte van 6.525 m2. De initiatiefnemer wenst de woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden. Hiervoor is een separate vergunningsaanvraag gedaan. Naast de boerderijsplitsing wordt er bij iedere woning een bijgebouw opgericht van maximaal 150 m2. Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied’, vastgesteld door de voormalige gemeente Veghel op 22 oktober 2015, is de splitsing in twee wooneenheden niet toegestaan en ook de positie van de bijgebouwen wijkt af van het aangegeven bestemmingsvlak voor bijbehorende bouwwerken bij de bestemming wonen. De splitsing van de woonboerderij is op grond van het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen, Laaghangend Fruit’ onder voorwaarden en via een afwijkingsvergunning mogelijk en als zodanig aangevraagd. Voor de bijgebouwen dient het bestemmingsplan te worden herzien. Deze herziening is in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ meegenomen. In dit ‘Ontwikkelplan’ worden diverse ontwikkelingen samengenomen in een gezamenlijk bestemmingsplan. Initiatiefnemer heeft bij de gemeente Meierijstad om principemedewerking gevraagd.

Hierop heeft het college van burgemeester en wethouders bij vergadering van 19 november 2019 besloten onder voorwaarden medewerking te verlenen aan de boerderijsplitsing. De gemeente Meierijstad, heeft besloten om voor initiatieven in het buitengebied te werken met een zogenaamd ‘veegplan’. In een ‘veegplan’ worden diverse ontwikkelingen samengenomen in een gezamenlijk bestemmingsplan. Initiatiefnemer is aangeboden ‘mee te liften met het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’. Het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ is een bestemmingsplan waarin meerdere initiatieven in één plan worden gebundeld. De gemeente stelt het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ zelf op. Er zal een strakke planning worden gehanteerd en de gemeente Meierijstad draagt zelf zorg voor de regels en de verbeelding van het plan. Initiatiefnemer hoeft dan geen wijzigingsplan met regels en verbeelding op te stellen, maar dient een complete ruimtelijke onderbouwing met relevante onderzoeken aan te leveren. Om onderhavige ontwikkeling mee te laten lopen in het ‘Ontwikkelplan Buitengebied’ en juridisch planologisch mogelijk te maken is voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hiermee wordt aangetoond dat het plan in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de gestelde voorwaarden.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft de locatie De Horstjens 12 te Eerde en staat kadastraal bekend als VHL00 - R 803. Het gehele perceel heeft een oppervlakte van 6.525 m2. Het gedeelte van het plangebied dat van bestemming wijzigt (van agrarisch naar wonen) heeft een oppervlakte van circa 765 m2. De ligging en begrenzing van het plangebied is indicatief weergegeven in de figuur 1.1.

Hoofdstuk 1

3

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Maps)

Hoofdstuk 1

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor het plangebied is het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ het geldende juridische kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Veghel op 22 oktober 2015. In dit plan heeft het plangebied de bestemming ‘Wonen’, en is er maximaal één woning toegestaan. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 3’. De volgende gebiedsaanduidingen liggen op het perceel: ‘gebiedsaanduiding – oude akkers’; ‘gebiedsaanduiding – toerisme’; ‘gebiedsaanduiding – reconstructiewetzone – verwevingsgebied 2’; gebiedsaanduiding – vrijwaringszone – molenbiotoop’ en ‘gebiedsaanduiding – vrijwaringszone – radar’. Naast bovengenoemd bestemmingsplan is ook het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan parkeren’, vastgesteld op 31 januari 2019 door gemeente Meierijstad, van kracht. Het 'Paraplubestemmingsplan parkeren' heeft tot doelstelling om voor de bestemmingsplannen van de gemeente Meierijstad, de juridische link te leggen met “geldend parkeerbeleid” waar gemeentelijke parkeernormen onderdeel vanuit maken. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een uniforme regeling voor de toetsing van ruimtelijke ontwikkelingen aan de geldende parkeernormen voor de gehele gemeente Meierijstad.

Figuur 1.2 Uitsnede vigerend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Tevens geldt het bestemmingsplan ‘Harmonisatie van diverse regelingen Laaghangend Fruit’. Dit plan is op 27 januari 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In dit bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor de boerderij splitsing. Hiervoor is een separate vergunningsaanvraag gedaan. Het splitsen van de bestaande woonboerderij is in onderhavig plan als beheersituatie bestemd. Het plan ziet vooral toe op het aanpassen van het bestemmingsvlak wonen om de bijgebouwen planologisch mogelijk te maken.

Hoofdstuk 1

5

2.

PLANBESCHRIJVING 2.1 Huidige situatie Het plangebied ligt in een overgangsgebied tussen de zuidelijk gelegen kern Eerde het open agrarisch gebied aan de noordzijde. In deze zone is sprake van een functiemenging van wonen en agrarische bedrijven. De Horstjens is een oude plattelandsweg waaraan van oudsher enkele boerderijen lagen die onderdeel waren van de kern Eerde.

Figuur 2.1 De woonboerderij in de huidige situatie.

De woonboerderij is oorspronkelijk tot stand gekomen in of omstreeks 1865 en sindsdien meerdere malen verbouwd. De hoofdvorm en het dak met wolfseinden zijn daarbij behouden gebleven. De woonboerderij is ingedeeld in een woongedeelte en een stalgedeelte. De boerderij is een voorbeeld van een agrarisch gebouw op het Brabantse platteland uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Het dak is gedekt met riet met een spiegel van Hollandse pannen over de gehele lengte. In het interieur draagt de aanwezigheid van een kelder met opkamer en vooral de aanwezigheid van de oude buitenmuur en de houten spanten uit de bouwperiode, bij aan de cultuurhistorische waarde. De rieten dakbedekking heeft nogal geleden door de tijd en is plaatselijk zwaar beschadigd. Daarom zijn als tijdelijke maatregel zeilen gespannen.

Hoofdstuk 2

6

2.2 Voorgenomen ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden. De splitsing komt ten goede aan het behoud en herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden. Zo blijft de hoofdvorm van het gebouw behouden. Daarnaast is de zichtbaarheid van het onderscheid tussen woon- en bedrijfsdeel nog niet verloren gegaan, dit zal met de boerderijsplitsing behouden blijven.

Figuur 2.2 Schetsontwerp gewenste situatie voorgevel (bron: Van Hooft Architecten)

Er is op basis van een cultuurhistorische analyse een verbeterplan opgesteld, waarbij concreet is aangegeven welke waarden en elementen bijhouden dan wel versterkt worden. Op basis van dit verbeterplan is een vergunningsaanvraag gedaan voor de boerderijsplitsing. Ter borging en instandhouding van de cultuurhistorische waarde van de boerderij, is in het bestemmingsplan een specifieke aanduiding ‘Karakteristiek’ opgenomen, waarbij regels zijn gesteld aan het aanbrengen van wijzigingen en verbod op sloop. Naast de boerderijsplitsing wordt er bij iedere woning een bijgebouw opgericht van maximaal 150 m2. Hiervoor wordt het bestemmingsvlak voor wonen vergroot. Met de planontwikkeling wordt de bestaande kwaliteit van het gebied benut en verder versterkt.

Figuur 2.3 Landschappelijk inpassingsplan

Hoofdstuk 2

7

De kwaliteitsverbetering is middels een landschappelijk inpassingsplan gevisualiseerd. Figuur 2.3 toont het landschappelijk inpassingsplan en deze is tevens toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Het doel van de landschappelijke inpassing is om de gesplitste boerderij en de bijgebouwen op een logische wijze deel te laten uitmaken van het omliggend agrarisch cultuurlandschap. Een aantal ingrepen zijn onder andere het behoud van inheemse volwassen bomen aan de perceelsgrens en het aanplanten van een hoogstam fruitboomgaard. Er worden nieuwe markante solitaire bomen aangeplant op de hoeken van de percelen. Daarnaast worden er bestaande hagen behouden en nieuwe hagen aangeplant. Met de ingrepen blijft het zicht vanaf de Eerdsebaan op de boerderij behouden. Het landschappelijke inpassingplan is als bijlage bij deze onderbouwing opgenomen.

Hoofdstuk 2

8

3.

BELEIDSTOETS In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor het plan toegelicht en wordt het plan hieraan getoetst. Er is sprake van een doorwerking van beleid dat is vastgesteld op verschillende niveaus van bestuur.

3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Van 20 augustus 2019 tot en met 30 september 2019 heeft de ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ter inzage gelegen. De ontwerp Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen die voor ons liggen. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2023 in werking treedt. Belangrijk uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zodat er in gebieden betere en meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Doorwerking plangebied De verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen. Hierdoor kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Het onderhavige plan omvat geen ontwikkelingen die in strijd zijn met de nationale belangen en waar de NOVI op van invloed is.

Bovendien wordt er naast de boerderijsplitsing voorzien in landschappelijke investeringen en heeft er een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Dit tezamen maakt dat er een betere en meer geïntegreerde ontwikkeling ontstaat. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (vastgesteld op 13 maart 2012) staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk stelt dat een aanpak dient te ontstaan waarmee Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig wordt gemaakt. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een Rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:  een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;  over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;

Hoofdstuk 3

9

een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Het Rijk kiest drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):  het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;  het verbeteren en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;  het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit bovenstaande drie doelen zijn de dertien nationale belangen naar voren gekomen. Deze zijn geografisch weergegeven via de Nationale hoofdstructuur. Het plangebied is niet binnen een van de Nationale hoofdstructuren gelegen. Doorwerking plangebied De SVIR heeft, gezien de aard en de beperkte omvang van het project, geen specifieke betekenis voor dit bestemmingsplan. Het project speelt zich af op lokaal niveau en er zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.

Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Zoals al in voorgaande paragraaf bij de SVIR is aangegeven, is er geen sprake van nationale belangen in het plangebied. Het Barro bevat daarom ook geen kaderstellende uitspraken voor het plangebied. Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of

Hoofdstuk 3

10

zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Doorwerking plangebied Met deze ontwikkeling is sprake van de toevoeging van slechts één woning. Er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘Kwaliteit van Brabant’ Provinciale Staten hebben op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ vastgesteld. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Doorwerking plangebied De beoogde woningbouw heeft geen invloed op de vier opgestelde ambities. Wel moet deze ontwikkeling in lijn zijn met de basisopgave waarin een veilige, gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit centraal staan. In hoofdstuk 4 wordt onderbouwd waarom de beoogde ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op deze drie aspecten en waarom deze aspecten anderzijds geen belemmering vormen voor de ontwikkeling zelf. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat deze omgevingsvisie geen belemmering vormt voor onderhavig plan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim Omgevingsverordening vormt het toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant.

De provincie wil met haar regels aansluiten op de werkwijze van de Omgevingsvisie en de Omgevingswet. Daarom is er gekozen om de verschillende provinciale verordeningen voor de fysieke leefomgeving samen te voegen tot een interim Omgevingsverordening. Het is een ‘interim’ Omgevingsverordening om zo te benadrukken dat dit een tussenstap is naar de ‘definitieve’ omgevingsverordening gebaseerd op de Omgevingswet. De Interim Omgevingsverordening is gebaseerd op de huidige wetgeving en moet aan de wettelijke bepalingen van die wetgeving voldoen. Dat betekent dat nieuwe mogelijkheden uit de 1

O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).

Hoofdstuk 3

11

Omgevingswet en de voorwaarden voor een omgevingsverordening. De Interim Omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, waaronder de Verordening Ruimte 2014. Doorwerking plangebied De planlocatie is in de Interim omgevingsverordening aangeduid als ‘Verstedelijking afweegbaar’, ‘Landelijk gebied’ en ‘Gemengd Landelijk gebied’. Artikel 3.43 afwijkende regels Verstedelijking afweegbaar In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als: a. binnen Stedelijk Gebied feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte beschikbaar is; b. transformatie van cultuurhistorisch waardevol of geschikt leegstaand vastgoed niet tot de mogelijkheden behoort; c. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied geeft aan dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking van artikel 3.68, geeft artikel 3.69 afwijkende regels wonen aan dat een bestemmingsplan kan voorzien in: a.

de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat: 1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. b. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing. c. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat: 1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt; 2. overtollige bebouwing wordt gesloopt. Artikel 3.78 kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties Een bestemmingsplan van toepassing op Verstedelijking afweegbaar kan voorzien in de nieuwvestiging van één of meer woningen als uit een ontwikkelingsvisie blijkt dat: a. de woningen worden opgericht binnen een bebouwingsconcentratie; b. er geen sprake is van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling; c. de nieuwvestiging: 1. bijdraagt aan behoud en ontwikkeling van de omgevingskwaliteit van de bebouwingsconcentratie; 2. gepaard gaat met een fysieke tegenprestatie die in evenredige verhouding staat tot de ontwikkeling van de woningen; 3. is bezien of een ruimte voor ruimte ontwikkeling deel kan uitmaken van de kwaliteitsverbetering. De Interim Omgevingsverordening geeft aan dat alleen een boerderij met cultuurhistorische waarde mag worden gesplitst.

Ten behoeve van de boerderijsplitsing is een cultuurhistorisch waardenrapport

Hoofdstuk 3

12

opgesteld, dit rapport is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Uit dit cultuurhistorische rapport blijkt de woonboerderij een voorbeeld is van een agrarisch gebouw op het Brabantse platteland uit de tweede helft van de negentiende eeuw dat in het laatste kwart van de twintigste eeuw een ingrijpende verbouwing heeft ondergaan. De zichtbaarheid van het onderscheid tussen woon- en bedrijfsdeel is nog niet verloren gegaan en moet bij het aanbrengen van de beoogde splitsing behouden blijven. In het interieur draagt de aanwezigheid van een kelder met opkamer en vooral de aanwezigheid van de oude buitenmuur en de houten spanten uit de bouwperiode, bij aan de cultuurhistorische waarde. Splitsing is denkbaar, waarbij de belangrijke cultuurhistorische waarden behouden worden:  de hoofdvorm van het gebouw: een langwerpige bouwmassa van 1 laag onder zadeldak met wolfseinden;  de zichtbaarheid van het onderscheid tussen oorspronkelijk woon- en bedrijfsdeel;  de raampjes in het voormalige bedrijfsdeel, herkenbaar als stalraampjes;  opkamer en kelder;  de houten spanten, de brandmuur en de binnenschil, zijnde de oorspronkelijke buitenmuur, met allebouwsporen en oude materialen.

Verbetering van de uitstraling kan bereikt worden door het wegnemen van het gebogen glazen afdakje boven de voordeur en het aanbrengen van beweegbare luiken in plaats van de vastgezette luiken die nu zijn aangebracht. Onderhavig plan voorziet in de splitsing van een bestaande, cultuurhistorisch waardevolle woonboerderij. Door toepassing te geven aan het verbeterplan, een aanduiding ‘karakteristiek’ op te nemen met daaraan gekoppeld een verbod/vergunningsplicht op (gedeeltelijke) sloop en structurele verandering van de boerderij en te zorgen voor een goede landschappelijke inpassing (inclusief de instandhouding hiervan), wordt met het plan bijgedragen aan het behoud en herstel van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en het erf waarop deze bebouwing gesitueerd is. Verder kan De Horstjens gezien worden als bebouwingslint en ligt het plangebied volgens de Structuurvisie Veghel 2030 in de ‘250 meter-zone rondom woongebieden’ (zie paragraaf 3.4), waarmee de locatie gezien kan worden als kernrandzone. Derhalve maakt het plangebied onderdeel uit van een bebouwingsconcentratie. Er wordt slechts één wooneenheid mogelijk gemaakt binnen reeds bestaande bebouwing, er is geen sprake van een aanzet voor een stedelijke ontwikkeling.

Middels een landschappelijk inpassingsplan wordt het perceel landschappelijk ingepast in de omgeving waarbij de bestaande waardevolle landschappelijke kwaliteiten en structuren zoveel mogelijk behouden blijven, zie paragraaf 2.2. De uitvoering en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. De ontwikkeling draagt bij aan het behoud en versterking van de omgevingskwaliteit en bebouwingsconcentratie.

3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie Veghel 2030 In de structuurvisie heeft de voormalige gemeente Veghel de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen weer. Het betreft een globale visie, die kaders stelt aan gewenste ontwikkelingen in zowel het stedelijk als landelijk gebied.

Hoofdstuk 3

13

Doorwerking plangebied In de structuurvisie zijn verschillende visiekaarten opgenomen. Voor de beoogde ontwikkeling zijn de kaarten ‘Visiekaart Wonen’ en ‘Visiekaart 2030’ van belang. Visiekaart 2030 In de Gebiedsvisie Buitengebied in Ontwikkeling zijn bepaalde landschapswaarden/ruimtelijke kenmerken voor locaties opgenomen. Deze zijn ook in de Visiekaart 2030 van de Structuurvisie Veghel 2030 overgenomen. In deze Visiekaart 2030 is het plangebied aangeduid als ontwikkelgebied voor een afwisselend Veghels mozaïek.

Figuur 3.1 Uitsnede Visiekaart 2030

Het Veghels mozaïek kenmerkt zich door een combinatie van functies, waarbij sprake is van clusters in het landschap. De kwaliteit van dit gebied ligt in het evenwicht tussen het open, kleinschalige landschap, de groenblauwe structuur en de bebouwde clusters. Het is mogelijk om een van deze kernpunten verder uit te breiden. Dit dient wel integraal te gebeuren, met oog voor het kenmerkende evenwicht. Met voorgestane ontwikkeling wordt een woning toegevoegd in een reeds bestaande woonboerderij, dit is een aanvulling op een bestaande wooncluster. Dit is in principe mogelijk binnen de structuurvisie. Wel dient hierbij aandacht besteed te worden aan de groenblauwe structuur en het open landschap. Dit wordt geborgd middels een landschappelijk inpassingsplan. Visiekaart wonen In de Visiekaart Wonen is het plangebied aangeduid als 250-meter zone rondom woongebieden. Het ligt op de grens van een bestaand woongebied met dorpse kwaliteiten (Eerde). Deze zone stelt beperkingen aan ontwikkelingen van intensieve veehouderijen en legt geen beperkingen aan onderhavig initiatief.

Hoofdstuk 3

14

Figuur 3.2 Uitsnede Visiekaart Wonen

Woonvisie Meierijstad De gemeente Meierijstad heeft een Woonvisie opgesteld (vastgesteld op 5-7-2018). Met deze visie wordt meer houvast geboden voor het analyseren van knelpunten en het benutten van mogelijkheden. De visie is opgebouwd uit vier verschillende thema’s met elk een eigen ambitie. Zo wordt er ingespeeld op de dynamiek van de woningmarkt en is er aandacht voor belangrijke trends zoals duurzaamheid, zorg en welzijn, en de leefbaarheid. De dynamiek van de woningmarkt De woningmarkt is in beweging en het is van belang dat bouwplannen hier zoveel mogelijk op inspelen zodat aan de woonwensen van de inwoners wordt voldaan. Hierbij wordt een toename verwacht van de woningbehoefte in de gemeente tot aan 2030. Deze demografische ontwikkelingen leiden tot een veranderende woningbehoefte. Omdat de meeste woningen er al staan kijkt de gemeente kritisch naar de woningen die aan de woningvoorraad toegevoegd worden. Duurzaamheid De gemeente Meierijstad wil in 2050 energieneutraal zijn. Deze duurzame ambitie is doorvertaald in een duurzame woonvisie. Niet alleen dient er sprake te zijn van een duurzame stedelijke ontwikkeling, de woning zelf dient ook duurzaam te zijn. Hierbij dient bijvoorbeeld gekeken te worden naar de mogelijkheden voor aardgasloos bouwen, isolatie en een duurzaam gebruik van grondstoffen.

Doorwerking plangebied Onderhavig plan voorziet in het mogelijk maken van een boerderijsplitsing waardoor er één wooneenheid bij komt. Met de splitsing wordt bijgedragen aan de woonwensen van initiatiefnemer. Daarnaast wordt er rekening gehouden met de duurzame wensen van de gemeente Meierijstad. Zo zal de woning zoveel mogelijk energieneutraal, minimaal bijna energieneutraal (BENG), gebouwd worden. Hiermee is het plan in lijn met de Woonvisie Meierijstad.

Hoofdstuk 3

15

4.

MILIEUHYGIENSCHE EN PLANOLOGISCHE VERANTWOORDING In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald en wordt het plan hieraan getoetst.

4.1 M.e.r.-beoordeling In een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet de gemeente beoordelen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor activiteiten die zijn opgenomen in het Besluit m.e.r. bijlage D. Voor deze activiteiten bepaalt het bevoegd gezag of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen milieueffectrapportage noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Doorwerking plangebied In het Besluit m.e.r. worden woningen als onderdeel van de activiteit stedelijk ontwikkelingsproject genoemd (categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.). De vraag is of de bouw van één woning gezien moet worden als stedelijk ontwikkelingsproject.

Volgens de Raad van State (zie uitspraak 201609536/1/A1) is het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het toevoegen van één woning kan dus wel degelijk m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezien de aard van de plannen zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of Natuurnetwerk Nederland redelijkerwijs uitgesloten. Dit maakt dat het toevoegen van een woning niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingstraject in de zin van categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Hoofdstuk 4

16

Archeologie De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. Doorwerking plangebied Ter plaatse van het plangebied is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 3’ opgenomen. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden. Een archeologisch onderzoek is noodzakelijk voor de bouw van bouwwerken groter dan 250 m 2 en waarbij grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,3 meter ten opzichte van het maaiveld. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bestaande woonboerderij gesplitst in twee wooneenheden. Daarnaast kunnen er bijgebouwen opgericht worden. Individueel kunnen deze bijgebouwen niet groter worden dan 150 m2. Al met al zijn er geen bouwwerken met een oppervlakte groter dan 250 m 2 voorzien. Derhalve is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de boerderijsplitsing. Wel zal de dubbelbestemming gehandhaafd blijven ter bescherming van het archeologische bodemarchief mochten er in de toekomst toch bodemingrepen verricht gaan worden die mogelijk archeologie-bedreigend zouden zijn. Daarnaast is er sprake van een meldingsplicht voor toevalsvondsten. Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied Onderhavig planvoornemen doet geen afbreuk aan waarden en kenmerken van de omgeving. Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig. De ontwikkelingen in het plangebied doen geen afbreuk aan omliggende cultuurhistorisch en geografisch waardevolle panden en lijnen.

De omliggende wegenstructuren wordt niet veranderd. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorie in de omgeving. In het vigerende bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen dat een bestaande boerderij gesplitst mag worden mits er op basis van onafhankelijk deskundigenadvies aangetoond is dat de boerderij cultuurhistorisch waardevol is. Derhalve is door Cuijpers advies een cultuurhistorisch onderzoek gedaan voor De Horstjens 12. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 6.

Hoofdstuk 4

17

De boerderij is oorspronkelijk tot stand gekomen in of omstreeks 1865 en sindsdien meerdere malen verbouwd. De hoofdvorm en het dak met wolfseinden bleven daarbij behouden. Het gebouw werd omringd door een halfsteensmuur van moderne stenen. De details in het metselwerk werden opnieuw uitgevoerd, waardoor de boerderij van een afstand authentiek oogt. De woonboerderij bezit een zekere cultuurhistorische waarde doordat binnen de moderne schil de oude boerderij grotendeels bewaard is gebleven. Verder is er sprake van een aantrekkelijke historisch-landschappelijke setting. Het object komt daardoor in principe voor splitsing in aanmerking. Splitsing dient wel ten goede te komen aan het behoud en/of herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden. De zichtbaarheid van het onderscheid tussen woon- en bedrijfsdeel is nog niet verloren gegaan en moet bij het aanbrengen van de beoogde splitsing behouden blijven. In het interieur draagt de aanwezigheid van een kelder met opkamer en vooral de aanwezigheid van de oude buitenmuur en de houten spanten uit de bouwperiode, bij aan de cultuurhistorische waarde. Het plan tot splitsing en aanpassing van het erf waarbij ook de positie, vormgeving en maatvoering van de bijgebouwen is getoond, is ingediend en voorgelegd aan de gecombineerde welstands- en monumentencommissie (d.d. 9 september 2021).

De commissie heeft geoordeeld dat het verbeterplan ten goede komt aan het behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden. Het voorlopig ontwerp is als bijlage 7 bij onderhavige onderbouwing gevoegd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt er finaal getoetst op de cultuurhistorische waarden en het in stand houden hiervan. In het bestemmingsplan wordt daartoe de aanduiding ‘karakteristiek’ opgenomen, waarbij regels ter verbetering, instandhouding van karakteristieke elementen en details alsmede een sloopverbod zijn opgenomen. Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

4.3 Flora en Fauna De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Doorwerking plangebied De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gezien de geruime afstand tot een Natura 2000-gebied, van ruim 13 kilometer is een toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied redelijkerwijs niet aan de orde, waardoor een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Dit komt overeen met de publicatie van de Rijksoverheid “Handreiking woningbouw en AERIUS” (januari 2020).

Hierin staat vermeldt dat voor zowel de aanleg als het gebruik van tot 50 woningen op minimaal 7 kilometer afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied de toename aan stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/j be-

Hoofdstuk 4

18

treft. Gezien het hier een boerderijsplitsing betreft op meer dan 7 kilometer afstand van een Natura2000-gebied is een toename op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn daarmee uitgesloten. De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Er worden geen bestaande bomen en struiken verwijderd. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is bij dit plan niet aan de orde. De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.

De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:  Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming)  Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet natuurbescherming)  Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. In het kader van het bewonen van een bestaande woonboerderij zal nader bezien worden of er sprake is van beschermde soorten. Er zal in ieder geval gehandeld worden volgens de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Met inachtneming van deze zorgplicht, wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

4.4 Waterparagraaf Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Beleidskader Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Aa en Maas. De doelen van het waterschap voor de periode van 2016 tot 2021 staan beschreven in het waterbeheerplan. Het waterbeheerplan maakt inzichtelijk wat Waterschap Aa en Maas in de planperiode van zes jaar gaat doen. Het doel is om het watersysteem en de afvalwaterketen op orde te houden. Het beheer van water door het waterschap bepaalt mede dat mensen en dieren in Noordoost Brabant leven in een veilige, schone en prettige omgeving. Het plan betreft geen grote koerswijziging ten opzichte van het Waterbeheerplan 20102015. Voornamelijk de punten waterveiligheid en waterkwaliteit worden verder geaccentueerd. Strengere eisen worden gesteld aan de dijken langs de Maas om veiligheid van de omgeving beter te waarborgen. Daarnaast is de kwaliteit van het oppervlaktewater een punt van aandacht. Naast de grote hoeveelheid voedingsstoffen, zijn nieuwe stoffen als medicijnresten, drugs(afval) en resistente bacteriën een probleem.

Hoofdstuk 4

19

Met het waterbeleid streeft Waterschap Aa en Maas naar:  Veilig en bewoonbaar gebied Investeren in het verbeteren van dijken zodat de veiligheid tegen overstromingen blijft gewaarborgd. Hiervoor verbetert het waterschap de vijf kilometer primaire waterkering en vijf waterkerende kunstwerken die niet aan de norm voldoen. Daarnaast streeft het waterschap ernaar de grootste knelpunten van wateroverlast op te lossen.  Voldoende water en robuust watersysteem Het waterschap wil in dit kader de baggerachterstand verder wegwerken, de knelpunten in agrarisch gebied oplossen door inrichtings- en beheermaatregelen en het aanpakken van de verdroging van natuurgebieden.  Gezond en schoon water Doelstellingen op dit punt betreffen het verbeteren van (mogelijk) verontreinigde waterbodems en het afvalwater zo goed mogelijk en tegen zo laag mogelijke kosten te blijven zuiveren. Hiertoe zal de samenwerking met gemeenten in de waterketen verder worden verbeterd. Tot slot blijft het waterschap initiatieven, om diffuse verontreinigingen terug te dringen, stimuleren.  Natuurlijk water De doelstelling is onder ander om 30 kilometer beek herstellen en 120 kilometer ecologische verbindingszones aan te leggen samen met gemeenten en terreinbeheerders. Samen met de gemeenten wil de belangrijkste knelpunten in stedelijk gebied aanpakken, zoals blauwalgen en waterstank.

Er geldt de Keur van de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta. De regels in de Keur hebben betrekking op het lozen, afvoeren, onttrekken of aanvoeren van grondwater en water uit sloten en andere watergangen. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Meestal is een vergunning noodzakelijk. In sommige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de Algemene regels. Het waterschap maakt bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Voor plannen met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 500 m2, groene daken en afkoppelplannen kleiner dan 10.000 m², geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. De gemeente Meierijstad, waterschap De Dommel en waterschap Aa en Maas hebben gezamenlijk een Waterplan opgesteld. Het is een functioneel beleidsdocument, waarin de gewenste toekomstige situatie is beschreven en verbeeld in acht streefbeelden op strategisch/tactisch niveau:  Het watersysteem zo natuurlijk mogelijk laten functioneren zonder technische maatregelen.

Water voor natuurdoelstellingen, waterconservering, berging van water;  Overtollig water bovenstrooms vasthouden, water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs waterlopen, als het echt niet anders kan pas afvoeren;  Zelfreinigend vermogen toegenomen, weinig verontreinigingsbronnen (geen maaswater, geen chemische onkruidbestrijding, gescheiden rioleringssysteem;  Zo min mogelijk vermenging van schoon en afvalwater;  Waterlopen als ecologische verbindingszone, natuurvriendelijke oevers, struweel, ruigtekruiden, poelen en bergingsvijvers in het stedelijk gebied ingericht als ecologische verbindingszone. Wel toegankelijk met een recreatieve functie;  Het aanleggen van retentiegebieden om piekafvoeren op te kunnen vangen. Grondwateroverlast komt niet meer voor;  De natuurlijke aanwezigheid van water wordt gerespecteerd en is waar mogelijk benadrukt;  De huidige en toekomstige inwoners zijn actief bij het water in hun wijk en de omgeving betrokken.

Hoofdstuk 4

20

Doorwerking plangebied Er wordt een woning toegevoegd op een bestaande woonbestemming in een bestaand pand. Hiermee neemt de totale oppervlakte verharding ten opzichte van de bestaande situatie niet toe. Wel voorziet het plan in de mogelijkheid voor het toevoegen van twee bijgebouwen van elk maximaal 150 m². Omdat er bij onderhavige sprake is van een klein plan met een bijkomend verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m2 geldt vanuit het waterschap een vrijstelling tot realisatie van compensatie. Het gemeentelijk beleid verplicht echter een hemelwaterneutrale ontwikkeling en dus is hemelwaterverwerking ter plaatse verplicht. Er is op eigen terrein voldoende ruimte voor waterberging. Voor aansluiting op het riool wordt een aanvraag ingediend bij de gemeente Meierijstad. Hier mag alleen vuil water op aangesloten worden. Ter plaatse is een drukrioleringssysteem aanwezig. Afvoer van regenwater naar een drukrioolsysteem is niet mogelijk. Het afstromende regenwater vanaf verhardingen zal op eigen terrein verwerkt moeten worden. Op eigen terrein is voldoende ruimte beschikbaar voor de aanleg van waterbergende voorzieningen zoals een wadi, greppel of het plaatsen van een regenton. Indien nodig zal in overleg met het waterschap afvoer plaatsvinden op omliggende sloten. Aan de oostzijde van het plangebied grenst een A-watergang.

Dergelijke watergangen hebben een beschermingszone van 5 meter aan weerszijden. Binnen deze zone mogen geen obstakels zoals bouwwerken, hekwerken en beplanting, geplaatst worden. Bij de plannen voor de aan te planten fruitboomgaard aan de noordoostzijde van het perceel is rekening gehouden met deze beschermingszone.

4.5 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Doorwerking plangebied Er wordt een woning toegevoegd op een bestaande woonbestemming in een bestaand pand. Het gebruik wordt door de splitsing van de boerderij niet gevoeliger. Voor dit gedeelte van het plangebied is een bodemonderzoek dan ook niet noodzakelijk. De locatie is momenteel al in gebruik als woning, zonder dat er bodemvervuilende activiteiten of functies hebben plaatsgevonden danwel aanwezig zijn geweest. Waardoor er geen bodemverontreiniging wordt verwacht. Onderhavige locatie betreft een woonboerderij wat vroeger de bedrijfswoning was bij een agrarisch bedrijf.

De opstallen van dit bedrijf waren gevestigd op andere percelen die al eerder zijn omgezet naar wonen en reeds bebouwd zijn. Voor deze gronden is destijds bodemonderzoek uitgevoerd. Voor wat betreft de realisatie van de twee bijgebouwen verandert de bestemming van ‘Agrarisch met Waar-

Hoofdstuk 4

21

den’ naar ‘Wonen’. Hier is wel sprake van een gevoeliger gebruik. De agrarische gronden van de locatie zijn in gebruik geweest als boomgaard en als landbouwgrond. Het is niet ondenkbaar dat er gebruik is gemaakt van persistente bestrijdingsmiddelen. Derhalve is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. In deze toelichting staan de belangrijkste conclusies, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van het vooronderzoek is in overleg met en met goedkeuring van de Omgevingsdienst Brabant Noord, bepaald dat de locatie beschouwd wordt als een verdacht locatie voor aanwezigheid van persistente bestrijdingsmiddelen, waarbij de bodemlaag tot 0,3 m-mv conform strategie VED-HE wordt onderzocht. Conclusie In de mengmonsters van de visueel schone bovengrond (BG1, BG2 en BG3) zijn geen gehaltes aan OCB’s gemeten boven de achtergrondwaarden. De resultaten van het onderzoek stemmen niet overeen met de hypothese ‘verdacht’. De bovengrond tot 0,30 m-mv is niet verontreinigd met bestrijdingsmiddelen. De resultaten vormen geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksstrategie. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde boerderijsplitsing en oprichting van bijgebouwen. De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar.

Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient men rekening te houden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.6 (Ondergrondse) Infrastructuur In de ondergrond zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarvoor een planologisch beschermingsregime van toepassing is. De ontwikkelingen vinden volledig plaats op eigen terrein, waar geen kabels en leidingen van derden zijn gelegen. Ook vanuit het aspect kabels en leidingen in de ondergrond is er geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 2. In de publicatie is een lijst opgenomen met 2

‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.

Hoofdstuk 4

22

bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Doorwerking plangebied Op circa 330 meter ten oosten van het plangebied is een intensieve melkrundveehouderij gelegen. Voor een dergelijke veehouderij geldt een richtafstand van 50 meter buiten de bebouwde kom, waar ruim aan wordt voldaan. Op circa 195 meter van het plangebied is een nutsbedrijf gelegen en op 585 meter ten westen van het plangebied is een houthandel gelegen. Vanwege de afstand tot het plangebied hebben deze bedrijven geen negatieve effecten op onderhavige ontwikkeling. Daarnaast zijn er tussen het plangebied en de bedrijven al andere gevoelige objecten (woningen) gelegen, waardoor onderhavige ontwikkeling geen beperkingen zal opleveren voor de bedrijven in de omgeving en waardoor aangenomen kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van het plangebied. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.8 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wvg) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd. De Wgv vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven, de wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Doorwerking plangebied Bij de ontwikkeling van een woning is sprake van een geurgevoelig object. Derhalve dient gekeken te worden naar de geurhinder veroorzaakt door omliggende veehouderijen. De geurhinder wordt bepaald

Hoofdstuk 4

23

op basis van de achtergrondbelasting en de voorgrondbelasting. Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij die de meeste geurbelasting op een voor geurhinder gevoelig object veroorzaakt. De achtergrondbelasting wordt veroorzaakt door alle veehouderijen die rondom een geurgevoelig object zijn gelegen. De achtergrondbelasting is een goede maat om de effecten van geurhinder op het woon- en leefmilieu te kunnen beoordelen. De voorgrondbelasting komt in dit geval niet voor, er is namelijk geen geurgevoelig object wat een dominante geurbelasting heeft op de woonboerderij. Ten behoeve van de achtergrondbelasting is nader onderzoek gedaan door De Roever Omgevingsadvies. In deze toelichting staan de belangrijkste conclusies, voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. In de omgeving van het plangebied liggen veehouderijen. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle veehouderijen binnen een straal van twee kilometer van het plangebied betrokken. Op basis van Web-BVB van de provincie Noord-Brabant3 zijn de relevante veehouderijen geselecteerd en zijn de totale geuremissie en de overige (algemene) parameters voor de geurberekeningen bepaald. De achtergrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks Gebied. De hoogst berekende geurbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt ongeveer 1,1 ouE/m3.

Dit komt overeen met een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Ten aanzien van de achtergrondbelasting kan worden gesteld dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting vormt geen belemmering voor het plan.

4.9 Akoestiek In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van:  wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen;  wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Doorwerking plangebied Met onderhavige ontwikkeling wordt een woning mogelijk gemaakt aan De Horstjens in Eerde. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Eerdsebaan en De Horstjens. Door K+ Adviesgroep is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies genoemd, voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Eerdsebaan  De maximale grenswaarde wordt overschreden aan de zuidgevel op zowel 1,5 en 4,5 meter boven maaiveld. De geluidbelasting is hier maximaal 58 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh).  Ter plaatse van de begane grond wordt aan deze zijde een inpandige geluidsluis voorzien ter plaatse van de tuindeuren. Op de eerste verdieping bevinden zich alleen niet geluidgevoelige ruimten en dit wordt in het bestemmingsplan als zodanig vastgelegd.

Met deze maatregelen en indeling is gewaarborgd dat de gevel als ‘doof’ wordt uitgevoerd ter plaatse van verblijfsruimten. 3

https://bvb.brabant.nl/webbvb

Hoofdstuk 4

24

 

Bij waarneempunt 1 (westgevel) wordt de voorkeursgrenswaarde wel, maar niet de maximale ontheffingswaarde, overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de Eerdsebaan is dan maximaal 53 dB (incl. aftrek art. 110g Wgh). Bij de gemeente Meierijstad wordt een verzoek ingediend voor het verlenen van een hogere waarde. In de voorliggende situatie kan als ontheffingscriterium worden aangedragen dat het een omzetting betreft van een stal naar woonfunctie, in hetzelfde gebouw is al een woonfunctie gelegen. Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. De kosten voor dergelijke maatregelen zijn zeer hoog en stuiten daarmee op bezwaren van financiële aard. Het aanbrengen van een stiller wegdek om de geluidbelasting ten gevolge van de N622 Eerdsebaan terug te dringen is uit het oogpunt van praktische uitvoerbaarheid, beheer en onderhoud niet wenselijk. Indien een hogere waarde wordt vastgesteld, kan de gemeente aan deze ontheffing aanvullende voorwaarden stellen. Dit kan betekenen dat het bouwplan dient te beschikken over ten minste één geluidluwe gevel. Hieronder wordt veelal verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor elk van de te onderscheiden geluidbronnen. Ter plaatse van waarneempunt 3 (noordgevel) ligt de optredende geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde.

Conform Bouwbesluit worden in deze situatie eisen gesteld aan de minimale gevelgeluidwering. Wanneer een hogere waarde wordt verleend, moet voor de nieuwe woning worden aangetoond welke geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan het gestelde in Afdeling 3.1 van het Bouwbesluit. De minimaal vereiste geluidwering is het verschil in geluidbelasting (zonder aftrek artikel110g Wgh) en 33 dB. In het rapport is de benodigde karakteristieke geluidwering weergegeven.

De Horstjens De geluidbelasting ten gevolge van deze weg is maximaal 48 dB, incl. aftrek artikel 110g. De waarde ligt onder de voorkeursgrenswaarde waardoor geen hogere waarde ten aanzien van deze weg hoeft te worden aangevraagd. De Wet geluidhinder legt ten gevolge van deze weg geen restricties op aan het plan.

4.10 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;  het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=d57a25e4-f901-4baf-aa7d-844047c08756