CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

C3b Agrarische visie ZLTO de Meierij december 2020.pdf

Raadsvergadering 1 april 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Brieven van inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven14.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Kosten en tijd voor het omzetten van een functie, spelen een zeer belangrijke rol. Als die kosten te hoog zijn, zoals bij een buitenplans plan, en de doorlooptijd lang, is de verleiding groot om dan maar illegaal activiteiten op te starten of om helemaal niets te doen. Procedurekosten laag houden is dus in het belang van een vitaal buitengebied. We willen er voor pleiten om bij relatief kleine ontwikkelingen, met een geringe impact op de omgeving, de procedurekosten laag te houden en dit binnen het bestemmingsplan zelf dus te regelen. Het doorlopen van het hele afwegingskader, zoals op bladzijde 41 wordt geschetst, is dan niet nodig. We zijn tevens van mening dat de financiële gevolgen voor de aanvullende kwaliteitsprestaties ook in verhouding dienen te staan met de te verwachten opbrengsten van nieuwe activiteiten. Verder zijn we van mening dat woningbouw in het kader van bedrijfsontwikkeling voor blijvers kritisch beoordeeld moet worden, maar verstening van het buitengebied juist minder wordt en leefbaarheid toeneemt als er huizen gebouwd kunnen worden en daardoor stallen gesloopt worden. Naar aanleiding van de tekst: Bij de beschrijving van aard en omvang op bladzijde 9 wordt benoemd, wat er aan m2 vrij komt. Herbestemming is duidelijk. Maar de functies “leeg” of “wonen” zijn niet duidelijk.

Staat in de praktijk de woonfunctie ook leeg of staan alleen de gebouwen die erachter staan leeg? Dat maakt nogal uit voor wat je er mee wilt. Bij de aanbevelingen in paragraaf 2.3 missen we de aanbeveling voor het behouden van een goede landbouwstructuur. Er stoppen veel bedrijven, maar er zijn er ook genoeg die doorgaan. Blijf ervoor zorgen dat deze ook toekomstperspectief houden.

20

In dit kader kan ook gekeken worden naar mogelijkheden tot het verplaatsen van bedrijven, die voor doorontwikkeling ongunstig gelegen zijn, naar gunstiger gelegen locaties, die vrijkomen. Door als gemeente dergelijke ontwikkelingen te faciliteren, kan een win-win-win situatie gecreëerd worden! Op bladzijde 15 staat “Wij benadrukken dat het binnen 1 bouwperceel wel mogelijk is dat er meerdere bedrijven gevestigd zijn...”. Bij multifunctionele landbouw willen we dat de kapstok multifunctioneel bedrijf is en dat er meerdere activiteiten onder kunnen vallen. Zo zou je dat hier ook kunnen doen. Dat lijkt ons een betere werkwijze. Het kaartje met de gebiedstypologie verbaast ons enigszins. Beperkingen in milieucategorie en het onderscheid tussen bebouwingsconcentraties en overig buitengebied, worden losgelaten. Motivatie uit de notitie: “Het toepassen van een kwalitatieve beoordeling in plaats van de kwantitatieve beoordeling betekent dat er in principe geen beperking in milieucategorie nodig is. De aanvaardbaarheid hangt af van de (directe) omgeving.” (citaat blz. 24) resp. “Uitgangspunt van het onderhavige rapport is de maatwerkbenadering. Dit betekent dat we per bedrijfslocatie een individuele afweging maken. Het is daarom niet evident om een onderscheid aan te brengen. Vandaar dat de begrenzing van de bebouwingsconcentraties wordt losgelaten.” (citaat blz.

25) Een gebiedstypologie, die niet open staat voor inspraak, waarvan de begrenzing grof is en de gevolgen voor ontwikkelmogelijkheden slechts summier beschreven zijn, geeft het risico om een eigen leven te gaan leiden, met verregaande beperkingen. Omdat er per bedrijfslocatie een individuele afweging wordt gemaakt (maatwerk), voegt een gebiedstypologie ons inziens niets toe. Tevens lijkt deze juridisch niet sterk, als er geen inspraak mogelijk is en consequenties van de indeling in een bepaalde typologie onduidelijk zijn. Op bladzijde 22, onder het kopje Wonen staat: “Voor het buitengebied wordt een beperkt aantal woningen gereserveerd. Er wordt, zo veel als mogelijk, gestuurd op andere oplossingen dan woningbouw.” Dit lijkt ons in deze tijden van woningnood een vreemd uitgangspunt. Juist omdat veel stoppende bedrijven deze mogelijkheid ambiëren. Gelukkig staat verderop op bladzijde 34 actiepunt 4 benoemd: “Starten onderzoek naar het opzetten van een gemeentelijke ruimte-voor-ruimte regeling waarbij een koppeling wordt gelegd met de gemeentelijke woonvisie. Dit kan eventueel ook in samenspraak met de Ruimte-voor-Ruimte ontwikkelingsmaatschappij.” In het kader van dit actiepunt lijkt het ons goed de opmerking op bladzijde 22 te schrappen.

In paragraaf 5.2.1 op bladzijde 24 staat onder het kopje Agrarisch: “Het gebiedstype ‘agrarisch’ wordt gekenmerkt door een concentratie van (intensieve) veehouderijen.” Ons inziens moeten niet alleen veehouderij-bedrijven voorop staan maar alle agrarische bedrijven (dus ook plantaardig). In paragraaf 5.4 worden de randvoorwaarden uitgewerkt. Hierbij hebben we enkele opmerkingen: Bij de Randvoorwaarden vanuit de (directe) omgeving, wordt op pagina 26 onder punt b benoemd “De ontwikkeling mag geen belemmering opleveren voor omliggende agrarische bedrijven en voor de doorontwikkeling van agrarische bedrijven”. U zult begrijpen dat dit voor ons een zeer belangrijk punt is. Bij de uitwerking van dit punt op bladzijde 27 staan echter vooral de bestaande beperkingen voor doorontwikkeling benoemd, zelfs spuitzones, die geen beperking in de zin van ruimtelijke ordening geven. Laten we niet teveel vooraf kijken naar beperkingen voor doorontwikkeling, maar optimaal ruimte houden voor mogelijkheden tot doorontwikkeling van blijvende agrarische bedrijven! Bij Randvoorwaarden op locatieniveau, wordt op bladzijde 26 onder c gesteld: “Er moet een (functionele) koppeling blijven tussen de woning en het nieuwe bedrijf”. Op bladzijde 28 wordt dit als volgt toegelicht: “Dat betekent dat degene die het bedrijf heeft, ook in de woning woont.

21

De bedrijfswoning mag niet verkocht of verhuurd worden aan derden en/of voorzien worden van een eigen bestemming. Er bestaat geen recht op een extra (bedrijfs)woning, ook niet als de bedrijfsbebouwing toch is of wordt vervreemd.” Ons is onduidelijk in hoeverre dit strijdig is met de provinciale Rood voor Rood regeling en de te ontwikkelen gemeentelijke Rood voor Rood regeling. Wij vinden de voorgestelde omschrijving te beperkt. In hoofdstuk 6 worden de kwaliteitsimpulsen beschreven. Bij de aanvullende kwaliteitsprestaties staat op bladzijde 33 “In dat geval zal de grondwaarde-vermeerdering basis zijn voor de uit te voeren aanvullende kwaliteitsprestatie.” Op bladzijde 34 staat in het kader van sloop genoemd, dat het bij agrariërs vaak ontbreekt aan financiële middelen, omdat eventuele opbrengsten uit de waardevermeerdering door de bestemmingswijziging pas vrijkomen bij een verkoop van de locatie. We vinden om dezelfde reden ook dat de financiële gevolgen voor de aanvullende kwaliteitsprestaties ook in verhouding dienen te staan met de te verwachten opbrengsten van nieuwe activiteiten. Als er met de nieuwe bestemming relatief weinig te verdienen valt, dan kan dat initiatief ook slechts beperkt bijdragen aan een kwaliteitsimpuls. Dat geldt zeker voor activiteiten waarbij de impact laag is. Span wat dat betreft het paard niet achter de wagen.

In paragraaf 6.3 staat “Sloop als kwaliteitsimpuls” beschreven. We vragen ons af in hoeverre de huidige regelgeving met betrekking tot staldering hierin is meegenomen. Zo staat er onder andere: “Leegstand van stallen en schuren leidt, zoals uit hoofdstuk 2 is gebleken, tot ongewenste situaties. In de wetenschap dat nieuwbouw van stallen op de overblijvende agrarische bedrijven gewoon doorgaat, groeit het besef dat een verdere verstening in het buitengebied de kwaliteit van de open ruimte onder druk zet.” Deze aanname is ons inziens onjuist. Zeker in het kader van staldering en alle bestaande regelgeving voor uitbreiding is er geen groei van bebouwing op de overblijvende agrarische bedrijven, maar juist een afname! We willen dat deze zinssnede verwijderd, dan wel aangepast wordt. In hoofdstuk 7 wordt onder andere gesteld: “Voor de beoordeling van herontwikkelingsinitiatieven wordt een interne werkgroep in het leven geroepen. Deze werkgroep bestaat uit specialisten uit de relevante disciplines, zodat er een integrale afweging kan plaatsvinden.” (bladzijde 40). We willen als ZLTO betrokken worden bij de interne werkgroep en regelmatig overleg voeren met deze werkgroep. Wij zijn blij met de genoemde actiepunten.

Als belangenbehartiger van de grootste belanghebbende in het buitengebied, de agrariërs, willen wij in nauw overleg blijven met de gemeente om tot een succesvol eindresultaat te komen. We verwachten met inbreng van onze reactie een bijdrage te hebben geleverd aan verbetering van het rapport 'Kansen voor Kwaliteit'. Graag gaan wij met u in overleg over hierboven genoemde kritische opmerkingen en horen in welke vorm en op welke termijn dit plaats kan gaan vinden. U kunt ons eenvoudig via de mail benaderen. ZLTO afdeling de Meierij

22

Bijlage IV: inspraaknotitie Energie uit Zon en Wind CONCEPT INSPRAAKNOTITIE ENERGIE UIT ZON EN WIND Met belangstelling hebben we kennis genomen van uw beleidsvoorstel met betrekking tot opwekking van energie in Meierijstad. Zoals u wellicht kunt begrijpen baart het ons zorgen dat de plannen ruim 900 ha van de gronden van Meierijstad betreffen. Meierijstad is 18.000 ha groot, dus 5% van de totale oppervlakte van Meierijstad zal een functiewijziging voor tenminste 25 jaar ondergaan. Voor een groot deel zal dit nu agrarisch bestemd zijn. Dan gaat dit naar schatting om zo'n 10% van alle landbouwgrond in Meierijstad. En dat terwijl er ook al grondhonger is voor onder andere woningbouw, natuur en ontwikkeling van industriële bedrijven. Het is voor ons als agrarische sector frustrerend dat energiedoelen op deze manier zo leidend worden in de vaststelling van de notitie Vitaal Buitengebied, waar ons inziens ook andere afwegingen een rol zouden moeten spelen. Bij de uitwerking van Vitaal Buitengebied, is aangegeven dat eerst een landschapsanalyse zou plaatsvinden, die voor de verschillende kwaliteitskaders verder uitgewerkt zouden worden. Het kwaliteitskader " zon en wind in Meierijstad " is een onderdeel van "Vitaal Buitengebied ", zoals ook altijd is aangegeven. Dit moet dan ook een onderdeel blijven van een geheel en niet afzonderlijk worden vastgesteld.

Als dit nu toch wordt vastgesteld, is de impact mogelijk zo groot, dat het sterk bepalend gaat worden bij de verdere uitwerking van Vitaal Buitengebied. Het is ons inziens daarom belangrijk eerst duidelijk te hebben welke toekomst visie we hebben voor een Vitaal Buitengebied, met een duurzame land- en tuinbouw in Meierijstad als belangrijke drager van dit gebied. Dit is voor langer dan 25 jaar, daar zou toch de eerste prioriteit moeten liggen! In Vitaal Buitengebied moet een integrale afweging gemaakt zijn over alle zaken, die ons buitengebied betreffen. Zo moeten bijvoorbeeld ook VABlocaties integraal herbestemd worden, waarbij ook mogelijkheden tot bedrijfsverplaatsing en herontwikkeling onderdeel van de overweging kunnen zijn. En wat te denken van de versnippering van het landschap en aantasting van de landschapskwaliteit? Voor onder andere stoppende bedrijven passen de inkomsten van een zonnepark wellicht binnen de functieverandering. Voor blijvers kan het een welkome aanvulling op het inkomen zijn.

Maar wat gebeurt er als ook (buitenlandse) investerings-partijen zich hierdoor gaan begeven op de toch al krappe grondmarkt? Een afname van zo'n aanzienlijk deel van de beschikbare landbouwgrond zal voor elk agrarisch en aanverwant bedrijf gevolgen hebben, vooral ook daar waar de eisen ten aanzien van kringlooplandbouw, grondgebondenheid en verdere natuurontwikkeling verder aangescherpt gaan worden. Zo wordt de druk op landbouwgrond verder opgevoerd, zonder de gevolgen goed inzichtelijk te hebben. In de presentatie van RES is er een lineaire lijn gezet naar de streefdatum van 2050. Op deze manier worden innovaties in energiewinning, die binnen afzienbare tijd te verwachten zijn en een versnelling in het bereiken van de doelen zullen initiëren, niet meegenomen en zelfs buiten spel gezet. Tegen de tijd dat de innovaties er zijn is namelijk al geïnvesteerd in minder efficiënte en gewenste methodes.

23

Tevens maken wij ons zorgen over de gevolgen van zonneparken voor diverse andere problematieken: − biodiversiteit − CO2 bindend vermogen − N-bindend vermogen − organische stofgehalte van de bodem − waterhuishouding − afvoer van de cadmium houdende panelen over 25 jaar − enzovoort We begrijpen dat e.e.a. niet wil zeggen dat er maar afgewacht moet worden. Maar overhaaste beslissingen moeten ten alle tijden voorkomen worden. Zo geeft het College van Rijksadviseurs, bestaande uit Rijksbouwmeester Floris Alkemade en Rijksadviseurs voor de fysieke leefomgeving Berno Strootman en Daan Zandbelt, aan dat zonneparken op natuur- en landbouwgrond verboden zouden moeten worden en dat de uitrol van zonne-energie op water, haven- en bedrijventerreinen, langs snelwegen en op daken gestimuleerd zou moeten worden. ZLTO heeft, net zo als de overheid, een energieladder. Wij willen in eerste instantie zoveel mogelijk energie besparen. In tweede instantie daken vol met zonnepanelen leggen en liever niet op de akkers en weilanden. En als het niet anders kan, dan het liefst panelen op vrijkomende boerenerven, gecombineerd met windmolens. Het lijkt ons passend om bijvoorbeeld aanvragen voor zonneparken en windmolens van de eerste fase, die voldoen aan de gestelde criteria, te benutten als een pilot, waarna bovenstaande zaken goed in kaart gebracht kunnen worden.

Hiervoor zal wellicht een periode van 3 tot 5 jaar in acht genomen moeten worden. Tevens is het mogelijk zinvol om een pilot met energiewinning uit mest toe te voegen in ons agrarisch Meierijstad. Ook andere innovatieve integrale agrarische toepassingen zouden overwogen kunnen worden. Binnen het gebied van ZLTO zijn er diverse pilots in ontwikkeling, zoals onder andere zonnestroomopstellingen op teelt ondersteunende voorzieningen of in combinatie met scharrelkippen. En waarom zouden er geen zonnepanelen boven parkeerplaatsen kunnen komen? Na uitgebreide evaluatie van de pilots kunnen plannen beter overwogen vastgesteld worden en komt de opgave tot 2050 nog niet in gevaar! Wij hopen op een uitgebreide reactie op ons pleidooi en vragen u om de punten die wij benoemd hebben grondig te overwegen en te onderbouwen. ZLTO de Meierij

24

Bijlage Va: zienswijze geur T.a.v. B & W van gemeente Meijerijstad Betreft: Bezwaar Verordening fysieke leefomgeving Meierijstad ’s-Hertogenbosch, 27 augustus 2020 Geachte College, Met verbazing hebben wij kennis genomen van het in procedure brengen van het aanpassen van de geurverordening. U beschrijft dat dit in het kader van nieuw omgevingswet plaatsvindt. Belangrijk punt bij de nieuwe wet is een goede participatie van burgers en ondernemers waarvoor het besluit gevolgen heeft. We constateren dat de gemeente Meierijstad bij dit onderwerp op dat punt ernstig tekort schiet. Er zijn in het verleden twee klankbordgroepen bij elkaar geweest, maar daar is een concreet voorstel voor normen nooit besproken. Strengere normen kunnen grote gevolgen hebben voor onze leden. Vooral de aanscherping naar 8 oue in het verwevingsgebied doet zeer. We vragen dan ook om voor het hele verwevingsgebied de norm van 12 oue te hanteren. Ook tijdens de inspraakperiode hebben we verschillende keren gevraagd om overleg of toelichting. Daar is geen respons op gekomen. We missen de onderbouwing waarom bepaalde normen gekozen worden. Gemeente doet het voorstel wel erg gemakkelijk af door te zeggen dat omliggende gemeenten ook strengere normen gekozen hebben.

Op basis van de beschikbare documenten kunnen wij niet bepalen of de genoemde normen terecht gekozen zijn en ons inziens kan de gemeenteraad op basis van deze summiere informatie ook geen goede keuze maken. Bij het kiezen van de normen had de gemeente erbij stil moeten staan wat er de komende jaren gaat gebeuren. Wat is het huidige de woon- en leefklimaat? Wat gaat er veranderen? Veel veehouderijbedrijven zijn gestopt of gaan stoppen (autonoom, stoppersregeling ammoniak, saneringsregeling varkenshouderij). Bedrijven die doorgaan zullen hun stallen voor 2024 aan moeten passen. Wat betekenen de strengere normen nu precies voor bedrijven en wat zijn de gevolgen voor omwonenden en nieuwe functies in het buitengebied? We zijn ook erg bang dat allerlei nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied geen doorgang kunnen vinden. Daarnaast hebben we nog een nog paar inhoudelijk opmerkingen. De relatie tussen gezondheid en geur wordt nogal scherp gelegd. De relatie is hoogstens indirect en is alleen te leggen bij veel overlast. Die is er volgens ons nauwelijks. Heeft de gemeente het aantal klachten in beeld over geuroverlast van agrarische bedrijven? Hoeveel zijn het er dan? De tekst suggereert dat er een groot agrarisch gebied is waar de norm van 12 oue wordt gehanteerd. In werkelijkheid is dat maar een klein gebied. Ook hebben we ernstige twijfels over de kaart.

Hoe is de gebiedsindeling tot stand gekomen? Welke keuzes zijn gemaakt? Zo’n kaart heeft grote gevolgen voor individuele bedrijven. Gezien de grote veranderingen die op stapel staan, lijkt het ons verstandiger om het geurbeleid nu niet aan te passen, maar te wachten tot het moment dat inzichtelijk is welke keuzes veehouders gaan maken. Vanuit de omgevingswet is er geen enkele druk om nu al de geurnormen aan te passen. Gemeente Meierijstad krijgt ruim de tijd om een nieuwe omgevingsverordening te maken. We vragen daarom de gemeente de behandeling van het raadsvoorstel uit te stellen. Hopende u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

25

Met vriendelijke groet, Namens het bestuur ZLTO de Meierij Gerard van Zutphen Voorzitter

26

Bijlage Vb: reactie beantwoording Geachte raadsleden, 17 December wordt er een beslissing genomen over het raadsvoorstel “gewijzigde vaststelling overgangsverordening fysieke leefomgeving, eerste tranche”. Hierin wordt onder meer het beleid ten aanzien van geur uitgewerkt. Als ZLTO zijn we hierbij betrokken geweest. Maar we zijn niet gelukkig met de manier waarop het proces heeft plaatsgevonden en de manier waarop conclusies getrokken zijn, los van het feit of we het er nu wel of niet mee eens zijn. Slechts zijdelings zijn we geïnformeerd over de terinzagelegging van de conceptverordening. Als reactie op de conceptverordening hebben we een zienswijze ingediend. Voorheen waren we gewend om in ieder geval een formeel antwoord op onze zienswijze te krijgen, maar nu dus niet. Na vragen van Hart aan onze voorzitter over dit stuk, zijn we actief gaan googelen en vonden de nota van zienswijzen, inclusief de beantwoording van onze zienswijze, op IBABS. We vinden de toonzetting van deze beantwoording niet respectvol. We voelen ons niet serieus behandeld, er wordt geen antwoord gegeven op onze vragen en opmerkingen worden gebagatelliseerd. Dit heeft ons doen besluiten om u als raadslid rechtstreeks te informeren over onze standpunten, middels een reactie op de beantwoording van onze zienswijze.

Hoewel we blij zijn dat de norm op veel gebieden minder is verlaagd dan oorspronkelijk beoogd, namelijk van 14 ouE naar 10 ouE, in plaats van 14 ouE naar 8 ouE, is dit nog steeds een zeer forse verlaging. Een verlaging is ook niet nodig, Er is geen sprake van de toename van het aantal klachten. Daarbij gaat de daling van het aantal bedrijven en dus geur uitstoot zo hard, dat de noodzaak van een verlaging van de norm helemaal niet nodig is. Het strenger maken van geurnomen leidt ook niet tot afname van de geurhinder. Dat verandert alleen als bedrijven bewegen. Als de normen te streng zijn, beweegt niemand meer en blijft de status quo gehandhaafd. Volgens ons zou het veel beter zijn, in die situatie waar er gegronde klachten zijn, als gemeente eerder het gesprek aan te gaan. Wat de gemeente met het strenger maken van de norm wel doet, is het veel moeilijker, zo niet onmogelijk maken van andere ontwikkelingen in het buitengebied. Een strengere norm werkt immers twee kanten op. Niet alleen moet een bedrijf bij het aanvragen van een nieuwe vergunning aan de dan geldende norm voldoen, maar ook objecten waar iemand in verblijft.

Dus in een gebied waar nu de norm 14 ouE is, en er volgens berekeningen blijkt dat een object een belasting kent van 11 ouE, en de eigenaren van dit object willen bijvoorbeeld een combinatie van zorg en landbouw, dan kan dit in de oude situatie wel, maar door het verlagen van de norm door de gemeente, niet meer. Dit betekent concreet dat door veel partijen gewenste ontwikkelingen in het buitengebied, zoals de combinatie van zorg en landbouw, recreatieve takken, mantelzorgwoningen, kinderdagverblijven, ondersteunende horeca bij natuurgebieden, woningbouw in plaats van stallen, niet meer door kunnen gaan. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te bedenken. Maar denk ook aan het moeilijker worden van woningbouw bij met name kleine kernen, waarbij direct de leefbaarheid nog meer onder druk komt te staan. Wij vragen ons dan ook stellig af wat de gemeente met deze bewuste keuze voor het creëren van overbelaste situaties wil bereiken. Bij de beantwoording van onze zienswijze, als reclamant 5, in de eerste alinea, stelt de gemeente dat er wel sprake was van een goede participatie. De gemeente stelt hierbij dat belanghebbenden op verschillende momenten het geurbeleid kon inbrengen. Dit was echter niet de setting. De participatie bestond uit vragen als, en dit is exemplarisch: “Wie ervaart er geuroverlast in het buitengebied?”

27

Geen van de participanten gaf aan geuroverlast te ervaren. Op onze vragen wat de gemeente concreet in gedachte had met betrekking tot geurnormen, werd geen antwoord gegeven. We merkten wel dat de gespreksleiders opmerkingen over een slecht geurklimaat probeerden te ontlokken, maar wederom gaf geen van de participanten aan geuroverlast te ervaren. Er werden geen contouren geschetst, waar de gemeente aan zat te denken. De normen die de gemeente vervolgens heeft opgesteld, met daarbij gekoppeld een zeer uitgewerkte en gedetailleerde kaart met verschillende normen, verraste ons dan ook zeer. Van een dergelijke uitwerking van het geurbeleid was immers in het participatietraject geen enkele sprake! In het begin van het participatietraject werd gesteld dat de conclusies zouden worden gedeeld met de participanten. Helaas is dat niet gebeurd. In de tweede alinea van de beantwoording geeft de gemeente aan dat dit raadsvoorstel inderdaad grote gevolgen kan hebben voor betrokken bedrijven. Ze stelt echter dat geur slechts één van de vele moeilijkheden is voor een wijziging van een bedrijf, daarmee lijkt de gemeente dit gegeven te willen bagatelliseren. De gemeente geeft geen uitwerking van wat de mogelijkheden zijn voor een bedrijf om hier aan te voldoen en de te maken kosten voor een getroffen bedrijf.

Verder geeft de beantwoording geen antwoord op onze zorg, dat andere ontwikkelingen in het buitengebied direct onmogelijk gemaakt worden door het hanteren van een lagere norm. Het antwoord voorziet in een vage toekomstverwachting, dat als er minder geuroverlast is, het buitengebied aantrekkelijker wordt voor andere activiteiten, zoals recreatie. Het antwoord van de gemeente gaat er aan voorbij dat die er niet kan komen, juist vanwege die lage norm! In de derde alinea van de beantwoording gaat de gemeente in op de relatie geur en gezondheid. Hier worden de beginselen van een goed bestuur met voeten getreden. De gemeente laat overduidelijk bewust na haar zelf geponeerde stelling te onderbouwen. Niet door aantallen geurgehinderden in Meierijstad, rapporten, onderzoeken of iets dat daar op lijkt. Het gaat voorbij aan rapporten die aangeven dat het aantal geurgehinderden in het buitengebied van Meierijstad beperkt is. Als er andere emissies zijn die een risico vormen voor de gezondheid, dienen die rechtstreeks te worden geadresseerd en aangepakt en niet via de omweg van geuremissie. Dat zou ook niet kunnen, want de gemeente heeft ook hier verzuimd deze emissies te benoemen en te onderzoeken of die wel een correlatie hebben met een geuremissie. Daarbij worden andere emissies al meer dan voldoende aangepakt door de andere, hogere overheden.

Een aanpak door de gemeente van geuremissies met als doel andere emissies te reguleren, kan en mag niet het doel zijn. In de vierde alinea van de beantwoording stelt de gemeente dat de maatregelen die de landelijke en provinciale overheden uitvoeren, gecombineerd met de autonome afname van de veehouderij niet voldoende is, of betwijfelt ze het effect. Wij tekenen aan dat de veehouderij al een grote slag heeft gemaakt op het gebied van beperken van emissies. De veehouderij staat voor een nog grotere slag als gevolg van landelijke en provinciale regels. Dat deze regels geen of onvoldoende effect hebben, is niet waar. Wij hoeven alleen maar te wijzen op het grote aantal stoppers in de varkenshouderij dat van de SRV regeling gebruik maakt. 10% Van het landelijk aanvragen komt uit Meierijstad! De gemeente zou zich juist moeten afvragen, hoe het kan, dat juist in de gemeente die zich profileert met Food & Cultuur en een belangrijk onderdeel van de Agrifood Capital vormt, zo veel mensen willen stoppen met hun varkenshouderij. Voor wat betreft de afname: de gemeente zou, om de raad goed te informeren, aan moeten geven wat de gevolgen zijn van de SRV regeling en de gevolgen van autonome ontwikkelingen. Pas dan kan de raad een goede afweging maken.

28

Alinea 5 van de beantwoording: Het opnemen van termen als landbouwontwikkelingsgebieden en verwevingsgebieden in onze zienswijze was een bewuste keuze. Deze hadden betrekking op de reconstructie. We zijn blij dat de gemeente deze termen omschrijft als “een achterhaalde ordening van het vroegere reconstructiebeleid”. Des te vreemder is het, dat de gemeente nu zelf via een zeer gedetailleerde kaart met scherpe contouren het grondgebied van de gemeente indeelt in een groot aantal zones. Een nieuwe reconstructie, maar zonder participatie. Alinea 7 van de beantwoording. Hierin stelt de gemeente dat de Wgv ook de natuur beschermt en niet alleen geurgevoelige objecten. Dit is onjuist. De website infomil, een website van de Rijksoverheid en het centrale informatiepunt voor wet- en regelgeving binnen het omgevingsdomein, is hier heel duidelijk in en stelt het volgende: Geurgevoelig object: De Wet geurhinder en veehouderij definieert een geurgevoelig object als: ‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. Omdat sprake moet zijn van een gebouw, wordt dag- of verblijfsrecreatie in de buitenlucht niet beschermd tegen geurhinder van veehouderijen.

Waar precies de grens ligt van wel of niet permanent of daarmee vergelijkbaar gebruik, is niet geheel duidelijk. Maar het moet gaan om langdurige blootstelling. Het bevoegd gezag zal dit per situatie moeten beoordelen en motiveren. (zie ook: Jurisprudentie geurgevoelig object.) De wet geurhinder en veehouderij beschermt dus geurgevoelige objecten en geen natuur of langsfietsende recreanten. Verder hebben we de volgende opmerkingen: •

•

We zijn nog steeds erg benieuwd hoe de kaarten tot stand zijn gekomen, welke grondslagen er onder liggen en welke keuzes er gemaakt zijn. Verder merken we op dat bij de totstandkoming van deze kaarten er geen enkele vormen van burgerparticipatie of inspraak is geweest, terwijl deze kaarten grote gevolgen hebben voor bedrijven en individuen. Onze vraag of de gevolgen van de geurnormen goed zijn onderzocht, wordt niet beantwoord. We hebben ook geen enkele andere aanwijzing dat in beeld is gebracht wat de gevolgen zijn voor bedrijven of individuen.

Kortom, we willen graag partner zijn van de gemeente bij het uitwerken van deze complexe materie. Helaas is daar in dit proces onvoldoende ruimte voor genomen. Wat blijft is een vervelende nasmaak en onbeantwoorde vragen.

Hoogachtend,

Bestuur ZLTO De Meierij

29

Bijlage Vc: uitbreiding reactie op geur m.b.t. gebruik kaart gebiedstypologiën Geachte Raadsleden, In onze eerdere reactie gaven we al aan dat we niet volledig zouden zijn. Bij nadere bestudering van de stukken hebben we nog een aandachtspunt gevonden. In het Raadsvoorstel over de geurverordening is een kaart met een gebiedstypologie ingesloten. Deze kaart is geen onderdeel geweest van het participatieproces, of van de inspraakprocedure. Dit vinden we een gemiste kans. We vragen ons af wat de status is van deze kaart en de bruikbaarheid bij het opstellen van geurnormen. Zeker omdat de gemeente zelf aangeeft dat deze kaart niet juridisch bindend is. Zie deze website van de gemeente Meierijstad: https://rhk.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=d234657663c34b5fbb59e1b1be343 c25 Daar staat: ”Bij het ontwikkelen van het omgevingsbeleid gebruiken we gebiedstypologieën. Dat zijn perspectieven op de fysieke leefomgeving waarmee we waarden, opgaven en doelen scherper in beeld brengen. Een typologie is een beschrijving van een soort gebied, zoomt in op een aantal beleidsonderwerpen, schetst een regime en kan geassocieerd worden met concrete gebieden van ons territoir. De gebiedstypologie is een hulpmiddel en biedt een denkrichting voor ontwerp, inrichting en beheer, voor functies en regels.

Een gebiedstypologie is juridisch niet bindend en kan niet één op één toegepast worden op locaties omdat het geen bestemming is”. We vragen ons af wat er nu wordt vastgesteld? En is deze kaart al definitief vastgesteld? Door wie? In de legenda van de kaart staat namelijk aangegeven dat deze op 28-10-2020 is vastgesteld.

Voor de geurverordening is wel een begrenzing nodig, omdat deze rechtszekerheid moet bieden. Door een kaart te gebruiken met een verregaande indeling met gebiedstypologieën, is deze hiervoor niet bruikbaar. Omdat deze volgens de gemeente juist niet juridisch bruikbaar is. Zie bovenstaande tekst. Er zal dan ook een specifieke kaart voor de geurnormen ontwikkeld moeten worden. Gelijk aan de opzet van de voormalige geurkaarten in de voormalige gemeentes. Daarnaast maken we ook inhoudelijk bezwaar tegen de kaart met de gebiedstypologieën. Zoals eerder al werd aangegeven is deze kaart bedoeld om richting te geven bij het tot stand komen van een omgevingsvisie. Deze kaart is alleen bij de gemeente intern besproken. Ons lijkt het beter om op een later moment deze kaart te bespreken. Samen met andere belangenorganisaties, zoals we dat in het verleden gewend waren. Maar omdat we niet weten of deze kaart nu wel of niet vastgesteld gaat worden, geven we nu toch al een eerste inhoudelijke reactie op de kaart. 30

Op de site van de gemeente die te vinden is met bovengenoemde link, vonden we, bij het tabblad gebiedstypologieën, verstopt onder de legenda, een pdf met nadere uitleg. De link is erg lang en niet te kopiëren, ook niet via een hyperlink, dus we hebben hem als bijlage bijgevoegd. Enkele passages: “Hoewel de gebiedstypologieën abstracties en hulpmiddelen zijn, willen we ze op de kaart in de omgevingsvisie met enige precisie aanduiden. In het najaar van 2019 is in vier bijeenkomsten gesproken over de begrenzing door medewerkers uit verschillende werkateliers”. Wat ZLTO betreft moet het richting geven en meer niet en alleen voor de relevante beleidsvelden. Het is niet voor niets een omgevingsvisie. De uitwerking komt in het omgevingsplan. Hoe het wat ons betreft niet moet is, zoals het bij geur gebeurd is, de gebiedstypologieën gebruiken om bedrijven in de buurt van natuur op te zadelen met extra strenge geurnormen. De natuur heeft geen last van geur. Daarbij zijn ook de natuurgebieden flink uitgebreid, als je dat vergelijkt met bestaande kaarten. Hoe is dit stand gekomen en wie heeft die keuzes gemaakt? “Landelijk gebied, hoofdfunctie natuur De gebiedstypologie i. LGHN kent als startpunt de beekdalen, bossen, aanduidingen van EHS / EVZ / NNB of een cultuurhistorische structuur.

Prominente gebieden zijn de Dommel, de Aa, de Leijgraaf, het Wijboschbroek, Het Hurkske, het Vressels Bos en het Duits Lijntje. Hierbij is bekeken welke kansen er liggen voor het robuuster maken van deze gebieden omwille van water en natuur. Ambities van de provincie en de waterschappen worden hierin meegenomen”. Sinds wanneer is cultuurhistorie gelijk te stellen aan hoofdfunctie natuur? Bij het ontstaan van cultuurhistorie in Meijerijstad speelt landbouw een belangrijke rol, als drager van het gebied. Landbouw dient toegevoegd te worden aan de typologie. “Landelijk gebied, agrarisch De gebiedstypologie ii. LGA kent als startpunt jonge ontginningen volgens de landschapsanalyse van het project Vitaal buitengebied en intensieve veehouderijen (m.n. varkens en kippen) die voortgezet zullen worden. Gebieden met overwegend akkerbouw en rundvee kunnen eenvoudiger tot de gebiedstypologie iii. LGVF gerekend worden”. We vragen ons af hoe bepaald is welke bedrijven voortgezet zullen worden. We vinden het maken van zulke beslissingen door de gemeente erg gevaarlijk en gezien de implicaties die het kan hebben voor individuele bedrijven, onverantwoord om dergelijke keuzes te maken. Daarnaast zijn akkerbouw en rundvee ook gewoon agrarisch. Het enige verschil is dat het zich beter verdraagt met nietagrarische activiteiten.

Deze afwegingen lijken veel minder op landschapskenmerken gebaseerd maar meer op hindercontouren. “Landelijk gebied, verweving van functies Aan de randen van kernen kan een zone met woningen (of andere bestemmingen) tot de gebiedstypologie iii. LGVF gerekend zijn wanneer de verkaveling, nabijheid van een waterloop, houtopstand, woningtype of architectuur daar aanleiding toe geeft. Dan is er een zone van landelijk wonen tegen de dichter bebouwde kern aan”. We missen in deze gebiedstypologie de beschrijving van de aanwezige landbouw. Verweving betekent immers dat beide functies er thuis horen. Wanneer geven genoemde zaken dan aanleiding om tot dit gebiedstypologie te behoren? Welke argumentatie ligt daaraan ten grondslag? We kunnen onze voorstellen dat er in het kader van de Omgevingsvisie een gebiedstypologie gemaakt wordt. 31

Een dergelijke typologie geeft in ons inziens richting aan bepaalde gebieden, maar zijn voor de verschillende beleidsvelden niet alles bepalend. Ook andere factoren en criteria kunnen een rol spelen. Wij vinden het niet verstandig dat een gebiedstypologie harde lijnen bevat. Kortom: Het lijkt ons niet mogelijk om de voorgestelde kaart te gebruiken om geurnormen vast te stellen. Het is logisch om de oude kaarten van de voormalige gemeentes te gebruiken voor de geurnormen. Mocht de raad toch besluiten om de voorgestelde kaart te gebruiken voor het vaststellen van de geurnormen, is het verstandig om eerst met belangenorganisaties, gemeentebestuur en andere belanghebbenden rond de tafel te gaan zitten om tot een kaart te komen, die meer recht doet aan de situatie en verschillende belangen in Meierijstad.

ZLTO de Meierij

32

Bijlage VI: zienswijze laaghangend fruit T.a.v. B & W van gemeente Meijerijstad Betreft: Zienswijze op harmonisatie van diverse regelingen ('laaghangend fruit') de Meierij Veghel, 26 augustus 2020 Geachte College, Onderstaan vind u per artikel onze zienswijze op de Harmonisatie van diverse regelingen (‘laaghangend fruit’) de Meierij die door u is gepresenteerd en ter inzage lag vanaf 17 juli 2020. Artikel 7.18 d U geeft aan dat en plattelandswoning alleen kan bij een volwaardig agrarisch bedrijf. Wij redeneren graag andersom. Als het een volwaardig toekomst gericht bedrijf is wil de ondernemer niet dat zijn woning een plattelandswoning wordt. Een plattenlandswoning kan namelijk toekomstige ontwikkelingen toch in de weg staan, zo blijkt uit jurisprudentie. Hier moet de ondernemer alleen voor kunnen kiezen als het zeker is dat er geen nieuwe ontwikkelingen meer plaats vinden of alleen ontwikkelingen die leiden tot minder hinder. Multifunctionele bedrijven ZLTO vindt het belangrijk dat ander soortige activiteiten op een agrarisch bedrijf als volwaardig worden gezien. Bovenmaat van maximaal 1200 m2 voor al deze activiteiten doet daar bijvoorbeeld geen recht aan. Daarom willen wij ervoor pleiten om bedrijven, waar het meer wordt dan een nevenactiviteit, de bestemming multifunctioneel agrarisch bedrijf krijgt.

Deze bedrijven veranderen regelmatig hun activiteiten bijvoorbeeld vanwege veranderende marktvraag. We vinden dat het eenvoudiger moet worden om nieuwe multifunctionele activiteiten onder deze hoofdactiviteit te realiseren. Artikel 8.8 lid c Alleen productie gebonden detailhandel is toegestaan. Wij pleiten dat verkoop van andere streekproducten ook mogelijk moet zijn. Artikel 8.8 lid 6 Bij ondersteunende horeca is 100 m2 voor een multifunctioneel agrarisch bedrijf, aan de kleine kant. We vragen om 200 m2 voor het binnen gedeelte. Artikel 10 lid 2 zonnevelden We missen het toepassen van een zonneladder in het bestemmingsplan. Dat betekent in onze ogen dat eerst gekeken moet worden of energieopwekking op daken en of in het stedelijk gebied kan plaatsvinden. Daarnaast ontbreekt ook een afwegingscriterium dat de agrarische structuur en goede agrarische gronden niet aangetast mogen worden. Ook is er geen afwegingscriterium of het opwekken van zonne-energie meerwaarde heeft voor de omgeving. Dat moet ons inziens toegevoegd worden. Met vriendelijke groet, Namens het bestuur ZLTO de Meierij Gerard van Zutphen Voorzitter

33

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=24886587-81e8-4822-8408-946101c54ca1