C10b TU Wageningen rapport.pdf
Tekst van het document
Er moet zich een bloem- en kruidenrijke vegetatie kunnen ontwikkelen die gefaseerd in ruimte en tijd wordt gemaaid of begraasd (bv. één maand begrazen, twee maanden rust). Omdat een verschraalde bodem gunstig is voor de ontwikkeling van grasland rijk aan biodiversiteit, dient het maaisel altijd te worden afgevoerd. Om deze reden mag ook geen mest
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 45
worden aangewend binnen een zonnepark. Grasland binnen zonneparken wordt dan eigenlijk als grasland in een natuurgebied beheerd. Ook akkervogels vestigen zich in zonneparken als daarin vogelakkers worden aangelegd en in stand gehouden. De potenties zijn erg afhankelijk van de locatie en de uitgangssituatie. In het algemeen kun je stellen dat met planmatig beheer de biodiversiteit van zonneparken veel hoger kan zijn dan in gangbaar gebruikt agrarisch gebied. Voor de verzekering is het vaak noodzakelijk het zonnepark geheel of gedeeltelijk te voorzien van een raster. In landschappelijk opzicht is dit niet aantrekkelijk. Een goed alternatief kan zijn het aanplanten van struweelhagen. In struweelhagen kan zich een rijke biodiversiteit ontwikkelen, zeker als deze grenst aan natuurgrasland. Meest waardevol is een breed uitgroeide haag van een paar meter hoog die om de 5-7 jaar wordt teruggezet. Hagen die jaarlijks geschoren worden, herbergen duidelijk minder organismen. In gebieden met een hoge waterstand zijn sloten met een natuurvriendelijk beheerde oever een waardevol alternatief voor rasters of hagen, vooral in open landschappen waarin weidevogels voorkomen en opgaande landschapselementen door hun beslotenheid de weidevogels afschrikken. Het is nog niet bekend hoe rijen zonnepanelen worden ervaren door boerenlandvogels.
Soorten als veldleeuwerik, scholekster en patrijs laten zich niet afschrikken en blijken een zonnepark te gebruiken. Voor een aantal boerenlandvogels biedt dit mogelijk perspectief, omdat in agrarisch gebied waar nog wel gebroed wordt, voedsel voor kuikens in de vorm van insecten erg schaars is. Of doorgaans sterk aan open landschap gehechte soorten als kievit en grutto de sprong naar zonneparken kunnen maken, is niet bekend, maar lijkt onwaarschijnlijk. Indien dit het geval is, kunnen zonneparken grenzend aan open landschappen met weidevogels beter niet van rasters of hagen maar van sloten voorzien worden. Worden zonnetafels net als bosjes, gebouwen en riet ook als bedreigend ervaren, dan zijn zonneparken niet gewenst in de bufferzone (200-300 m) van weidevogelkerngebieden. Het beheer van de zonneparken doet dan voor deze soorten niet ter zake.
5.3
Natuurbeschermingsdoelen van zonneparken
In het Rijks Natuurbeleid staan de Europees beschermde soorten centraal en het halen van de doelen van uit de beheerplannen van de Natura 2000-gebieden. Vanwege deze bescherming worden er zelden plannen gemaakt om zonneparken te realiseren in Natura 2000-gebieden op land. Daar waar bijvoorbeeld ganzen en zwanen in de doelstelling genoemd worden, komen de akkers en graslanden die zij gebruiken dus niet in aanmerking voor een zonnepark. Het is immers niet waarschijnlijk dat ganzen en zwanen in de zonneparken voedsel gaan zoeken. Observaties van hun reactie zijn er nog niet. Bovendien hebben deze soorten productieve graslanden nodig. Bij afdekking van de grond met zonnepanelen verdwijnen deze. Waar het in de Natura 2000-gebieden gaat om natuurlijk grasland of beschermde habitattypen is realisatie van een zonnepark helemaal kansloos, omdat een zonnepark dan onvermijdelijk tot verlies aan oppervlakte zal leiden. Een deel van de vogel- en habitatrichtlijnsoorten komt voor een belangrijk deel buiten het Natura 2000-netwerk en zelfs buiten het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) voor. In het proces voor het verlenen van een omgevingsvergunning moet altijd worden nagegaan of in het plangebied Europees beschermde soorten voorkomen en of die significant benadeeld kunnen worden. De ontwikkeling en het beheer van het NNN is gedelegeerd aan de provincies.
Doorgaans kan voor het zonnepark binnen Natura 2000netwerk of in het NNN geen vergunning worden verleend, omdat dit bijna altijd ten koste van de oppervlakte van belangrijke natuurtypen zal gaan. Buiten de Natura 2000-gebieden en het NNN liggen nog agrarische gebieden waar natuurbeheersmaatregelen worden uitgevoerd ten behoeve van soorten gebonden aan agrarisch cultuurlandschap. In het provinciaal beleid worden deze gebieden als kerngebieden voor weide- of akkervogels aangeduid. Op voorhand is het uitgangspunt dat dit doel meestal niet te verenigen zal zijn met een zonnepark. Alleen als kan worden aangetoond dat deze soorten juist profiteren van de aanleg en doelgericht beheer van een zonnepark kan er ruimte zijn voor deze ontwikkeling. Met als uitgangspunt dat zonneparken niet in (agrarische) natuurgebieden worden gerealiseerd waar dit ten koste gaat van beschermde soorten, is het vooral de vraag welk natuurdoel bediend kan worden in een zonnepark. Welk natuurdoel is te combineren met een zonnepark? Veel is mogelijk, maar wat is wenselijk? De Rijksnatuurdoelen en de doelen van het NNN zijn te karakteriseren als top-
46 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
down bepaalde doelen die door de overheid bewaakt worden. In de samenleving is echter ook draagvlak voor behoud van biodiversiteit in het algemeen. Lang niet voor alle wilde soorten in Nederland is het duurzaam voorkomen verzekerd met dit top-down beleid. Er wordt door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) een ernstige afname van het aantal dagvlinders, libellen, boerenlandvogels en amfibieën vastgesteld. Het aantal algemene insecten is ook sterk afgenomen. Er is dus veel voor te zeggen om ook buiten de (agrarische) natuurgebieden de variatie aan wilde planten en dieren te bevorderen. De overheid zal dit echter niet op basis van de wet kunnen afdwingen. Maar een provincie of gemeente zou wel kunnen aansturen naar een optimum tussen maximale energielevering en winst voor biodiversiteit. Dus wat minder panelen en wat meer licht op de bodem. Het is belangrijk als natuurdoelen bottom-up door betrokken burgers benoemd worden. In een dichtbevolkt land als Nederland waar de ruimte voor functies als recreatie, natuur en landschapsbescherming schaars is, is multifunctioneel grondgebruik ook het meest gewenst. De ontwikkelaar van een zonnepark zou het recht om een zonnepark op te richten mede moeten verwerven op basis van een meerwaarde voor de samenleving, bovenop de al zeer gewenste productie van duurzame energie.
Een analogie met de zand- en grindwinningsector is mogelijk waar nieuwe vergunningen voor een winning door de provincie alleen worden verleend als middel om een doel als natuurontwikkeling of recreatie te realiseren. Multifunctioneel grondgebruik, waarbij energiewinning wordt gecombineerd met natuur en recreatie, is ruimtegebruik waarvan je geen op termijn geen spijt zult krijgen.
BOX Natuurvisie In de natuurvisie van de rijksoverheid beschrijft het kabinet in grote lijnen het natuurbeleid voor de komende jaren, tot 2025. Belangrijkste punt van de visie is een omslag in het denken en niet alleen in beschermde natuurgebieden. Centraal in de natuurvisie staat dat natuur midden in de samenleving thuishoort. Want de natuur die mensen belangrijk vinden, is veel meer dan de natuur in beschermde natuurgebieden. De natuurvisie wil vooral burgers, bedrijven, gemeenten en maatschappelijke organisaties meer kansen bieden om natuur te beschermen. De natuurvisie verlegt de aandacht: van bescherming van natuur tegen de samenleving naar versterking van natuur door de samenleving. Voor een betere natuur hebben burgers en bedrijven ook een verantwoordelijkheid te nemen. Volgens de natuurvisie kunnen economie en natuur goed samengaan en van elkaar profiteren. Bedrijven houden steeds meer rekening met natuur en biodiversiteit. Dit heet ook wel groen ondernemerschap. Zonder duurzame productie kunnen bedrijven op den duur niet meer concurreren op de wereldmarkt. Een voorbeeld is de inspanning van grote ondernemingen om de productie van palmolie te verduurzamen. Het programma Tweede Natuur komt voort uit de natuurvisies van de rijksoverheid en provincies. Dit programma richt zich op ideeën uit de samenleving.
De ideeën laten zien hoe natuur kan samengaan met maatschappelijke en economische activiteiten. Hierbij is onder andere gedacht aan de functiecombinaties van natuur met energie.
Het kiezen van niet bij wet afgedwongen natuurdoelen voor zonneparken is maatwerk. Het maatwerk moet ervoor zorgen dat de economische opbrengst voor de ontwikkelaar of exploitant voldoende is, dat er draagvlak is voor de betrokkenen om het noodzakelijke beheer uit te voeren en de effecten te volgen (vrijwilligers!) en dat de meerwaarde ook echt als zodanig wordt ervaren. De doelen moeten ook haalbaar zijn op basis van bodem, waterhuishouding en landschap en moeten passen bij de omgeving. Om ervoor te zorgen dat het beheer ook werkelijk wordt volgehouden, kan dit het best in een biodiversiteitsmanagementplan uitgewerkt worden waarin de maatregelen en verantwoordelijkheden worden vastgelegd. Verantwoordelijkheden die overgaan op nieuwe eigenaren en beheerders bij verkoop.
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 47
5.4
Ruimtelijke aspecten van zonneparken voor biodiversiteit
De ligging van een locatie voor een zonnepark bepaalt de geschiktheid voor een natuurdoel. Op droge, voorheen zwaar bemeste kleigrond is het niet mogelijk een vochtig, voedselarm schraal grasland te ontwikkelen. Dat is één ruimtelijk aspect. Het is daarnaast belangrijk bij de keuze van de natuurdoelen aan te sluiten op natuurwaarden die in het nabij of naastgelegen perceel al aanwezig zijn. Vanuit bestaande populaties zijn zonneparken die goed beheerd worden dan gemakkelijk te koloniseren. De draagkracht van het natuurgebied kan ermee worden verhoogd. Een derde aspect is de mogelijke functie van voor biodiversiteit beheerde vegetaties in een zonnepark als verbinding, stapsteen, voor individuen van soorten om van het ene naar het andere gebied te trekken. Veel natuurgebieden in ons agrarisch cultuurlandschap zijn als geïsoleerde eilanden in een voor overleven ongeschikte omgeving. Plekken of stroken tijdelijk geschikt leefgebied in zonneparken kunnen dienen als verbindingsweg voor soorten in natuurgebieden. Ten behoeve van een functionele biodiversiteit in het agrarisch gebied, denk aan bestuivende insecten en natuurlijke vijanden van plaagsoorten in landbouwgewassen, is het gewenst een fijnmazig aaneensluitend netwerk van groene landschapselementen, zoals schrale grasbermen, struweelhagen, natuurlijke sloten, e.d. te hebben in het agrarisch gebied.
Dit is lang niet altijd aanwezig. Zonneparken kunnen hierbij een belangrijke, ondersteunende rol vervullen, omdat het gebruik van de niet door panelen afgedekte grond vrij extensief kan zijn. Ten slotte bieden zonneparken kansen voor de ontwikkeling van hydrologische bufferzones rond natuurgebieden. Veel natte natuurgebieden verdrogen. Het is gewenst de grondwaterstand in een wijde omgeving hoog te houden. Deze wens bijt vaak de agrarische functie van de in de bufferzone gelegen percelen. Wanneer deze percelen als zonnepark worden ingericht, is een hoger grondwaterpeil niet zo’n probleem. Een bufferfunctie is ook mogelijk bij voedselarme natuurgebieden die te maken hebben met het inwaaien of binnenstromen van meststoffen of bestrijdingsmiddelen.
5.5
Zonnepanelen op water
Drijvende zonneparken is een relatief nieuwe uitvoeringsvorm van grootschalige opwekking van zonnestroom. In de Roadmap PV Systemen en Toepassingen (Folkers et al., 2017) wordt wereldwijd een exponentiële ontwikkeling geconstateerd en is de prognose dat er in 2023 al 2000 MWp (zeg plusminus 2000 ha) cumulatief opgesteld vermogen zal zijn. Voor de potentiële uitrol van PV in Nederland per locatie, wordt rekening gehouden met een oppervlakte op binnenwater van 13300 ha en 25000 ha op zee in 2050. Ter vergelijking: voor agrarisch terrein gaat men uit van 32500 ha, voor de gebouwde omgeving van 51600 ha en voor infrastructuur van 18400 ha. De belangrijkste motivatie voor deze toepassing is de schaarste aan geschikt en beschikbaar land voor zonneparken. Wateroppervlaktes zoals irrigatiebekkens, baggerdepots, zandwinplassen en bassins bij zuiveringsinstallaties kunnen ingezet worden voor opwekking van zonne-energie. Een andere manier om waterareaal in te zetten, is door middel van nieuw gecreëerde eilanden (bv. in het Markermeer) met diverse bestemmingen, waaronder zonne-energie. Op de langere termijn zullen ook zonneparken op zee technisch en economisch haalbaar worden, bijvoorbeeld in combinatie met offshore windparken. Interessante aspecten van ‘zon op water’ zijn daarnaast: • Zon op water zal gemiddeld grootschaliger uitgevoerd kunnen worden dan zon op land.
Dit brengt een kostenvoordeel met zich mee. • Zon-op-waterprojecten zullen in het algemeen op minder maatschappelijke weerstand stuiten. Zeker in die gevallen waar de aanleg van een drijvend zonnepark niet strijdig is met mogelijk andere functies van het betreffende water. • Zon op water kan een hogere stroomopbrengst opleveren. Aspecten die hierbij een rol spelen, zijn: natuurlijke koeling van de panelen, reflecties van licht aan het wateroppervlak en hogere instraling boven water vergeleken met boven land. • Zon-op-waterprojecten zullen relatief vaak uitgevoerd worden op locaties waar ook windenergie wordt opgewekt. Aangezien zonne-energie en windenergie in hoge mate complementair zijn in de tijd, kan hiermee een effectiviteitsvoordeel behaald worden wat betreft de investering in de benodigde elektrische infrastructuur.
48 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
Globaal zijn er twee systemen te onderscheiden: 1. Drijvende pontons waarop eenzijdig werkende panelen bevestigd zijn. Deze dekken het wateroppervlak volledig af waardoor er weinig licht meer in het water doordringt. De panelen op bijgaande foto hebben een oost-west- oriëntatie.
Figuur 21
Proefopstelling drijvende zonnepanelen in de Slufter, 2e Maasvlakte
(foto: Friso van der Zee).
2. Tweezijdig werkende zonnepanelen hebben aan de achterkant geen witte of zwarte folie, maar een glasplaat of een transparante folie. De zonnecellen ín de panelen zijn zo gemaakt dat ze bijna net zo efficiënt licht via de achterkant in elektriciteit kunnen omzetten als licht dat – zoals gebruikelijk – van de voorkant komt. Daardoor kunnen de panelen ook het licht benutten dat door het wateroppervlak of de grond wordt gereflecteerd en normaliter verloren gaat. “Het is een slimme en voor de hand liggende oplossing. Je gebruikt licht dat er al is en krijgt zo voor ongeveer hetzelfde geld een aanzienlijk hogere opbrengst aan zonne-energie. Op jaarbasis kan dat tientallen procenten aan opgewekte elektriciteit schelen”, zegt professor Wim Sinke, Manager Programmaontwikkeling Zonne-energie bij ECN.
Figuur 22
Proefopstelling drijvende zonnepanelen in de Slufter, 2e Maasvlakte
(foto: Friso van der Zee).
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 49
Het plaatsen van zonnepanelen op oppervlaktewater biedt kansen: het oppervlak is groot, de concurrentie met landbouw is laag en door reflectie van zonlicht door het wateroppervlak kan ook de efficiency hoger worden. Er zijn nog wel onduidelijkheden, zoals: wat zijn de ecologische gevolgen, hoe verloopt het onderhoud van watergangen, welke constructies zijn nodig? Systemen op water staan altijd onder invloed van beweging van het water. Dit veroorzaakt meer slijtage dan zonneparken op land. Zonnepanelen op water vereisen dus sterkere constructies die bestand zijn tegen met name extreme weersomstandigheden en dit geldt helemaal voor zonneparken op zee. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat het materiaal waarop de constructie drijft niet afbrokkelt (piepschuim) en milieuvervuiling veroorzaakt. Er is nog vrijwel geen literatuur over drijvende zonneparken beschikbaar. Arcadis heeft een quickscan gemaakt voor een te realiseren drijvend zonnepark in de Noorder IJplas, een voormalige grondwinplas in Amsterdam-Noord met een wateroppervlak van circa 65 ha en 20-30 m diep (Groen & Lysen, 2018). Het park wordt ca. 3 ha groot en komt te liggen op het diepe deel van de plas. Het betreft een zonnepark met tweezijdige panelen.
De conclusie van de quickscan is dat het zonnepark geen negatieve invloed heeft op de biodiversiteit en dat ook de waterkwaliteit geen negatieve effecten ondervindt. Biodiversiteitsaspecten die een rol spelen: • Macrofauna. De aanwezige macrofauna wordt niet beïnvloed door verstoring. Door schaduwwerking kan het temperatuurpatroon in de plas veranderen wat effect kan hebben, maar dit is niet per definitie een negatief effect. • Vissen. Vissen kunnen panelen gebruiken om onder te schuilen. Geen of een positief effect verwacht. • Fytoplankton. Gemiddeld zal het overdag koeler zijn onder de panelen, ‘s nachts warmer (geen afkoeling aan de lucht). Het gaat om maximaal 5% van het wateroppervlak, er wordt geen effect verwacht. • Aanhechtingsmogelijkheden voor macrofauna aan de onderkant van de drijvers. Veel dieren die in het water leven, hebben ‘substraat’ nodig, waaraan ze zich kunnen hechten. Dat kan een zandige bodem zijn of de stengels van waterplanten of wortels van oevervegetatie. Sommige soorten, zoals mosselen, hechten zich aan ‘hard substraat’. Dat kan een steen zijn, maar ook kabels, wrakken of iets anders. Niet ieder materiaal is geschikt. Onderzocht zou kunnen worden of de onderzijde van de drijvende constructie ruw gemaakt kan worden en kan fungeren als aanhechtingsplek voor bijvoorbeeld mosselen.
Mosselen filteren het water en bieden weer substraat voor andere organismen en kunnen zo bijdragen aan de waterkwaliteit. • Drijvende matten aan de buitenste rand van het zonneveld. Er zijn drijvende matten op de markt, waarop oevervegetatie kan groeien. Deze vegetatie wortelt in het water, zodat onder water habitat ontstaat voor macrofauna, maar ook voor vis. Dergelijke matten kunnen bijdragen aan de biodiversiteit in dieper water, waar geen onderwatervegetatie is. Boven water bieden deze matten leefgebied voor insecten (ook insecten waarvan de larven onder water leven, zoals libellen), waarvan vogels en vleermuizen ook weer kunnen profiteren. Dit idee is ook uitgangspunt voor de plannen voor het Lingemeer (K3Delta). De IJsselmeerprovincies Flevoland, Friesland, Noord-Holland en Overijssel hebben het initiatief genomen om een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden voor zonnepanelen op water als input voor het opstellen van de Regionale Energie Strategieën voor het voorgenomen Klimaatakkoord. (https://solarmagazine.nl/nieuws-zonne-energie/i17800/energieverkenning-ijsselmeergebied-ruimtevoor-duizenden-hectare-zonnezandbanken-en-zonne-eilanden). Uit die verkenning zou blijken dat in het IJsselmeergebied ruimte is voor vele duizenden hectare zonnepanelen in de vorm van zonnezandbanken en zonne-eilanden.
Het IJsselmeer is echter een Natura 2000-gebied, waar veel watervogels nu al gebrek hebben aan voedsel. Bij zulke grootschalige plannen zal uitgezocht moeten worden wat het verlies aan oppervlakte open water voor consequenties heeft voor het voedselaanbod en de beschikbaarheid daarvan voor bv. meeuwen en sterns. Natuurgebieden (N2000, NNN) worden door ruimtelijk beleid en natuurwetgeving in principe uitgesloten van zonneweides, maar dit heeft deze verkenning niet in de weg gestaan.
50 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
5.6
Conclusies en kennisleemten
• Er liggen volop kansen voor biodiversiteit op zonneparken en zeker in intensief agrarisch gebied zou een zonnepark kunnen bijdragen aan de verhoging van de biodiversiteit. De kansen zijn er vooral voor vegetatie, insecten en een aantal vogelsoorten. • Cruciaal voor een combinatie zonnepark-biodiversiteit is dat er voldoende licht en water op de bodem blijft komen. Dat lukt niet indien alleen naar maximale energieproductie wordt gestreefd. Er dient dus gezocht te worden naar een optimum tussen maximale energieproductie en biodiversiteit. • Het beheer na realisatie van het zonnepark is essentieel voor het realiseren van natuurwaarden en zou direct bij het ontwerp meegenomen moeten worden om biodiversiteitsdoelen daadwerkelijk te halen. Dat gebeurt nu nog te weinig. • Zonnepanelen op het water zijn zeker kansrijk en hebben minder nadelen (verlies landbouwgrond, beleving landschap) dan zonnepanelen op land. • Tweezijdige panelen die het wateroppervlak niet volledig afdekken, hebben ecologisch gezien de voorkeur boven enkelzijdige panelen op pontons die het wateroppervlak afsluiten van licht. • Er zijn diverse mogelijkheden om bij zonnepanelen op water constructies aan te brengen die de biodiversiteit kunnen verhogen. Dit zou nader onderzocht kunnen worden.
• Bij grootschalige projecten zonnepanelen op water zal het effect op de voedselbeschikbaarheid voor watervogels onderzocht moeten worden. Kennis vergaren over zonneparken als leefgebied Afgezien van een zonnepark als bedreiging van natuur als ze in (agrarische) natuurgebieden gerealiseerd worden, lijken er vooral kansen te zijn voor ontwikkeling van meer biodiversiteit, met name wanneer het gaat om nu intensief gebruikt agrarisch gebied. Dat is 70% van Nederland. Bij voormalige vuilstortplaatsen, braakliggend industrieterrein, slibdepots e.d. moet van geval tot geval beoordeeld worden of het gebied op een natuurgebied lijkt en of er beschermde soorten voorkomen. Dit is een toets die de bestaande regelgeving voorschrijft. Er zijn kansen, maar hoe die het best op een efficiënte en effectieve manier benut worden, is niet bekend. Bij veel zonneparken worden op vrijwillige basis al maatregelen genomen ter bevordering van de biodiversiteit. Bloemrijke mengsels worden ingezaaid, hagen aangeplant en poelen of rietstroken aangelegd. Maar dit soort maatregelen kan alleen succesvol zijn als tegelijkertijd het juiste vervolgbeheer wordt bepaald en afgesproken. Ook wordt het effect van deze maatregelen, en of de doelen van deze maatregelen goed gekozen zijn, zelden onderzocht.
We ontwikkelen daardoor geen ervaringskennis die we kunnen delen ten behoeve van een betere praktijk in de toekomst. Er zijn veel doelen mogelijk, er zijn veel verschillende uitgangssituaties en de eigenschappen van zonneparken: hoogte, expositie, hellinghoek, bedekking, beheer etc. verschillen sterk. Of een maatregel voor een van de vele diergroepen effectief is, hangt sterk van al deze factoren af. De enige manier om een vinger te krijgen achter wat effectieve maatregelen zijn, is om biodiversiteitsdata en eigenschappen van een groot aantal zonneparken te verzamelen, gedurende langere tijd, om die op termijn te kunnen analyseren. De veranderingen in de biodiversiteit in Nederland worden gevolgd via het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). In het NEM spelen vrijwilligers een belangrijke rol. De systematische waarnemingen worden opgeslagen in landelijke databases. De waarnemers volgen jaar op jaar op vaste locaties het wel en wee van de door hen bestudeerde soortgroep. Deze locaties vallen echter niet samen met zonneparken, misschien op termijn bij een sterk uitbreiding wel, maar nu nog niet. Om op korte termijn via dit meetnet inzicht te krijgen in de invloed en mogelijkheden van zonneparken, is het gewenst gericht systematisch waarnemingen te doen in zonneparken. Hierbij dienen dezelfde gestandaardiseerde waarneemmethoden te worden toegepast.
Onder die voorwaarde zijn de waarnemingen binnen de zonneparken te vergelijken met de waarnemingen daarbuiten, in een verder vergelijkbare situatie. Om te stimuleren dat in zonneparken gericht waarnemingen worden gedaan, is het gewenst dat de overheid dit stimuleert. Betrokkenheid van vrijwillige natuurwaarnemers bij de ontwikkeling van een zonnepark bevordert bovendien het draagvlak hiervoor.
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 51
Het is nodig gericht kennis te ontwikkelen over hoe zonneparken kunnen bijdragen aan specifieke doelen voor biodiversiteit. Enerzijds door het op grote schaal verzamelen van data, anderzijds door gericht experimenten te doen. Belangrijke variabelen die geoptimaliseerd kunnen worden, zijn: • De afstand tussen de zonnetafels in verband met de aantrekkelijkheid als broedgebied voor vogels van open landschappen; • De breedte van de zonnetafels; • De afstand tussen de panelen, horizontaal in verband met het afstromen van regenwater, en verticaal, als lichtbron voor de vegetatie onder de panelen; • De hoogte en hellingshoek van de tafel in verband met de hoeveelheid voor de fotosynthese bruikbaar licht, direct en diffuus, op de bodem onder de panelen; • De expositie, zuid of oost-west, in verband met het aandeel van de bodem waar licht en regenwatertoevoer onvoldoende zijn voor een gezond bodemleven; • De transparantie van de panelen; • Het type panelen, bifacial eventueel verticaal opgesteld, met de zon meebewegende panelen; • Bij zonnepanelen op water gaat het bijvoorbeeld om aanvullende constructies ter verhoging van de biodiversiteit en het effect op de voedselbeschikbaarheid voor watervogels.
Figuur 23
Ten behoeve van de biodiversiteit is het belangrijk dat er voldoende licht en water op de
bodem komt. Zuid geëxponeerde panelen (rechts) voldoen daar doorgaans beter aan dan oost-west geëxponeerde panelen (links).
52 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
6
De beleving van zonneparken
6.1
Definities
In de vraagstelling rondom het effect van zonneparken op het landschap worden verschillende termen gehanteerd, met name beleving en acceptatie. Afhankelijk van hun definitie, hebben deze twee begrippen meer of minder overlap. Daarom wordt hier eerst een werkdefinitie gegeven voor deze twee begrippen. Beleving: de term beleving wordt hier smal gedefinieerd, namelijk hoe het landschap bij waarneming ervaren wordt. Bij de beleving gaat het dus om hoe het landschap de zintuigen prikkelt (‘streelt’ of juist tegen de haren instrijkt) dan wel de waarnemer boeit (‘pleases the senses or tickles the mind’). Daarbij speelt het zien, de visuele component, doorgaans een dominante rol, maar is de beleving hier in principe niet toe beperkt. De beleving van het landschap kan daarmee vele facetten hebben. Als het puur de visuele component betreft, dan gaat het om de schoonheid van het landschap (‘scenic beauty’). Meer algemeen wordt in (kwantitatief) onderzoek de beleving meestal teruggebracht tot een eendimensionaal oordeel over de belevingswaarde: een hoge of een lage score (De Vries, 2007). Acceptatie: acceptatie betreft het oordeel over de wenselijkheid dan wel noodzakelijkheid van een voorgenomen of recent uitgevoerde ingreep (hier in het landschap) (zie Busse & Siebert 2018 voor een genuanceerde discussie over dit begrip)).
De belevingswaarde kan daarbij een factor zijn, maar er kunnen daarnaast ook allerlei andere factoren een rol spelen, bijvoorbeeld of men persoonlijk financieel voor- of nadeel heeft bij de ingreep. Maar ook de overtuiging dat een energietransitie noodzakelijk is, kan een belangrijke factor zijn. Acceptatie is belangrijk voor het draagvlak voor de ingreep. Bij de beleving is het belangrijk om aan te geven wat het belevingsobject precies is. Hier staat niet het zonnepark sec centraal (de ‘hardware’), maar het landschap waar het zonnepark na installatie deel van uitmaakt. Het gaat dus meer om de inpassing van het zonnepark (in technische zin) in het landschap, of wellicht zelfs de verrijking die het biedt. Verder is het belangrijk om aan te geven om wiens beleving en/of acceptatie het gaat. Gaat het om de eigenaar van het gebied, omringende bewoners, recreanten en passanten of om de Nederlandse bevolking als geheel? Met name bij acceptatie moge duidelijk zijn dat de financiële belangen bij de voorgestelde ingreep in het landschap niet voor iedereen hetzelfde zullen zijn, zowel wat betreft richting als omvang. Tot slot speelt voor de acceptatie ook het proces rondom een voorgestelde ingreep een rol.
Is het bijvoorbeeld iets dat van buitenaf komt, de burger overkomt, of is diezelfde burger nauw betrokken bij het proces en de totstandkoming van het nieuwe landschap (ook als dit geen financiële implicaties voor die burger heeft)? We zouden kunnen spreken over de beleving van het proces. Deze procesbeleving is van belang, omdat zij, bewust (strategisch) dan wel onbewust, het oordeel over de geplande ingreep/het landschap na de ingreep kan beïnvloeden. De invloed van het proces op de belevingswaarde is naar verwachting groter als het gaat om een ingreep in de eigen leefomgeving en minder groot naarmate het langer geleden is dat het nieuwe landschap is gerealiseerd. De voorgaande definities en kanttekeningen zijn van belang, omdat zij helpen het onderzoek rondom zonneparken te positioneren. Zo zal in een experimentele studie waarin de deelnemers middels foto’s verschillende landschappen voorgelegd krijgen en beoordelen op hun aantrekkelijkheid, met name de visuele factor het oordeel over de belevingswaarde bepalen en lijkt een vraag naar de acceptatie niet aan de orde. Bij een onderzoek naar wat de lokale bevolking vindt van een voorgenomen ingreep staat juist de acceptatie centraal en kan betwijfeld worden of een vraag naar de belevingswaarde (in de hier gedefinieerde enge zin) een ‘zuiver’ antwoord oplevert, d.w.z.
een antwoord dat niet is beïnvloed door of men de ingreep uit andere dan belevingsoverwegingen wel of niet wenselijk vindt.
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 53
Omdat in andere hoofdstukken van dit rapport al naar financiële belangen van bijvoorbeeld agrariërs wordt gekeken, concentreren we ons in dit hoofdstuk op het effect van zonneparken op de belevingswaarde voor mensen zonder directe economische belangen bij het zonnepark, positief dan wel negatief. Daarbij kan grofweg nog een onderscheid gemaakt worden tussen omwonenden en burgers in het algemeen. Omwonenden kunnen een persoonlijke historische band hebben met het specifieke gebied waar de ingreep plaatsvindt. Dit kan hun (oordeel over de) belevingswaarde van het landschap beïnvloeden. In paragraaf 6.2 wordt ingegaan op de invloed van een zonnepark op de belevingswaarde van het landschap en hoe deze geminimaliseerd kan worden. In paragraaf 6.3 wordt (beknopt) ingegaan op de maatschappelijke acceptatie van zonneparken.
6.2
Minimaliseren negatieve impact zonneparken qua belevingswaarde
Bij de aandachtspunten worden drie categorieën onderscheiden (die in de praktijk onderlinge relaties kunnen hebben): de locatie van het zonnepark, de vormgeving van het zonnepark (gegeven de locatie) en mitigerende maatregelen (gegeven locatie en vormgeving). Deze worden hier achtereenvolgens behandeld. Locatie Om het landschap te kunnen beleven, moet men ermee in contact komen. De belevingswaarde ontstaat pas als men het landschap daadwerkelijk beleeft. Als we ons even beperken tot het visuele domein, houdt dit in dat men het landschap moet kunnen zien. Daarom vinden in omgevingsimpactanalyses (Environmental Impact Assessments (EIA) ook wel zichtbaarheidsanalyses plaats: van waaruit kan men het zonnepark zien? Oftewel: hoe groot is het gebied waarvan het landschap wordt beïnvloed (positief dan wel negatief) door de ingreep (‘viewshed’)? Hiervoor worden vaak GISmodellen gebruikt (Roth et al., 2015). De aandacht voor beleving van het landschap in EIA’s is volgens sommige auteurs echter nog gering (Tolli et al., 2016; Scognamiglio, 2016). Uitgaande van een negatieve impact op de belevingswaarde verdient een locatie die vanaf weinig plekken zichtbaar is (kleine ‘viewshed’) de voorkeur. Als er sprake is van weinig reliëf in het landschap, wordt de viewshed vooral bepaald door de visuele openheid van het landschap. Hoe opener, vanaf hoe verder zichtbaar.
Ook de hoogte van de panelen boven het maaiveld is van invloed op de viewshed: hoe hoger, vanaf hoe verder zichtbaar. Atmosferische condities (helderheid, zicht) kunnen ook nog een rol spelen, maar kunnen van moment tot moment variëren. Eventuele schittering (‘glare’) kan de zonnepanelen ook op grotere afstand nog zichtbaar maken en zou daarom vermeden moeten worden. Een wellicht nog belangrijker factor dan de omvang van de viewshed is hoeveel mensen hoe vaak in contact komen met het door de ingreep veranderde landschap. Het valt namelijk te verdedigen dat de maatschappelijke impact van de landschappelijke ingreep groter is naarmate meer mensen er vaker mee worden geconfronteerd (zie ook Sanchéz-Pantoja et al., 2018). Hiervan uitgaande, verdienen locaties met een viewshed waar weinig mensen komen, en dan ook nog niet vaak, de voorkeur. Omwonenden zullen doorgaans vaker met de ingreep geconfronteerd worden dan andere burgers. Hoe de afweging tussen hoeveel mensen en hoe vaak die mensen zicht op het zonnepark hebben het best gemaakt kan worden, is onduidelijk.
In het kader van de verdelende rechtvaardigheid (‘distributive environmental justice’) valt er iets voor te zeggen dat, uitgaande van een gelijkblijvend totaalaantal contactmomenten, meer mensen minder vaak te prefereren valt boven minder mensen vaker.9 Een laatste aspect is de mate waarin het zonnepark past in het bestaande landschap (qua beleving). Dit heeft te maken met de vormgeving van het zonnepark zelf (waarover verderop meer), maar ook 9
Dit gaat ervan uit dat er geen gewenning plaatsvindt, d.w.z. dat de negatieve invloed op de belevingswaarde de 1000ste keer dat iemand het zonnepark ziet even groot is als de eerste keer. Overigens heeft de verdelende rechtvaardigheid hier uitsluitend betrekking op de gevolgen voor de belevingswaarde.
54 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
met hoe het bestaande landschap eruitziet en gewaardeerd wordt. Uit onderzoek naar het effect van andere man-made objecten blijkt duidelijk dat naarmate men het landschap vooraf aan de eventuele plaatsing van het object mooier vindt, de negatieve impact van het object groter is. Een aspect dat de belevingswaarde positief beïnvloedt, is hoe natuurlijk men het landschap vindt (natuurlijk van uit burgerperspectief). Daarmee zal naar verwachting ook een zonnepark in een natuurgebied een grotere negatieve invloed hebben dan een in het agrarisch gebied. Een ander aspect is de aanwezigheid van andere man-made objecten: naarmate deze al meer in het landschap voorkomen, zal de negatieve invloed van het toevoegen van een zonnepark op de belevingswaarde kleiner zijn (De Vries et al., 2012). Vormgeving zonnepark Naast de zichtbaarheid van het zonnepark gaat het om de mate van integratie in het omringende landschap (gegeven dat men het zonnepark ziet, in ieder geval deels). Visuele saillantie lijkt daarbij een belangrijke factor: valt het zonnepark op, steekt het af bij de rest van het landschap en trekt het daardoor de aandacht (Sanchéz-Pantoja et al., 2018; zie ook Dupont et al., 2017). Dit betreft de mate waarin het zonnepark afwijkt van andere elementen in het landschap.
Dit kan gaan om een contrast in kleur, materiaal (textuur), de vormgeving van het paneel zelf, reflectie, dimensies/schaal, het opstellingspatroon of de gebruiksfunctie. Een object met een hoge visuele saillantie hoeft niet per definitie een negatief effect op de belevingswaarde van het landschap te hebben; in exceptionele gevallen kan het een positief gewaardeerd baken (‘landmark’) vormen. Denk bijvoorbeeld aan Radio Kootwijk (zie foto). Maar meestal wordt een man-made object met een hoge visuele saillantie in een (semi)natuurlijke omgeving als storend ervaren, als niet passend in het (oorspronkelijke) landschap.
Figuur 24
Radio Kootwijk (Bron: https://www.destentor.nl/apeldoorn/apeldoorn-wel-degelijk-
aandacht-voor-veiligheidssituatie-in-radio-kootwijk~a7e3d4fe/).
Carullo et al. (2013) hebben een expertbenadering gehanteerd om het effect van zonneparken op het landschap te beoordelen, de zogenaamde Landscape Character Assessment (LCA). In deze benadering wordt de term ‘visuele saillantie’ niet gehanteerd, maar wordt wel gesproken over de (conceptueel sterk overeenkomstige) capaciteit van het landschap om veranderingen op te vangen: “the degree to which a particular landscape character type or area is able to accommodate change without significant effects on its character”. De benadering is toegepast op een gebied in Sicilië dat deel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk. De onderzoekers concluderen dat het grootste deel van dit gebied geen
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 55
geschikte locatie vormde voor zonnepark; alleen het deel dat agrarisch waardevol was (met kassen) had in hun ogen enige capaciteit voor het huisvesten van een zonnepark. NB Bij het karakter van het landschap gaat het in deze LCA-benadering om meer dan alleen de (visuele) belevingswaarde; zo is ook de invloed van een zonnepark op de ecologische waarde in de analyse meegenomen. Torres-Sibille et al. (2009) gaan dieper in op de kenmerken van het zonnepark die de mate van visuele saillantie (door hen ‘objective aesthetic impact’ genoemd) bepalen. Naast de omvang van het zonnepark in het blikveld noemen zij de kleur, het patroon (hoe kunstmatig/regelmatig/’strak’) en een variabele die betrekking heeft op het voorkomen van verschillende typen panelen binnen het zonnepark (‘concurrence’; deze variabele wordt hier verder buiten beschouwing wordt gelaten).10 Volgens de beoordeling door experts heeft de zichtbaarheid in het blikveld de grootste invloed op de impact, gevolgd door de mate waarin de kleur van het zonnepark afwijkt van die van het omringende landschap. Voor de omvang van het zonnepark in het blikveld geldt dat deze niet alleen afhankelijk is van de omvang van het park, maar dat zij kleiner wordt met de afstand tussen waarnemer en park, waarmee dit ook een factor van belang wordt (Fernandez-Jimenez et al., 2015).
Binnen de viewshed kan worden uitgegaan van een afnemende impact bij een toenemende afstand (De Vries et al., 2012). Tot slot: als het zonnepark een heel grote omvang heeft (binnen het zichtveld van de waarnemer), oftewel het blikveld domineert, dan vormt het niet langer een element in het landschap, maar is er sprake van een zonneparklandschap (i.p.v. een landschap met daarin een zonnepark). In dat geval is de vraag wat betreft passendheid of integratie van het zonnepark in het (wijdere) landschap niet langer aan de orde: het zonnepark is het landschap. Maar dan kan nog steeds de vraag gesteld worden hoe aantrekkelijk men dit nieuwe landschap vindt (eventueel relatief ten opzichte van het oorspronkelijke landschap). Ter vergelijking kan gedacht worden aan het kassenlandschap in het Westland; dit type landschap scoort doorgaans laag qua belevingswaarde (zie foto’s).
Figuur 25
Zonneparklandschap in Pakistan (Bron: https://www.masterbuilder.co.in/pakistan-
setting-worlds-largest-solar-park/).
10
Deze ‘concurrence’ lijkt enigszins in de richting van rommeligheid te gaan. Een zonnepark waarbij de panelen heel strak in het gelid staan, komt weinig natuurlijk over. Maar een heel gevarieerde opstelling, al dan niet met meerdere typen panelen, kan als rommelig overkomen en daardoor de beleving negatief beïnvloeden. Van een rommelige opstelling zal in de praktijk niet snel sprake zijn.
56 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
Figuur 26
Kassen in het Westland (Bron: https://www.ad.nl/economie/nieuwe-vaarweg-voor-
groenten-en-fruit~a6ae5deb/).
Mitigerende maatregelen In tegenstelling tot bij windturbines en hoogspanningsmasten lijken er bij zonneparken goede mitigerende maatregelen mogelijk als het gaat om de belevingswaarde van het landschap (zie ook Scognamiglio, 2016). In het vrij vlakke Nederland kan in het geval van laag bij de grond geplaatste panelen afscherming plaatsvinden door middel van bijvoorbeeld heggen. Hierdoor kan het zonnepark compleet aan het oog worden onttrokken. Daarbij moet aangetekend worden dat die afschermende maatregelen zelf (zoals heggen) ook de beleving kunnen beïnvloeden. Het gebruik van vegetatie heeft daarbij het voordeel dat het zelf ook als natuurlijk wordt gezien (uitgaande van een brede natuurdefinitie). Maar ook het type vegetatie speelt hierbij een rol: past deze in/bij het bestaande landschap of niet? Daarnaast maakt elk type afscheiding de mate van openheid van het landschap kleiner. In sommige landschapstypen zal het karakter van het landschap hier meer door veranderen dan in andere. Zeer open landschappen worden minder open, terwijl zo’n afscheiding in kleinschalige landschappen bij een passende vormgeving wellicht nauwelijks opvalt. Vooral door experts wordt aan zeer open landschappen een hoge waarde toegekend (‘kernkwaliteit’); dit lijkt door ‘gewone burgers’ veelal niet te worden gedeeld (zie bijv. Goossen et al., 2011).
Desalniettemin is in sommige gebieden door gemeente of provincie het toepassen van bijvoorbeeld hagen als afschermende beplanting voor zonneparken al verboden vanwege de aantasting van de openheid die dit met zich meebrengt. Overigens is een zonnepark zelf (zonder afschermende beplanting) ook een aantasting van de openheid, tenzij de panelen zeer laag bij de grond staan.
6.3
Maatschappelijke acceptatie van zonneparken
Balest et al. (2018) hebben gekeken naar de factoren die de keuzes, acties en reacties van de lokale bevolking ten aanzien van energietransitie, zoals gebruikmaken van zonne-energie, beïnvloeden. Op grond van een systematische review komen zij tot 15 dimensies en 41 subdimensies. Het voert te ver om deze hier allemaal te bespreken. Devine-Wright et al. (2017) geven, gebaseerd op de literatuur, een handzaam en informatief overzicht over welke factoren van belang zijn bij de weerstand van de lokale bevolking tegen zoiets als een zonnepark en hoe de kans op acceptatie zo groot mogelijk gemaakt kan worden. Ze geven onder andere de volgende aanbevelingen voor de praktijk: 1. Succesvolle plaatsing hangt samen met legitimiteit en vertrouwen; beide kunnen door vroegtijdige dialoog met en betrokkenheid van burgers bevorderd worden.
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 57
2. De lokale gemeenschap informeren over tot welke aanpassingen in het oorspronkelijke plan hun inbreng heeft geleid, kan het vertrouwen en de sociale acceptatie vergroten. 3. Gemeenschapsprojecten kennen doorgaans een hogere mate van acceptatie dan commerciële projecten en worden veelal ook sneller goedgekeurd. 4. Projecten waarbij de gemeenschap financieel baat heeft bij het zonnepark leiden wellicht niet tot meer sociale acceptatie, maar kunnen er wel voor zorgen dat de verdeling van kosten en baten als eerlijker wordt ervaren door de lokale bevolking. 5. Coördinatie tussen de verschillende overheidslagen, bijvoorbeeld gemeente en provincie, kan gemeenschappen helpen om actief te participeren in projecten die door de gemeenschap getrokken worden, of in projecten met een gedeeld eigenaarschap. 6. Ruimtelijk zoneringsbeleid is nuttig om de zorgen van de belangrijkste stakeholders te coördineren, maar garandeert geen sociale acceptatie. 7. Lokale gemeenschappen zijn wellicht eerder geneigd een project te accepteren als de planners en ontwerpers in hun plannen de lokale identiteit en de verbondenheid van mensen met bepaalde plekken respecteren. Ze geven ook specifiek aanbevelingen voor het beleid. Van der Schoor en Scholtens (2015) gaan in op de overgang van passieve acceptatie naar actieve betrokkenheid bij de lokale energietransitie, zoals burgerinitiatieven.
Ze gaan specifiek in op de vraag hoe lokale gemeenschapsinitiatieven op dit vlak kunnen bijdragen aan een gedecentraliseerde duurzame energievoorziening. Ze komen tot de conclusie dat een gedeelde visie, de intensiteit van activiteiten op dit gebied en het type organisatie belangrijke factoren zijn voor de sterkte van het ‘lokale netwerk’. Het zou kunnen dat in het stedelijk gebied en in recreatiegebieden de acceptatie voor zonneparken groter is en de inpassing makkelijker. Hier is echter geen wetenschappelijke onderbouwing voor. Een leuk voorbeeld van een combinatie van een natuurpark, recreatiegebied en een zonnepark is Solar Park De Kwekerij in Hengelo (Gld). Een park met bijna 7000 panelen op 7,1 ha. Het solarpark is iedere dag geopend voor het publiek. Het park is geëindigd in de top 3 van de Gelderse Prijs voor Ruimtelijke Kwaliteit 2018. Zie www.nlsolarparkde kwekerij.nl.
Figuur 27
Solarpark De Kwekerij (bron: https://nlsolarparkdekwekerij.nl).
58 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
6.4
Conclusies en kennisleemten
• De belevingswaarde, met name in de zin van hoe mooi mensen het landschap vinden, zal door het realiseren van een zonnepark doorgaans afnemen. Daarmee is niet gezegd dat zij zo’n zonnepark onacceptabel vinden; uit milieuoverwegingen kunnen zij hier bijvoorbeeld toch voor zijn. Voor de acceptatie van het (realiseren van een) zonnepark maakt het naar verwachting inderdaad uit of de omwonenden bij het proces betrokken zijn en zich serieus genomen voelen en of zij hier zelf ook financieel baat bij hebben (dan wel gecompenseerd worden), alhoewel het geen garanties biedt voor een groot maatschappelijk draagvlak. De Green Deal Participatie van de Omgeving bij Duurzame Energieprojecten, waarin het onder andere gaat om het beter betrekken van burgers, lijkt daarmee een goede zaak. Acceptatie lijkt overigens een meer tijdgebonden fenomeen dan beleving: acceptatie speelt vooral vanaf het begin van het proces tot enige tijd na de plaatsing (als het al tot plaatsing komt; zo ja, dan maakt het niet accepteren veelal plaats voor berusting); de belevingswaarde kan langduriger negatief beïnvloed worden door het zonnepark (alhoewel ook hierbij gewenning op kan treden). • Qua beleving zal de negatieve impact van een zonnepark groter zijn naarmate het landschap in z’n huidige staat hoger gewaardeerd wordt. Meer natuurlijke omgevingen lijken op dit punt minder geschikt dan landbouwgebieden.
Maar een andere factor is hoeveel mensen hoe vaak met het zonnepark geconfronteerd worden. Daarvoor geldt: minder is beter. Een zonnepark in een groot bosgebied (waar weinig recreanten komen) kan op dit punt daarom beter scoren dan een zonnepark in een (visueel) zeer open agrarisch gebied nabij bevolkingsconcentraties. • Er is nog vrijwel geen onderzoek gedaan naar het effect van verschillende inrichtingsvarianten van zonneparken op de belevingswaarde van het landschap. Wel lijken er goede mogelijkheden voor mitigerende maatregelen, zoals een strook dichte vegetatie rondom het park dat het park aan het zicht onttrekt. Die vegetatie moet dan zelf bij voorkeur wel weer in het landschap passen. Uit onderzoek naar windturbines komt een afnemende negatieve impact per windturbine naar voren. Als dit doorgetrokken wordt naar zonneparken, dan lijkt het voor de beleving beter om minder, maar wel grote zonneparken te hebben dan om veel vrij kleine zonneparken te hebben: de geaggregeerde aantasting van het Nederlandse landschap is dan minder. Voor de acceptatie, met name die van de lokale bevolking, ligt dit waarschijnlijk heel anders.
• In aanvulling op onderzoek à la Green Deal Participatie van de Omgeving bij Duurzame Energieprojecten (dat zich richt op hoe het proces rondom het betrekken van burgers optimaal vorm te geven met het oog op (vooral) acceptatie en beleving), lijkt onderzoek naar de invloed van de locatie, omvang en vormgeving van het zonnepark op (vooral) beleving en acceptatie nodig: dit is er nog nauwelijks. Ook onderzoek naar mogelijke low-tech mitigerende maatregelen lijkt zinvol; deze zouden weleens een grotere (positieve) invloed op de beleving kunnen hebben dan een aangepaste vormgeving van het zonnepark zelf.
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 59
7
Aanbevelingen voor provincies en gemeenten
Dit rapport laat zien dat er zijn mogelijkheden zijn om zonneparken te combineren met landbouw en natuur en de negatieve effecten op bodem en landschap te verkleinen of te voorkomen. Provincies en gemeenten zijn betrokken bij de vergunningverlening en kunnen op die manier het proces beïnvloeden. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening geven provincies regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. De verordening zorgt voor doorwerking naar de gemeenten. Indien een provincie dat wenst, is het mogelijk middels deze verordening het realiseren van zonneparken te optimaliseren. Het is aan de provincies hoe ver ze hierin willen gaan. De vergunningsverlening voor nieuwe zand- en grindwinningen is bijvoorbeeld in veel provincies beperkt. Dit mag alleen nog maar plaatsvinden als middel om een hoofddoel als natuurontwikkeling of recreatie te realiseren. Analoog hieraan zouden ook aanvullende eisen bij nieuwe zonneparken gesteld kunnen worden. Ook gemeenten kunnen aan ontwikkelaars van zonneparken plannen voor nevenfuncties vragen. Het is voor een provincie wellicht niet nodig om per park een beoordeling te geven, maar een strategie op een hoger schaalniveau kan zijn om een projectontwikkelaar altijd een aantal onderwerpen te laten toelichten.
Aspecten die daarbij van belang zijn: Locatiekeuze Als je natuurwaarden centraal stelt: kies voor een locatie waar natuurwaarden niet aangetast worden en liefst verbeterd worden. Denk bijvoorbeeld ook aan hydrologische bufferzones rondom Natura 2000-gebieden. Maar voor beleving kunnen weer andere locaties de voorkeur genieten. Vraag aan de projectontwikkelaar hoe er bij de locatiekeuze rekening is gehouden met biodiversiteit, landschap, landbouw en bodemvruchtbaarheid van de grond op lange termijn. Combinaties met landbouw Gekozen moet worden of een dubbel doel wordt nagestreefd of dat maximale elektriciteitsopwekking de voorkeur heeft. Een dubbel doel zal leiden tot een minder intensief zonnepark waar, om dezelfde energieopbrengst te realiseren, een groter oppervlakte zonnepark nodig is. Voor de combinatie landbouw-zonne-energie is van belang: genoeg lichtinval en goede regenwaterverdeling voor voldoende gewasgroei; in het geval van akkerbouw en veeteelt voldoende ruimte voor mens, dier en machine; hoe valt de voorgestelde combinatie binnen de juridische kaders? Bijvoorbeeld: mestplaatsing, natuurcompensatie, (biologische) uitloop en landgebruik. Daarvoor zijn mogelijk aanvullende regels nodig. Veldopstelling Lichtinval op de bodem en een goede regenwaterverdeling zijn essentieel.
In het algemeen geldt: hoe ruimer de opstelling, hoe meer kansen voor natuur, biodiversiteit en behoud van de bodemvruchtbaarheid. Het totale ruimtebeslag bij eenzelfde energieproductie wordt daarmee wel groter. Laat de projectontwikkelaar aangeven hoe hij hiermee rekening houdt. Ecologische inpassing Een zonnepark op niet-bemeste grond levert kansen om diversiteit te creëren. Denk bijvoorbeeld aan inheemse bloeiende kruiden, waardoor een aantrekkelijk habitat voor insecten, vogels en andere fauna gecreëerd kan worden. Maar in veenweidengebied kunnen zonneparken wellicht ook gecombineerd worden met hogere waterpeilen, CO2-opslag en misschien zelfs weidevogels uit de omgeving. Indien gewenst: laat de projectontwikkelaar een plan maken voor de ecologische inpassing waaruit blijkt dat dit een belangrijke nevenfunctie van het zonnepark is.
60 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
Landschappelijk inpassing De belevingswaarde van het landschap zal door het realiseren van een zonnepark doorgaans afnemen. In een meer gesloten landschap is plaatsing van zicht-afschermende haagstruwelen rondom een zonnepark te prefereren boven hekwerken. Dit kan ook ecologisch voordelen bieden. Maar landschappelijke inpassing is altijd maatwerk. Voor de acceptatie van het realiseren van een zonnepark maakt het uit of de omwonenden bij het proces betrokken zijn en zich serieus genomen voelen en of zij hier zelf ook financieel baat bij hebben. Laat een projectontwikkelaar in het plan aangeven hoe er met deze aspecten wordt omgegaan. Beheer In veel gevallen wordt bij het ontwerp van het zonnepark nog te weinig nagedacht over het beheer na realisatie. Terwijl dit essentieel is voor het ontwikkelen en in stand houden van biodiversiteit. Maaien en afvoeren van het maaisel kan een lastige en kostbare post vormen tussen alle draagconstructies. Daarom kiest men soms voor permanente begrazing door schapen of zelfs onkruidbestrijdingsmiddelen, ecologisch niet de beste opties. Bij een inrichtingsplan hoort ook een ontwerp van het beheer, inclusief de kosten daarvan. Monitoring Om na te gaan of een zonnepark ook daadwerkelijk meerwaarde oplevert aan biodiversiteit of combinaties met landbouwfuncties en hoe we dit kunnen optimaliseren, dient dit gemeten te worden.
Diverse provincies geven als randvoorwaarde bij het realiseren van een zonnepark de opdracht om de biodiversiteit en bodemvruchtbaarheid periodiek te (laten) monitoren. Liefst op een gestandaardiseerde manier, zodat gegevens, die openbaar beschikbaar moeten zijn, ook gebruikt kunnen worden voor uitgebreidere onderzoeken.
Wageningen Environmental Research Rapport 2945
| 61
Literatuur
BODEM Armstrong, A., Ostlem, N.J., & Whitaker, J., 2016. Solar park microclimate and vegetation management effects on grassland carbon cycling. Environmental Research Letters 11(7):074016. Beatty, B., Macknick, J., McCall, J., Braus, G., & Buckner, D., 2017. Native Vegetation Performance under a Solar PV Array at the National Wind Technology Center (No. NREL/TP- 1900-66218). National Renewable Energy Lab. (NREL), Golden, CO, USA. Bergsma, H.; Vogels, J.; Burg, A. van den; Bobbink, R., 2018. Is de bodemverzuring in Nederland onomkeerbaar? : door chronische verzurende depositie zal de natuur op droge natuur op droge zandgronden niet vanzelf herstellen. Vakblad natuur bos landschap 144, 4-7. Bloem, J., C. Koopmans en R. Schils, 2017. Effect van mest op de biologische bodemkwaliteit in de Zeeuwse akkerbouw. Wageningen Environmental Research, Rapport 2843. 54 blz. http://edepot.wur.nl/425171 Bünemann, E.K., Bongiorno, G., Bai, Z., Creamer, R.E., De Deyn, G., de Goede, R., Fleskens, L., Geissen, V., Kuyper, Th.W., Mäder, P., Pulleman, M., Sukkel, W., van Groenigen, J.W. & Brussaard, L., 2018. Soil quality – A critical review. Soil Biology and Biochemistry 120: 105-125. Dupraz, C., Marrou, H., Talbot, G., Dufour, L., Nogier, A., & Ferard, Y., 2011. Combining solar photovoltaic panels and food crops for optimising land use: towards new agrivoltaic schemes.
Renewable energy 36(10):2725-2732. Frambach, M., Liu, Y., Mazolla, L., Schurer, B., Tasiopoulos, L., & Villar Alegria, E., 2018. Combining solar panels and agriculture. Analysing the impact on soil biodiversity. Studentenrapport Wageningen Universiteit. Fraunhofer Institute for Solar Energy Systems ISE, 2017. Harvesting the Sun for Power and Produce – Agrophotovoltaics Increases the Land Use Efficiency by over 60 Percent. Hessel, R., J. Stolte en M. Riksen, 2011. Huidige maatregelen tegen water- en winderosie in Nederland. Wageningen, Alterra, Alterra rapport 2131, 50 blz. Klaassen, Raymond H.G.; Schaub, Tonio; Ottens, Henk-Jan; Schotman, A.G.M.; Snethlage, Judit; Mol, G., 2018. Literatuurstudie en formulering richtlijnen voor een ecologische inrichting van zonneparken in de provincies Groningen en Noord-Holland : Eindrapportage. Groningen : University of Groningen, - 39 p. Kok, L., van Eekeren, N., van der Putten, W.H., van den Born, G.J., Schouten, T., & Rutgers, M., 2017. Zonneparken en bodemafdekking. Bodem 4:18-21. Majumdar, D. & Pasqualetti, M.J., 2018. Dual use of agricultural land: Introducing ‘agrivoltaics’ in Millennium Ecosystem Assessment, 2005. Ecosystems and Human Well- being: Biodiversity Synthesis. World Resources Institute, Washington, DC, USA. Rutgers, M., T. Schouten, G. Jagers op Akkerhuis, J. Bloem, T. Breure, 2011. Kaderrichtlijn Bodem.
Bodembiodiversiteit onder druk bij dalende organische stof. Bodem 21(2), 19-21. Rutgers, M., Schouten, T., Bloem, J., Buis, E., Dimmers, W., van Eekeren, N., de Goede, R.G.M., Jagers op Akkerhuis, G.A.J.M., Keidel, H., Korthals, G., Mulder, C., Wattel-Koekkoek, E.J.W., 2014. Een indicatorsysteem voor ecosysteemdiensten van de bodem : Life support functions revisited. RIVM Rapport 2014-0145,129 pp. http://edepot.wur.nl/345145 Rutgers, Michiel & Trinsoutrot Gattin, Isabelle & Van Leeuwen, Jeroen & Menta, Cristina & Gatti, Fabio & Visioli, Giovana & Debeljak, Marko & Trajanov, Aneta & Bugge Henriksen, Christian & Creamer, Rachel, 2018. Key indicators and management strategies for soil biodiversity and habitat provisioning. http://landmark2020.eu/ Schouten, Ton, Jaap Bloem, Ron de Goede, Nick van Eekeren, Joachim Deru, Marleen Zanen, Wijnand Sukkel, Derk van Balen, Gerard Korthals en Michiel Rutgers, 2018. Niet-kerende grondbewerking goed voor de bodembiodiversiteit? - Veldexperimenten uitgelicht. Bodem nr. 3 juni 2018, p.20-23. https://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/544251 Semchenko, M., Lepik, M., Götzenberger, L., & Zobel, K., 2012. Positive effect of shade on plant growth: amelioration of stress or active regulation of growth rate? Journal of Ecology 100:459–466
62 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945
Valle, B., Simonneau, T., Sourd, F., Pechier, P., Hamard, P., Frisson, T., ... & Christophe, A., 2017. Increasing the total productivity of a land by combining mobile photovoltaic panels and food crops. Applied Energy 206:1495-1507. LANDBOUW Aroca-Delgado, R., J. Pérez-Alonso, Á.J. Callejón-Ferre, B. Velázquez-Martí, 8 maart 2018. Compatibility between Crops and Solar Panels: An Overview from Shading Systems, Sustainability 2018, 10, 743; doi:10.3390/su10030743 Bomers, S., A. Meeuwesen, B. Russchen, M. Salvioli, T. Wartena, 30-Jun-16. Technical and financial overview on combining solar panels with growing low revenue crops focused on the coming pilot project in Goeree-Overflakkee, rapportage in het kader van course academic consultancy training WUR Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM), 2017. Advies Mestverwerkingspercentages 2018. Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WUR. WOt-technical report 111. 72 blz.; 1 fig.; 58 tab.; 9 ref; 1 bijl. http://library.wur.nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/429589 Cotteleer, G., Luijt, J., Kuhlman, J.W. & C. Gardebroek, 2007. Oorzaken van verschillen in grondprijzen. Een hedonische prijsanalyse van de agrarische grondmarkt. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-rapport 41. 84 blz.; 8 fig.; 7 tab.; 41. ref.; 7 bijl.
https://edepot.wur.nl/33406 De Boerderij, 27 november 2018, zonnepanelen niet toegestaan in kippenuitloop De Boerderij, 2018. Impact zonnepark op grondmarkt beperkt. Achtergrond artikel, 17 maart 2018. https://www.boerderij.nl/Home/Achtergrond/2018/3/Impact-zonnepark-op-grondmarkt-beperkt260398E/ De Boerderij, 2018b. Zonnepark niet zonder meer aantrekkelijk. Achtergrond artikel, 31 juli 2018. https://www.boerderij.nl/Home/Achtergrond/2018/7/Zonnepark-niet-zonder-meer-aantrekkelijk315946E/ De Boerderij, 2019. Zonnepark: van duurzame kip naar duurzame energie. Achtergrond artikel, 23 januari 2019. https://www.boerderij.nl/Pluimveehouderij/Achtergrond/2019/1/Zonnepark-vanduurzame-kip-naar-duurzame-energie-384681E/?cmpid=NLC|boerderij_vandaag|2019-0123|Zonnepark:_van_duurzame_kip_naar_duurzame_energie De Ingenieur, 28 november 2017, Akkerbouw onder zonnepark De Stentor, 25 november 2018, Oost-Nederland werkt aan 50 nieuwe zonneparken: Invasie van de ‘energiecowboys’, https://www.destentor.nl/raalte/oost-nederland-werkt-aan-50-nieuwezonneparken-invasie-van-de-energiecowboys~ab3ca9c3/ Obergfell, T., September 2016, (Frauenhofer), Agrophotovoltaics – Existing Solution for New Problems, Blog ROM3D, 2015. Grondgebonden Zonneparken, https://www.rvo.nl/sites/default/files/2016/09/Grondgebonden%20Zonneparken%20%20verkenning%20afwegingskadersmetbijlagen.pdf Ruitenberg, G., R.
Jacobs, Juli 2014, Verkenningen mogelijkheden voor het verlagen van het energieverbruik in de melkveehouderij, RVO RVO, 10-januari 2019, Stimuleringsregeling duurzame energie, https://www.rvo.nl/subsidiesregelingen/stimulering-duurzame-energieproductie/categorie%C3%ABn/zon-sde RVO, prijsvraag zonnestroom, https://www.youtube.com/watch?v=DQdzRsC3qTU Silvis, 2018. Agrarische grondprijs gedaald. Wageningen Economic Research, Agrimatie, Grondprijs, februari 2018. https://www.agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?subpubID=2232&themaID=3588&indicatorID=3589 Spruijt, J., maart 2015, Wat levert een zonneweide per hectare op?, PPO 642