CConstaterende datMeierijstad
Koppel je AI →
Document · PDF

C10b TU Wageningen rapport.pdf

Raadsvergadering 27 januari 2021, gemeente MeierijstadBij agendapunt: Brieven van inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven29.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 25

gebruikt zou worden. Zowel opbouw als afname van het organische stofgehalte in de bodem gaat langzaam en kan pas na meer dan tien jaar meetbaar worden. Het bodemleven reageert al binnen drie tot vijf jaar. Dit kan worden gemeten aan de hand van indicatoren voor labiele (gemakkelijk afbreekbare) organische stof en verschillende groepen organismen (Rutgers et al., 2014; Bloem et al., 2017; Schouten et al., 2018). Er zijn referentiewaarden voor verschillende typen bodems uit de Bodembiologische Indicator (Bobi) en het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit. Door vergelijking van waarden onder en voor de panelen en aan de onbereden rand van het veld (ongestoorde grond), kan worden vastgesteld in hoeverre er verschillen zijn in bodemkwaliteit en hoe de waarden zich verhouden tot referentiewaarden van vergelijkbare landbouwgrond en natuurgebieden.

26 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

4

Consequenties voor de landbouw

4.1

Vraag en aanbod landbouwgrond

Landelijk beeld In de landbouw is een jarenlange trend gaande van schaalvergroting. Elk jaar wordt ongeveer 2-3% van de landbouwbedrijven beëindigd. De jaarlijkse vermindering van landbouwgrond bedraagt ca. 0,3% per jaar (natuur, infrastructuur en verstedelijking). Dit betekent dat het grootste deel van de landbouwgrond die beschikbaar komt door bedrijfsbeëindiging wordt overgenomen door de blijvende bedrijven, die daardoor steeds groter worden (zie figuur 12 met de ontwikkeling van het aantal landbouwbedrijven en -areaal). Landbouwbedrijven zijn van 1950 tot 2019 ontwikkeld van gemiddeld 500 are (5 ha) tot 2500 are (35 ha).

Figuur 12

Ontwikkeling van het aantal landbouwbedrijven en het landbouwareaal (bron: CBS).

De ontwikkelingen in de landbouw van de afgelopen jaren leiden eerder tot een behoefte aan meer grond dan dat grond uit de landbouw beschikbaar zou komen voor bv. zonneparken. Enkele belangrijke ontwikkelingen hierbij zijn: • Grondgebonden groei melkveehouderij; vanaf 2015 is dit principe als stelsel in werking getreden (AMvB), vanaf 2018 is het als maatregel opgenomen in de Meststoffenwet. Melkveehouderijbedrijven mogen alleen onder voorwaarden groeien: extra fosfaatproductie door uitbreiding van de melkveestapel moet verwerkt of volledig op eigen grond geplaatst kunnen worden. (https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/mestbeleid/mest/verantwoordegroei-melkveehouderij.) • Fosfaatrechten voor melkveebedrijven; vanaf 2017 zijn fosfaatreductiemaatregelen doorgevoerd. Vanaf 2018 is het fosfaatrechtenstelsel van kracht geworden. Bij de berekening van de fosfaatrechten van een bedrijf wordt niet alleen rekening gehouden met de referentiesituatie in 2015 (aantal stuks melkvee en melkproductie), maar ook met de fosfaatruimte, die bepaald wordt door de

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 27

vermenigvuldiging van het oppervlak landbouwgrond en natuurterrein in 2015 met de fosfaatgebruiksnormen daarvoor. Op basis daarvan wordt een generieke korting toegepast, die kan oplopen tot maximaal 8,3% voor bedrijven die het minst grondgebonden zijn. • Mestverdeling – in het mestbeleid van de afgelopen decennia zijn in verband met de negatieve milieueffecten de gebruiksnormen voor dierlijke mest aangescherpt. Hierdoor is in Nederland een mestoverschot ontstaan. Een deel hiervan wordt verwerkt en/of geëxporteerd naar het buitenland. Deze beide oplossingen zijn kostbaar, wat geleid heeft tot een toename van mestafzetkosten voor landbouwbedrijven. Bedragen van meer dan 20 euro per ton afgevoerde mest zijn geen uitzondering meer. Door grond aan te kopen, kan meer mest op het eigen land worden uitgereden en kunnen mestafvoerkosten verlaagd worden. Het plaatsen van bv. 50 ton mest per ha kan daarmee een kostenbesparing van meer dan 1000 euro per ha per jaar opleveren. Berekeningen voor de mestmarkt laten zien dat er bij de huidige veestapel en gebruiksnormen een aanzienlijke opgave ligt voor mestverwerking en export, wat met hoge kosten gepaard gaat. RVO geeft aan dat bij gebruik van landbouwgrond voor zonneparken, deze grond niet meer mag worden meegeteld voor mestplaatsingsruimte (ook niet als eronder beweiding plaatsvindt met bv. schapen).

Tabel 1

Fosfaatgebruiksruimte, mestproductie, bedrijfsoverschot*) en

mestverwerkingspercentages 2018**) per regio. Basisvariant, d.w.z. mestacceptatiegraden van 100% in alle regio’s. Bron: CDM (2017).

• Kringlooplandbouw – bij de huidige veehouderijsystemen is het meestal zo dat bedrijven minder grond nodig hebben voor voerproductie dan voor afzet van de mest. Dit komt vooral doordat de meeste veehouderijbedrijven veel voer aanvoeren van buiten het bedrijf. In de nieuwe visie van LNV staat het streven naar kringlooplandbouw voorop. Een van de kenmerken daarvan is het sluiten van kringlopen op een zo laag mogelijk niveau. Dit kan door het gebruik van kunstmeststoffen en voeraankopen te verminderen. Daarvoor hebben landbouwbedrijven in principe meer grond nodig. Alternatief is om over te schakelen naar een lagere productie (door minder vee te houden) met een hogere toegevoegde waarde, bv. via een kwaliteitsmerk. Of door voeraankopen te vervangen door aankopen van restproducten, waarbij het nog wel de vraag is in welke mate nog groei mogelijk is in het gebruik van restproducten. • Natuurinclusieve landbouw – in het algemeen geldt dat in een meer extensief landbouwsysteem meer mogelijkheden zijn voor maatregelen ter bevordering van de biodiversiteit dan in intensieve landbouwsystemen. Om dit te bereiken, hebben landbouwbedrijven in principe meer grond nodig. Alternatief is om over te schakelen naar een lagere productie met hogere prijzen voor hun producten, bv. via een kwaliteitsmerk.

Deze ontwikkeling wordt weliswaar voorgestaan in het deltaplan Biodiversiteit, maar het is nog niet duidelijk of dit een niche blijft of mainstream gaat worden.

28 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

4.2

Effect van zonneparken op de prijs van landbouwgrond

De ontwikkelingen van paragraaf 4.1 leiden alle tot een extra vraag naar landbouwgrond, die ook duidelijk zichtbaar wordt in de langjarige ontwikkeling van de grondprijs, zie figuur 13. In vijf jaar tijd is de gemiddelde grondprijs gestegen van ongeveer 45.000 naar ca. 60.000 euro per ha. In regio Zuid is de prijs bijna 50% hoger dan in regio Noord; de regio’s Oost en West zitten daartussenin. https://www.agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?subpubID=2232&themaID=3588&indicatorID=3589

Figuur 13

Grondprijzen per regio in de periode 2012-2018.

In figuur 14 is de hoeveelheid verhandelde grond in de periode 2012-2018 weergegeven. Over de jaren heen is het redelijk stabiel en gaat het om een kleine 2% van de totale oppervlakte landbouwgrond, ca. 35.000 ha per jaar. Via tijdelijke gebruiksconstructies is er sprak van meer dynamiek tussen bedrijven. (https://www.agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?subpubID=2232&themaID=3588&indicatorID=3589) De huidige afname van landbouwgrond van 0,3% per jaar, betreft dus 0,3 / 2 = 15% van de landbouwgrond die op de markt komt, 5000-6000 ha per jaar. Stel dat hierbij 10001 ha landbouwgrond voor zonneparken wordt toegevoegd, dan lijkt dat ogenschijnlijk een kleine hoeveelheid. De NVM geeft ook aan dat effect van zonnepanelen op de landelijke grondmarkt naar verwachting beperkt is, maar dat het regionaal, bv. in zoekgebieden die de gemeente aanwijst, sterker kan zijn (https://www.boerderij.nl/Home/Achtergrond/2018/3/Impact-zonnepark-opgrondmarkt-beperkt-260398E/). Cotteleer et al. (2007, https://edepot.wur.nl/33406) hebben echter laten zien dat de grondmarkt uit segmenten bestaat die in eerste instantie bepaald worden door de bestemmingen, maar in tweede instantie ook door de interactie daartussen. Het ontwikkelde model laat zien dat de prijs van een

1

Ter vergelijking: de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie (NVDE) streeft naar een oppervlakte van 10.000 ha binnen 5 jaar. https://www.boerderij.nl/Home/Achtergrond/2018/3/Impact-zonnepark-op-grondmarkt-beperkt-260398E/

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 29

perceel landbouwgrond hoog of laag is door de ‘landbouwwaarde’ (hoge of lage landbouwdruk), door het speculatie-effect, bij rode gebieden (hoge of lage verstedelijkingsdruk) dan wel door natuurontwikkeling (hoge of lage natuurontwikkelingsdruk). Als het aantal potentiële kopers in een lokale markt daalt van 8 naar 6, dan neemt de prijs per ha met circa 8% af (t.o.v. gemiddelde prijs en het gegeven dat er 8 verkopers waren) en andersom. Op een vergelijkbare manier leiden zonneparken tot een extra vraag naar grond, waardoor de grondprijs rond deze locaties waarschijnlijk zal stijgen en verdergaande bedrijfsontwikkeling voor sommige bedrijven moeilijker wordt. Je zou dus analoog aan de andere ‘drukken’ kunnen spreken van een ‘zonneparkendruk’. Verder zijn mogelijke indirecte effecten een aandachtspunt. Als de landbouwproductie in Nederland daalt door realisatie van zonneparken, zal dat leiden tot minder export van landbouwproducten of tot een grotere import. Dit betekent dat de landbouwproductie in het buitenland zal toenemen, met mogelijk een grotere klimaatbelasting dan voor diezelfde productie in Nederland. Hoe dan ook moet het verlies aan productieareaal gecompenseerd worden, althans bij gelijkblijvende inzet voor diervoederproductie voor de zuivel- en vleesconsumptie.

Figuur 14

Agrarische grondmobiliteit in de periode 2012-2018 naar regio.

Samenvattend: we kunnen stellen dat de behoefte aan landbouwgrond door zonnepanelen weliswaar van beperkte omvang is, maar dat lokaal een prijsverhogend effect niet kan worden uitgesloten. Dit kan ertoe bijdragen dat (lokaal) de ontwikkelingsmogelijkheden van blijvende bedrijven worden bemoeilijkt.

4.3

Zonneparken als tweede tak

Gevraagd wordt of het opwekken van stroom door middel van zonnevelden als extra pijler voor het agrarisch bedrijf kan dienen. Hiervoor is gekeken naar het financiële plaatje en de benodigde kennis en tijd van de boer.

30 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

Het produceren van elektriciteit door middel van zonnepanelen wordt financieel aantrekkelijk als de opgewekte stroom binnen de eigen elektriciteitsconsumptie valt (salderen) of als sprake is van subsidie (SDE). Zonder subsidie of salderen zal een investering in zonnepanelen op een bedrijfseconomisch aanvaardbare termijn niet rendabel zijn. Hierbij is het uitgangspunt vaak, net als voor de berekening van de SDE-subsidie, dat een investering in 5-15 jaar terugverdiend moet zijn. Voor een SDE+-subsidie moet het piekvermogen Zon-PV hoger zijn dan 15 kWp2 (meer dan circa 60 panelen). Dit aantal kan op daken, maar ook in zonneparken bereikt worden. Deze zonneparken worden met het doel gebouwd om zo veel mogelijk elektriciteit te produceren tegen zo laag mogelijke kosten. De investeringskosten zijn hoog, 650 k euro per ha zonnepark3. Spruijt heeft in 2015 de opbrengsten berekend ten opzichte van de teelt van pootaardappelen en wintertarwe (zie tabel 1). Een terugverdientijd van circa 10 tot 15 jaar is berekend op basis van de uitgangspunten in tabel 2 voor de situatie in 2015, waarbij bij een lage SDE+-subsidie of geen subsidie sprake is van een situatie waarbij de kosten niet worden terugverdiend. Hierbij moet worden aangetekend dat deze uitgangspunten sterk verouderd zijn.

De rente is nu erg laag en de investering per Wattpiek opgesteld vermogen is sterk gedaald (IEA 2017): het Nationaal Solar Trendrapport uit 2018 rapporteert -40% tussen september 2016 en september 2017. Het trendrapport van 2019 geeft aan dat de prijsdaling doorging in 2018. Elke verdubbeling van de wereldwijd geproduceerde hoeveelheid panelen leidt tot een prijsdaling van 28,5% (Nationaal Solar Trend Rapport 2019). Naargelang de situatie kan de terugverdientijd minder lang zijn (bijvoorbeeld belastingvoordeel, schaalvoordelen) of langer (hoge aansluitkosten, funderingsproblemen). Deze globale kostenberekening is in 2015 gedaan en is dus relatief oud. Echter geconstateerd is dat in de markt momenteel gerekend wordt met investeringskosten van zo’n 750K euro per hectare. Dit is vergelijkbaar met het rekenvoorbeeld uit 2015. De kosten voor zonnepanelen dalen al jaren achtereen, echter dit is maar een deel van de kosten voor de ontwikkeling van een zonnepark. Globaal worden de volgende kosten ingeschat per hectare zonnepark (uitgaande van park > 10 hectare): • Panelen 300K euro • Kabels en aansluiting 100K euro • Constructie 150K euro • Omvormers 150K euro • Planvorming 50K euro Beter is de kosten uit te drukken in de prijs per geproduceerde MWh zonnestroom. Volgens het nationaal Solar Trendrapport was dit december 2018 $ 43,-.

De SDE+-subsidie wordt berekend door uit te gaan van een basisbedrag (voorjaar 2018 was dit € 0,112 per kWh) waarvan een marktprijs voor geleverde energie van afgetrokken wordt: voorjaar 2018 € 0,038. Dit levert een bedrag op van € 0,074 bij levering aan het net. Bij eigen gebruik is de subsidie € 0,049. (bron: https://www.mijnenergiefabriek.nl/hoe-werkt-zonne-energie/subsidieregeling-sde). Het verschil tussen de wereldmarktkostprijs van $ 0.043 kWh met het basisbedrag laat in het algemeen voldoende ruimte voor aantrekkelijke businessmodellen. Wat natuurlijk niet wil zeggen dat zonneparken in alle situaties rendabel zijn. De kostprijs van stroom uit kleinschalige zonnestroominstallaties op daken is veel hoger: € 0.088 – € 0.319 per kWh. Voor de rentabiliteit is verder nog van belang dat een zonnestroominstallatie niet echt na 15 jaar is afgeschreven. Algemeen wordt aangenomen dat deze ten minste 25 jaar meegaat en misschien wel 40 jaar. Na het terugverdienen van de installaties blijft deze nog lang tegen lage kosten stroom produceren. Een alternatief is het verpachten van de grond aan grootschalige ontwikkelaars van zonneparken. Pachtprijzen van 4.000 tot 8.000 euro per hectare per jaar voor de duur van 20 jaar worden genoemd, onder andere door De Stentor4.

Deze pachtprijzen concurreren met de huidige gewasopbrengsten per hectare en de inspanning voor de boer is hierbij minimaal. Wel moet hierbij de kanttekening geplaatst worden dat de geproduceerde duurzame stroom niet wordt toegerekend aan

2 3 4

RVO 10-januari 2019 https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen/stimulering-duurzameenergieproductie/categorie%C3%ABn/zon-sde Spruijt J., maart 2015, Wat levert een zonneweide per hectare op?, PPO 642 De Stentor, 25 november 2018, Oost-Nederland werkt aan 50 nieuwe zonneparken: Invasie van de ‘energiecowboys’, https://www.destentor.nl/raalte/oost-nederland-werkt-aan-50-nieuwe-zonneparken-invasie-van-deenergiecowboys~ab3ca9c3/

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 31

het boerenbedrijf, tenzij hierover afspraken worden gemaakt tussen de zonnepark-ontwikkelaar en de betreffende boer.

Tabel 2

Berekende opbrengsten per hectare (Bron: Spruijt 2015).

In bovenstaande tabel is geïllustreerd dat de SDE-subsidies in fasen beschikbaar worden gesteld. Het subsidiebedrag stijgt per fase, maar het risico van langer wachten is dat het jaarlijkse maximum bereikt is. Een systeem vergelijkbaar met tuinbouwveilingen.

Tabel 3

Uitgangspunten voor berekening terugverdientijd (Bron: Spruijt 2015).

Anders dan bij vergistingsinstallaties waar een hoge mate van kennis van de boer verwacht wordt, is bij zonneparken de belasting minimaal en kan de exploitatie in eigen beheer worden uitgevoerd, maar ook door externe partijen. De investeringskosten zijn relatief hoog en kunnen voor een deel door vreemd vermogen ingevuld worden; hierdoor wordt wel de terugverdientijd vergroot. In opdracht van RVO5 is het verbruik op melkveebedrijven gemeten. Het elektriciteitsverbruik is opgedeeld in hoog, gemiddeld en laag verbruik, respectievelijk 88, 57 en 21 kWh per 1.000 kg melk. Voor een bedrijf met een melkopbrengst van 1.000.000 kg melk (circa gemiddelde grootte) betekent dit een jaarverbruik van 88.000, 57.000 en 21.000 kWh. Om elektrisch gezien energieneutraal te worden, zullen bij een hoog verbruik circa 400 panelen en bij een laag verbruik circa 100 panelen nodig zijn om de elektrische energiebehoefte te neutraliseren (uitgaande van panelen van 250 wattpiek met een opbrengst van 215 kWh per jaar). Uitgaande van 2m² benodigd dakoppervlak per paneel is circa 800 tot 200 m² geschikt dakoppervlak nodig. Verwacht wordt dat de meeste boerenbedrijven genoeg elektriciteitsopwekking door middel van zonnepanelen kwijt kunnen op hun dakoppervlak, eventueel aangevuld met zonnepanelen op het erf. De trend is dat

5

Ruitenberg G., R. Jacobs, Juli 2014, Verkenningen mogelijkheden voor het verlagen van het energieverbruik in de melkveehouderij, RVO

32 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

het Wattpiekvermogen van de panelen bij gelijke oppervlakte nog verder zal toenemen. Tegenwoordig zijn vermogens van 300 Wp normaal en de eerste panelen van meer dan 400 Wp zijn al op de markt. Indien voor volledig energieneutraal gekozen wordt, zullen diesel en gasverbruik ook meegenomen moeten worden. Er zal dan grofweg 75% meer opwekcapaciteit nodig zijn. Voor akkerbouwbedrijven ligt het elektriciteitsverbruik veel lager, maar de energiebehoefte is groter als dieselgebruik voor het landwerk ook wordt meegeteld. Een belangrijke factor voor het ontwikkelen van zonneparken zijn de ligging en capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Het maken van een aansluiting voor een zonnepark kan onevenredig hoge kosten met zich meebrengen, de zoektocht naar de geschiktste locatie en vorm voor elektriciteitsopwekking met zonnepanelen zal zeer sterk door deze variabele beïnvloed worden. Samenvattend Indien een landbouwer voldoende middelen heeft, dan is het investeren in zonnepanelen op daken of erf of een zonnepark op percelen een goede mogelijkheid om een zekere cashflow te genereren.

Als de energiebehoefte op landbouwbedrijven sterk toeneemt door meer automatisering en door omschakelen van dieselgebruik naar elektriciteit, leveren de zonnepanelen op daken niet meer voldoende elektriciteit voor de eigen energiebehoefte en zal het nodig zijn dat ook het erf of de perceelranden benut worden voor de aanleg van zonnepanelen. Vooral het verpachten van grond aan zonnepark-ontwikkelaars zal voor de meeste landbouwers financieel gezien voordelig zijn. Dit zal wel impact hebben op de bedrijfsvoering, maar de huidige pachtprijzen die betaald worden door de energieleverancier overstijgen de landbouwkundige winst die ervan het land gehaald kan worden.

4.4

Landbouwproductie onder zonnepanelen

De doelstelling van de huidige zonneparken is een zo hoog mogelijke elektriciteitsproductie te halen per hectare, agrarische productie wordt niet meegenomen in het ontwerp. De huidige zonneparken met een hoge concentratie van panelen op een perceel bieden dan ook weinig mogelijkheden tot agrarische productie. Voor akkerbouw zijn de huidige vormen van zonneparken niet geschikt, combinaties van zonnepark en veeteelt zijn in de huidige vorm van zonneparken wel mogelijk, bijvoorbeeld: uitloop van biologische kippen met zonnepanelen (bij vrije uitloopkippen is dit nog verboden)6 of schapen onder zonneparken (vooral als beheersmaatregel voor het gras). Elektriciteitsopwekking met zonnepanelen en agrarische productie zijn goed te combineren, mits beide functies worden meegenomen in het ontwerp. Door een dubbel doel na te streven, zal in Nederland genoegen moeten worden genomen met een lagere elektriciteitsopwekking en een lagere gewasopbrengst per ha. Door de zonnepanelen te verspreiden over meerdere ha’s in plaats van te concentreren op enkele ha’s, zal de economie van energieproductie en landbouw echter over de totale ha’s landbouw en zonneparken beoordeeld moeten worden in plaats van per ha zonnepark. Momenteel zijn er innovaties die een gecombineerd landgebruik mogelijk maken.

Op hoofdlijnen zijn er drie denkrichtingen: • Configuratie/plaatsing zonnepanelen • Mobiele panelen • Lichtdoorlatende zonnepanelen RVO heeft in 20157 een studie laten uitvoeren naar mogelijke inpassing van zonneparken in het landelijk gebied. Daarin wordt al vastgesteld dat een goed afwegingskader nodig is.

6 7

De Boerderij, 27 november 2018, zonnepanelen niet toegestaan in kippenuitloop ROM3D, 2015, Grondgebonden Zonneparken, https://www.rvo.nl/sites/default/files/2016/09/Grondgebonden%20Zonneparken%20%20verkenning%20afwegingskadersmetbijlagen.pdf

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 33

Configuratie/plaatsing zonnepanelen

Figuur 15

Links akkerbouw onder zonnepanelen op hoogte (bron: de Ingenieur). Rechts veeteelt

onder zonnepanelen (bron: RVO 2015).

Om voldoende licht en water toe te laten voor plantengroei kan ervoor gekozen worden om een zonnepark aan te leggen met een lage dichtheid aan panelen. Een simpele manier is het zodanig plaatsen van de panelen dat zonlicht bij de gewassen kan komen en dat er ruimte is om het land te bewerken. Dit kan door stroken met zonnepanelen af te wisselen met stroken voor gewassen. Of bijvoorbeeld het plaatsen van zonnepanelen als afdak voor vee. Ook mogelijk is het initiatief van het Fauenhofer Institut8, waarbij zonnecellen op een hoogte van >5 m worden geplaatst met een lage dichtheid (panelen per ha). Zowel opbrengsten in elektriciteit als in gewas zijn minder per ha ten opzichte van geconcentreerde, niet-geïntegreerde zonneparken (enkel doel), echter tezamen (wel geïntegreerd (dubbeldoel)) zijn de absolute opbrengsten van de totale ha’s hoger, althans in mediterrane landen (Dupraz et al., 2011; Valle et al., 2017; Majumdar & Pasqualetti, 2018). Onduidelijk is of deze integratie van landbouw en elektriciteitsopwekking in Nederland kan leiden tot financiële voordelen. Ook kan gedacht worden aan het plaatsen van panelen langs de randen van percelen. Het plaatsen van rechtopstaande panelen die bifacial zijn kan hierin een rol spelen. De bifacial panelen zijn duurder, maar hebben als bijkomend voordeel dat de elektriciteitsproductie beter verspreid over de dag is.

Dit voordeel wordt belangrijker indien er in de toekomst een prijsverschil zou komen tussen elektriciteit opgewekt in de zomermaanden ten opzichte van andere maanden of ‘s ochtends en ‘s avonds ten opzichte van midden op de dag.

Figuur 16

Mogelijkheden bifacial verticale zonnepanelen, Bron: RVO-prijsvraag zonnestroom,

https://www.youtube.com/watch?v=DQdzRsC3qTU.

8

De ingenieur, 28 november 2017, Akkerbouw onder zonnepark

34 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

Met de tabel van Hespul (zie figuur 17) kan bepaald worden welke opbrengstverliezen er optreden bij afwijkende plaatsing van de zonnepanelen. Momenteel worden de meeste zonneparken op het zuiden gericht. Bij bijvoorbeeld een zuid-opstelling en een hellingshoek van de zonnepanelen tussen 10 en 55 graden wordt de maximale energieproductie (95-100%) bereikt. Bij een oost-west-opstelling heb je twee keer zoveel panelen nodig die samen bij een lage hellingshoek tot ca. 25 graden een energieopbrengst opleveren van totaal ca. 176% (= 2x 88%). Verticale panelen in zuid-opstelling hebben een opbrengst van ca. 71% t.o.v. het maximaal mogelijke. En verticale oost-west (Bifacial) is 56 + 58 = 114%. Bij een oost-west-opstelling heb je een betere verdeling van de energieproductie, dit levert financieel voordeel op indien er een prijsverschil zou komen tussen piek- en daluren.

Figuur 17

Tabel van Hespul, op basis van de hellingshoek en de richting kan bepaald worden hoe

groot de opbrengst is ten opzichte van de ideaalste opstelling (rood 100%, oranje 90-100%, geel 8090%, groen 60-70%).

De tabel van Hespul is van toepassing indien geen gebruikgemaakt wordt van ‘solar tracking’. Er zijn diverse opstelsystemen op de markt die de panelen, op elke tijdstip van de dag, in één of twee dimensies richten op de zon. Je combineert daarmee de voordelen van verschillende oriëntaties. De kosten van deze systemen zijn vrij hoog. In Nederland worden ze zelden toegepast. Mobiele panelen Door de panelen mobiel te maken, kunnen deze meebewegen met de ritmes van het bedrijf. Bijvoorbeeld bij het verweiden van de koeien of het braak liggen van akkerland. Door de zonnepanelen langzaam te verplaatsen, wordt de schaduw evenredig verdeeld over het veld. Er zijn initiatieven, maar deze systemen dienen nog verder ontwikkeld te worden.

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 35

Figuur 18

Zonnepanelen op rijdende constructie. Bron: RVO-prijsvraag zonnestroom,

https://www.youtube.com/watch?v=DQdzRsC3qTU.

Figuur 19

Zonnepanelen beweegbaar en opvouwbaar. Bron: RVO-prijsvraag zonnestroom,

https://www.youtube.com/watch?v=DQdzRsC3qTU.

Lichtdoorlatende zonnepanelen Lichtdoorlatende zonnepanelen zorgen ervoor dat het gewas eronder blijft groeien. De uitdaging is om zonnepanelen te ontwikkelen die de golflengten voor bladgroen doorlaten en de overige straling omzet in elektriciteit. Hier wordt onderzoek naar gedaan. Toepassing op bijvoorbeeld kassen wordt dan ook mogelijk. Opbrengsten gewassen onder zonnepanelen Voor plantengroei is licht een belangrijke factor. De zonnepanelen op landbouwgrond houden een gedeelte van het licht tegen. Het spectrum dat door planten wordt gebruikt voor de fotosynthese wordt ook door de zonnepanelen gebruikt voor elektriciteitsopwekking. Over verliezen qua gewasopbrengsten onder zonneparken is weinig bekend. Alleen de eerder aangehaalde studies uit Zuid-Frankrijk en Italië zijn beschikbaar. In het kader van een mastervak heeft een team studenten van de Wageningen Universiteit modelmatig berekend dat een schaduwoppervlak van circa 70% resulteert in een gewasverlies van circa 50%. Er is dus een indicatie dat het effect van de zonnepanelen minder ernstig is dan wat op basis van oppervlakte schaduw te verwachten zou zijn. Aroca-Delgado (2018) heeft een review uitgevoerd naar het gebruik van zonnecellen in combinatie met kasteelten. Conclusie is dat dit wereldwijd in de belangstelling staat.

Het idee erachter is dat door middel van (beperkte) schaduwvorming of beperkt doorlaten van licht schade aan gewassen door een overschot aan licht kan worden vermeden. In zuidelijke streken speelt ook een reductie van de

36 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

verdamping van schaars water een grote rol. Deze zonnepanelen krijgen dan dezelfde functie als doeken of bekalking van het dak. Voor de Nederlandse open teelten is dit minder van belang. Het Frauenhofer instituut heeft een grafiek gemaakt met de gewasopbrengsten en de instraling (zie figuur 20). Hieruit blijkt dat onder de omstandigheden die zij bekeken hebben, sommige gewassen baat hebben bij verminderde instraling. Er is niet genoemd hoe deze grafiek verkregen is en de waarde ervan is dus niet te bepalen. Daarom kunnen we geen uitspraak doen over de Nederlandse situatie. Wel wordt verwacht dat bepaalde gewassen (in het geval van figuur 19 aardappelen) of specifieke schaduwgewassen baat kunnen hebben bij een vermindering van de instraling, terwijl andere gewassen, bijvoorbeeld graan, in dit geval direct een verlaging van de opbrengst laten zien.

Figuur 20

Bruikbare gewassen – casestudy Germany, bron Blog Tabea Obergfell (Frauenhofer),

Agrophotovoltaics – Existing Solution for New Problems. September 2016.

4.5

Gevolgen zonneparken op bodemvruchtbaarheid landbouwgrond

Langdurige overdekking van de bodem onder zonnepanelen leidt naar verwachting tot afname van bodemvruchtbaarheid. Hoe veel en hoe snel weten we niet. De voornaamste zorg is dat minder licht en een andere verdeling van het water via minder planten(wortels) zullen leiden tot minder bodemleven en lagere organische stofgehalten (hoofdstuk 2). Dit is met name van belang als de grond later, na bijvoorbeeld 25 jaar, door een volgende generatie weer voor landbouw gebruikt zou worden. Uit langetermijnbemestingsproeven weten we dat opbouw van het organische stofgehalte in de bodem langzaam gaat en vaak pas na meer dan 10 jaar meetbaar wordt. Veranderingen in bodemleven zijn sneller zichtbaar. Door de vele kleine poriën in kleigrond worden organische stof en micro-organismen beter beschermd tegen afbraak dan in lichtere gronden. Daarom breekt organische stof sneller af in zandgrond. Omgekeerd duurt herstel van organische stof en bodemleven waarschijnlijk ook langer op lichte gronden. Op een intensief bewerkte akker op lichte zavel was pas na 18 jaar een duidelijke toename van organische stof in de bodem meetbaar na langdurige toediening van (slechts) bepaalde organische mestsoorten. De best werkende mestsoorten, zoals vaste stalmest, zijn tegenwoordig niet meer ruim voorhanden en de giften worden beperkt door mestwetgeving (Bloem et al., 2017).

Het algemene beeld uit langetermijnproeven is dat na 20 jaar organische bemesting het organische stofgehalte 20-30% hoger is dan bij toepassing van alleen kunstmest. Het hogere organischestofgehalte gaat gepaard met meer bodemleven, meer mineralisatie (nutriëntenlevering) en een betere benutting van stikstof uit organische stof. Er zijn aanwijzingen dat op kleigrond meer verbetering kan worden bereikt dan op zandgrond (25% versus 10%). Het is duidelijk dat als

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 37

zonneparken inderdaad zouden leiden tot afname van de bodemvruchtbaarheid, het herstel van goede landbouwgrond een generatie kan duren.

4.6

Combinatiemogelijkheden zonnepanelen en landbouw

De gevolgen van aanleg van zonnepanelen voor de landbouw en het rendement van de energieproductie hangen af van de mate van integratie, namelijk: 1. Beperkte integratie door toepassing op daken of erf. 2. Integratie op grotere schaal in een zonnepark, op hoofdlijnen zijn er drie mogelijkheden: uitgaande van minimale belasting landbouw; uitgaande van maximale energieproductie per ha; uitgaande van optimaliseren combinatie landbouw en energieproductie in groter gebied. Opgemerkt moet worden wanneer landbouwgrond volledig en langjarig wordt verhuurd voor een zonnepark dit gevolgen kan hebben voor diverse regelingen. Dit geldt vooral voor optie 2b, en is onduidelijk voor optie 2c. De VLB (Vereniging van Accountants- en Belastingadviesbureaus) waarschuwt dat verlies van bestemming landbouwgrond deze grond niet meetelt voor de wet grondgebonden groei melkveehouderij en de plaatsingsruimte voor mest wordt beperkt. Ook telt deze grond binnen het GLB niet meer mee en wordt daardoor uitgesloten van de betalingsrechten. Ook wordt geattendeerd op fiscale gevolgen. Ad 1. Beperkte integratie door toepassing op daken en erf Deze toepassing kan gezien worden als verhuur van daken en erf aan derden die gebruikmaken van de energie opgewekt door de zonnepanelen en/of zelf investeren voor eigen energievoorziening.

Het aantal benodigde zonnepanelen op een landbouwbedrijf voor eigen energievoorziening hangt af van de energiebehoefte. Dit verschilt per landbouwsector. De elektriciteitsbehoefte op een melkveebedrijf als voorbeeld kan de komende jaren toenemen door toenemend gebruik van automatisering voor het melken, het voeren en reinigen van vloeren. Ook kan gedacht worden aan landwerk indien tractoren op diesel vervangen zouden worden door elektriciteit, mits praktisch inpasbaar (met name telkens opladen kan beperkend zijn). Bij een toenemende energiebehoefte zal naast het dak op veestallen ook een deel van het erf nodig zijn voor het plaatsen van zonnepanelen, bijvoorbeeld: • als overdekking van een uitloop (kippen, varkens, melkvee, jongvee). Het opvangen van mest en urine in die uitloop vergt aandacht van de veehouder en vergt aanvullend beleid. Onduidelijk is of een overdekte uitloop voor bijvoorbeeld melkvee of jongvee gezien wordt als stal of niet. Zo ja, dan zal het ook aan de milieueisen van een stal moeten voldoen, zoals het verkrijgen van een RAV-code (ammoniakemissie factor) voor een overkapte uitloop. Bij pluimvee zijn er mogelijkheden zonnepanelen te combineren met een uitloop. De eisen die gesteld worden aan de uitloop verschillen tussen biologische en beter leven-keurmerken (1, 2 of 3 sterren).

Belangrijk is te letten op voldoende licht voor de dieren, voldoende oppervlakte en voorzieningen voor water en voer. Voor alle diersoorten geldt dat extra eisen aan de constructie nodig zijn om beschadiging door de dieren te voorkomen. • op het erf: ­ langs (bij voorkeur) of op sleufsilo’s (vereist opvouwbare panelen om hoogte te beperken); ­ langs erfranden, mits geen schaduw van beplanting; ­ rijpaden op erf (en eventueel in het land), mits voldoende hoogte voor machines en vrachtwagens. Dit stelt hoge eisen aan de constructie. Ad 2a. Integratie op grotere schaal in een zonnepark; met minimale belasting landbouw Door de zonnepanelen te plaatsen langs perceelranden, op of langs sloten, wordt de landbouw minimaal belast. Ook is er de mogelijkheid zonnepanelen te plaatsen in bermen, maar dit valt buiten de landbouw. Of gedacht kan worden aan de combinatie met windmolens. Zonneparken en windmolens kunnen een aansluiting op het net delen, met grote kostenbesparingen tot gevolg.

38 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

Ad 2b. Integratie op grotere schaal in een zonnepark; met maximale energieproductie per ha Door de zonnepanelen te concentreren op enkele ha’s maximaliseer je de elektriciteitsproductie per ha, maar zijn er slechts beperkt mogelijkheden deze te combineren met landbouw. Schapen (als grasmaaier) zouden kunnen dienen als beheersmaatregel. Voor kleine dieren als pluimvee en eventueel varkens is er in principe de mogelijkheid deze te gebruiken als uitloop, echter dit vergt wel voldoende ruimte tussen de panelen om ook aan de eis van open ruimte te voldoen. En een uitloop stelt eisen aan milieu en extra bescherming van een stevige constructie om beschadiging van de dieren te voorkomen. Ad 2c. Integratie op grotere schaal in een zonnepark; optimaal combineren landbouw en energie Door de functies te combineren, zal een vergunning nodig zijn om de zonnepanelen te verspreiden over een groter gebied. Het gaat dan niet om de opbrengst per ha zonnepark, maar om het verdienmodel van het totaalaantal ha’s landbouw en zonnepanelen. De combinatie kan meer opbrengst genereren, maar vergt ook extra kosten. De extra kosten door panelen te spreiden, zijn onvoldoende bekend; denk aan kosten voor: • extra bekabeling; • mobiel maken panelen: o.a.

kosten voor verankeren tegen stormschade; • type paneel: verticale panelen hebben de voorkeur, echter zijn duurder en gevoeliger voor storm; • lichtdoorlatende panelen: zijn duurder om dezelfde energie hoeveelheid te leveren; • minder ha’s voor mestaanwending: voor intensieve bedrijven betekent dit extra mestafzet; • onduidelijk is hoeveel ha’s vervallen bij een combinatie zoals hier geschetst; • landwerkzaamheden; panelen in land met bijbehorende constructie belemmeren landwerkzaamheden. De combinatie met gewassen kan op verschillende manieren: • strook panelen combineren met strokenteelt van gewassen: vaste opstelling of mobiel; • vaste constructie in het land waar machines onderdoor kunnen waardoor gewasproductie onder panelen mogelijk is met beperkte daling van de gewasopbrengsten, afhankelijk van type gewas. Het effect van zonnepanelen op de gewasopbrengst en -kwaliteit verschilt per gewas en hangt af van type paneel, vast of mobiel en van de hoogte. Door slimme ontwerpen kan mogelijk een microklimaat onder de panelen gecreëerd worden die de schade aan gewassen beperkt of misschien de productie zelfs positief beïnvloedt. Andersom kan de teelt, bijvoorbeeld onder folie, zorgen voor extra energieopbrengst door weerkaatsing van licht, met name bij gebruik van bifacial panelen (dubbelzijdig).

4.7

Conclusies en kennisleemten

• Het blijkt dat een zonnepark financieel duidelijk meer oplevert dan grondgebonden veehouderij of akkerbouw. Voor stoppende boeren en akkerbouwers kan het een verleidelijk alternatief zijn, waarmee echter de ontwikkelingsruimte voor blijvende bedrijven wordt beperkt. Voor melkveehouders zal de grondgebondenheid een belangrijke factor zijn, waardoor niet snel gekozen wordt voor zonneparken. In het streven naar een duurzamere landbouw (natuurinclusief, circulaire landbouw, mestnormen) hebben boerenbedrijven juist behoefte aan meer grond; de grondprijzen laten dan ook een stijgende lijn zien. Of de aanleg van een zonnepark financieel aantrekkelijk is, hangt ook in sterke mate af van de kosten voor aansluiting op het net. Hoe groter de afstand tot het openbare net, hoe hoger de kosten. • Er lijkt een groot scala aan combinaties van landbouw en zonneparken mogelijk door panelen op hoogte te installeren, op en rond erven of langs perceelranden. De combinatie met een uitloop van dieren (jongvee, melkvee, varkens of pluimvee) vergt aanvullend beleid (milieu en dierenwelzijn) dat eisen stelt aan de uitloop. Over de effecten van spreiding van zonnepanelen (in plaats van concentreren op enkele ha’s) over een groter areaal landbouwgrond op de gewasproductie en het dierenwelzijn van weidende dieren, is nog onvoldoende bekend in Nederlandse omstandigheden.

Nader onderzoek kan mogelijk interessante combinaties opleveren van energie en landbouwproductie, vooral omdat de technische ontwikkelingen qua typen zonnepanelen en opslagmethoden van energie zich verder zullen ontwikkelen. Tevens is het nog niet duidelijk hoe wet en regelgeving toegepast wordt bij gecombineerd landgebruik (bijvoorbeeld mestnormen en toeslagrechten).

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 39

• Het grote scala aan combinatiemogelijkheden van landbouw en zonneparken vergt per combinatiemogelijkheid een afweging tussen hoeveelheid op te wekken duurzame energie, de schaal waarop, de mate van integratie op het erf en/of het land enerzijds en anderzijds de kwaliteit van het erf en het grondgebied voor diverse functies, daarbij rekening houdend met milieuaspecten en dierenwelzijn. Kennisleemten De technische ontwikkelingen van verschillende typen zonnepanelen, omvormers, aansluitingen op het elektriciteitsnet en opslagmethoden van pieken en de gehele constructie zullen toenemen. Daardoor zullen steeds weer nieuwe kansen ontstaan voor combinatiemogelijkheden tussen landbouw en energieproductie. De kennisbehoefte zal daarom in de loop der tijd veranderen en hangt af van de toepassing op een landbouwbedrijf, wat samenhangt met de mate van integratie tussen de landbouwkundige en energieleverende functie. De kennisvragen hebben te maken met ontwerpopgaven, verdienmodellen, aanvullende beleidsvragen en gevolgen voor dieren en gewassen. Een belangrijke andere ontwikkeling is de opslag van energie om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen. Een mogelijkheid is zonne-energie, eventueel gecombineerd met windenergie te verwerken tot waterstof, deze lokaal opslaan en de waterstofvoorraad aanwenden wanneer deze nodig is.

Deze innovatie of andere wijzen van opslag zullen steeds belangrijker worden, maar zijn nog niet marktrijp. Ad 1. Beperkte integratie door toepassing op daken en erf • Daken Bij toepassing op daken kan gedacht worden aan gebouwen voor vee, maar ook tuinbouwkassen. Welk deel van de zonnestraling wordt gebruikt voor opwekken elektriciteit, voor groei planten en voor licht in het gebouw voor dier en plant? Wat zijn de gevolgen voor opwarmen lucht in het gebouw en welke gevolgen heeft dit voor de verschillende planten en diersoorten? En zou de warmte onder panelen benut kunnen worden? • Uitloop Welke opstelling, zuid of oost, gecombineerd met west, past het best bij de eisen die gesteld worden aan een uitloop voor de verschillende diersoorten? Denk aan mate van openheid tussen panelen, wateropvang, bescherming tegen eventuele beschadiging door dieren (wroeten e.d.), geen stof op panelen, voorzieningen voor drinken en voeren. Wat zijn de gevolgen voor het diergedrag indien sprake is van een (deels) overkapte uitloop? Wat zijn de voor- en nadelen van lichtdoorlatende panelen voor het diergedrag? Indien sprake is van een behoorlijke overkapping is mogelijk aanvullend beleid nodig in relatie tot milieueisen rond beperken van emissies van ammoniak, broeikasgassen en stof.

• Voer- en mestopslag Hoe pas je zonnepanelen rond voer- en mestopslagen in zodat je minder last hebt van regenwater, pers-sappen en geen hinder hebt bij werkzaamheden? • Op of langs paden Hoe kun je de panelen zodanig plaatsen dat je ook erfafspoeling beperkt? En hoe beperk je hinder voor machines en vrachtwagens? Ad 2a. Integratie op grotere schaal in een zonnepark; met minimale belasting landbouw • Langs perceelranden, op of langs sloten Welk type paneel past het best langs perceelranden? Verticaal of toch met hellingshoek? Hoe maak je verticale panelen stormbestendig? Hoe zorg je voor aansluiting op het elektriciteitsnetwerk? Bij toepassing op sloten of meren: zijn er vragen over welke constructie? Wat zijn de gevolgen voor de waterkwaliteit? Is extra elektriciteitsopwekking mogelijk door weerkaatsing licht van het water (bifacial panelen)? • Combi met windmolens Is een combinatie mogelijk door zonnepanelen tussen windmolens (grote en kleine) te plaatsen? Hoe zorg je voor gezamenlijke aansluiting op het elektriciteitsnet? Hoe kun je gezamenlijk energie opslaan?

40 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

Ad 2b. Integratie op grotere schaal in een zonnepark; met maximale energieproductie per ha • Combi met uitloop beperkt Zie vragen uitloop ad 1) • Beleidsvragen Wat zijn de gevolgen voor verkrijgen toeslagrechten? Wat zijn gevolgen voor bemesting? Ad 2c. Integratie op grotere schaal in een zonnepark; optimaal combineren landbouw en energie Door zonneparken te combineren met landbouw is vergunning voor een groter gebied nodig, omdat de panelen verspreid worden over een groter gebied. Dit heeft gevolgen voor de teelt van landbouwgewassen, gedrag van dieren, de aansluiting op het elektriciteitsnet en inpassing in het landschap. Dit levert veel vragen op: • Technisch Welke type paneel in combinatie met zuid- of oost-/west-opstelling past het best bij welke vorm van landbouw? Denk aan verticaal, verticaal met bifacial, lichtdoorlatend, mobiel of vaste constructie waar je met machines onder door kunt rijden? • Gewasproductie Over de invloed van zonnepanelen op de gewasproductie is nog weinig bekend onder het Nederlandse klimaat? Nader onderzoek naar de invloed van beperken zonnestraling, veranderende waterhuishouding en microklimaat onder panelen op de gewasproductie en -kwaliteit is zinvol. Daarbij onderscheid maken tussen typen panelen en constructies.

Kan teelt onder folie ook zorgen voor extra energieproductie door weerkaatsing van het licht? • Diergedrag Wat is de invloed van verschillende typen panelen en constructies op het diergedrag? Hoe verandert bv. het beweidingsgedrag van melkvee? Welke voor- en nadelen biedt de schaduwwerking?

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 41

5

Biodiversiteit en zonneparken

5.1

Zonneparken als leefgebied

In deze paragraaf wordt beschreven of soorten uit diverse diergroepen zijn waargenomen in zonneparken. In welke mate dit het geval is, wordt bepaald door het aantal parken waarin waarnemingen zijn gedaan en of zonneparken ook aantrekkelijk of geschikt zijn als leefgebied. Per soortgroep wordt aangegeven of er voldoende rapportages van waarnemingen zijn gevonden en of de waarnemingen geïnterpreteerd kunnen worden als aanwijzing dat zonneparken werkelijk leefgebied zijn. Zoogdieren In een gedegen review besteden Montag et al. (2016) en Harrison (2017) aandacht aan de ecologische effecten van zonneparken. Montag is een van de weinige bronnen met velddata van zoogdieren in zonneparken. Volgens Harrison zijn er verder tot en met 2016 geen serieuze studies naar zoogdieren en natuurwaarden in het algemeen in zonneparken. Over alle acht zonneparken in Groot-Brittannië waarin batdetectors waren opgesteld was er geen verschil met de controlegebieden in het aantal soorten waargenomen vleermuizen (Montag et al. 2016). Vleermuizen vermijden zonneparken niet en worden er ook niet door aangetrokken. Wel leek de vleermuisactiviteit geringer te zijn in de zonneparken. Indien dat het geval is, kan interactie met de kunstmatig vlakke zonnepanelen een oorzaak zijn. Nader onderzoek wordt aanbevolen. Er zijn aanwijzingen dat vleermuizen panelen als wateroppervlakten waarnemen.

Het lijkt echter onwaarschijnlijk dat daardoor een aanvaringsrisico bestaat. Er zijn geen studies bekend waar slachtoffers gevonden werden (Taylor, 2010; Harrison et al., 2017). In dezelfde studie werden hazen (Lepus europaeus) in hoge dichtheden waargenomen in zonneparken. De rijen zonnepanelen leken als dekking gebruikt te worden. In zonneparken waren de dichtheden hoger dan in de controleplots, wat mede veroorzaakt kan zijn door een aantrekkelijke, gevarieerdere vegetatie daar als gevolg van het inzaaien van bloemrijke grasklavermengsels. Ook de vos (Vulpes vulpes) werd waargenomen in de onderzochte zonneparken, evenals sporen van dassen (Meles meles). De Wiltshire Wildlife Trust (2018) volgt de ontwikkeling van de Chelworth solar farm waar ook hazen, konijnen en reeën worden waargenomen. Herden et al. (2009) noemen ook deze soorten voor zonneparken in Duitsland en bovendien nog eekhoorn (Sciurus vulgaris) en damhert (Dama dama). Voor zoogdieren functioneren zonneparken dus als leefgebied. Als het grasland tussen en onder de panelen kruidenrijk is en veel dekking geeft, is het in potentie een aantrekkelijker leefgebied dan intensief gebruikt agrarisch gebied. Voor uitwisseling met de omgeving is het belangrijk dat het raster rond het zonnepark geen barrière is. Voor vrijwel alle soorten is het voldoende als de onderrand 10 cm van de grond is.

Voor reeën en herten is meer nodig. Hagen of sloten als afscheiding hebben in ecologisch opzicht de voorkeur boven hekken. Vogels Het overzicht in deze paragraaf is vooral gebaseerd op informatie die al eerder in samenwerking tussen de WUR, Universiteit Groningen en het kenniscentrum voor akkervogels is samengebracht. Sinds november 2018 zijn er vrijwel geen nieuwe bronnen beschikbaar gekomen. Zonneparken worden door vogels gebruikt (bijvoorbeeld Herden et al., 2009; Visser, 2016; Raab, 2015; Montag et al., 2016; Sinha et al., 2018). In de technische literatuur worden ‘gebruikers’ in zonneparken benoemd als bron van vervuiling door vogelpoep (Lamont & El Chaar, 2011). In studies waarin het voorkomen van vogels werd vergeleken tussen gerealiseerde zonneparken en de situatie voor de bouw van dat park of tussen zonneparken en de omgeving (referentiegebied), werden soms negatieve effecten gevonden op het aantal vogelsoorten (DeVault et al., 2014; Montag et al., 2016; Tröltzsch & Neuling, 2013) of het aantal individuen/territoria (Heindl, 2016; Tröltzsch & Neuling, 2013). DeVault

42 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

vond dat op vliegvelden de kans op aanvaringen tussen vliegtuigen en vogels afnam als graslanden werden omgevormd tot zonneparken vanwege het geringer aantal vogels dat gebruikmaakt van zonneparken. Soms werd er geen effect gevonden op deze parameters (Visser, 2016) en soms werd er juist een positief effect gevonden op het aantal vogelsoorten (Montag et al., 2016; Lieder & Lumpe, 2012). Effecten van de aanleg van zonneparken kunnen positief zijn als deze worden gebouwd op intensieve landbouwgrond (Montag et al., 2016; Raab, 2015; Herden et al., 2009; Lieder & Lumpe, 2012). Effecten van zonneparken zijn veelal negatief als deze worden aangelegd in meer natuurlijke habitats en natuurgebieden (Tröltzsch & Neuling, 2013; Heindl, 2016). Zonneparken zijn aantrekkelijker voor vogels naar mate er meer ruimte tussen de panelen bestaat. Tröltzsch & Neuling (2013) vonden meer nesten in zonneparken met meer ruimte tussen panelen. Positieve effecten werden ook gevonden in het geval van een extensief beheer van het zonnepark, zoals de aanleg van kruidenrijk grasland (Raab, 2015; Montag et al., 2016; Herden et al., 2009). Begrazing lijkt een overwegend negatief effect te hebben, zeker als dit jaarrond met relatief hoge dichtheden plaatsvindt waardoor de vegetatie permanent kort wordt gehouden.

In het algemeen is door de aanleg van een zonnepark een verschuiving in de samenstelling van de soorten die het gebied gebruiken te verwachten, omdat verschillende soortgroepen vermoedelijk verschillend op de aanleg van een zonnepark reageren. Akkervogels die als broedvogels in zonneparken werden aangetroffen, zijn Veldleeuwerik (Tröltzsch & Neuling, 2013; Lieder & Lumpe, 2012; Herden et al., 2009; Raab, 2015), Graspieper (Lieder & Lumpe, 2012), Gele Kwikstaart (Raab, 2015), Kneu (Tröltzsch & Neuling, 2013, Lieder & Lumpe, 2012; Raab, 2015), Ringmus (Raab, 2015), Geelgors (Tröltzsch & Neuling, 2013; Lieder & Lumpe, 2012; Herden et al., 2009; Raab, 2015), Grauwe Klauwier (Heindl, 2014; Raab, 2015), Paapje (Tröltzsch & Neuling, 2013; Heindl, 2016; Raab, 2015) en Patrijs (Herden et al., 2009; Raab, 2015). Een akkervogel die zonneparken lijkt te mijden is de Grauwe Gors (Heindl, 2016; Lieder & Lumpe, 2012). Roofvogels zoals Buizerd, Rode Wouw en Torenvalk werden niet als broedvogels in zonneparken aangetroffen, maar maakten wel regelmatig gebruik van zonneparken om te foerageren (bijvoorbeeld Raab, 2015; Visser, 2016; Montag et al., 2016). Er zijn verschillende aanwijzingen dat grotere vogels, met name soorten die in groepen leven (bijvoorbeeld ganzen), zonneparken weinig gebruiken (DeVault et al., 2014).

Vermijden van zonneparken door grote vogels en weidevogels wordt ook door Herden et al. (2009) en Lieder & Lumpe (2012) vermoed. Nergens is de aanwezigheid van de steltlopers onder de weidevogels in zonneparken aangetoond. Hierbij moet worden opgemerkt dat de onderzochte zonneparken niet in typische weidevogelgebieden lagen (Herden et al., 2009), maar aangezien weidevogels openheid en uitzicht prefereren, is het aannemelijk dat ze niet in zonneparken broeden. Zonnepanelen bieden ook nieuwe nestlocaties (bijvoorbeeld Hernandez et al., 2014; Visser, 2016; Lamont & El Chaar, 2011; Tröltzsch & Neuling, 2013; Heindl, 2014; Herden et al., 2009). Wat Europese vogels betreft, is nestelen op de panelenconstructie zelf vastgesteld voor Kneu, Witte Kwikstaart, Zwarte Roodstaart, Grauwe Klauwier en Kramsvogel (Tröltzsch & Neuling, 2013; Heindl, 2014; Herden et al., 2009). Een mogelijk negatief effect van zonneparken betreft directe mortaliteit door zonnepanelen. Dit blijkt echter in slechts een aantal specifieke gevallen voor te komen. Thermische zonnecentrales die door middel van spiegels zonne-energie concentreren, lijkt niet relevant voor de situatie in Nederland/Europa te zijn (McCrary et al., 1986; Kagan et al., 2014; Walston et al., 2016). Mortaliteit van vogels is bekend van (normale) zonneparken in de woestijn.

Dit betreft watervogels die zonnepanelen met wateroppervlakte verwisselen (‘lake effect’, Kagan et al., 2014; Walston et al., 2016). Deze vogels sterven niet direct, maar stranden al dan niet gewond binnen het zonnepark en worden daar gepredeerd (Kagan et al., 2014). Bij gedetailleerde studies in Duitsland en in het Verenigd Koninkrijk werden geen slachtoffers in zonneparken gevonden (Feltwell, 2013; Lieder & Lumpe, 2012; Herden et al., 2009). Herden et al. 2009 observeerden ook geen landingspogingen van watervogels die over zonneparken vlogen. Ook DeVault et al. 2014 (Verenigde Staten) troffen geen aanvaringsslachtoffers aan ondanks een grote steekproef. Visser (2016) (Zuid-Afrika)) rapporteerde wél kadavers, maar de precieze doodsoorzaak en daarmee de relatie met het zonnepark was onduidelijk.

Wageningen Environmental Research Rapport 2945

| 43

Insecten en andere ongewervelden Montag et al. (2016) vergeleken in Engeland waarnemingen van hommels en vlinders tussen transecten binnen zonneparken met transecten in controlegebieden. Over alle 29 zonneparken en 21 controlegebieden waren er geen significante verschillen in soortenrijkdom. De dichtheid aan vlinders en hommels was echter significant hoger in zonneparken, vooral dankzij de ingezaaide bloemrijke vegetaties. Het onderzoek vond kort na de aanleg plaats. De vegetatie heeft tijd nodig om zich te ontwikkelen en dat geldt ook voor de insectenfauna. Dagvlinders zijn sterk afhankelijk van bloemrijke vegetaties en het voorkomen van specifieke waardplanten. In vijf in 2013 onderzochte zonneparken in Duitsland (Raab, 2015) was het opvallend hoe snel na aanleg een groot aantal vinders en vlindersoorten werd waargenomen. Net als in Engeland werden bloemrijke mengsels ingezaaid op voormalige akkers. Een belangrijke factor in Duitsland was de nabijheid van rijke bronpopulaties in kalkrijke schrale graslanden. In Frankrijk is onderzocht of zonneparken een barrière zijn voor de uitwisseling van graslandvlinders tussen leefgebieden (Guiller et al., 2017). Voor de mobielste vlindersoorten leek dit niet het geval te zijn. Voor de plaatstrouwe soorten, die het meest afhankelijk zijn van ecologische verbindingen, leverde het onderzoek geen significant resultaat op.

In het algemeen kan men stellen dat als de inrichting en het beheer van zonneparken zorgen voor de instandhouding van bloem- en kruidenrijke vegetaties, dit belangrijke leefgebieden kunnen zijn die een bijdrage leveren aan ecologische verbindingen tussen natuurgebieden. Sprinkhanen en krekels zijn afhankelijk van directe zonbestraling. Voor zover de bodem en de vegetatie deels of geheel beschaduwd wordt, zal een zonnepark dus nauwelijks functioneren als leefgebied (Herden et al., 2009). Dit geldt zowel voor droge als vochtminnende soorten. Anderzijds zijn er stroken tussen de rijen waar wel zon komt en is het microklimaat in zonneparken aantrekkelijk voor deze soortgroep (Armstrong et al., 2016). Herden et al. (2009) vonden in drie onderzoeksgebieden in zonneparken veertien soorten waaronder vier vermeld in de Duitse Rode Lijst. In de Duitse zonneparken en in referenties daarbuiten zijn met kleefstroken steekproeven genomen van de overige insectenfauna. Doel was te onderzoeken in hoeverre de vangsten binnen de zonneparken afwijken van die daarbuiten. Het aantal gevangen individuen was het hoogst op de stroken die het dichtst bij landbouwgewassen opgehangen waren. De referenties weken niet fundamenteel af van de waarnemingen in de zonneparken (Herden et al., 2009).

Amfibieën en reptielen Nog minder dan aan vogels en insecten vindt er onderzoek aan amfibieën en reptielen plaats in zonneparken. In Groot-Brittannië (BRE., 2014) zijn, naast algemene kikkers en padden, kamsalamanders vastgesteld in poelen in zonneparken. Er is ook geen reden om te veronderstellen dat poelen in zonneparken niet op zijn minst een even goed leefgebied voor amfibieën zouden zijn als poelen in het gangbare agrarisch gebied. Poelen in zonneparken kunnen bovendien gemakkelijker omgeven zijn door extensief gebruikt kruidenrijk grasland, omdat de agrarisch productie ondergeschikt is. De waterkwaliteit kan daardoor hoog zijn, in tegenstelling tot poelen met instroom van nutriëntrijk water vanaf landbouwpercelen. Als landhabitat kunnen zonneparken zowel koeler en vochtiger microklimaat bieden als een door beschutting warmer leefgebied. Voorwaarden voor een ecologisch goede poel is wel dat er voldoende zonbeschenen plekken in de poel zijn. In de Amerikaanse literatuur is aandacht voor habitatvernietiging van reptielen in (semi)woestijnomgevingen door de aanleg van zonneparken en thermische zonne-energiecentrales. Voor Nederland is dit niet aan de orde, omdat bij de huidige regelgeving in natuurgebieden zoals de duinen (met b.v. zandhagedis) en heidevelden (met o.a. gladde slang en adder) geen zonneparken worden gerealiseerd.

Op schrale bodems hebben zonneparken potentie als leefgebied voor reptielen. Het is met reptielen echter net als met sprinkhanen en krekels: er moet vooral voldoende zonbeschenen bodem overblijven. Levendbarende hagedissen worden veelvuldig op de zonnepanelen waargenomen. Aquatische organismen Verrassend genoeg blijken effecten van zonnepanelen op waterinsecten goed onderzocht. Zonnepanelen reflecteren gepolariseerd licht en lijken daardoor op watervlaktes (zoals ook andere artificiële structuren zoals glas- en asfaltvlakten; Horváth et al., 2009, 2010). Het blijkt dat waterinsecten sterk worden aangetrokken door zonnepanelen, o.a. voor de eileg (Horváth et al.,

44 | Wageningen Environmental Research Rapport 2945

2009; Herden et al., 2009). Panelen worden zelfs geprefereerd boven watervlaktes. Panelen werken op deze manier als val, maar tot dusver is er geen onderzoek gedaan naar effecten op populatieniveau. Száz et al. (2016) benadrukken wel het ‘potential to negatively impact their global populations [of aquatic insects] as solar energy expands’. Aantrekkingskracht van panelen op waterinsecten kan verminderd worden door witte strepen op de panelen aan te brengen. Kleine strepen (1,8% van oppervlakte) blijken voldoende (Horváth et al., 2010). Matte panelen met antireflectieve coatings blijken niet te helpen (alleen onder bepaalde weersomstandigheden en voor bepaalde soortgroepen; Száz et al., 2016). Daarnaast wordt aanbevolen zonneparken niet te dicht bij watervlaktes te plaatsen (Száz et al., 2016), waarbij niet wordt aangegeven welke minimale afstand tot water aangehouden zou moeten worden. Andere insecten dan waterinsecten zouden ook door het gereflecteerde gepolariseerde licht aangetrokken of anderszins beïnvloed kunnen worden, bijvoorbeeld hommelachtige of andere visueel ingestelde insecten, maar hierover werd geen informatie gevonden. Flora en vegetatie Beschaduwing en graafwerk ten behoeve van leidingen en andere infrastructuur zijn desastreus voor bijzondere vegetaties.

Het is vanzelfsprekend dat zonneparken in een schraal grasland of heidegebied uit natuurbeschermingsoogpunt ongewenst zijn. Uit Duits onderzoek (Tröltzsch & Neuling, 2013; Heindl, 2014) aan zonneparken gerealiseerd op schrale graslanden in voormalige militaire oefenterreinen blijkt dat de vegetaties in de niet afgedekte 5 m tussen de panelentafels nog wel aantrekkelijk is voor bv. het paapje als het goed wordt beheerd. Het moet dan ook wel bloemrijk zijn geweest. Vegetatiekundig moet het deel onder de panelen echter als verloren worden beschouwd. Montag et al. (2016) vergeleken systematisch de botanische soortenrijkdom in zonneparken gerealiseerd op voormalige akkers met controlegebieden. Zij concluderen dat het met actief beheer mogelijk is een grotere botanische diversiteit te realiseren, zowel in grassen als kruiden, dan in het gangbare landbouwgebied. De verwachting kwam uit dat dit met het inzaaien van kruidenrijke mengsels mogelijk is. Omdat dit resultaat eigenlijk een open deur is, blijft botanisch onderzoek meestal achterwege in zonneparken. Het is echter de moeite waard ook dit soort onderzoek te doen om zekerheid te krijgen over welke vegetatietypen wel of niet haalbaar zijn. Hierbij dient vooral ook gelet te worden op de praktische mogelijkheden om op verschillende tijdstippen en met verschillende frequenties te maaien of te begrazen.

De stellages leggen hieraan beperkingen op. De belangrijkste beperking voor de vegetatie is het gebrek aan direct zonlicht gedurende een groot deel van de dag. Niet alleen onder de panelen, maar ook tussen op het zuiden gerichte rijen. Echt zonminnende planten zullen daarom niet goed gedijen. Voor schaduwminnende planten, vooral bosplanten, zijn zonneparken een goede standplaats, mits het regenwater ook onder de panelen op de bodem kan druppen.

5.2

Beheer zonneparken voor biodiversiteit

Bij het ontwerpen en plannen van zonneparken is vaak weinig aandacht voor het beheer na realisatie van het zonnepark. Het zou goed zijn als daar bij het ontwerp al meer rekening mee zou worden gehouden. Sommige provincies (o.a. Groningen) stellen als randvoorwaarde dat een deel van de grond (10%) moet worden beheerd als natuur door inzaaien van kruiden en voor akkervogels. Maar met het inzaaien alleen ben je er niet. Vegetaties zoals bloemrijk grasland of bloemrijke akkers vergen elk jaar opnieuw het juiste beheer. Intensief gebruikt landbouwgebied is leefgebied voor slechts een klein aantal soorten. Het belang hiervan voor behoud van biodiversiteit in Nederland is eigenlijk alleen groot voor overwinterende vogels zoals ganzen en zwanen. Weidevogels, akkervogels en een groot aantal insecten en andere kleine diersoorten hebben zich aangepast aan extensief gebruikt agrarisch gebied en zijn nu sterk afgenomen, doordat extensief gebruikte landbouwpercelen eigenlijk alleen voorkomen in natuurgebieden of agrarische randgebieden die op het punt staan te verdwijnen. Zeker voor een groot aantal vlinders, bijen, hommels, loopkevers et cetera geldt dat ze in potentie leefgebied zouden kunnen vinden in zonneparken. Een voorwaarde is wel dat het gras binnen de hekwerken niet intensief en continu wordt begraasd door schapen (Montag et al., 2016; Raab, 2015; Herden et al., 2009).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Meierijstad&id=fc13a1c8-6657-4ad4-924b-744860b5b600